<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352557_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ WIL 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Werk en Inkomen Lekstroom</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vianen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">IJsselstein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="Lopik: Het Kontakt van 23 december 2014; Vianen: Het Kontakt van 30 december 2014; IJsselstein: Zenderstreeknieuws van 14 januari 2015"/><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ WIL</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>22352/2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ WIL 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen
                        Lekstroom;</al><al>gezien het voorstel van het dagelijks bestuur van 18 december 2014;</al><al>gelet op artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen</al><al>besluit vast te stellen de </al><al><vet>Afst</vet><vet>emmingsverordening IOAW en IOAZ
                            </vet><vet>WIL</vet><vet> 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);</al></li><li nr="c."><al>Algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de
                                            gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen
                                            Lekstroom;</al></li><li nr="d."><al>Dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van Werk en
                                            Inkomen Lekstroom;</al></li><li nr="e."><al>Belanghebbende: iemand die een uitkering ontvangt op
                                            grond van de IOAW respectievelijk de IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>Uitkering: een uitkering op grond van de IOAW
                                            respectievelijk de IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing
                                            zijnde netto grondslag, bedoeld in artikel 5 lid 4 IOAW
                                            respectievelijk IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>Grondslag: de grondslag van de uitkering als bedoeld in
                                            artikel 5 IOAW respectievelijk IOAZ. </al></li><li nr="i."><al>Verlaging: het verlagen van de uitkering op grond van
                                            artikel 20 IOAW respectievelijk IOAZ;</al></li><li nr="j."><al>WIL: Werk en Inkomen Lekstroom</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht
                                    (Awb) en de Gemeentewet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt de
                                            belanghebbende in de gelegenheid gesteld om zijn
                                            zienswijze naar voren te brengen. Hiervan wordt verslag
                                            gedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het naar voren brengen van de zienswijze van de
                                            belanghebbende kan achterwege gelaten worden
                                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich hiertegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is
                                                  gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en
                                                  zich sindsdien geen nieuwe feiten en
                                                  omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een
                                                  verzoek van het bevoegd gezag of een derde aan wie
                                                  het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 7
                                                  van de Participatiewet werkzaamheden heeft
                                                  uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                                  inlichtingen te verstrekken, als bedoeld in
                                                  artikel 17 van de wet, of;</al></li><li nr="d."><al>het dagelijks bestuur het naar voren brengen van
                                                  de zienswijze niet nodig acht voor het vaststellen
                                                  van de ernst van de gedraging of de mate van
                                                  verwijtbaarheid. </al></li><li nr="e."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te
                                                  willen maken; </al></li><li nr="f."><al>belanghebbende niet binnen een redelijke termijn
                                                  (twee weken) heeft gereageerd op het verzoek zijn
                                                  zienswijze naar voren te brengen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij een afstemming van 20% of hoger wordt de gelegenheid
                                            tot het naar voren brengen van een zienswijze in elk
                                            geval gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een
                                            verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>De gedraging meer dan één jaar voor constatering
                                                  heeft plaatsgevonden. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan afzien van een verlaging als
                                            het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer het dagelijks bestuur afziet van het opleggen
                                            van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt
                                            belanghebbende schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt opgelegd met ingang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de ingangsdatum van de uitkering, wanneer een
                                                  gedraging heeft plaatsgevonden voordat het recht
                                                  op uitkering is ingegaan, of;</al></li><li nr="b."><al>de eerste dag van de kalendermaand volgend op de
                                                  maand waarin de beschikking tot het opleggen van
                                                  de verlaging is afgegeven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de
                                            uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging
                                            alsnog gerealiseerd worden door middel van herziening
                                            van de eerder verstrekte uitkering.</al></li><li nr="3."><al>Indien een verlaging niet of niet volledig is uitgevoerd
                                            met toepassing van lid 1 of lid 2 vanwege intrekking of
                                            beëindiging, kan wanneer belanghebbende binnen twaalf
                                            maanden na intrekking of beëindiging van de uitkering
                                            opnieuw een uitkering aanvraagt, rekening worden
                                            gehouden met het verwijtbare gedrag. De aanvraag dient
                                            bijgeval rechtstreeks verband te houden met het
                                            verwijtbare gedrag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Samenloop</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In geval van één gedraging waarbij meerdere
                                            verplichtingen worden geschonden, waarbij verlaging van
                                            verschillende hoogten kunnen worden opgelegd, wordt de
                                            hoogste verlaging opgelegd. </al></li><li nr="2."><al>In geval van meerdere gedragingen waarbij meerdere
                                            verplichtingen worden geschonden, waarbij verschillende
                                            verlagingen kunnen worden opgelegd, worden de
                                            percentages bij elkaar opgeteld (tot een maximum van
                                            100%).. Alleen wanneer zeer dringende redenen zich
                                            daartegen verzetten kunnen de verlagingen na elkaar
                                            worden opgelegd. </al></li><li nr="3."><al>Indien het dagelijks bestuur de uitkering op grond van
                                            artikel 20 eerste lid IOAW of artikel 20 tweede lid
                                            IOAZ, blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die
                                            tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze
                                            verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft
                                            een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.
                                        </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>7</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><lijst><li nr=""><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op
                                    grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                    de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of
                                    onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                                    categorieën:</al><al/><al>a.<cursief>eerste categorie</cursief>: </al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig
                                    laten verlengen van de registratie;</al><al/><al><cursief>b. </cursief><cursief> t</cursief><cursief>weede
                                        categorie</cursief>:</al><al>1°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                    naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al><al>2°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                    bestuur aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36,
                                    eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel
                                    37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
                                    voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                    tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al><al>3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel
                                    e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste
                                    lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te
                                    willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                    ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als
                                    bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen;</al><al>4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het bestuur
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                    artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen;</al><al/><al><cursief>c. </cursief><cursief>derde
                                        categorie:</cursief></al><al>1°. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                    arbeid te verkrijgen;</al><al>2°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>3°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid,
                                    onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel
                                    20, tweede lid, onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                    zelfstandigen;</al><al>4°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                    bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                    als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                    onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de
                                    artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft
                                    geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                    beëindiging van die voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>8</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lijst><li nr=""><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in artikel 7 wordt
                                    vastgesteld op:</al></li><li nr=""><al>a. 10 procent van de grondslag gedurende één maand
                                    bijgedragingen van de eerste categorie;</al><lijst><li nr="b."><al>50 procent van de grondslag gedurende één maand bij
                                            gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de grondslag gedurende één maand bij
                                            gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Recidive en volharding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                            bekendmaking van een besluit, waarbij een verlaging
                                            wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                            verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere
                                            categorie, wordt de verlaging als bedoeld in artikel 8 a
                                            en b verdubbeld in hoogte. Bij een verlaging uit de
                                            derde categorie wordt de duur verdubbeld. </al></li><li nr="2."><al>Wanneer belanghebbende zich vervolgens opnieuw binnen
                                            twaalf maanden na bekendmaking van het besluit, waarbij
                                            de verlaging wordt opgelegd zoals bedoeld in lid 1,
                                            schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, wordt de
                                            verlaging die is opgelegd vanwege recidive (zoals
                                            bedoeld in lid 1) verdubbeld tot een maximum van 100%.
                                            Bij herhaling wordt vervolgens steeds de duur
                                            verdubbeld. Bij een maatregel uit de derde categorie
                                            wordt steeds de duur verdubbeld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt
                                            tegenover personen en instanties die zijn belast met de
                                            uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet
                                            of tegenover personen en instanties die zijn belast met
                                            de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                            als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die
                                            wet, wordt een verlaging opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de grondslag gedurende een maand, bij
                                                  verbale uitingen of gedragingen zoals schelden of
                                                  bedreigen in het algemeen; </al></li><li nr="b."><al>30% van de grondslag gedurende een maand, bij
                                                  schade aan eigendommen of goederen in gebruik bij
                                                  het dagelijks bestuur;</al></li><li nr="c."><al>50% van de grondslag gedurende een maand, bij
                                                  verbale gedragingen (zoals schelden, beledigen)
                                                  tegen de persoon;</al></li><li nr="d."><al>100% van de grondslag gedurende een maand, bij
                                                  mondelinge of schriftelijke bedreiging gericht
                                                  tegen de persoon;</al></li><li nr="e."><al>100% van de grondslag gedurende een maand bij
                                                  lichamelijk geweld, al dan niet met letsel tot
                                                  gevolg. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur houdt rekening met de ernst van
                                            het wangedrag, de mate van verwijtbaarheid en de
                                            persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.</al></li><li nr="3."><al>Naast de verlaging kan door of namens het dagelijks
                                            bestuur aangifte worden gedaan bij de politie en/of kan
                                            de toegang tot het gebouw van Werk en Inkomen Lekstroom
                                            worden ontzegd. De duur van de ontzegging is gekoppeld
                                            aan de ernst van het wangedrag.</al></li><li nr="4."><al>Indien de belanghebbende zich opnieuw zeer ernstig
                                            misdraagt gelden de bepalingen van artikel 9. Hierbij
                                            geldt echter geen verjaringstermijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>11</nr><titel>Mislopen voorliggende voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als door eigen toedoen geen gebruik wordt of kan worden
                                            gemaakt van een voorliggende voorziening wordt een
                                            verlaging opgelegd van 50% van de grondslag gedurende
                                            een maand, indien ten gevolge van de gedraging uitkering
                                            wordt aangevraagd en toegekend.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 9 is van toepassing. Hierbij geldt geen
                                            verjaringstermijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het bestuur de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze
                            weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de
                                            mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of
                                            op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben
                                            kunnen verwerven, als: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een
                                                  dringende reden ten grondslag ligt in de zin van
                                                  artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
                                                  en een persoon ter zake een verwijt kan worden
                                                  gemaakt, of </al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op
                                                  verzoek van een persoon zonder dat aan de
                                                  voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
                                                  verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs
                                                  niet van hem zou kunnen worden gevergd. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bestuur kan de uitkering blijvend weigeren naar de
                                            mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of
                                            op grond van artikel 8 van de IOAW van de IOAZ zou
                                            hebben kunnen verwerven, als een persoon: </al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te
                                                  aanvaarden, of </al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde
                                                  arbeid verkrijgt. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ WIL, vastgesteld op 20 juni 2013,
                            wordt ingetrokken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    IOAW en IOAZ WIL.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van de
                            Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom, gehouden op 18
                            december 2014.</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>dhr. R. Esser dhr. C. van Dalen </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al>Sinds 1 juli 2010 hebben de gemeenten de mogelijkheid een IOAW of IOAZ
                            uitkering te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan
                            het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende
                            nakomt (artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ). De gemeenten ergo de WIL
                            moet het beleid vastleggen in een verordening (artikel 35 lid 1
                            onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAZ).</al><al>Schenden van de inlichtingenplicht</al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de IOAW
                            en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de
                            inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de
                            uitkering.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al><vet>Artikel 1 Begrippen</vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet
                            bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                            gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                            toepassing op deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 2Het besluit tot opleggen van een
                                verlaging</vet></al><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt
                            plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een
                            belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven
                            wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen
                            vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het
                            motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat
                            een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                            voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Horen van belanghebbende</vet></al><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                            gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Dit kan zowel
                            in persoon als schriftelijk. Het tweede lid bepaalt dat in de onderdelen
                            a tot en met f beschreven situaties geen zienswijze van de
                            belanghebbende behoeft te worden ingewonnen.</al><al>Het derde lid bepaalt ten slotte dat als de maatregel 20% of meer
                            bedraagt, er altijd een zienswijze wordt gevraagd.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Afzien van verlaging </vet></al><al>Afzien van verlagen (eerste lid) </al><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 20 lid 3 IOAW en
                            artikel 20 lid 3 IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                            sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid (zie CRvB
                            24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is aan het bestuur te
                            beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het
                            betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                            verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om
                            bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 9
                            van deze verordening). Een andere reden om af te zien van het opleggen
                            van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft
                            plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”)
                            is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft
                            plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel 4 lid 1
                            onderdeel b van deze verordening dat het dagelijks bestuur geen
                            verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden
                            hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                            uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de
                            vraag of de WIL overgaat tot het opleggen van een verlaging. </al><al/><al>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen (tweede en derde
                            lid) </al><al>In artikel 4 lid 2 van deze verordening is geregeld dat kan worden
                            afzien van het opleggen van een verlaging indien daarvoor dringende
                            redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting
                            tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter
                            mogelijk zijn indien voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties
                            zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel
                            bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking
                            van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen
                            zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                            voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een
                            mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en
                            anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende
                            en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële
                            gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien,
                            aangezien dit inherent is aan het verlagen van een uitkering. </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het dagelijks bestuur
                            afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is
                            van belang in verband met eventuele recidive (artikel 4 derde lid van
                            deze verordening). Het opleggen van een verlaging bij recidive is
                            geregeld in artikel 9 van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</vet></al><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                    eerstvolgende maand(en).</al><al/></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. Dan hoeft namelijk niet te worden
                            overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                            veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een
                            verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de
                            kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend
                            is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet
                            worden uitgegaan van de voor die maand geldende norm. </al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering te verlagen. In die
                            gevallen dient de verlaging (het afstemmingsbesluit) met terugwerkende
                            kracht te worden toegepast (zie tweede lid). Het besluit tot verlaging
                            dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening
                            van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot teveel verstrekte
                            uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit teveel
                            is verstrekt kan met toepassing van artikel 25 lid 2 IOAW en IOAZ,
                            worden teruggevorderd. Hierbij moet wel worden bedacht dat afstemming
                            met terugwerkende kracht niet altijd mogelijk is. Als alle uitkering
                            over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert
                            er niets meer om af te stemmen. Als de gedraging schending van de
                            inlichtingenplicht betreft kan aangifte worden gedaan bij het OM , ook
                            als de vordering minder bedraagt dan de aangiftegrens (uitzondering 5 in
                            de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude). </al><al/><al><vet>Artikel 6 Samenloop van gedragingen </vet></al><al>De regeling voor samenloop ziet op twee mogelijke situaties. Enerzijds
                            is de situatie geregeld dat sprake is van één gedraging die schending
                            van meerdere verplichtingen oplevert. In het geval sprake is van één
                            gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening
                            geregelde verplichtingen moet worden uitgegaan van de verplichting
                            waarop de hoogste verlaging van toepassing is (eerste lid). </al><al>Anderzijds is de situatie geregeld waarin sprake is van verschillende
                            gedragingen (meerdaadse samenloop, tweede lid). In dit geval moet voor
                            iedere afzonderlijke gedraging een verlaging worden opgelegd, tenzij dit
                            niet verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de
                            individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden
                            uitgesmeerd. </al><al>Indien sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze
                            verordening opgenomen verplichting als schending van de
                            inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen
                            niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de
                            inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                            bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake
                            is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het
                            bestuur in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt
                            opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op
                            te leggen, waarbij de zwaarste sanctie wordt opgelegd, ongeacht of dit
                            een boete of afstemming is. Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de
                            hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke
                            boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare
                            gedraging zit. Daarnaast kan het bestuur in dit geval nog een of meer
                            verlagingen (op grond van de afstemmingsverordening) opleggen, waarbij
                            bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden
                            met de boete en de eventuele andere maatregelen. </al><al/><al>Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 20 IOAZ respectievelijk
                            artikel 20 IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren
                            als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen
                            verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van
                            het dagelijks bestuur. De vraag of een verlaging moet worden toegepast,
                            zal pas aan de orde komen als het dagelijks bestuur zich een oordeel
                            heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze
                            beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het dagelijks bestuur
                            concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                            verordening een verlaging worden toegepast. </al><al/><al><vet>Artikel 7 Categorieën</vet></al><al>De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                            artikel 7 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ
                            geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7,
                            zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel
                            8 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                            categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen
                            heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde
                            arbeid.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 7 </al><al/><al><vet>Artikel 9 Recidive</vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                            sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de
                            hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan
                            100%. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor
                            gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in
                            plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                            eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging,
                            ook indien wegens dringende redenen is afgezien van het opleggen van een
                            verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                            afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing
                            van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de
                            aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het
                            besluit waarmee de verlaging is opgelegd is verzonden. </al><al>Is sprake van een herhaalde recidive, dan wordt de maatregel verdubbeld
                            tot maximaal 100%, daarna wordt telkens de duur van de maatregel
                            verdubbeld.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Zeer ernstige misdragingen </vet></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Het bestuur kan alleen
                            een verlaging opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                            misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het
                            recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                            afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het
                            recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich
                            zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet)
                            nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting (zie
                            bijvoorbeeld CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, LJN BN0660). Indien een
                            belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een (andere)
                            aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit
                            eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze
                            gedraging geen sanctie mogelijk. </al><al>Een belanghebbende heeft ook een inlichtingenplicht jegens het UWV.
                            Daarom kan geconcludeerd worden dat ook zeer ernstige misdragingen
                            jegens (medewerkers van) het UWV, zouden kunnen leiden tot een verlaging
                            van de bijstand op grond van de afstemmingsverordening. Het zich zeer
                            ernstig misdragen jegens het dagelijks bestuur omvat tevens het zich
                            misdragen jegens een medewerker van het re-integratiebureau, omdat deze
                            personen werken in opdracht van het dagelijks bestuur en de misdraging
                            van negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de IOAW
                            en IOAZ rustende verplichting tot arbeidsinschakeling (zie Rechtbank
                            Rotterdam 26-03-2008, nr. 07/1478, LJN BC9884). </al><al/><al><vet>Artikel 11. Mislopen voorliggende voorzieningen</vet></al><al>Aan de uitkering ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste
                            instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer
                            dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op een uitkering.
                            Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een
                            beroep op uitkering te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat
                            belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                            uitkering, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in
                            ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden
                            dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen
                            op uitkering): </al><al>• het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; </al><al>• het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening. </al><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                            is een gedraging die ook zou kunnen worden gekwalificeerd als een
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan. Vanwege de samenhang met de arbeidsverplichtingen is er
                            echter voor gekozen deze gedraging onder te brengen in artikel 7 van
                            deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 12. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ
                            </vet></al><al>Het bestuur is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de
                            IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                            belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven,
                            maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het bestuur.
                            De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde
                            komen als het bestuur zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele
                            weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas
                            als het bestuur concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op
                            grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 17
                            van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of
                                IOAZ-uitkering </vet></al><al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de
                            IOAZ geeft het bestuur de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of
                            blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als
                            bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben
                            kunnen verwerven, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden
                                    ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
                                    Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan
                                    worden gemaakt; </al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                    belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                    bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs
                                    niet van hem zou kunnen worden gevergd. </al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    aanvaarden; of </al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde
                                    arbeid verkrijgt. </al></li></lijst><al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het bestuur
                            de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af
                            voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een
                            situatie die valt onder c of d dan kan het bestuur de uitkering blijvend
                            weigeren. Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Intrekken oude verordening </vet></al><al>Behoeft geen verdere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>Behoeft geen verdere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>