<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352142_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Sociale Zekerheid gemeente Woudrichem 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Woudrichem</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woudrichem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80109.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAlle%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dWoudrichem%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d2%26rpp%3d10%26_page%3d3%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=23&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">GVOP-Jaargang 2014 Nr. 80109 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Sociale Zekerheid gemeente Woudrichem 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Sociale Zekerheid gemeente Woudrichem 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Woudrichem;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2014;</al><al>gezien het advies van de cliëntenraad sociale zekerheid van 29 oktober
                        2014;</al><al>gelet op artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet,
                        artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers; artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen, de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de
                        Gemeentewet;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de afstemming van bijstand of uitkering
                        bij verordening te regelen;</al><al>gehoord het advies van de opiniërende vergadering d.d. 25 november 2014 </al><al>besluit:</al><al>vast te stellen: de </al><al><vet>Afstemmingsverordening Sociale Zekerheid gemeente Woudrichem
                        2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening ouderen en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen en de Algemene wet bestuursrecht. </al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="c."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="d."><al>uitkering: bijstand op grond van de Participatiewet, een
                                            uitkering op grond van de IOAW en een uitkering op grond
                                            van de IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                            de gemeente Woudrichem; </al></li><li nr="f."><al>zeer ernstig misdragen: het door de belanghebbende op
                                            een dusdanige wijze benaderen van het college, dan wel
                                            onder haar ressorterende personen die belast zijn met de
                                            uitvoering van de wet, de IOAW en de IOAZ, dat deze zich
                                            op een fysieke of psychische wijze dan wel een
                                            combinatie van beiden bedreigd voelen; </al></li><li nr="g."><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor </al><al>de voorziening in het bestaan: het verrichten van
                                            handelingen door belanghebbende dan wel het nalaten
                                            daarvan waardoor onnodig een beroep op bijstand wordt
                                            gedaan; </al></li><li nr="h."><al>inlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel
                                            17, lid 1, 2 en 4, van de wet, artikel 13 van de IOAW en
                                            artikel 13 van de IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>aanvullende verplichtingen: de overige aan de bijstand
                                            verbonden verplichtingen gebaseerd op de artikelen 55 en
                                            57, onderdeel a, van de wet, alsmede de individueel
                                            opgelegde verplichtingen welke in de beschikking en het
                                            door de gemeente en belanghebbende ondertekende
                                            trajectplan of plan van aanpak zijn opgenomen; </al></li><li nr="j."><al>verlaging: het gedurende een bepaalde periode, geheel of
                                            gedeeltelijk, weigeren van uitkering of
                                            langdurigheidstoeslag; </al></li><li nr="k."><al>agressieprotocol: het door de gemeente Woudrichem
                                            vastgestelde protocol ter voorkoming en beheersing van
                                            agressie; </al></li><li nr="l."><al>recidive: het binnen een bepaalde periode opnieuw plegen
                                            van een verwijtbare handeling uit dezelfde of hogere
                                            categorie; </al></li><li nr="m."><al>onverwijld uit eigen beweging: het via een daartoe
                                            beschikbaar gesteld formulier – periodieke verklaring of
                                            ander mutatieformulier – of anderszins op de daarop
                                            opgenomen wijze mededeling doen van alle voor het recht
                                            op uitkering van belang zijnde feiten en
                                            omstandigheden;</al></li><li nr="n."><al>onverantwoord interen van </al><al>het eigen vermogen: een besteding aan algemeen
                                            noodzakelijke kosten van het bestaan, welke omgerekend
                                            per maand meer bedraagt dan 1,5 maal de van toepassing
                                            zijnde bijstandsnorm geldend in de periode van deze
                                            besteding, vermeerderd met de maandelijkse premie
                                            ingevolge de Zorgverzekeringswet (minus de eventueel
                                            ontvangen zorgtoeslag) en onder omstandigheden
                                            vermeerderd in verband met hoge woonkosten;</al></li><li nr="o."><al>uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering op
                                            grond van de wet, de IOAW of de IOAZ.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Afstemming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Afstemming van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de uitkering van belanghebbende af door een
                                verlaging van de uitkering indien een belanghebbende naar zijn
                                oordeel niet of in onvoldoende mate de verplichtingen nakomt die
                                voortvloeien uit de wet, de IOAW en de IOAZ, met inbegrip van de
                                verplichtingen die in de beschikking tot toekenning of voortzetting
                                van de uitkering zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het verlagen van de uitkering wordt afgezien indien elke vorm
                                van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college ziet af van de toepassing van een verlaging indien de
                                gedraging meer dan een jaar voor constatering van die gedraging door
                                het college heeft plaatsgevonden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan afzien van het verlagen van de uitkering indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien een verlaging over een periode van meer dan drie maanden
                                wordt opgelegd, beoordeelt het college uiterlijk binnen 3 maanden na
                                de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van
                                belanghebbende aanleiding geven de beslissing te herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het besluit tot toepassing van een afstemming</titel></kop><al>In het besluit tot het toepassen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid van de wet, de
                            artikelen 20 en 38, twaalfde de lid van de IOAW en de artikelen 20 en
                            38, twaalfde lid van de IOAZ wordt in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van het toepassen van de verlaging ;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>de hoogte van de verlaging;</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Wijze van oplegging van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in artikel 11 wordt de verlaging opgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>over de maand waarop de eerstvolgende reguliere betaling van
                                        de uitkering betrekking heeft indien het een persoon betreft
                                        die al een periodieke uitkering ontvangt; </al></li><li nr="b."><al>met ingang van de datum van toekenning van de uitkering,
                                        indien het een persoon betreft die voor de eerste keer een
                                        aanvraag daarvoor heeft ingediend;</al></li><li nr="c."><al>in de maand(en) volgend op de maand bedoeld in onderdeel a,
                                        indien de verlaging een vast bedrag betreft en de verlaging
                                        nog niet volledig is toegepast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de uitkering
                                inmiddels is beëindigd, dan wordt de verlaging alsnog gerealiseerd
                                door middel van herziening van de eerder verstrekte uitkering en/of
                                door middel van verrekening met het nog openstaande vakantiegeld.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de verlaging niet kan worden opgelegd met toepassing van lid
                                1 of lid 2 dan vindt realisatie plaats door verlaging van de
                                uitkering indien de belanghebbende binnen een periode van zes
                                maanden opnieuw uitkering gaat ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c."><al>belanghebbende te kennen heeft gegeven geen prijs te stellen
                                        op het geven van zijn zienswijze;</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in deze
                                verordening ‘uitkering’ worden gelezen als ‘de bijstandsnorm plus de
                                op grond van artikel 12 van de wet verleende bijzondere
                                bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de deze
                                verordening ‘uitkering’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere
                                bijstand’</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a en 55 van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li><li nr="2°."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de wet, voor
                                            zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                            gedurende vier weken na een melding als bedoeld in
                                            artikel 43, vierde en vijfde lid, van de wet, voor zover
                                            deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18,
                                            vierde lid, van de wet;</al></li><li nr="3°."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de wet niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in
                                            artikel 9a, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="4°."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                                            Participatiewet;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning
                                    voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                    artikel 18, vierde lid, van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet
                            of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2°."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor
                                            zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden
                                            of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3°."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld
                                            in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38,
                                            eerste lid, van de IOAZ;</al></li><li nr="4°."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAZ;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2°."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="3°."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="4°."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW
                                            en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid
                                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van die voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in artikel 7 wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 50,00 bij een gedraging uit categorie 1; </al></li><li nr="b."><al>€ 200,00 bij een gedraging uit categorie 2; </al></li><li nr="c."><al>100% van de uitkering gedurende een periode van één maand
                                        bij een gedraging uit categorie 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bij gedragingen als bedoeld in artikel 8 wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 60,00 bij een gedraging uit categorie 1; </al></li><li nr="b."><al>€ 240,00 bij een gedraging uit categorie 2; </al></li><li nr="c."><al>100% van de uitkering gedurende een periode van één maand
                                        bij een gedraging uit categorie 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de bedragen als genoemd in
                                lid 1 en lid 2 aanpassen door middel van indexering. De bedragen na
                                indexering worden afgerond op een veelvoud van € 5,00.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al>één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                    onderdelen b, d, e, f en h van de wet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdelen a, c en g van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, kan het bedrag van
                                de verlaging, bedoeld in artikel 10, worden toegepast over de maand
                                van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, kan de
                                verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de
                                verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de
                                verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde
                                van de verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als
                                bedoeld in het eerste lid plaats. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een afstemming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beroep op de wet door belanghebbende het gevolg is van
                                een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan en er geen sprake is van een gedraging
                                die is ingedeeld in een categorie als omschreven in hoofdstuk 3 of 4
                                van deze verordening dan wordt de bijstand verlaagd met inachtneming
                                van de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
                                gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij
                                verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het onverantwoord interen van het eigen vermogen kan een
                                verlaging worden toegepast ter grootte van het maximale bedrag boven
                                de beslagvrije voet over een zodanige periode dat het bedrag van de
                                maatregel gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het te snel
                                interen extra is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Zeer ernstig misdragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet,
                                als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de wet, wordt de uitkering
                                verlaagd met inachtneming van de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de IOAW of de IOAZ, wordt de
                                uitkering verlaagd met inachtneming van de ernst van de gedraging,
                                de mate waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedragingen van de belanghebbende waarmee deze zich zeer ernstig
                                misdraagt als bedoeld in lid 1 en lid 2 worden onderscheiden in de
                                volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Categorie A:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Categorie B:</al><lijst><li nr="a."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="b."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen).</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Categorie C:</al><lijst><li nr="a."><al>mensgericht fysiek geweld dan wel bedreiging met
                                                geweld.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verlaging als die wordt toegepast op grond van het eerste lid
                                wordt eenmalig vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 250,00 bij een gedraging uit categorie A;</al></li><li nr="b."><al>€ 500,00 bij een gedraging uit categorie B;</al></li><li nr="c."><al>100% van de uitkering gedurende een maand bij een gedraging
                                        uit categorie C.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verlaging als die wordt toegepast op grond van het eerste lid
                                wordt eenmalig vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 300,00 bij een gedraging uit categorie A;</al></li><li nr="b."><al>€ 600,00 bij een gedraging uit categorie B;</al></li><li nr="c."><al>100% van de uitkering gedurende een maand bij een gedraging
                                        uit categorie C.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In aanvulling op de vorige leden kan, conform het bepaalde in het
                                gemeentelijk agressieprotocol, door of namens het college aangifte
                                worden gedaan bij de politie dan wel de toegang tot het gemeentehuis
                                worden ontzegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting
                                als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                                nakomt, wordt een verlaging toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 100,00 bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                        verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>€ 200,00 bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                        verplichtingen die verband houden met de aard en het doel
                                        van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="c."><al>€ 400,00 bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                        verplichtingen die strekken tot vermindering van de
                                        bijstand;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet
                                        of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                        beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid van de wet ,
                                genoemde verplichtingen wordt één verlaging opgelegd. Voor het
                                bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van
                                de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid
                                van de wet, genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een
                                afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden
                                gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel
                                een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet
                                genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de wet
                                genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover
                                voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                wet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de
                                wet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan
                                worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                                verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging,
                                de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                            van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging
                            als bedoeld in artikel 7, artikel 8, artikel 12, artikel 13 of artikel
                            14, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                            gedraging van dezelfde of hogere categorie, wordt de verlaging die op
                            grond van de bepalingen van hoofdstuk 3 en hoofdstuk 5 van deze
                            verordening moet worden opgelegd voor de nieuwe verwijtbare gedraging
                            telkens verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                            van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging
                            als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen b, d, e, f en h, van
                            de wet, zich opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging op
                            grond van artikel 18, vierde lid, onderdelen b, d, e, f en h, van de
                            wet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende twee
                            maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                            van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging
                            als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen a, c en g van de wet,
                            zich opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging op grond van
                            artikel 18, vierde lid, onderdelen a, c en g van de wet, bedraagt de
                            verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                            van een besluit zoals bedoeld in het tweede en derde lid, opnieuw
                            schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de wet, bedraagt de verlaging telkens 100% van de
                            bijstandsnorm gedurende drie maanden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW of IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft
                            een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>Door of namens het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                            belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen in deze verordening,
                            indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Woudrichem,
                            vastgesteld bij besluit van 14 mei 2013, wordt ingetrokken met ingang
                            van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Afstemmingsverordening Sociale
                            Zekerheid gemeente Woudrichem 2015”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                            Woudrichem van 16 december 2014.</ondertekening><ondertekening>de griffier, O.F. Matheijsen</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, A. Noordergraaf</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Afstemmingsverordening Sociale Zekerheid 2015, gemeente
                        Woudrichem</titel></kop><tussenkop>Algemene Toelichting</tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het Gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering.
                    Dit betreft een wettelijke verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college hiervan af. Het college moet
                    niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de
                    persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het
                    college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer
                    dringende reden aanwezig acht.</al><al>In de Memorie van Toelichting bij de Participatiewet (Tweede Kamer, vergaderjaar
                    2013–2014, 33 801, nr. 3, p. 27) stelt de regering, dat de regering streeft naar
                    economische en financiële onafhankelijkheid van zoveel mogelijk mensen. Dat zo
                    veel mogelijk mensen die nu een uitkering hebben aan het werk gaan, is ook
                    noodzakelijk voor het draagvlak en de betaalbaarheid van onze sociale
                    voorzieningen, nu en in de toekomst. Degenen die uit solidariteit de kosten van
                    die voorzieningen dragen, moeten er op kunnen rekenen dat een uitkering alleen
                    verstrekt wordt in die gevallen waarin dat echt nodig is. </al><al>Verplichtingen, naleving en handhaving zijn drie pijlers onder het
                    socialezekerheidsstelsel die nodig zijn voor de houdbaarheid en voor het behoud
                    van de solidariteit van de mensen die voor het stelsel betalen (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2013-2014, 33 801,nr. 3, p. 31).</al><al>Voorts stelt de regering vast dat er bij de naleving en de handhaving van de
                    arbeidsverplichtingen punten zijn die voor verbetering vatbaar zijn (33 801, nr.
                    3, p. 31). Klantmanagers hebben in de uitvoering een (te) grote
                    beoordelingsvrijheid; zij leggen naar eigen inzicht wel of geen maatregel op.
                    Dat leidt tot ongerechtvaardigde rechtsverschillen, zowel binnen een gemeente
                    als tussen gemeenten onderling. </al><al>Het onderzoek van de Inspectie SZW «Iedereen aan de slag» (december 2011)
                    constateert daarnaast dat gemeenten onvoldoende dwang en drang uitoefenen, opdat
                    mensen met een uitkering actief op zoek gaan naar werk.</al><al>Gelet op het voorgaande, komt de regering met een uniformering van diverse
                    arbeidsverplichtingen. In het aanvankelijke wetsvoorstel gold voor schending van
                    de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, dat zowel de duur als de hoogte van de
                    maatregel bij het niet nakomen van deze verplichtingen, wettelijk was geregeld,
                    en wel 100% gedurende drie maanden. In de loop van de parlementaire behandeling
                    is dit zodanig gewijzigd, dat voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, Participatiewet,
                    geldt dat in beginsel een maatregel moet worden opgelegd van honderd procent
                    gedurende één tot drie maanden, en de gemeenteraad in de verordening de duur van
                    de maatregel moet vastleggen (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet).</al><al>Wel kan van het opleggen van een maatregel worden afgezien in de bij de wet
                    geregelde gevallen, zoals het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid.
                    Indien wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid is afgezien van
                    het opleggen van een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of
                    vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een maatregel, dan is
                    daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te
                    laten in geval van recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.<sup/> Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is
                    naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van
                    toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten
                    aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen.<sup/> Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert,
                    kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en
                    de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van
                    juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt
                    opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden
                    opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is
                    sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><tussenkop>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</tussenkop><al>Het college heeft de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) te verlagen of te weigeren als
                    een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet
                    of onvoldoende nakomt (artikel 20, 37 en 38 van de IOAW en artikel van de 20, 37
                    en 38 van de IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een
                    verordening (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><tussenkop>Verschillen tussen Participatiewet enerzijds en IOAW en IOAZ
                    anderzijds</tussenkop><al>Artikel 20, eerste en tweede lid, van de IOAZ en IOAZ noemt de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate
                            waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel
                            8 zou hebben kunnen verwerven, indien:</al></li><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                            gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                            belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
                            waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
                            kunnen worden gevergd;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
                            of</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                            verkrijgt.</al></li><li nr="2."><al>Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld
                            in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of
                            onvoldoende nakomen door de belanghebbende die voor de zelfstandige
                            voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking,
                            van een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, of
                            een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting,
                            anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                            onderdelen a en c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer
                            ernstig misdragen.</al></li></lijst><al>Artikel 37 van de IOAW en IOAZ noemt de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is
                            aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is vanaf de dag van melding,
                            bedoeld in artikel 16a, tweede lid, verplicht:</al></li><li nr="a."><al>naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en geregistreerd blijft,
                            indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste
                            lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="c."><al>algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;</al></li><li nr="d."><al>na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;</al></li><li nr="e."><al>gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening,
                            waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling,
                            alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="f."><al>naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in
                            aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                            arbeidsmarkt.</al></li></lijst><al>De IOAW en IOAZ kennen dus de volgende afstemmingswaardige gedragingen die de
                    Participatiewet niet kent, of in andere vorm, namelijk in de vorm van
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen:</al><al>1 aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking ligt een dringende reden ten
                    grondslag in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de
                    belanghebbende kan ter zake een verwijt worden gemaakt; </al><al>2 de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende
                    zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                    voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; </al><al>3 naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al><al>4 na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;</al><al>5 de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                    verkrijgt.</al><al>Daarnaast kennen de IOAW en IOAZ de volgende afstemmingswaardige gedragingen die
                    de Participatiewet ook kent:</al><al>1 ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en geregistreerd blijft, indien hem
                    daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet
                    structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; </al><al>2 algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;</al><al>3 gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder
                    begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te
                    werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; </al><al>4 naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al>5 de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of </al><al>6 het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.</al><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                    betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te
                    verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van
                    medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet
                    als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (WWB) (thans: Participatiewet), de IOAW en de IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                    verlaging van de bijstand op grond van de afstemmingsverordening.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de
                    IOAW, de IOAZ of de Awb niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                    voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in deze wetten de
                    verordening moet worden gewijzigd. </al><al>De begrippen die niet zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ of
                    de Awb, of die verduidelijkt moeten worden, zijn in het tweede lid
                    omschreven.</al><al>Onder f is vastgelegd wat moet worden verstaan onder een zeer ernstige
                    misdraging. Deze omschrijving is opgenomen omdat de WWB, de IOAW en de IOAZ de
                    mogelijkheid bieden om de uitkering te verlagen als een cliënt zich zeer ernstig
                    misdraagt tegenover het college en de in zijn opdracht werkende ambtenaren en
                    medewerkers.</al><al>Onder g tot en met j worden begrippen verduidelijkt, omdat deze van belang
                    kunnen zijn bij de motivering van een verlaging.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Afstemming</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Afstemming van de uitkering</tussenkop><al>In het eerste lid wordt geregeld dat de afstemming van de uitkering wegens
                    verwijtbare gedragingen geschiedt in de vorm van een verlaging. Voor de wijze
                    van tenuitvoerlegging wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4 van deze
                    verordening.</al><al>Met de bepaling in het tweede lid is beoogd de mogelijkheid te scheppen de
                    verlaging zoveel mogelijk toe te snijden op het concrete geval en dus maatwerk
                    te leveren. Dit heeft tot gevolg dat naast de ernst van de gedraging (zoals deze
                    gecategoriseerd is) rekening moet worden gehouden met de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Zo is
                    het mogelijk om uitgaande van de ernst van de gedraging op basis van verminderde
                    verwijtbaarheid of op grond van bijzondere omstandigheden een andere verlaging
                    toe te passen dan waarin de standaard voorziet. Van belang is daarbij
                    bijvoorbeeld de overweging of de belanghebbende de gevolgen van zijn gedrag
                    redelijkerwijs had kunnen voorzien. In lid 3 wordt nog specifiek vastgelegd dat
                    van het verlagen van de bijstand wordt afgezien indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al>In lid 4 is opgenomen dat wordt afgezien van een verlaging indien de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt deze verordening dat het
                    college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden
                    hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging. </al><al>In artikel 2, lid 5 is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt
                    een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop.
                    Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien voor de belanghebbende
                    onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt
                    dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een
                    afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen
                    zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering. </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen (lid 6) is van belang in
                    verband met eventuele recidive. Het opleggen van een verlaging bij recidive is
                    geregeld in artikel 13 van deze verordening.</al><al>Het zevende lid regelt de in artikel 18, lid 3, WWB opgenomen verplichting.
                    Artikel 18, derde lid, WWB schrijft voor dat het college een verlaging moet
                    heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Binnen drie maanden na de
                    beschikking tot verlaging moet het college beginnen met het onderzoek in het
                    kader van de heroverweging. Dit onderzoek kan in sommige gevallen schriftelijk
                    plaatsvinden, afhankelijk van de aard van de verplichting of gedraging. Zo kan,
                    bijvoorbeeld wanneer het gaat om het al dan niet nakomen van de
                    sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen van schriftelijke bewijzen
                    waaruit blijkt dat de belanghebbende inmiddels aan de sollicitatieplicht is gaan
                    voldoen. In andere gevallen zal het noodzakelijk zijn om de belanghebbende op te
                    roepen. </al><tussenkop>Artikel 3 Het besluit tot toepassing van een afstemming</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep instellen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet
                    bestuursrecht en dan vooral uit de eis dat een besluit kenbaar is en van een
                    deugdelijke motivering is voorzien.</al><tussenkop>Artikel 4 De wijze van oplegging van de verlaging</tussenkop><al>In het eerste lid van artikel 3 wordt een onderscheid gemaakt tussen personen
                    die al een periodieke uitkering ontvangen en personen die deze uitkering nog
                    niet ontvangen maar hiervoor een aanvraag hebben ingediend.</al><al>In onderdeel a wordt geregeld over welke periode de afstemming plaatsvindt bij
                    een persoon die al een periodieke uitkering ontvangt. Voor deze groep geldt dat
                    de afstemming plaatsvindt over de maand waarop de eerstvolgende betaling
                    plaatsvindt. Wanneer een besluit tot afstemming in augustus wordt genomen, dan
                    vindt de afstemming dus plaats over de maand augustus. De uitkering over de
                    maand augustus wordt namelijk medio september betaalbaar gesteld.</al><al>In onderdeel b wordt bepaald wanneer de afstemming plaatsvindt bij de persoon
                    die een uitkering heeft aangevraagd. Hierbij vindt de afstemming plaats met
                    ingang van de datum van toekenning van de uitkering. Wanneer de uitkering wordt
                    toegekend met ingang van 15 augustus dan vindt de afstemming dus met ingang van
                    15 augustus plaats. Een afstemming van een maand vindt dus plaats over de
                    periode van 15 augustus t/m 14 september.</al><al>Uiteraard geldt ook op dit onderdeel het individualiseringsbeginsel. Dit
                    betekent dat er op basis van bijzondere omstandigheden altijd de mogelijkheid
                    bestaat om van de algemene regel af te wijken. Een dergelijke afwijking dient
                    wel zorgvuldig te worden gemotiveerd</al><al>Indien er sprake is van een verwijtbare gedraging die aanleiding moet zijn om
                    een afstemming van de uitkering te laten plaatsvinden, kan deze afstemming
                    alleen toegepast worden als er nog sprake is van uitkeringsrecht. Wanneer de
                    uitkering al beëindigd is, kan deze afstemming niet meer plaatsvinden. In de
                    verordening is opgenomen dat deze afstemming alsnog plaatsvindt als betrokkene
                    binnen 6 maanden weer een beroep doet op een uitkering. </al><tussenkop>Artikel 5 Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht is in een aantal
                    gevallen het horen van de belanghebbende bij de voorbereiding van beschikkingen
                    verplicht. In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat tot een
                    verlaging wordt besloten in beginsel voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat in de onderdelen a en b een aantal uitzonderingen in de
                    hoorplicht dat ook is vernoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Met de uitzondering dat van horen kan worden afgezien indien de
                    vereiste spoed zich daartegen verzet zal hiermee zeer terughoudend dienen te
                    worden omgegaan.</al><al>In het tweede lid, onderdeel c, wordt benoemd dat van het horen kan worden
                    afgezien in situaties waarin belanghebbende te kennen heeft gegeven hier geen
                    prijs op te stellen. In onderdeel d is aangegeven dat afgezien kan worden van
                    het horen als het college dit niet nodig acht voor het vaststellen va de ernst
                    van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. Een dergelijke situatie kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen als er op andere wijze al veelvuldig contact is
                    geweest met de belanghebbende, waardoor er voldoende feiten bekend zijn om tot
                    een beoordeling over te kunnen gaan.</al><al>Met de nadrukkelijke opname van de hoorplicht in deze verordening wordt beoogd
                    te komen tot zorgvuldige besluitvorming. Hierdoor kan een goede belangenafweging
                    plaatsvinden tussen het belang van belanghebbende en het belang van de gemeente
                    om naleving te verlangen van de opgelegde verplichtingen.</al><al>Horen impliceert niet automatisch dat een mondeling contact met belanghebbende
                    plaatsvindt. In veel situatie kan het de voorkeur genieten om belanghebbende
                    schriftelijk in de gelegenheid stellen zijn zienswijze op het voornemen tot
                    verlaging van de uitkering kenbaar te laten maken. Deze voorkeur wordt ingegeven
                    vanwege de vastlegging en de praktische invulling. Dat geldt vanzelfsprekend
                    niet voor situaties waarin hierover al mondeling contact met belanghebbende is
                    geweest. Tijdens dat mondelinge contact kan aan hem zijn zienswijze worden
                    gevraagd over de te besluiten verlaging van de bijstand.</al><al>Zowel in de rapportage als in het besluit dient aandacht te worden besteed aan
                    het feit of belanghebbende van de mogelijkheid zijns zienswijze kenbaar te maken
                    gebruik heeft gemaakt en, zo ja, op welke wijze diens zienswijze in de
                    besluitvorming is betrokken.</al><tussenkop>Artikel 6 Berekeningsgrondslag </tussenkop><al>In artikel 6, lid 1, van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat een
                    verlaging wordt berekend over de uitkering. Onder uitkering wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de
                    IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 IOAW of
                    IOAZ. </al><al>In artikel 6, lid 2, onderdeel a, van deze verordening is bepaald dat een
                    verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een
                    belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12
                    van de wet. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm,
                    die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                    bijstand in de kosten van levensonderhoud. Daarom is in het derde lid, onderdeel
                    a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de
                    bijstandsnorm plus de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van
                    de wet. </al><al>Artikel 6 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het
                    college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                    bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                    belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan
                    uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                    verstrekt. </al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de wet.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                    betrekking tot de arbeidsinschakeling</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 Gedraging Participatiewet</tussenkop><al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gezien. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. In artikel 9 wordt aan deze categorieën een gewicht toegekend in de
                    vorm van de hoogte van de toe te passen verlaging. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger naarmate de
                    gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaald werk.</al><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel c)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime. Dit is vastgelegd in
                    hoofdstuk 4 van deze verordening. </al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in dit artikel
                    7, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                    van de Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><al>Dergelijke gedragingen dienen namelijk met toepassing van hoofdstuk 4 afgestemd
                    te worden.</al><tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden
                    toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze
                    verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou
                    wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                    belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat.
                    Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de
                    herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de
                    afstemmingsverordening (zie artikel 7, onderdeel b, sub 2°).</al><tussenkop>Artikel 8 Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al>Evenals artikel 7 moet ook artikel 8 in onderlinge samenhang met artikel 9
                    worden gelezen. In artikel 8 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW
                    en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8,
                    zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een
                    gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden,
                    verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><tussenkop>Artikel 9 Hoogte en duur van de afstemming</tussenkop><al>Aan de categorieën is een bepaalde weging gekoppeld al naar gelang de zwaarte
                    van de gedraging. Deze standaard dient als uitgangspunt bij de uiteindelijke
                    vaststelling van de verlaging, waarbij te allen tijde de ernst van de gedraging,
                    de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden moeten worden
                    meegewogen. </al><al>Er wordt bij de categorieën 1 en 2 niet gekozen voor verlaging van de uitkering
                    in de vorm van een percentage van de voor betrokkene van toepassing zijnde norm
                    of van het benadelingsbedrag. Ter wille van de duidelijkheid in de hoogte van de
                    ‘strafmaat’ is gekozen voor een vast bedrag voor de verwijtbare gedragingen uit
                    de categorieën 1 en 2.</al><al>Ook is niet gekozen voor een vast bedrag voor de onderscheidenlijke
                    bijstandsnormen voor grofweg alleenstaande, alleenstaande ouder en gezinnen.
                    Door het vaststellen van een vast bedrag wordt een duidelijker objectieve
                    relatie gelegd tussen de verwijtbare gedraging en de gevolgen die dit heeft en
                    wordt geen relatie gelegd met de hoogte van het inkomen. </al><al>De vergelijking doet zich op met een verkeersovertreding. Bij het rijden door
                    rood licht staat op de overtreding een boete. Ook hierbij kennen wij in
                    Nederland geen inkomensafhankelijke boete.</al><al>De verlaging, zoals in lid 1 is omgeschreven, is van toepassing op de norm.
                    Korting op de uitkering wegens bijvoorbeeld middelen hebben dus geen invloed op
                    de verlaging. De maximale verlaging over een maand is nooit hoger dan het bedrag
                    aan bijstand dat na korting van inkomsten zonder het toepassen van een verlaging
                    zou zijn betaald.</al><al>In lid 1 onderdeel c wordt geregeld dat voor het niet naar vermogen verkrijgen
                    van een reguliere baan (gedraging uit categorie 3) geldt dat gedurende een maand
                    geen uitkering wordt verstrekt. Dit is overigens alleen van toepassing voor
                    zover hiervoor geen afstemming plaatsvindt op grond van hoofdstuk 4 van deze
                    verordening</al><al>Het eerste lid van artikel 9 regelt de hoogte van de verlaging indien er sprake
                    is van een uitkering ingevolge de Participatiewet. Het tweede lid bepaalt de
                    verlaging bij een IOAW- of IOAZ-uitkering. Omdat in de Participatiewet de
                    uitkering netto is vastgesteld en de uitkeringsgrondslag in de IOAW en IOAZ
                    bruto is, is er een onderscheid gemaakt tussen de verlaging bij een uitkering
                    Participatiewet enerzijds en een uitkering IOAW of IOAZ anderzijds. Het
                    velagingsbedrag bij de Participatiewet wordt toegepast op de netto bijstand en
                    bij de IOAW en IOAZ wordt dit toegepast op bruto-uitkering. Om deze reden is het
                    verlagingsbedrag voor de IOAW en IOAZ hoger vastgesteld, omdat dit ook als
                    bruto-bedrag wordt beschouwd. Netto komen deze bedragen ongeveer overeen met de
                    bedragen zoals deze gelden voor de Participatiewet. </al><al>Lid 3 regelt dat het college bevoegd is tot indexering van de bedragen. In
                    verband met de herkenbaarheid van de bedragen wordt bepaald dat geïndexeerde
                    bedragen afgerond worden op een veelvoud van € 5,00. De volgende indexering zal
                    overigens plaats moeten vinden op het niet afgeronde bedrag.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Niet nakomen van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Duur verlaging van de geüniformeerd
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>Van een persoon die een beroep doet op een uitkering wordt verwacht dat hij
                    alles doet om weer zelfstandig een inkomen te verwerven. Het weer verkrijgen van
                    betaald werk moet dan ook nadrukkelijk de aandacht krijgen. Het Rijk wil extra
                    de nadruk leggen op deze verplichting en wil dat het niet voldoen aan deze
                    verplichting gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering. Vanaf 1 januari
                    2015 heeft de wetgever daarom in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet,
                    de geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Bij schending van deze
                    geüniformeerde arbeidsverplichting dient het college de uitkering met 100% te
                    verlagen gedurende een periode van minimaal een maand en maximaal drie maanden. </al><al>In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, worden de volgende
                    arbeidsverplichtingen genoemd waarop dit van toepassing is:</al><al>a.het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>b.het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om
                    ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;</al><al>c.het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere
                    dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te
                    verhuizen;</al><al>d.bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur
                    per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het
                    aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>e.bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere
                    mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het
                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een
                    arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning
                    die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm,
                    kan aangaan;</al><al>f.het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het
                    naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid;</al><al>g.het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke
                    verzorging of gedrag;</al><al>h.het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder
                    begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan
                    onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al><al>Met “geüniformeerd” is bedoeld dat wettelijk gezien de hoogte van de maatregel
                    al is vastgesteld, te weten op 100%, maar de gemeenteraad bij verordening de
                    duur van de maatregel mag vaststellen, waarbij de minimum duur in de wet is
                    bepaald op één maand en de maximale duur op drie maanden.</al><al>In deze verordening is ervoor gekozen om voor alle geüniformeerde gedragingen
                    die zijn genoemd onderdelen b, d, e, f en h van artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet, de duur van de maatregel te bepalen op één maand, en met
                    betrekking tot de gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen
                    a, c en g van de Participatiewet de duur van de maatregel te bepalen op twee
                    maanden. De reden daarvoor is dat artikel 18, vierde lid, onderdelen a, c en g
                    van de Participatiewet de gedragingen direct betrekking hebben op het niet
                    verkrijgen of niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze gedragingen
                    veronderstellen – in tegenstelling tot de gedragingen uit de andere onderdelen
                    dat kansen op een baan sterk worden beperkt. Bij de gedragingen in artikel 18,
                    vierde lid onderdelen a, c en g is meer en ook sterker dan bij de overige
                    gedragingen in dat artikellid sprake van een onnodig beroep op een uitkering en
                    daarmee een onnodig beroep op de publieke middelen. Daarom wordt voor wat
                    betreft deze gedragingen een zwaardere maatregel gerechtvaardigd geacht. </al><al>De IOAW en IOAZ kennen overigens geen geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Om
                    deze reden is het aantal gedragingen dat in artikel 8 (IOAW en IOAZ) van de
                    verordening is genoemd ook groter dan het aantal in artikel 7 (Participatiewet). </al><tussenkop>Artikel 11 Verrekening verlaging</tussenkop><al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over
                    de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                    verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                    Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging
                    stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18,
                    elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling
                    en kan alleen van toepassing zijn als de gevolgen van de gedraging geen
                    doorlopend effect hebben. </al><al><cursief><onderstreept>Verrekenen bij bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></cursief>Er
                    is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het
                    bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht
                    aan:</al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li></lijst><tussenkop>De maand van oplegging</tussenkop><al>In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van
                    oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld:
                    de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt. </al><al><cursief><onderstreept>Toedeling over twee maanden bij lichte
                            overtredingen</onderstreept></cursief>Is
                    sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting,
                    dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een lichte overtreding is sprake
                    bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                    onderdelen b, d, e, f en h, van de Participatiewet. Bij een dergelijke
                    overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende één maand.
                    Aan de maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het
                    bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging
                    van de maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig
                    procent bedraagt (artikel 11, tweede lid, van deze verordening). </al><al><cursief><onderstreept>Toedeling over drie maanden bij zware
                            overtredingen</onderstreept></cursief>Is
                    sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan
                    kan worden verrekend over drie maanden. Van een zware overtreding is sprake bij
                    schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel
                    a, c en g van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de
                    bijstand verlaagd met honderd procent gedurende twee maanden. Aan de maand van
                    oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag
                    van de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging
                    van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel 66,67
                    procent bedraagt (artikel 11, derde lid, van deze verordening).</al><tussenkop>Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde
                    arbeid</tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van
                    artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening
                    plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid. Het betreft het niet
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is
                    gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</al><al><cursief><onderstreept>Geen verrekening bij
                        recidive</onderstreept></cursief>Is sprake
                    van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk.
                    Artikel 11 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een
                    gedraging zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening én als sprake is van
                    bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 10, maar in
                    artikel 16, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid,
                    van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. </al><al><cursief><onderstreept>Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere
                            gedragingen</onderstreept></cursief>Verrekening
                    bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 11 van deze
                    verordening en artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.]</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Overige gedragingen die leiden tot een afstemming</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan</tussenkop><al>Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft direct
                    gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand, bijvoorbeeld
                    wanneer iemand door eigen schuld het recht op een voorliggende voorziening
                    verspeelt en daardoor (eerder) in bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te
                    verkeren. Van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is bijvoorbeeld
                    sprake als iemand door eigen toedoen het recht op WW verliest (door niet tijdig
                    na ontslag WW aan te vragen).</al><al>Bovendien kunnen als voorbeelden van gedragingen worden aangehaald het niet
                    hebben aangevraagd van huurtoeslag, het verwijtbaar onvoldoende verzekerd zijn
                    of het ontverantwoord interen van het vermogen.</al><al>Het uitgangspunt bij afstemmingen wegens een onverantwoord snelle intering van
                    het eigen vermogen, waardoor er eerder dan nodig een beroep op
                    bijstandsverlening gedaan wordt, is dat de benadeling geheel dan wel zoveel
                    mogelijk ongedaan wordt gemaakt. Bovendien wensen wij bij het vaststellen van
                    een verlaging van de uitkering voor een langere periode rekening te houden met
                    de beslagvrije voet (circa 90% van de bijstandsnorm). Hierdoor wordt enerzijds
                    op een redelijke wijze uiting gegeven aan de eigen verantwoordelijkheid van de
                    bijstandsbehoevende, terwijl anderzijds diens feitelijke bestaansvoorziening
                    niet in gevaar komt.</al><al>Deze verlaging laat onverlet de mogelijkheid van toekenning van bijstand in de
                    vorm van een lening onder toepassing van artikel 48, lid 2, onder b, van de WWB
                    (noodzaak tot bijstandsverlening is het gevolg van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan). Het gevolg van
                    bijstandsverlening in de vorm van een lening is echter de op voorhand
                    vastgestelde terugbetaling ervan.</al><al>Dit artikel 12 in niet van toepassing op de IOAW en IOAZ, omdat in die wetten
                    ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid geen afstemmingswaardig gedrag
                    betekent.</al><tussenkop>Artikel 13 Zeer ernstig misdragen</tussenkop><tussenkop>Participatiewet (eerste lid)</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen.<sup/> Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer
                    ernstige misdraging'.<sup/></al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.<sup/>
                    Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven
                    dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.<sup/></al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.<sup/></al><tussenkop>IOAW en IOAZ (tweede lid)</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.<sup/> Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten
                    namelijk geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige
                    misdragingen. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens
                    het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet)
                    nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting.<sup/> Vandaar
                    dat in het tweede lid wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten
                    hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                    de uitvoering van IOAW of IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig
                    misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting -
                    hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW
                    en IOAZ tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk.</al><al>De volgende vormen van agressief gedrag kunnen worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li></lijst><al>De vormen van agressief gedrag zijn in categorieën opgenomen, zodat duidelijk
                    wordt welke verlaging moet worden toegepast. Er kan van deze bedragen worden
                    afgeweken wanneer dit vereist is in verband met de ernst van de gedraging, de
                    mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                    omstandigheden waarin hij verkeert.</al><al>Indien de belanghebbende zich gelijktijdig schuldig maakt aan meerdere
                    agressieve gedragingen, wordt de hoogte van de toe te passen verlaging
                    cumulatief vastgesteld met inachtneming van de ernst van de gedraging, de mate
                    waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                    waarin hij verkeert. </al><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij
                    de politie. Het college past een verlaging toe, terwijl de functionaris tegen
                    wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al>Het verlagen van de bijstand wegens ernstig wangedrag laat de bevoegdheid om de
                    dader gedurende een periode de toegang tot het stadhuis te ontzeggen onverlet.
                    Aansluiting kan daarbij worden gezocht bij het gestelde hierover in het
                    gemeentelijke agressieprotocol.</al><al>Ter voorkoming van enige vorm van schijn van subjectiviteit zal zeer zorgvuldig
                    moeten worden omgegaan met het verlagen van de uitkering wegens agressie. </al><al>In het vierde en vijfde lid is opgenomen welke verlaging bij een gedraging uit
                    een bepaalde categorie dient te worden toegepast. Evenals bij de verlagingen
                    genoemd in artikel 9 geldt hierbij dat er bij de Participatiewet sprake is van
                    een nettobedrag en bij de IOAW en IOAZ van een brutobedrag. </al><tussenkop>Artikel 14 Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><al>DeParticipatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55
                    van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een
                    viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom
                    altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de
                    bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit
                    artikel vastgestelde verlaging.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Samenloop en recidive</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Samenloop van gedragingen</tussenkop><al><cursief><onderstreept>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere
                            verplichtingen worden
                    geschonden</onderstreept></cursief>Het eerste lid regelt
                    samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                    verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid,
                    van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging
                    opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt
                    uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.</al><al><cursief><onderstreept>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                            verplichtingen worden
                    geschonden</onderstreept></cursief>Het tweede regelt samenloop
                    als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere
                    verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid,
                    van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop'
                    genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging
                    toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is
                    anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een
                    belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                    omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval
                    nog een of meer verlagingen toepassen, waarbij bij de hoogte van de afstemming
                    zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 16 Recidive </tussenkop><tussenkop>Verdubbeling hoogte of duur van de verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                    eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als
                    wegens dringende redenen – op grond van artikel 2, zesde lid, van deze
                    verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien
                    van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                    van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen
                    van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. </al><al>Voor gedraging waarin de verlaging is vastgesteld op een vast bedrag geldt dat
                    de verdubbeling wordt toegepast door verdubbeling van de hoogte van de
                    verlaging. Als de sanctie bestaat uit een verlaging van 100% van de uitkering
                    dan is een verdubbeling van de hoogte van de verlaging niet mogelijk. In dat
                    geval wordt een verdubbeling van de uur van de verlaging toegepast.</al><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    16, eerste van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking
                    gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de
                    recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting
                    plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee
                    een verlaging is toegepast. </al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen. </al><tussenkop>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich
                    zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is
                    opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, eerste lid), dan is
                    geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft.
                    Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het
                    opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, tweede lid, onderdeel a) en
                    vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, tweede lid,
                    onderdeel d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee
                    verschillende verplichtingen zijn geschonden. </al><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende een
                    bepaalde periode. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de
                    Participatiewet gegeven marges. In artikel 18, zesde lid van de Participatiewet
                    is bepaald dat de duur van de verlaging bij de eerste recidive in ieder geval
                    langer dient te zijn dan de duur van de eerste verlaging. De maximale termijn
                    van de verlaging is hierbij door de wetgever vastgesteld op drie maanden. </al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Blijvende of tijdelijke weigering IOAW of IOAZ</tussenkop><tussenkop>Artikel 17 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</tussenkop><al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 18 Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</tussenkop><al>Soms kunnen er zwaarwegende argumenten zijn om van de tenuitvoerlegging van een
                    overigens gerechtvaardigde verlaging af te zien. Het betreft dan argumenten die
                    met de reden van de verlaging niets van doen hebben. Deze zijn immers bij de
                    vaststelling van de hoogte en de duur van de verlaging al meegewogen. </al><al>Men kan hierbij denken aan situaties waarin sprake is van een zodanige samenloop
                    van omstandigheden dat deze, als de verlaging wel zou worden uitgevoerd, tot
                    gevolg hebben dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging in een ernstige
                    noodsituatie komt. Het moet dan wel gaan om een noodsituatie die het gevolg is
                    van de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Het ontstaan van een
                    betalings- of huurachterstand of een tijdelijke opschorting van een
                    schuldsanering is op zichzelf geen redenen om van het opleggen van een verlaging
                    af te zien. Evenmin kan het enkele feit dat de belanghebbende als gevolg van de
                    verlaging tijdelijk geen of een inkomen lager dan de beslagvrije voet ontvangt
                    voldoende reden zijn om van de tenuitvoerlegging van een verlaging af te
                    zien.</al><al>De financiële noodsituatie mag ook niet het gevolg zijn van de verwijtbare
                    gedraging. Als iemand door verwijtbaar ontslag in ernstige financiële nood komt
                    te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van de oplegging van de verlaging
                    af te zien. De omstandigheden zijn immers het gevolg van het verwijtbare
                    gedrag.</al><al>Afzien van de uitvoering van een verlaging kan ook plaatsvinden als er sprake is
                    van een verlaging wegens herhaald verwijtbaar gedrag. Bij elke nieuwe verlaging
                    of heroverweging moet dus opnieuw worden beoordeeld of zich dringende redenen
                    voordoen. In de beschikking worden wel hoogte en duur van de verlaging
                    vastgesteld en wordt meegedeeld om welke dringende redenen van tenuitvoerlegging
                    wordt afgezien. De verlaging telt bij de vaststelling van eventuele recidive en
                    volharding dus gewoon mee. </al><tussenkop>Artikel 19 Nadere regels</tussenkop><al>Voor de juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat
                    nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om dergelijke regels vast te stellen.</al><tussenkop>Artikel 20 Uitvoering</tussenkop><al>De uitvoering van deze verordening ligt bij het college.</al><tussenkop>Artikel 21 Intrekking</tussenkop><al>Deze verordening vervangt de eerder vastgestelde Afstemmingsverordening Sociale
                    Zekerheid 2012. Deze verordening wordt hierbij dan ook ingetrokken.</al><tussenkop>Artikel 22 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Op 1 januari 2015 treden de “Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele
                    andere wetten” en de “Invoeringswet Partcipatiewet” in werking. De invoering van
                    deze wetten maakt het noodzakelijk om de een nieuwe verordening vast te stellen.
                    De inwerkingtreding van deze verordening dient dan ook samen te vallen met de
                    inwerkingtreding van de genoemde wetten.</al><tussenkop>Artikel 23 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>