<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352476_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; de Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/136644</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Nav invoering Participatiewet</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Versie 10.09.2014</al><al>Raadsbesluit</al><al/><al>De raad van de gemeente Haarlem;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Haarlem d.d.
                        ……., nummer 2014/xxx;</al><al>Gelet op:</al><al>-artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen; de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de “Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW,
                        IOAZ”.</al><al>luidende als volgt:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Participatiewet , Wet inkomensvoorziening,</al><al>oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW),
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen (IOAZ);</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel c, van de Participatiewet, artikel 5 van de IOAW en
                                    artikel 5 van de IOAZ ;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18,
                                    tweede lid, van de Participatiewet en artikel 20 van de IOAW en
                                    artikel 20 van de IOAZ ;</al></li><li nr="g."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Haarlem;</al></li><li nr="h."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Haarlem;</al></li><li nr="i."><al>recidive: wanneer belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging.
                                    Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd wordt gelijk
                                    gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van de
                                    omstandigheden waarin belanghebbende verkeert of het afzien van
                                    het opleggen van een maatregel op grond van de omstandigheden
                                    waarin belanghebbende verkeert of dringende redenen als bedoeld
                                    in artikel 6, derde lid van deze verordening;</al></li><li nr="j."><al>’s Rijks kas bekostigd onderwijs: onderwijs als bedoeld in
                                    artikel 13 tweede lid onder c van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen
                                30c, tweede lid, of artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin belanghebbende verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een maatregel wordt beoordeeld op grond van deze verordening
                                geeft het college, ook bij het afzien van een maatregel, een besluit
                                af.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                                vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, de
                                ingangsdatum van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand
                                wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken
                                van een standaardmaatregel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zienswijze van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien
                                het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                                ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van een maatregel indien elke vorm van
                                verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van een maatregel indien na
                                constatering van de gedraging meer dan één jaar is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan afzien van een maatregel indien het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel
                                opgelegd met ingang van de eerstvolgende uitkeringsmaand die
                                verstrekt gaat worden en volgend op de datum waarop het besluit tot
                                het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft
                            een verlaging ter zake van die gedraging op grond van de verordening
                            achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet of niet volledig nakomen van de niet-geüniformeerde
                            verplichtingen Participatiewet.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de bepaling van de hoogte en de duur van de maatregelen wordt,
                                onverminderd het bepaalde in tweede lid van artikel 2 een
                                categorie-indeling gehanteerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte en de duur van de maatregelen zijn voor de onderscheiden
                                categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: maximaal vijf procent van de bijstandsnorm
                                        gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie: maximaal twintig procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="c."><al>derde categorie: maximaal honderd procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer er sprake is van recidive wordt telkens het percentage óf de
                                periode van de maatregel ten hoogste verdubbeld bij:</al><lijst><li nr="a."><al>recidive van een gedraging uit artikel 11 op een gedraging
                                        uit artikel 11;</al></li><li nr="b."><al>recidive van een gedraging uit artikel 12 op een gedraging
                                        uit artikel 12;</al></li><li nr="c."><al>recidive van een gedraging uit artikel 13 op een gedraging
                                        uit artikel 13;</al></li><li nr="d."><al>recidive van een gedraging uit artikel 14 op een gedraging
                                        uit artikel 14;</al></li><li nr="e."><al>recidive van een gedraging uit artikel 15 op een gedraging
                                        uit artikel 15.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de eerste categorie behoort de volgende gedraging:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet als werkzoekende inschrijven bij het
                                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dan wel de
                                        inschrijving niet of niet tijdig verlengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de tweede categorie behoren de volgende gedragingen: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                        gebruik maken van een voorziening, anders dan bedoeld in
                                        artikel 18 vierde lid onder h Participatiewet, waaronder
                                        begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, voor zover
                                        dit <cursief>niet</cursief> heeft geleid tot het geen
                                        doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de
                                        voorziening;</al><al/></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                        uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld
                                        in artikel 44a van de Participatiewet,voor zover het gaat om
                                        een belanghebbende jonger dan 27 jaar, waaronder begrepen
                                        het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
                                        mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, voor zover dit niet
                                        heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                        beëindiging van de afspraken in het plan van aanpak;</al><al/></li><li nr="c."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                                        artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor
                                        zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                        gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel
                                        43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover
                                        deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18,
                                        vierde lid, van de Participatiewet.;</al></li><li nr="d."><lijst><li nr="1."><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>Het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar
                                        de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="3."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van afspraken die zijn
                                        gemaakt in het kader van de re-integratie ; waaronder
                                        begrepen het te weinig verrichten van
                                        sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst><al>Voor zover de gedragingen genoemd onder sub d1, d2, en d3
                                        van dit lid niet hebben geleid tot het geen doorgang vinden
                                        of tot het voortijdige beëindiging van de afspraken die zijn
                                        gemaakt in het kader van re-integratie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de derde categorie behoort de volgende gedraging:</al><lijst><li nr="a."><al>het zodanig laten blijken, uit houding of gedrag, dat de
                                        verplichtingen op grond van artikel 9 eerste lid onder b van
                                        de wet, niet worden nagekomen waardoor de ontheffing op
                                        grond van artikel 9a eerste lid van de alleenstaande ouder
                                        wordt ingetrokken zoals bedoeld in artikel 9a vijfde lid
                                        onder d van de wet. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Het niet of onvoldoende nakomen van de overige aan de bijstand
                                verbonden verplichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tot de tweede categorie behoren de volgende gedragingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de algemene
                                            medewerkingsplicht;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de door het
                                            college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                            werkzaamheden;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de nadere
                                            verplichtingen zoals bedoeld in de artikelen 55 van de
                                            wet die strekken tot arbeidsinschakeling, die verband
                                            houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                            bijstand, of bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                            verplichtingen die strekken tot vermindering van de
                                            bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tot de derde categorie behoort de volgende gedraging: het niet
                                    of in onvoldoende mate voldoen aan de nadere verplichtingen
                                    zoals bedoeld in de artikelen 55 van de wet die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende blijk geeft van tekortschietend besef
                                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan
                                    een maatregel worden opgelegd uit de tweede categorie. In dit
                                    geval kan de standaardperiode genoemd in het tweede lid
                                    onderdeel c van artikel 10 van deze verordening afwijkend worden
                                    vastgesteld en gelijkgesteld aan de periode waarop een beroep op
                                    bijstand wordt gedaan vanwege dit tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan bij het door eigen toedoen
                                    niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid een maatregel
                                    uit de derde categorie worden opgelegd.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan bij het door eigen toedoen
                                    niet starten of voortzetten van uit ’s Rijks kas bekostigd
                                    onderwijs een maatregel uit de derde categorie worden opgelegd
                                    gedurende de periode dat dit onderwijs had kunnen
                                    plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het eerste lid kan bij incidentele of
                                    periodieke bijzondere bijstand een maatregel worden opgelegd
                                    wanneer er sprake is van betoond tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De
                                    hoogte van de maatregel is afhankelijk van het betoonde
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.Maatregel bij verlies van een voorliggende voorziening door
                                verrekening van bestuurlijke boete</nr></kop><al/><al>Indien belanghebbende afhankelijk wordt van bijstand als gevolg van een
                            opgelegde boete bijeen passende voorliggende voorziening, wordt een
                            maatregel opgelegd van de derde categoriegedurende de eerste drie
                            maanden gerekend vanaf de start van de verrekening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet,
                                alsmede artikel 37, eerste lid, onder g, van de IOAW en artikel 37,
                                eerste lid onder g, van de IOAZwordt een verlaging opgelegd uit de
                                derde categorie gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet
                            of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Tot de eerste categorie behoren de volgende gedragingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                    het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet
                                    tijdig laten verlengen van de registratie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tot de tweede categorie behoren de volgende gedragingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor
                                            zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden
                                            of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAZ;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Tot de derde categorie behoren de volgende gedragingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW
                                            en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid
                                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="d."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld
                                            in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38,
                                            eerste lid, van de IOAZ.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al>één maand, bij de toepassing als bedoeld in artikel 18, vijfde
                                    lid van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden, bij de toepassing als bedoeld in artikel 18, zesde
                                    lid van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt inwerking op 1 januari 2015 gelijktijdig met de
                            Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekken vorige afstemmingsverordening</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand, zoals deze is
                            vastgesteld bij raadsbesluit van 20 december 2012, registratienummer
                            2012/442004 wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                            Participatiewet gemeente Haarlem.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Gedaan in de vergadering van …………,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop><cursief><vet>Algemeen</vet></cursief></tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al/><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Met deze
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen regelt het Rijk, en niet langer de
                    gemeente, dat het niet nakomen van deze verplichtingen verwijtbaar is. Voor
                    schending van déze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden
                    verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening
                    is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.<sup/> Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is
                    naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van
                    toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten
                    aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><tussenkop>Jongeren</tussenkop><al>Jongeren dienen te investeren in hun toekomst door te werken of door het volgen
                    van onderwijs. Jongeren die naar school kunnen horen niet thuis in de bijstand.
                    Om dit uitgangspunt te bevorderen heeft de wetgever per 1 juli 2012 de wet
                    aangepast. Jongeren die ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen zijn
                    uitgesloten van bijstand, het “kunnen” in deze bepaling slaat zowel op de
                    capaciteiten van jongeren om onderwijs te volgen, als ook de sociale en medische
                    omstandigheden van de jongeren. Daarnaast moet onderwijs ook feitelijk
                    beschikbaar zijn. Wanneer jongeren onderwijs volgen en dit voortijdig,
                    verwijtbaar afbreken dient hierop een zware maatregel te worden toegepast. De
                    jongere had immers zijn opleiding kunnen voortzetten, waarmee hij zijn kansen op
                    de arbeidsmarkt had verbeterd en met studiefinanciering in zijn levensonderhoud
                    had voorzien. Hier past een stevig signaal dat bijstand geen keuze is wanneer
                    studie mogelijk is. Om deze reden wordt een maatregel uit de derde categorie
                    opgelegd gedurende de gehele periode dat dit onderwijs had kunnen plaatsvinden
                    Deze periode kan dus diverse maanden duren, tot het eerste moment dat de
                    jongeren opnieuw het onderwijs kan instromen. </al><al>Bij het overwegen van deze maatregel wordt nadrukkelijk de individuele
                    omstandigheden van het gezin meegewogen. Alle maatregelen van 3 maanden of meer
                    worden na drie maanden op nieuw gewogen op grond van de “Beleidsregels
                    Heroverwegen maatregel Participatiewet gemeente Haarlem”. Dit zal voor jongeren
                    met een toegepaste maatregel ook gelden. Bij dit onderzoek worden verbeteringen
                    in de houding en het gedrag van de jongere richting scholing meegewogen. </al><tussenkop>De termen afstemmen en maatregelen</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de Participatiewet aangeduid als het afstemmen van de uitkering
                    op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het
                    begrip “afstemmen” wordt het uitgangspunt van de Participatiewet benadrukt dat
                    rechten en plichten één kant van dezelfde medaille vormen. Het opleggen van een
                    maatregel heeft <cursief>geen punitief karakter</cursief>, waarbij het
                    leedtoevoegend karakter voorop staat, maar is <cursief>een reparatoire
                        maatregel</cursief> (herstelmaatregel), gericht op het (weer) in
                    overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waaraan
                    voldaan wordt aan de verplichtingen</al><al/><al>In gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is er dus sprake van een reparatoire sanctie
                    (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging
                    ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor
                    worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan
                    omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen.<sup/> Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert,
                    kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en
                    de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van
                    juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt
                    opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden
                    opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is
                    sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><tussenkop>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</tussenkop><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van
                    de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                    (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                    boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. </al><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                    verlaging van de bijstand.</al><tussenkop>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</tussenkop><al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de
                    bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk
                    deze regels onder te brengen in de afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft
                    er echter voor gekozen deze regels niet in deze verordening op te nemen omdat
                    deze verordening een gecombineerde Participatiewet, IOAW en IOAZ
                    afstemmingsverordening is. De regels over de bevoegdheid om de beslagvrije voet
                    tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete zijn
                    neergelegd in de verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive.</al><al/><al><vet>Sanctionering gedragingen: grondslag sanctionering</vet></al><al>
          
          Dit schema toont of een maatregelwaardige gedraging moet worden
                    omschreven in de afstemmingsverordening of valt onder de geüniformeerde
                    arbeidsverplichting op grond van artikel 18 lid 4 Participatiewet.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Gedraging</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Grondslag sanctionering</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 9 lid 1 onderdeel a Participatiewet</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                        het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de
                                        registratie</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 11 van de
                                        Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 11 van de
                                        Afstemmingsverordening, tenzij de schending het gevolg is
                                        van</al><al>1.het niet verhuizen naar een andere gemeente (artikel 18
                                        lid 4 onderdeel c Participatiewet);</al><al>2.het niet bereid zijn om te reizen over een afstand met een
                                        totale reisduur van 3 uur per dag (artikel 18 lid 4
                                        onderdeel d Participatiewet);</al><al>3.het niet bereid zijn om te verhuizen (artikel 18 lid 4
                                        onderdeel e Participatiewet);</al><al>4.het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden die
                                        noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid (artikel 18 lid 4 onderdeel f
                                        Participatiewet);</al><al>5.het belemmeren van het verkrijgen van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke
                                        verzorging en gedrag (artikel 18 lid 4 onderdeel g
                                        Participatiewet).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        a Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        a Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al><al>tenzij de gedraging plaatsvond voorafgaand aan de melding
                                        voor bijstand, dan vindt afstemming plaats volgens artikel
                                        13 van de afstemmingsverordening.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 9 lid 1 onderdeel b Participatiewet</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        h Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel 9
                                        lid 1 onderdeel b Participatiewet</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        h Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren
                                        van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a
                                        Participatiewet</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 11 van de
                                        Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 9 lid 1 onderdeel c Participatiewet</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                        opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in
                                        artikel 9 lid 1 onderdeel c Participatiewet</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 12 van de
                                        Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 9 lid 1 Participatiewet en artikel 55
                                            Participatiewet</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld
                                        in artikel 9 lid 1 Participatiewet of artikel 55
                                        Participatiewet gedurende 4 weken na de melding zoals
                                        bedoeld in artikel 43 lid 4 Participatiewet</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 11 van de
                                        Afstemmingsverordening voor zover de gedraging niet wordt
                                        genoemd in artikel 18 lid 4 Participatiewet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 9 lid 6 Participatiewet</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het zich niet onthouden van zeer ernstige misdragingen
                                        jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en
                                        instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 15 van de
                                        Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 18 lid 2 Participatiewet</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het betonen van een tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 13 van de
                                        Afstemmingsverordening (algemeen)</al><al>Sanctionering met toepassing van artikel 13 van de
                                        Afstemmingsverordening (door eigen toedoen niet starten of
                                        voortzetten van uit ’s rijkskas bekostigd onderwijs)</al><al> Sanctionering met toepassing van artikel 14 van de
                                        Afstemmingsverordening (als gevolg van boete bij
                                        voorliggende voorziening).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 18 lid 4 Participatiewet</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                        verplichting om ingeschreven te staan bij een
                                        uitzendbureau</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        b Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid in een andere gemeente dan de gemeente van inwoning,
                                        alvorens naar die andere gemeente te verhuizen</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        c Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet bereid zijn om te reizen over een afstand met een
                                        totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk
                                        is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het
                                        behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        d Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet bereid zijn om te verhuizen, indien:</al><al>·het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is
                                        voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het
                                        behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en </al><al>·belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van
                                        tenminste een jaar kan aangaan en daarvoor een netto
                                        beloning ontvangt die ten minste gelijk is aan de voor
                                        belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        e Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden,
                                        noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het
                                        aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        f Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het belemmeren van het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden
                                        of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding,
                                        gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 18 lid 4 onderdeel
                                        g Participatiewet, duur verlaging bepaald in artikel 17 van
                                        de Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 55 Participatiewet</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet of onvoldoende nakomen van een of meerdere door het
                                        college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55
                                        Participatiewet</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 12 van de
                                        Afstemmingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 37 en 38 IOAW en 37 en 38 IOAZ</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet of onvoldoende nakomen van een of meerdere door het
                                        college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 37
                                        en 38 IOAW en 37 en 38 IOAZ</al></entry><entry colname="col2"><al>Sanctionering met toepassing van artikel 16 van de
                                        Afstemmingsverordening</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al> Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al><al/><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief> Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze
                    verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                    bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en
                    verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake
                    is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm
                    verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en
                    artikel 5 van de IOAZ.</al><tussenkop>Benadelingsbedrag</tussenkop><al>Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een
                    hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen
                    van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering,
                    zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de
                    bestuurlijke boete.<sup/></al><tussenkop>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Met de in het tweede lid bedoelde afstemming van de maatregel heeft het college
                    de mogelijkheid de hoogte van de op te leggen maatregel te verlagen als er
                    sprake is van </al><al>bij verminderde verwijtbaarheid of indien daarvoor dringende redenen aanwezig
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 3. BerekeningsgrondslagBijstandsnorm</tussenkop><tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de
                    IOAZ. </al><tussenkop>Bijzondere bijstand</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het tweede lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag
                    in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al><tussenkop>Artikel 5 Zienswijze van belanghebbende </tussenkop><al>Met dit artikel wordt een zorgvuldige afweging beoogd waarbij belanghebbende
                    zijn zienswijze kan geven en eventuele persoonlijke omstandigheden of dringende
                    reden kan toelichten.</al><tussenkop>Artikel 6. Afzien van verlaging</tussenkop><tussenkop>Afzien van verlagen</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.<sup/> Het is aan het
                    college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het
                    betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van
                    artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is
                    daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te
                    laten in geval van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden regelt artikel 6, tweede lid, van deze verordening dat het college
                    geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden zijn
                    geconstateerd. Dit heeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet
                    te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of het college overgaat tot
                    het opleggen van een verlaging.</al><tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</tussenkop><al>In het derde lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering. </al><al/><al><cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief> De wet schrijft bij overtreding van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van
                    de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid,
                    van de Participatiewet moet het college een op te leggen maatregel of een
                    opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en
                    diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het college -
                    dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op
                    grond van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten de maatregel op
                    een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen. </al><al/><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief> Het doen van
                    een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive (artikel 1 onder i). Het opleggen van een verlaging bij
                    recidive is geregeld in artikel 10 derde lid van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><tussenkop>Het opleggen van en maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                    bijstandsnorm. In dit lid is vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met
                    ingang van de eerstvolgende kalendermaand waarbij wordt uitgegaan van de voor
                    die maand geldende bijstandsnorm.</tussenkop><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><tussenkop>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                    bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan de verlaging van de uitkering worden
                    toegepast met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. Voor zover de betaling
                    betrekking heeft op een periode ná de verwijtbare gedraging.</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</tussenkop><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                        geschonden</cursief> Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één
                    gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd
                    in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de
                    hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de
                    hoogste verlaging is gesteld.</al><al/><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                        verplichtingen worden geschonden</cursief> Het tweede lid regelt samenloop
                    als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere
                    verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid,
                    van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop'
                    genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging
                    toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is
                    anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een
                    belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                    omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><tussenkop>Artikel 9. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</tussenkop><al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 10 Indeling in categorieën</tussenkop><tussenkop>Hierin worden de standaardmaatregelen voor de drie categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het niet of onvoldoende voldoen aan de
                    verplichtingen verbonden aan het recht op bijstand. Bij het vaststellen van de
                    percentages waarmee de bijstand wordt verlaagd is in ogenschouw
                    genomen:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De proportionaliteit en evenredigheid van de maatregel in relatie tot de
                            verwijtbare gedraging.</al></li><li nr="-"><al>De verwachte bijdrage van de maatregel aan de beoogde gedragsverandering
                            bij belanghebbende. </al></li></lijst><tussenkop>Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                    gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid.</tussenkop><tussenkop>Tweede lid De hoogte en de duur van de maatregel</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Tot de eerste categorie behoren de lichtere vergrijpen: de
                            standaardmaatregel hiervoor bedraagt vijf procent van de bijstandsnorm
                            gedurende een maand. </al></li><li nr="b."><al>Tot de tweede categorie behoren gedragingen die een relatie hebben tot
                            de plicht tot arbeidsinschakeling en / of die in lichte mate financiële
                            gevolgen hebben, maar waarvan niet onomstotelijk vaststaat dat de
                            gedraging leidt tot een langer beroep op de bijstand: de
                            standaardmaatregel hiervoor bedraagt twintig procent van de
                            bijstandsnorm gedurende een maand.</al></li><li nr="c."><al>Tot de derde categorie behoren de verwijtbare gedragingen die een
                            aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak
                            langer voortduren daarvan. De standaardmaatregel bedraagt honderd
                            procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. </al></li></lijst><tussenkop>Derde lid Recidive</tussenkop><tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging, waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                    eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als
                    wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien
                    van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                    van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen
                    van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><tussenkop>Verdubbeling hoogte verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is
                    gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Met de
                    omschrijving <cursief>dezelfde verplichting</cursief> wordt een gedraging uit
                    het zelfde artikel in deze verordening bedoeld.</al><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    10, derde lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking
                    gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de
                    recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting
                    plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee
                    een verlaging is toegepast. </al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging.</al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen. </al><tussenkop>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Door bij het bepalen van recidive een scheiding tussen de
                    verschillende artikelen aan te houden worden de recidivebepalingen alleen
                    toegepast op dezelfde verplichtingen. Is dit niet het geval, dan moet de
                    verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een
                    verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 15) binnen
                    twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten
                    registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    (artikel 11, eerste lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet
                    "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een
                    belanghebbende niet niet naar vermogen tracht om algemeen geaccepteerde arbeid
                    te verrichten (artikel 11, tweede lid, onderdeel a) en vervolgens een opgedragen
                    tegenprestatie niet verricht (artikel 12, eerste lid, onderdeel b). Ook dan is
                    geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen
                    zijn geschonden. </al><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee
                    maanden Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 11. Gedragingen die de inschakeling in arbeid
                    belemmeren.</tussenkop><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 11
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te </tussenkop><tussenkop>verkrijgen (tweede lid onderdeel a)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand
                    met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur
                    van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                    van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 9. </al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 11,
                    tweede lid, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><tussenkop>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van
                    een voorziening, anders dan bedoeld in artikel 18 vierde lid onder h
                    Participatiewet, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een
                    onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, voor zover dit niet
                    heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de
                    voorziening. (tweede lid onderdeel c)</tussenkop><al>Hierbij worden gedragingen anders dan in artikel 18 vierde lid onder h
                    Participatiewet bedoeld. Dit lid is vooral van toepassing in die situaties dat
                    belanghebbende wel gebruikt maar van de aangeboden voorziening, maar zich
                    hierbij onvoldoende meewerkend opstelt en er ‘de kantjes van afloopt’. </al><tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de uitkering. (zie artikel 11, tweede lid, onderdeel
                    d).</al><tussenkop>Artikel 12. Het niet of onvoldoende nakomen van de overige aan de
                    bijstand verbonden verplichtingen </tussenkop><al>DeParticipatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55
                    van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een
                    viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom
                    altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de
                    bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit
                    artikel vastgestelde verlaging.</al><tussenkop>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid vanaf het
                    moment van melding of tijdens de bijstand moet worden aangemerkt als een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a,
                    en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het door
                    eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet
                    afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet
                    en artikel 9 van deze verordening. </al><al>Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid voorafgaand aan de melding voor bijstand, dan moet afstemming
                    plaatsvinden volgens de regels van artikel 13 van deze verordening.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Artikel 13 derde lid heeft betrekking op het door eigen toedoen niet voortzetten
                    van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs. Jongeren die ’s Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen zijn uitgesloten van bijstand, het kunnen in deze
                    bepaling slaat zowel op de capaciteiten van jongeren om onderwijs te volgen, als
                    ook de sociale en medische omstandigheden van de jongeren. Daarnaast moet
                    onderwijs ook feitelijk beschikbaar zijn. Wanneer jongeren onderwijs volgen en
                    dit voortijdig, verwijtbaar afbreken dient hierop een stevige signaal te komen
                    dat bijstand geen keuze is wanneer studie mogelijk is. Om deze reden wordt een
                    maatregel uit de derde categorie opgelegd gedurende de gehele periode dat dit
                    onderwijs had kunnen plaatsvinden. Deze periode kan dus diverse maanden duren,
                    totdat eerste moment dat de jongeren opnieuw het onderwijs kan instromen.</al><tussenkop>Tijdsduur maatregel</tussenkop><al>Op grond van artikel 13 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt bij het eerste lid
                    tot uitdrukking in de duur van de maatregel, deze duurt het aantal maanden dat
                    eerder een beroep wordt gedaan op bijstand wegens het tekortschietend besef. In
                    het tweede lid is de maatregel 100% gedurende één maand, omdat hierbij sprake is
                    van een beroep op een (gedeelte) uitkering waarop eerder, langer of tot een
                    hoger bedrag een beroep wordt gedaan.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Afstemming van in het vierde lid genoemde bijzondere bijstand wordt individueel
                    vastgesteld maar nooit meer dan de bedoelde bijzondere bijstand.</al><tussenkop>Artikel 14. Maatregel bij verlies van een voorliggende voorziening door
                    verrekening van bestuurlijke boete</tussenkop><al>Artikel 14 heeft betrekking op het feit dat het recht op een passende en
                    toereikende voorliggende voorzien teloor is gegaan, dit wordt aangemerkt als
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Wanneer direct een beroep op
                    bijstand mogelijk is wordt het sanctieregime uit de voorliggende voorziening
                    ondermijnd. Een en ander levert daarom een maatregelwaardig gedraging op, op
                    basis waarvan de bijstand wordt verlaagd. De termijn wordt gesteld op drie
                    maanden om aan te sluiten bij de ernst van het verspelen van de voorliggende
                    voorziening oplopend tot een periode van vijf jaar. De ingangsdatum van de
                    maatregel wordt gelijk gesteld met de start van de verrekening van de boete met
                    de voorliggende voorziening, wanneer pas op een later moment een beroep wordt
                    gedaan op bijstand zal de termijn evenredig korter worden toegepast. </al><tussenkop>Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><tussenkop>Participatiewet </tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen.<sup/> Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer
                    ernstige misdraging'.<sup/></al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.<sup/>
                    Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven
                    dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.<sup/></al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.<sup/></al><tussenkop>IOAW en IOAZ.</tussenkop><al/><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.<sup/> Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers
                    geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het
                    recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer
                    ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een
                    (andere) aan de uitkering verbonden verplichting.<sup/> Vandaar dat in het
                    tweede lid wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                    plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering van IOAW of IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt,
                    geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt
                    bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ
                    tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 16. Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al>De artikelen 10en 16 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel
                    16 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 16, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid.</al><tussenkop>Artikel 17. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>Ten aanzien van de verhuisplicht zullen allereerst de mogelijkheden van de
                    lokale en regionale</al><al>arbeidsmarkten volledig worden onderzocht. Voor het vaststellen van de
                    verwijtbaarheid zullen de specifieke omstandigheden van het geval zorgvuldig
                    worden gewogen. Bij de besluitvorming hierover wordt onder andere rekening
                    gehouden met:</al><lijst><li nr="1."><al>de duur van de werkloosheid;</al></li><li nr="2."><al>de belangen van het gezin (artikel 18 lid 12 van de
                            participatiewet);</al></li><li nr="3."><al>de mogelijke (ontwrichtende) gevolgen voor het sociaal netwerk;</al></li><li nr="4."><al>de tijdelijkheid van de arbeid (waaronder de proeftijd), alsmede de
                            reële kansen om aansluitend een vaste aanstelling of andere arbeid te
                            krijgen;</al></li><li nr="5."><al>de aard van de arbeid;</al></li><li nr="6."><al>de zorgtaken en mantelzorgverplichtingen van de betrokkene;</al></li><li nr="7."><al>de beschikbaarheid en betaalbaarheid van huisvesting en de
                            verhuiskosten.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 19. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>