<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352112_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive participatiewet 2015 gemeente Vlieland.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlieland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlieland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Uit het Kastje nummer 48-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015 gemeente Vlieland.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive participatiewet 2015 gemeente Vlieland.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Vlieland,</al><al>gelezen: het voorstel van het college van burgemeester en wethouders
                        Vlieland,</al><al>gelet op: artikel 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 60b van de
                        Participatiewet,</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de </al><al>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive </al><al>Participatiewet 2015 gemeente Vlieland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden</al><al> omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en
                                de Algemene wet </al><al> bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Dienst
                                        Sociale Zaken en</al><al> Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienst: de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                        Noardwest</al><al> Fryslân;</al></li><li nr="c."><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de
                                        artikelen475c tot en met 475<sup>e</sup></al><al> van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="d."><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel
                                        18a, vijfde lid, van de</al><al> Participatiewet;</al></li><li nr="e."><al>bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                        diens</al><al> gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met </al><al> uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf
                                        gebonden</al><al> vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de
                                        Participatie wet;</al></li><li nr="f."><al>verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde
                                        lid, van de</al><al> Participatiewet</al></li><li nr="g."><al>bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als
                                        bedoeld in artikel 5</al><al> onderdeel c Participatiewet.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekeningwegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende tenminste driemaal de
                                toepasselijke bijstands-</al><al> norm bedraagt, verrekent het dagelijks bestuur de recidiveboete
                                zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie</al><al> maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke
                                boete is </al><al> opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende desgevraagd geen gegevens verstrekt over
                                zijn bezit,</al><al> verrekent het dagelijks bestuur de recidiveboete zonder
                                inachtneming van de beslagvrije</al><al> voet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien het bezit van
                                een belanghebbende niet tenminste driemaal de toepasselijke</al><al> bijstandsnorm bedraagt, verrekent het dagelijks bestuur de
                            recidiveboete gedurende één</al><al> maand zonder inachtneming van de beslagvrije voet. De verrekening
                            geschiedt vanaf het</al><al> moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                            opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                            het dagelijks bestuur</al><al>2. de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op een dusdanige
                            wijze dat</al><al>2. belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80%
                            van de </al><al>2. toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                            gerekend als bedoeld in</al><al> artikel 31, tweede lid, onderdelen n, r en z van de
                            Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het dagelijks bestuur de
                            recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Participatiewet, indien en voor zover deze boete nog niet is
                            betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in
                            werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive 2015 gemeente Vlieland.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente Vlieland van
                            24 november 2014.</ondertekening><ondertekening> De voorzitter, De griffier, </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op 1 januari 2013 is in werking getreden de "Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid SZW-wetgeving". Voor de Wet werk en bijstand (WWB) introduceert
                    deze wet de bestuurlijke boete bij schending van de inlichtingenplicht. Het
                    college i.c. het dagelijks bestuur is verplicht de bestuurlijke boete met de
                    lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze </al><al>verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is
                    echter sprake van een bestuurlijke boete wegens recidive, dan heeft het college
                    i.c. het dagelijks bestuur de bevoegdheid gedurende maximaal drie maanden met de
                    beslagvrije voet te verrekenen. </al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de </al><al>recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een afweging te maken van
                    situaties of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije
                    voet niet proportioneel wordt geacht. Deze bevoegdheid kan op verschillende
                    manieren worden ingevuld.</al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten i.c. de Dienst SoZaWe Nw.
                    Fryslân te maken krijgen met verzoeken van andere gemeenten/sociale diensten om
                    een door hen </al><al>opgelegde recidiveboete te verrekenen. Het college of dagelijks bestuur dat de
                    boete heeft </al><al>opgelegd zal in dat geval aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht
                    wil nemen</al><al>(volgens de regels van zijn eigen verordening). </al><al>De gemeente/sociale dienst die de uitkering verstrekt, moet in beginsel gehoor
                    geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan
                    kan de belanghebbende het college of het college van burgemeester en wethouders
                    waarvan hij uitkering ontvangt, </al><al>verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid,
                    van de WWB en thans artikel 60b, tweede lid, van de Participatiewet is geregeld
                    dat het college i.c. het </al><al>dagelijks bestuur die de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit
                    verzoek van belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het
                    college/dagelijks bestuur bij de beslissing op dat verzoek handelt analoog aan
                    de regels die in de eigen verordening zijn </al><al>vastgelegd.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. Deze behoeven geen
                    nadere toelichting.</al><tussenkop>Bezit</tussenkop><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de
                    waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden
                    beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan
                    uit geld als op geld waardeerbare goederen.</al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
                    Eventueel aanwezige schulden spelen geen rol en worden dus ook niet op het bezit
                    in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de
                    Participatiewet zijn hier niet van toepassing. Een belang-hebbende die vanwege
                    de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te
                    zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan
                    beschikken, </al><al>volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
                    kunnen </al><al>voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin
                    bewoonde (eigen) woning.</al><tussenkop>Verrekenen</tussenkop><al>De Participatiewet en diens voorganger, de WWB, kent een ruimer begrip van
                    verrekenen dan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de
                    duidelijkheid is daarom een aparte</al><al>begripsbepaling opgenomen in deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</tussenkop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende </al><al>bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd
                    in artikel 2 van deze verordening. Van voldoende bezit is sprake als de waarde
                    van de bezittingen waarover belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan
                    beschikken), ten minste driemaal de </al><al>toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze </al><al>bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</tussenkop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden </al><al>volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het </al><al>dagelijks bestuur slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije voet.
                    Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met de beslagvrije voet
                    plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen
                    ter hoogte van 80% van de </al><al>toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, </al><al>eerste lid, van de Invorderingswet 1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag </al><al>lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht </al><al>hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds
                    wordt </al><al>rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten i.c. de Dienst. Het volledig
                    buiten </al><al>werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke </al><al>maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, omdat de
                    regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n, r of z, van de Participatiewet worden vrijgelaten voor
                    de algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                    bijstandsnorm, tellen deze inkomsten </al><al>echter gewoon mee. Het dagelijks bestuur laat deze inkomsten niet buiten
                    beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over
                    voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in het derde lid.</al><tussenkop>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt </al><al>geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4. Het gaat daarbij altijd om
                    individuele </al><al>omstandigheden waaraan het dagelijks bestuur zal moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het dagelijks bestuur kan besluiten in afwijking
                    van de artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer
                    volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende
                    en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een </al><al>belanghebbende door de volledige verrekening op straat komt te staan, nu dit de
                    problematiek alleen maar verergert, met alle maatschappelijke kosten van
                    dien.</al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dusdanige
                    dringende reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt
                    uit het woord </al><al>'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen
                    dan een dreigende huisuitzetting, kan het dagelijks bestuur rekening houden met
                    de bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel
                    sprake. Het gaat slechts om</al><al>incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de
                    belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te
                    verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de verrekening aan
                    middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende
                    voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al><tussenkop>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</tussenkop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te </al><al>verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde
                    bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het dagelijks
                    bestuur die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel
                    5 dat de bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.
                    Artikel 6. Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel
                    7. Citeertitel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>