<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352834_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 12-01-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 216 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb 2014-12.08</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belastingen en heffingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregel voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>over gebruikersbelasting en eigenarenbelasting</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN
            ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2015.
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" worden ter zake van
                                binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                                geheven:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                        kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                        woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                        recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                        gebruikersbelasting;</al></li>
              <li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                        kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft
                                        krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te
                                        noemen: eigenarenbelasting.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak
                                        in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene
                                        die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel
                                        in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig
                                        te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven;</al></li>
              <li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                        volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die
                                        die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene
                                        die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is
                                        bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan
                                        wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij
                                het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale
                                registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
                                genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastingobject</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                                hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde
                                die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken
                                is vastgesteld voor die onroerende zaak, in hoofdzaak kan worden
                                toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning
                                dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                                waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde
                                waarde voor het tijdvak waarbinnen het in artikel 1 bedoelde
                                kalenderjaar valt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is
                                vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak
                                bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of
                                krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet
                                waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Vrijstellingen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet
                                reeds is geschiedt bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde
                                waarde, de waarde van:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                                        geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open
                                        grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
                                        bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                        gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                                        gebruiken;</al></li>
              <li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de
                                        kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan
                                        bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;</al></li>
              <li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de
                                        openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                        bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, één en
                                        ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende
                                        zaken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                        voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat
                                        voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het
                                        Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering
                                        van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al></li>
              <li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                        heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die
                                        door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke
                                        zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van
                                        natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al></li>
              <li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer
                                        per rail, één en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li>
              <li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden
                                        beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de
                                        delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en
                                        ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                        instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                        rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                        werken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                        afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                        werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                        gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li>
              <li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden
                                        gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                        uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                        bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                        onderwijs;</al></li>
              <li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst
                                        ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste
                                        van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals
                                        lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                                        fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;</al></li>
              <li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                        beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                        eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen
                                        van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="m."><al>begraafplaatsen met de zich daarop bevindende gebouwen,
                                        urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van
                                        zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="n."><al>buitensportaccommodaties waarvan een
                                        vrijwilligersorganisatie genothebbende of gebruiker is,
                                        exclusief kantines en voor verhuur inzetbare vergader- en
                                        multifunctionele ruimten en de bij deze ruimten behorende
                                        bergruimten.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste
                                lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet
                                voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking
                                gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                                woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarieven</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                                heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,2460%</al></li>
              <li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,1331%</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,3042%</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Belastingaanslagen van minder dan € 5,00 worden niet opgelegd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid wordt het
                                totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                                onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                                belastingaanslag.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen dan wel op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
                                worden betaald in één termijn welke vervalt twee maanden na de
                                dagtekening van het aanslagbiljet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                en in afwijking van artikel 7 eerste lid en derde lid, van deze
                                verordening dienen de aanslagen gemeentelijke heffingen dan wel op
                                één aanslagbiljet verenigde aanslagen gemeentelijke heffingen met
                                een totaalbedrag groter dan € 4.500,00, waarvan de dagtekening in
                                het desbetreffende belastingjaar ligt en waarvoor de
                                belastingplichtige een machtiging heeft afgegeven om deze af te
                                schrijven door middel van automatische incasso, te worden betaald in
                                één termijn welke vervalt twee maanden na de dagtekening van het
                                aanslagbiljet. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                en in afwijking van artikel 7, eerste lid, van deze verordening
                                dienen de aanslagen, waarvan de dagtekening in het desbetreffende
                                belastingjaar ligt en waarvoor de belastingplichtige een machtiging
                                heeft afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische
                                incasso, te worden betaald in zoveel gelijke maandelijkse termijnen
                                als er na de dagtekening van de aanslag nog in het desbetreffende
                                heffingsjaar volle dan wel gedeeltelijke kalendermaanden resteren,
                                met dien verstande dat het aantal maandelijkse termijnen niet minder
                                dan zes bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de
                                dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                                telkens een maand later. Voor de overige aanslagen geldt onverkort
                                de in lid 1 van dit artikel vermelde betalingstermijn.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Op het bepaalde in lid 3 van artikel 7 van deze verordening geldt
                                als restrictie dat het bedrag per afschrijving op het totaalbedrag
                                van het desbetreffende aanslagbiljet niet minder dan </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>€ 5,00 bedraagt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6.</lidnr>
            <al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Nadere regels</titel>
          </kop>
          <al>Het dagelijks bestuur van GBLT (het openbaar lichaam Gemeenschappelijk
                            Belastingkantoor Lococensus – Tricijn te Zwolle) kan nadere regels geven
                            met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                            onroerende-zaakbelastingen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De "Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014" van 16-12-2013
                                wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum
                                van ingang van heffing. Zij blijft van toepassing op de belastbare
                                feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de derde dag na
                                die van de bekendmaking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De datum van ingang van heffing is 1 januari 2015.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening
                                onroerende-zaakbelastingen 2015".</al>
          </lid>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>