<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352443_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Haarlem</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Haarlem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/136644</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Nav invoering Participatiewet</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Haarlem</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet</vet><vet> gemeente
                        Haarlem </vet></al><al>De raad van de gemeente Haarlem;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 25 november
                            2014;</al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                            tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al>gelet op het advies van de commissie Samenleving;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de “Re-integratieverordening Participatiewet gemeente
                            Haarlem”.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="d."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="e."><al>duurzame uitstroom; uitstroom naar regulier werk voor de duur
                                    van minimaal zes maanden;</al></li><li nr="f."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="g."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>BELEID EN FINANCIEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 6 aanbieden aan
                                personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 8,
                                aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote
                                afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot en met twaalf
                                        jaar, en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13
                                    en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet
                                    nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                    tenzij het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, onderdeel a, ten tweede, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan het beoogde doel;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                    aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring en/of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed en er geen
                                verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat, dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed en er geen
                                verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden, wanneer de kansen op de arbeidsmarkt
                                zonder scholing minimaal zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>het vergroot de kansen op de arbeidsmarkt; en</al></li><li nr="b."><al>er is voor deze persoon geen mogelijkheid tot het volgen van
                                        ’s Rijks kas bekostigd onderwijs; en</al></li><li nr="c."><al>het is afgestemd op de kwaliteiten en capaciteiten van de
                                        persoon behorende tot de doelgroep.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde,
                                additionele werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                200 per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt
                                aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft, dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                        arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; en</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep; en</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele, functionele of andere
                                        beperking heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer
                                        een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                        ontvangt; en</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b en 46 van de Ziektewet niet van toepassing is,
                                        en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot maximaal 110 procent van het
                                        minimumloon, en</al></li><li nr="b."><al>maximaal 15 procent boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                gemeente een verzekering af en treedt op als verzekeringnemer, dan
                                wel vergoedt de premie aan de werkgever. De begunstigde is de
                                werkgever.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verstrekt de no-riskpolis tot en met 12 maanden vanaf de
                                datum indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tijdelijke loonkostensubsidie werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een ‘tijdelijke loonkostensubsidie werkgever’
                                verstrekken aan werkgevers die met een moeilijk bemiddelbare of
                                uiterst moeilijk bemiddelbare werknemer een arbeidsovereenkomst
                                sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder moeilijk bemiddelbare werknemer wordt verstaan de persoon
                                die:</al><lijst><li nr="a."><al>voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen
                                        reguliere, betaalde betrekking heeft gevonden; of</al></li><li nr="b."><al>geen startkwalificatie bezit; of</al></li><li nr="c."><al>ouder is dan 50 jaar; of</al></li><li nr="d."><al>alleenstaande ouder is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder uiterst moeilijk bemiddelbare werknemer wordt verstaan de
                                persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten
                                minste 24 maanden werkloos is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed en geen verdringing
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De tijdelijke loonkostensubsidie werkgever wordt niet verstrekt als
                                de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op
                                financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                werknemer.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt in een beleidsregel nadere regels ten aanzien van
                                de duur van de tijdelijke loonkostensubsidie werkgever, de hoogte en
                                de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Andere re-integratievoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan besluiten om aan personen die behoren tot de
                                doelgroep een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan te
                                bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ondersteuning die het college aan personen die behoren tot de
                                doelgroep biedt ter bevordering van de arbeidsinschakeling, is
                                gericht op de kortste weg naar duurzame uitstroom.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                Participatiewet gemeente Haarlem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente
                                    Haarlem, registratienummer 150/2004, laatstelijk gewijzigd bij
                                    raadsbesluit van 22 december 2011, registratienummer 2011/
                                    436479, wordt ingetrokken.</al><al/></li><li nr="2."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand
                                    gemeente Haarlem, die moet worden beëindigd op grond van deze
                                    verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan
                                    aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening Wet werk en
                                    bijstand gemeente Haarlem voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van
                                            deze verordening, of</al></li><li nr="b."><al>van deze voorziening, als dat korter is dan de periode
                                            als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.</al><al/></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                    voortgezet.</al><al/></li><li nr="4."><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente
                                    Haarlem blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette
                                    voorziening als bedoeld in het tweede lid.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van d.d. 18 december
                        2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al><al>- persoonlijke ondersteuning </al><al/></li></lijst><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. </tussenkop><tussenkop>Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>
          
          De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in
                    artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b, van de Wet werk en
                            inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid,
                            onderdeel b, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdeel b, van de
                            WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                            gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt
                            en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie
                            als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><tussenkop>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</tussenkop><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan, dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt.
                    Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening.</al><tussenkop>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</tussenkop><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan, dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet regelt
                    de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over
                    personen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de
                    functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                    gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen
                    van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag
                    inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag
                    is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle
                    personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op
                    voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente
                    waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><tussenkop>Grote afstand tot arbeidsmarkt</tussenkop><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4 (voorzieningen
                    werkstages), 5 (sociale activering) en 8 (participatieplaats) aan personen aan
                    die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De
                    doelgroep is gedefinieerd in artikel 1.</al><tussenkop>Korte afstand tot arbeidsmarkt</tussenkop><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 6 (detacheringsbaan)
                    aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                    arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1.</al><tussenkop>Overige voorzieningen</tussenkop><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing (artikel 7),
                    beschut werk (artikel 9), ondersteuning bij leer-werktrajecten (artikel 10),
                    persoonlijke ondersteuning (artikel 11), no-riskpolis (artikel 12),
                    loonkostensubsidie (artikel 13) en andere re-integratievoorzieningen (artikel
                    14). </al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen </tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, derde
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden. Bij
                    het voorzien in de zorgtaken voor kinderen worden de kinderopvang voor kinderen
                    tot vier jaar, en de naschoolse opvang voor kinderen tot 13 jaar, gezien als een
                    passende voorziening voor de opvang van kinderen. Door gebruik te maken van
                    kinderopvang of informele opvang hebben ouders de mogelijkheid om met werk te
                    voorzien in hun levensonderhoud dan wel te werken aan de mogelijkheid tot
                    re-integratie.</al><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).
                    Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid,
                    onderdeel b en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA. Dit betreft mensen die
                    met een loonkostensubsidie van de gemeente zijn gaan werken. Voor deze doelgroep
                    geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden
                    gedurende de periode dat voor iemand loonkostensubsidie wordt betaald én wanneer
                    iemand hierna zónder loonkostensubsidie kan werken,</al><al> gedurende twee aaneengesloten jaren ná de periode van loonkostensubsidie. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Eventuele terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><tussenkop>Artikel 4. Werkstage</tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring</cursief> De Hoge
                    Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk
                    verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van
                    de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de
                    regel geen sprake van beloning. Een werkgever kan overgaan tot het verstrekken
                    van een stagevergoeding. Binnen de Participatiewet wordt een stagevergoeding
                    echter aangemerkt als middel en daarom als inkomen gekort op de uitkering. Er
                    kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is
                    van een vergoeding van gemaakte kosten.</al><tussenkop>Doelgroep aanbieden werkstage</tussenkop><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden
                    voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een
                    persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de
                    arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid,
                    onderdeel b, van deze verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake als
                    een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen
                    geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand
                    tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een
                    persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden
                    aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het
                    college bevoegd hem een werkstage aan te bieden.</al><tussenkop>Doel van de werkstage</tussenkop><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met
                    collega’s.</al><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst</tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden
                    opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                    overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat
                    om een reguliere arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt, als er
                    geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Er is sprake van verdringing
                    wanneer iemand onbetaalde activiteiten uitvoert waarvoor het gebruikelijk is,
                    dat er een betaling tegenover staat. Het mag daarom niet gaan om activiteiten
                    waarvoor een ander normaal gesproken betaald wordt of eerder (minder dan één
                    jaar geleden) nog betaald werd. Dit is het geval als eerder bestaande
                    arbeidsplaatsen met vergelijkbare werkzaamheden binnen deze periode zijn
                    wegbezuinigd bij de betreffende (overheids-)organisatie. Ook mag er geen
                    vacature openstaan voor dezelfde of bijna dezelfde activiteiten als die bij de
                    werkstage zouden worden uitgevoerd. Indien de werkstage wordt ingezet als
                    proefperiode met het doel iemand in dienst te nemen, is plaatsing op een
                    bestaande vacature wel mogelijk voor de duur van maximaal drie maanden. </al><tussenkop>Artikel 5. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. </al><tussenkop>Begrip sociale activering</tussenkop><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al/><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief> Het college kan aan een persoon
                    die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                    activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment
                    algemeengeaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                    gemaakt van een voorziening (artikel 5, eerste lid).</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist, dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig
                    moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                    gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon
                    niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.</al><tussenkop>College stemt duur activiteiten af op de persoon</tussenkop><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al><tussenkop>Artikel 6. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden.</al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van een dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald, dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. </al><al>Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken
                    geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding
                    en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. </al><al>Ten tweede in de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.</al><al>Voor het derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over
                    werkstages.</al><tussenkop>Artikel 7. Scholing</tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan minimaal een havo of vwo-diploma of
                    minimaal een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee.
                    Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                    startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing
                    noodzakelijk zijn voor de re-integratie. </al><al/><al><cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden
                    hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012
                    geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit is voor de
                    volledigheid opgenomen in het derde lid.</al><al/><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of
                    opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                    werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht op zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft
                    aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar haar oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar haar oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</al><al>Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening participatieplaats. </al><tussenkop>Artikel 8. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet en het eerste lid van artikel 8 van deze verordening). Het
                    college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is
                    gekozen voor een premie van telkens € 200 per zes maanden.</al><tussenkop>Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft,
                    dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de voorgeselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.</al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                    Participatiewet).</al><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.</al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, zorgt de
                    gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.</al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.</al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, is vereist dat de jongere uit
                    's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het
                    kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat
                    het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan
                    bieden.</al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, ondera, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 12. No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet).</al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele, functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis.</al><tussenkop>Voorwaarden</tussenkop><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 maanden
                    duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele,
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente.</al><tussenkop>Hoogte vergoeding</tussenkop><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot maximaal 110% van het minimumloon;</al></li><li nr="-"><al>maximaal 15% boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></li></lijst><tussenkop>Contract met verzekeraar</tussenkop><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering afsluiten. De gemeente treedt op als verzekeringsnemer. De werkgever
                    is de begunstigde (derde lid).</al><tussenkop>Duur no-riskpolis</tussenkop><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot 12 maanden na indiensttreding van de
                    werknemer bij de werkgever.</al><al>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 13. </tussenkop><tussenkop>Tijdelijke loonkostensubsidie werkgever </tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen.</al><al/><al><cursief>Compensatie</cursief></al><al> Het doel van de tijdelijke loonkostensubsidie is het bieden van compensatie
                    voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet
                    worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan
                    inzetten. Zo kan het college een tijdelijke loonkostensubsidie aan de werkgever
                    verstrekken om het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de
                    re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. In het eerste lid
                    is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen
                    loonkostensubsidie opgenomen. Een nadere uitwerking van de doelgroep is
                    opgenomen in het derde en vierde lid.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat de ‘tijdelijke loonkostensubsidie werkgever’
                    uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt
                    plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature
                    niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de
                    volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer; of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><al>De in artikel 13 van deze verordening geregelde loonkostensubsidie moet worden
                    onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d
                    van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd
                    in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek
                    bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel 13 opgenomen
                    loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een
                    arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die moeilijk bemiddelbaar of uiterst
                    moeilijk bemiddelbaar zijn.</al><al>Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan
                    personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                    staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel
                    e, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 14. Andere re-integratievoorzieningen</tussenkop><al>Onder artikel 14 worden alle overige inspanningen van het college bedoeld om
                    mensen aan het werk te helpen, aanvullend op hun eigen inspanningen om werk te
                    vinden. Voorbeelden hierbij zijn directe bemiddeling aan de poort en
                    proefplaatsingen bij werkgevers. Deze inspanning is gericht op het verkrijgen
                    van betaald werk, waarbij geen aanvullende voorzieningen nodig zijn. Het
                    verkrijgen van betaalde arbeid zonder ondersteuning heeft de voorkeur boven
                    andere voorzieningen uit deze verordening. Hierbij ligt de nadruk op duurzame
                    uitstroom van minimaal een half jaar, dit kan ook worden bereikt met meerdere
                    kortere dienstverbanden. Langere dienstverbanden hebben de voorkeur aangezien
                    dit meer zekerheid geeft aan de werkzoekende en het college zo minder belast
                    wordt met uitvoeringsinspanningen. </al><tussenkop>Artikel 15. Hardheidsclausule </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><tussenkop>Artikel 16. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 17. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 17 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 17,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    ‘Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Haarlem’. Wordt niet
                    meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd,
                    bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning
                    bij de arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het
                    moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen</tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de ‘Re-integratieverordening Wet werk en
                    bijstand gemeente Haarlem’ worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na
                    inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college
                    besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 17, derde lid). Hierbij
                    kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van
                    een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college ook gehouden is
                    de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen bij beëindiging van de
                    voorziening voor afloop van het contract. Lopende re-integratievoorzieningen
                    kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond
                    conform de overeenkomst.</al><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk</tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de ‘Re-integratieverordening
                    Wet werk en bijstand gemeente Haarlem’ of als de voorziening is toegekend voor
                    een kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een
                    voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de
                    oorspronkelijke toekenning.</al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de ‘Re-integratieverordening Wet werk en
                    bijstand gemeente Haarlem’ van toepassing (artikel 17, vierde lid, van deze
                    verordening).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>