<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352428_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet WIL 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Werk en Inkomen Lekstroom</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vianen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">IJsselstein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="Lopik: Het Kontakt van 23 december 2014; Vianen: Het Kontakt van 30 december 2014; IJsselstein: Zendersteeknieuws van 14 januari 2015"/><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet WIL</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>22350/2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet WIL 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen
                        Lekstroom; </al><al>gezien het voorstel van het dagelijks bestuur van 18 december 2014;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de
                        Participatiewet;</al><al>besluit vast te stellen de</al><al/><al><vet>Afstemmingsverordening Participatiewet WIL 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                    artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de
                                    Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>geüniformeerde arbeidsverplichtingen: in de Participatiewet
                                    opgenomen arbeidsverplichtingen op grond van artikel 18, vierde
                                    lid;</al></li><li nr="·"><al>niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen: verplichtingen op
                                    grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet; </al></li><li nr="·"><al>alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet
                                    nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in de artikelen 9a twaalfde lid en 18, tweede, vijfde en zesde
                            lid, van de Participatiewet, worden in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen.
                                Hiervan wordt verslag gedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het naar voren brengen van de zienswijze van de belanghebbende kan
                                achterwege gelaten worden indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich hiertegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        bevoegd gezag of een derde aan wie het dagelijks bestuur met
                                        toepassing van artikel 7 van de Participatiewet
                                        werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gestelde
                                        termijn inlichtingen te verstrekken, als bedoeld in artikel
                                        17 van de wet, of;</al></li><li nr="d."><al>het dagelijks bestuur het naar voren brengen van de
                                        zienswijze niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst
                                        van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. </al></li><li nr="e."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                        maken; </al></li><li nr="f."><al>belanghebbende niet binnen een redelijke termijn (twee
                                        weken) heeft gereageerd op het verzoek zijn zienswijze naar
                                        voren te brengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een afstemming van 20% of hoger wordt de gelegenheid tot het
                                naar voren brengen van een zienswijze in elk geval gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een verlaging
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>De gedraging meer dan één jaar voor constatering heeft
                                        plaatsgevonden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan afzien van het opleggen van een verlaging
                                als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een
                                verlaging op grond van dringende redenen, wordt belanghebbende
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt opgelegd op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                met ingang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de ingangsdatum van de uitkering, wanneer een gedraging
                                        heeft plaatsgevonden voordat het recht op bijstand is
                                        ingegaan, of;</al></li><li nr="b."><al>de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand
                                        waarin de gedraging heeft plaatsgevonden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de uitkering is
                                beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging alsnog worden
                                gerealiseerd door middel van herziening van de eerder verstrekte
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een verlaging niet of niet volledig is uitgevoerd met
                                toepassing van lid 1 of lid 2 vanwege intrekking of beëindiging, kan
                                wanneer belanghebbende binnen twaalf maanden na intrekking of
                                beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering aanvraagt,
                                rekening worden gehouden met het verwijtbare gedrag. De aanvraag
                                dient bijgeval rechtstreeks verband te houden met het verwijtbare
                                gedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>eerste categorie</cursief>:</al><lijst><li nr="1°."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
                                            het niet tijdig laten verlengen van de registratie;</al></li><li nr="2°."><al>Het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke
                                            behandeling van medische aard, gerelateerd aan
                                            re-integratie. </al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>b. tweede categorie</cursief>:</al><lijst><li nr="3°."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
                                    en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a
                                    van de Participatiewet;</al></li><li nr="4°."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                                    artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor
                                    zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                    gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43,
                                    vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                    verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid,
                                    van de Participatiewet;</al></li><li nr="5°."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                                    b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft
                                    geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht
                                    voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid,
                                    van de Participatiewet;<sup>[1]</sup><sup/></al></li><li nr="6°."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het dagelijks
                                    bestuur opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;</al></li></lijst><al><cursief>c. derde categorie</cursief>: </al><al>7°.het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit
                            uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                            Participatiewet.</al><al/><al><sup>[</sup><sup>1]</sup> Bij een strafbaar feit moet, op grond van het
                            Wetboek van strafvordering artikel 162, er verplicht aangifte worden
                            gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in artikel 7 wordt vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 9, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In uitzonderlijke situaties bij zeer bijzondere omstandigheden kan
                                verrekening van de verlaging, in afwijking van lid 1, worden
                                toegepast over twee maanden, waarbij zowel aan de maand van
                                oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging
                                wordt toebedeeld. Deze uitzonderlijke situatie en de zeer bijzondere
                                omstandigheden moeten schriftelijke worden gemotiveerd. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
                                Participatiewet wegens het door belanghebbende op onverantwoorde
                                wijze interen van zijn vermogen wordt de verlaging vastgesteld op
                                20% van de bijstandsnorm voor de duur dat belanghebbende in zijn
                                onderhoud had kunnen voorzien, wanneer hij op verantwoorde wijze
                                zijn vermogen had besteed. Onder verantwoorde besteding van het
                                vermogen wordt verstaan 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als door eigen toedoen geen gebruik wordt of kan worden gemaakt van
                                een voorliggende voorziening wordt een verlaging vastgesteld op 50%
                                van de bijstandsnorm gedurende een maand, indien ten gevolge van de
                                gedraging algemene bijstand wordt aangevraagd en toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich naar het oordeel van het dagelijks
                                bestuur verwijtbaar gedraagt ten aanzien van de verplichting, zoals
                                in artikel 55 van de wet, of verplichtingen niet of onvoldoende
                                nakomt om over te gaan tot boedelscheiding of kinderalimentatie of
                                partneralimentatie te vorderen, wordt een verlaging vastgesteld op
                                20% van de bijstandsnorm gedurende een maand. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet,
                                wordt een verlaging opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij verbale
                                        uitingen of gedragingen zoals schelden of bedreigen in het
                                        algemeen;</al></li><li nr="b."><al>30% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij schade aan
                                        eigendommen of goederen in gebruik van het dagelijks
                                        bestuur;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij verbale
                                        gedragingen (zoals schelden, beledigen) tegen de
                                        persoon;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij
                                        bedreiging gericht tegen de het eerste lid genoemde
                                        personen;</al></li><li nr="e."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij fysiek
                                        geweld, al dan niet met letsel tot gevolg, tegen medewerkers
                                        van Werk &amp; Inkomen Lekstroom: </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur houdt rekening met de ernst van het wangedrag,
                                de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                                belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Naast de maatregel kan door of namens het dagelijks bestuur aangifte
                                worden gedaan bij de politie en/of kan de toegang tot het gebouw van
                                Werk en Inkomen Lekstroom worden ontzegd. De duur van de ontzegging
                                is gekoppeld aan de ernst van het wangedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich opnieuw zeer ernstig misdraagt, gelden
                                de bepalingen van artikel 15. Hierbij geldt echter geen
                                verjaringstermijn. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bepalingen van lid 1 zijn ook toepassing in geval van uitingen of
                                gedragingen richting medewerkers door wie het dagelijks bestuur
                                werkzaamheden laat verrichten, zoals bedoeld in artikel 7 lid 4
                                Participatiewet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het dagelijks bestuur opgelegde
                            verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of
                            onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende periode één maand, bij
                                    het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken
                                    tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband
                                    houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                    bijstand;</al></li><li nr="c."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onder b of c, 12, eerste
                                lid, of 14 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare
                                gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging
                                verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onder a, of 13 opnieuw
                                schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens
                                het percentage van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld artikel 7 derde categorie of artikel 18,
                                vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging, als bedoeld in artikel 7 derde categorie of
                                artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de
                                verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende
                                tweemaanden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening WWB WIL, vastgesteld op 20 juni 2013, wordt
                            ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    Participatiewet WIL.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van de
                            Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom, gehouden op 18
                            december 2014.</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>dhr. R. Esser dhr. C. van Dalen </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al>Rechten en plichten in de Participatiewet</al><al>Het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom
                            (WIL) heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                            de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                            rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het beleid vastgelegd
                            worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee kanten
                            van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                            de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                            uitkering.</al><al/><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het
                            afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de
                            omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In
                            deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de
                            uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                            bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan
                            de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                            bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet
                            legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                            uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden
                            aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                            uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                            uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                            beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate
                            waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de
                            bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook
                            een rol.</al><al/><al>Wanneer het dagelijks bestuur tot het oordeel komt dat een
                            bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate
                            nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een
                            bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het dagelijks bestuur af van een
                            dergelijke verlaging. Het dagelijks bestuur moet niettemin bij de
                            vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke
                            omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het
                            dagelijks bestuur kan dan ook van een verlaging afzien als het dagelijks
                            bestuur daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                            Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor
                            schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet
                            worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In
                            de verordening is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18,
                            vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al/><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                            verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                            bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is
                            vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de
                            Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen
                            van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende
                            gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al/><al>Het dagelijks bestuur beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van
                            de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende
                            aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de
                            Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw
                            een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden
                            opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast
                            te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de
                            verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige
                            gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                            omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in
                            zwaarte of duur bij te stellen. </al><al>Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het
                            ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als
                            sprake is van schending van een van de geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet).
                            Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18,
                            elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen
                            artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet
                            is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende
                            daarom vraagt.</al><al/><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve
                            sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich
                            zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een
                            strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor
                            worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen
                            naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden
                            feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar.
                            Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                            gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van
                            zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van
                            de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden
                            verlaagd.</al><al/><al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                            afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie
                            (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende
                            gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier
                            strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging
                            kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire
                            maatregel en een punitieve sanctie.</al><al/><al>Niet verlenen van medewerking</al><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot
                            verlaging van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de
                            medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk
                            zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging
                            of intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet
                            kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in dat geval
                            niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde
                            plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt
                            ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                            betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde
                            inlichtingen te verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien
                            als het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen
                            het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede
                            lid, van de Participatiewet niet als verlagingswaardige gedraging op te
                            nemen in deze verordening.</al><al/><al>Schenden van de inlichtingenplicht</al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet
                            werk en bijstand (WWB thans: Participatiewet). Deze moet worden opgelegd
                            bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                            verlaging van de bijstand.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier
                            behandeld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen.</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                            bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                            gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                            toepassing op deze verordening.</al><al><cursief>Bijstandsnorm </cursief>Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze
                            verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                            bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen,
                            en verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt
                            plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een
                            belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven
                            wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen
                            vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het
                            motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat
                            een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                            voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid,
                            van de Participatiewet. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                            sprake is bij evidente afwezigheid van
                            verwijtbaarheid.<sup>[2]</sup></al><al>Het is aan het dagelijks bestuur te beoordelen of elke vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de
                            afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                            verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                            gedraging mee te tellen (zie artikel 15 van deze verordening). Is
                            vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de
                            Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden
                            gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                            van recidive.</al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging
                            spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.</al><al/><al>Om deze reden regelt artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze
                            verordening dat WIL geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer
                            dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als
                            voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt
                            gehouden over de vraag of het bestuur overgaat tot het opleggen van een
                            verlaging.</al><al/><al><cursief>Afzien van verlagen in verband met dringende
                                redenen</cursief>.</al><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen
                            van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De
                            verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                            verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de
                            belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het
                            woord "dringend" blijkt dat er wel iets héél bijzonders en
                            uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                            principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                            afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                            vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                            verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de
                            financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin.
                            Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op
                            zichzelf géén reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit
                            inherent is aan het verlagen van een uitkering. </al><al/><al><cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                                arbeidsverplichtingen </cursief></al><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de
                            bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende
                            lid, van de Participatiewet moet het bestuur een op te leggen maatregel
                            of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een
                            belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als
                            - volgens het dagelijks bestuur - dringende redenen daartoe noodzaken,
                            gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere
                            omstandigheden kan het dagelijks bestuur besluiten de maatregel op een
                            lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen.</al><al/><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive
                            </cursief></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het
                            dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een verlaging wegens
                            dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive
                            (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een verlaging bij recidive is
                            geregeld in artikel 15.</al><al/><al><sup>[2] </sup><inf>CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4887</inf></al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan
                            hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en
                            terugvordering van het te veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit
                            meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de
                            eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin
                            het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de
                            verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm.</al><al/><al><cursief>Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid)</cursief></al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In
                            die gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast.
                            Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere
                            vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te
                            veel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het
                            afstemmingsbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel
                            58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet worden
                            teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet
                            altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is
                            ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen.
                            Is geen duidelijke datum te koppelen aan de gedraging van een
                            belanghebbende of is de verlaging het gevolg van een gedraging
                            voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met terugwerkende kracht
                            evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de toekomst toe
                            worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te
                            solliciteren.</al><al/><al><cursief>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (derde
                            lid)</cursief></al><al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het
                            opleggen van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen
                            recht op bijstand (meer) heeft.<sup>[3]</sup></al><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als
                            gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook
                            mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                            uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde
                            termijn na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond
                            van de wet ontvangt. </al><al>Het bestuur moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het
                            opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid,
                            onderdeel b.</al><al/><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op
                            bijstand niet bij voorbaat worden opgelegd. Het bestuur moet bij het
                            opnieuw toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre er
                            nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake
                            van een afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de
                            maatregel open.<sup>[4]</sup></al><al><sup/></al><al><sup>[3]</sup> CRvB 07-08-2012, nr. 10/3435 WWB,
                            ECLI:NL:CRVB:2012:BX3978.</al><al><sup>[4]</sup> CRvB 08-09-2009, nrs. 07/6337 WWB e.a.,
                            ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7732 en CRvB 07-12-2010, nr. 09/1094 WWB,
                            ECLI:NL:CRVB:2010:BO6721.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Bijstandsnorm </cursief></al><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                            berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                            inclusief vakantietoeslag. </al><al/><al><cursief>Bijzondere bijstand </cursief></al><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast
                            op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand
                            wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet.
                            Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die
                            indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende
                            bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging
                            uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                            rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het
                            derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat
                            geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                            bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al/><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het
                            dagelijks bestuur in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de
                            bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                            gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand.
                            Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk
                            bijzondere bijstand is verstrekt.</al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                            individuele inkomenstoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                            artikel 7 worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet
                            geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7
                            zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel
                            8 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                            categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen
                            heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al/><al><cursief>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</cursief></al><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende
                            nakomen van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB
                            zoals dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het bestuur moest
                            afstemmen als een belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende
                            nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet
                            wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen". Het
                            woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever
                            hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet
                            worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen.
                            Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                            neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                            onvoldoende nakomen van de verplichtingen.</al><al/><al><cursief>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid
                                te verkrijgen (onderdeel c)</cursief></al><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om
                            het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                            arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel
                            18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van
                            de Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor
                            schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart
                            afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent
                            gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten
                            minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                            van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in
                            artikel 9.</al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in
                            artikel 7, derde lid, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen
                            van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals
                            bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden
                                    die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid, en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en
                                    gedrag.</al><al/></li></lijst><al><cursief>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</cursief></al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel
                            9, eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger
                            dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de
                            eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van
                            de Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op
                            grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet
                            geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het
                            oordeel van het bestuur onvoldoende, dan verlaagt het bestuur de
                            uitkering. De verlaging kan in principe al worden toegepast op basis van
                            de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze verordening. Een
                            aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht
                            zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                            belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in
                            gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van
                            inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd
                            opgenomen in de afstemmingsverordening (zie artikel 7, tweede lid,
                            onderdeel b).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij het
                            artikel 7. </al><al>Met de Wet Maatregelen WWB zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                            bijbehorende maatregelen geïntroduceerd. Zie artikel 18, vierde en
                            vijfde lid, van de Participatiewet. Voor onderdeel c is er voor gekozen
                            bij de zwaarte van de afstemming aan te sluiten bij de forse maatregelen
                            voor het schenden van geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Dit omwille
                            van eenvoud en duidelijkheid. Bovendien zijn diverse geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen als bedoeld in de
                            artikelen 7 en 8 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>De eerste keer dat het bestuur een verwijtbaar niet naleven van een
                            geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging
                            honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening
                            vastgestelde periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de
                            Participatiewet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><al>In dit artikel wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze term
                            is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Met
                            de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand
                            waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt. Uitgangspunt is
                            volledige verrekening in de maand van oplegging. </al><al/><al>Verrekening bij zeer bijzondere omstandigheden, over twee maanden
                            (tweede lid), kan alleen in uitzonderlijke situaties. Ernstige
                            financiële gevolgen op zichzelf zijn géén reden om af te zien van
                            volledige verrekening (overeenkomstig het eerste lid) in de maand van
                            oplegging. Dat is inherent aan de verlaging. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in
                            eerste instantie in zijn eigen bestaan(kosten) dient te voorzien. Pas
                            wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand.
                            Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een
                            beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat
                            belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                            bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in
                            ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden
                            dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen
                            op bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                    uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                                    voorziening.</al></li></lijst><al>Onverantwoord besteden vermogen, eerste lid</al><al>Wanneer na interen op het vermogen opnieuw een aanvraag om algemene
                            bijstand wordt gedaan, moet worden beoordeeld of het interen op een voor
                            de Participatiewet aanvaardbare wijze heeft plaatsgevonden. De
                            Participatiewet geeft zelf geen norm hiervoor. Het bestuur heeft daarom
                            zelf een norm voor het interen vastgesteld. Doorgaans wordt een
                                <cursief>interingsnorm </cursief>van 1,5 maal de van toepassing
                            zijnde bijstandsnorm gehanteerd. Deze norm wordt ook in de
                            jurisprudentie acceptabel geacht.<sup/><sup>[5]</sup>Daarnaast kan er
                            reden zijn om het in te teren vermogen lager vast te stellen als gevolg
                            van substantiële noodzakelijke uitgaven. Denk bijvoorbeeld aan de kosten
                            in verband met de noodzakelijke vervanging van duurzame
                            gebruiksgoederen. De interingsnorm dient niet te worden gehanteerd bij
                            het intrekken van het recht op bijstand.<sup>[6]</sup></al><al/><al>Mislopen voorliggende voorzieningen, tweede lid</al><al>Onder a; in deze gevallen kan worden gedacht aan het mislopen van
                            bijvoorbeeld een uitkering doordat de belanghebbende zich verwijtbaar te
                            laat heeft gemeld of in dat verband te laat stukken heeft ingeleverd. </al><al>Onder b; de verplichtingen kunnen inhouden dat belanghebbende over moet
                            gaan tot boedelscheiding of kinder- dan wel partneralimentatie moet
                            vorderen.</al><al/><al>De onder a en b genoemde bepalingen kunnen maandelijks worden opgelegd,
                            totdat de belanghebbende voldoet aan de verplichtingen. Om die reden is
                            verjaring niet van toepassing.</al><al/><al><sup>[5]</sup> CRvB 08-06-2004, nr. 01/4164 NABW</al><al><sup>[6] </sup>CRvB 02-03-2010, nr. 08/642 WWB</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden
                            verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een
                            persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt
                            bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen
                            naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of
                            inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in
                            enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die
                            door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon
                            of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                            lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek- en/of
                            vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens
                            als zeer ernstige misdraging te beschouwen.<sup>[7]</sup>Ook verbaal
                            geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                            misdraging'.<sup>[8]</sup></al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de
                            met de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties
                            (bestuur, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun
                            werkzaamheden.<sup>[9]</sup></al><al>Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt
                            aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de
                            uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar
                            buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van
                            toepassing.<sup>[10]</sup></al><al/><al>Wanneer een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, wordt naast de
                            verlaging van de uitkering aangifte gedaan bij de politie (bij een
                            strafbaar feit moet, op grond van het Wetboek van strafvordering artikel
                            162, er verplicht aangifte worden gedaan). Ook bestaat de mogelijkheid
                            om de toegang tot het gebouw te ontzeggen. WIL sluit zich aan bij de
                            huisregels die gelden binnen het Stadshuis van Nieuwegein en bij het
                            agressieprotocol van de gemeente Nieuwegein. </al><al/><al>Wanneer aangifte bij de politie leidt tot daadwerkelijke strafvervolging
                            en veroordeling, komt de opgelegde verlaging te vervallen. Men kan
                            immers niet voor één feit tweemaal gestraft worden.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden
                            van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is
                            opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze
                            verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een
                            onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren
                            wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang
                            tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of
                            meer verplichtingen die voortvloeiden uit de toenmalige WWB.</al><al/><al><sup>[7]</sup> Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24.</al><al><sup>[8]</sup> CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a.,
                            ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919.</al><al><sup>[9]</sup> Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 55.</al><al><sup>[10]</sup> Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 25-26.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>De Participatiewet geeft het bestuur de bevoegdheid om personen
                            verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn.
                            Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en
                            beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van
                                    een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand,
                                    en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de
                                    bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie
                            verschillend vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het bestuur op
                            grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer
                            individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening
                            vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele
                            omstandigheden van een belanghebbende. Het bestuur zal daarom altijd
                            rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                            eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het
                            dagelijks bestuur de bijstand af te stemmen op de omstandigheden,
                            mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele
                            gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde
                            verlaging.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen
                                worden geschonden</cursief><cursief>.</cursief></al><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die
                            schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                            verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                            regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen
                            van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de
                            gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.</al><al/><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                                verplichtingen worden
                            geschonden.</cursief></al><al>Het tweede regelt
                            samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren
                            van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                            verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                            regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt
                            voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze
                            verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als
                            dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de
                            gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een</al><al>belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de
                            individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden
                            uitgesmeerd.</al><al/><al><cursief>Samenloop met een bestuurlijke boete</cursief></al><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden
                            opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens
                            een boetewaardige gedraging is.</al><al/><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze
                            verordening opgenomen verplichting als schending van de
                            inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen
                            niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de
                            inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                            bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake
                            is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het
                            bestuur in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt
                            opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op
                            te leggen. Het bestuur bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd.
                            Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde
                            lid).</al><al/><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te
                            sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover
                            sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit.
                            Daarnaast kan het bestuur in dit geval nog een of meer maatregelen
                            opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan
                            worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde
                            lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel
                            18, vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als
                            schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van
                            toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al><cursief>Verdubbeling duur verlaging</cursief></al><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                            sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting
                            wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                            uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de
                            verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent.
                            Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden,
                            gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van
                            de hoogte. </al><al>Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld
                            die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende
                            redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening en
                            eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien van het
                            opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                            van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het
                            opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                            verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om
                            bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het
                            bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het
                            tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is
                            verzonden.</al><al/><al><cursief>Verdubbeling hoogte verlaging</cursief></al><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                            sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting
                            wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                            uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de
                            verlaging. Voor lichte verlagingen is gekozen voor een verdubbeling van
                            de hoogte van de verlaging.</al><al/><al><cursief>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                                arbeidsverplichtingen</cursief></al><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer
                            een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de
                            recidivebepaling van artikel 15, eerste of tweede lid, van deze
                            verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het
                            woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de
                            recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde
                            verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                            vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast.</al><al/><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij
                            de eerste keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de
                            oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt
                            een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen
                            geldt een verdubbeling van de duur van de verlaging.</al><al/><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging
                            verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van
                            de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur
                            van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van
                            de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt
                            stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen.</al><al/><al><cursief>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</cursief></al><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat
                            sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging
                            waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde
                            verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de
                            verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een
                            verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 12)
                            binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich
                            niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, eerste
                            categorie), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet
                            "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een
                            belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak
                            (artikel 7, tweede categorie, onder 3º) en vervolgens een opgedragen
                            tegenprestatie niet verricht (artikel 7, tweede categorie onder 6º). Ook
                            dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende
                            verplichtingen zijn geschonden.</al><al/><al><cursief>Recidive schending geüniformeerde
                            arbeidsverplichting</cursief></al><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende
                            een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende
                            twee maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de
                            Participatiewet gegeven marges.</al><al/><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de
                            vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie
                            maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de
                            Participatiewet).</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><al><vet>Inhoud</vet></al><al/><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen </al><al/><al>Artikel 1. Begrippen </al><al>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging </al><al>Artikel 3. Horen van belanghebbende </al><al>Artikel 4. Afzien van verlaging </al><al>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging </al><al>Artikel 6. Berekeningsgrondslag </al><al/><al>Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                            betrekking tot de arbeidsinschakeling </al><al/><al>Artikel 7. Gedragingen Participatiewet </al><al>Artikel 8. Hoogte en duur van de verlaging </al><al/><al>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van geüniformeerde verplichtingen met
                            betrekking tot de arbeidsinschakeling </al><al/><al>Artikel 9. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                            arbeidsverplichting </al><al>Artikel 10. Verrekenen verlaging </al><al/><al>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging </al><al/><al>Artikel 11. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </al><al>Artikel 12. Zeer ernstige misdragingen </al><al>Artikel 13. Niet nakomen van overige verplichtingen </al><al/><al>Hoofdstuk 5. Samenloop en recidive </al><al/><al>Artikel 14. Samenloop van gedragingen </al><al>Artikel 15. Recidive </al><al/><al>Hoofdstuk 6. Slotbepalingen </al><al/><al>Artikel 16. Intrekken oude verordening </al><al>Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel </al><al/><al>Algemene toelichting </al><al>Artikelsgewijze toelichting </al></bijlage></regeling></body></cvdr>