<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352105_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente Vlieland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlieland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlieland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Uit het Kastje nummer 48-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente Vlieland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-02-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente Vlieland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Vlieland,</al><al>gelezen: </al><al>het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 oktober
                        2014;</al><al>gelet op: </al><al>artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, van de Participatiewet; </al><al>overwegende: </al><al>dat het van belang wordt geacht om aan personen van 18 jaar of ouder, die
                        recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 of een </al><al> tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wtos, die geen in </al><al> aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 bezit en waarvan is
                        vastgesteld dat die persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het
                        verdienen van het wettelijk minimumloon doch wel mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie heeft financieel te ondersteunen;</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente
                        Vlieland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden </al><al>omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet
                                    en de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (Awb).</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Dienst
                                            Sociale Zaken en </al><al> Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienst: de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                            Noardwest </al><al> Fryslân;</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>De aanvraag en de voorwaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de
                            Participatiewet, wordt ingediend middels een door dagelijks bestuur
                            vastgesteld formulier en onder overlegging van de op het
                            aanvraagformulier genoemde bescheiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur beoordeelt of een persoon met voltijds arbeid in
                            staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon. Indien het
                            dagelijks bestuur hier onvoldoende zicht op heeft, wordt advies aan een
                            arbeidsdeskundige gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen</titel></kop><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van twaalf maanden in
                            aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag bedraagt € 1.200,00 per periode van twaalf
                            maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt in één keer in één bedrag
                            uitbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan van de bepalingen in deze verordening afwijken
                            indien en voor zover toepassing daarvan leidt tot onbillijkheid van
                            overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            studietoeslag 2015 gemeente Vlieland.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering </ondertekening><ondertekening>van de gemeente Vlieland van 24 november 2014.</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het dagelijks
                    bestuur van de Dienst SoZaWe Nw. Fryslân de mogelijkheid mensen, van wie is
                    vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen, een
                    individuele studietoeslag te verstrekken als ze studeren. Het afronden van een
                    studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs
                    tegenover werk-gevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft.</al><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in
                    de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een
                    stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                    stimuleert mensen om toch de stap te </al><al>zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een
                    financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om
                    de studie te combineren met een bijbaan (TK 2013-2014, 33 161, nr. 125, p.
                    2).</al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere
                    bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele
                    studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet
                    in staat zijn het minimumloon te verdienen.</al><tussenkop>Verordeningsplicht </tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op in een
                    verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele
                    studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel c, van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval betrekking
                    hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag (artikel 8, derde lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Discretionaire bevoegdheid</tussenkop><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid
                    van het van het dagelijks bestuur de Dienst. Dit betekent dat het dagelijks
                    bestuur aan personen die</al><al>voldoen aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet,
                    een individuele studietoeslag kan toekennen. Het is echter niet toegestaan om in
                    het geheel geen individuele studietoeslag toe te kennen. </al><al>Het dagelijks bestuur kan in beleidsregels aangeven of bepaalde groepen niet in
                    aanmerking komen voor een studietoeslag. In aanvulling op artikel 36b, eerste
                    lid, van de Participatiewet kan tevens in beleidsregels worden aangeven wie,
                    wanneer en op grond van welke nadere voorwaarden recht heeft op een individuele
                    studietoeslag.</al><tussenkop>Voorwaarden individuele studietoeslag </tussenkop><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag.
                    Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt </al><al>overigens zowel over verzoek als aanvraag. Het dagelijks bestuur kan op een
                    dergelijk </al><al>verzoek – gelet op de individuele omstandigheden van een persoon - een
                    individuele </al><al>studietoeslag verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de
                    aanvraag:</al><lijst><li nr="·"><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="·"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="·"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet heeft; en </al></li><li nr="·"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeids-</al></li></lijst><al>participatie heeft.</al><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de </al><al>Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een
                    individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op een
                    individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft
                    op studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal - als aanvrager van
                    de toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op </al><al>studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een
                    beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde
                    opleiding te overleggen.</al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van toepassing
                    bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het dagelijks bestuur.
                    Een individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als een
                    persoon met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 van de
                    Participatiewet is namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag.
                    Ook artikel 52 van de Participatiewet is niet van toepassing op de individuele
                    studietoeslag. Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan worden
                    verstrekt in de vorm van een </al><al>voorschot.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Indienen verzoek</tussenkop><al>Een verzoek om een individuele studietoeslag kan worden ingediend door personen
                    als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Dit
                    betreft personen die het dagelijks bestuur ondersteunt bij
                    arbeidsinschakeling:</al><lijst><li nr="·"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c,
                            35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c,
                            van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in </al></li></lijst><al>artikel 10d is verleend;</al><lijst><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene</al></li></lijst><al>nabestaandenwet;</al><al>·personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en </al><al>gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers,</al><al>·personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en </al><al>gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en. </al><al>·niet-uitkeringsgerechtigden.</al><al>Het dagelijks bestuur kan aan deze personen, op een daartoe strekkend verzoek,
                    een </al><al>individuele studietoeslag verlenen (artikel 36b, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Een persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden
                    te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in </al><al>beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als bedoeld
                    in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet moet worden ingediend,
                    bepaalt artikel 1 van deze </al><al>verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het dagelijks
                    bestuur vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag
                    zoals bedoeld in </al><al>afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel
                    4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en
                    het adres van de </al><al>aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt
                    gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de
                    gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en
                    waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid,
                    van de Awb). Een mondeling verzoek wordt hiermee dus niet aangemerkt als een
                    verzoek om individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 3. Doelgroep</tussenkop><al>Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet regelt in welke gevallen het
                    dagelijks bestuur op verzoek van een persoon, gelet op diens individuele
                    omstandigheden, een individuele studietoeslag kan verlenen. Dit is het geval
                    indien een persoon op de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="·"><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="·"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="·"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet heeft; en </al></li><li nr="·"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel
                            mogelijkheden tot arbeids-</al></li></lijst><al>participatie heeft.</al><al>Met betrekking tot het laatst genoemde criterium beoordeelt het dagelijks
                    bestuur aan de hand van beschikbare gegevens van het Uitvoeringsinstituut
                    Werkgeversverzekeringen (UWV), eventuele eerdere medische keuringen en
                    informatie van uit het netwerk, zoals bijvoorbeeld school, of een persoon
                    hieraan voldoet. Indien dit onvoldoende uitsluitsel geeft, wordt advies van een
                    arbeidsdeskundige ingewonnen.</al><al>Het gaat om informatie met betrekking tot het oordeel of een persoon met
                    voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk
                    minimumloon, doch wel mogelijkheden tot </al><al>arbeidsparticipatie heeft.</al><tussenkop>Artikel 4. Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen </tussenkop><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van twaalf maanden in
                    aanmerking </al><al>komen voor een individuele studietoeslag. Studeert een persoon na die twaalf
                    maanden nog steeds en voldoet hij aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste
                    lid, van de Participatiewet, dan kan hij opnieuw in aanmerking komen voor een
                    individuele studietoeslag.</al><al>Voor de beoordeling of een belanghebbende in aanmerking komt voor een
                    individuele </al><al>studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag beoordeeld (artikel
                    36b, eerste lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 5. Hoogte individuele studietoeslag</tussenkop><al>In artikel 5 van deze verordening is de hoogte van de individuele studietoeslag
                    geregeld. </al><al>Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de voorwaarden
                    toegekend.</al><al>Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor
                    een </al><al>individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een
                    individuele </al><al>studietoeslag.</al><tussenkop>Artikel 6. Betaling individuele studietoeslag </tussenkop><al>In dit artikel wordt de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag geregeld. </al><al>Een individuele studietoeslag wordt eenmalig in één bedrag uitbetaald. Dit is
                    het bedrag zoals neergelegd in artikel 4 van deze verordening. Na een periode
                    van twaalf maanden kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een
                    individuele studietoeslag. </al><al>Een persoon moet op de datum van de aanvraag voldoen aan de in artikel 36b,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Als een persoon op enig moment na de
                    aanvraag hier niet meer aan </al><al>voldoet heeft dat geen gevolgen voor het recht op een individuele studietoeslag.
                    Dit betekent dat het dus kan voorkomen dat een persoon geen recht op
                    studiefinanciering meer heeft, maar wel nog recht heeft op uitbetaling van een
                    eerder toegekende individuele studietoeslag aangezien uitsluitend de situatie op
                    de datum van de aanvraag bepalend is. </al><tussenkop>Artikel 7. Hardheidsclausule</tussenkop><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen voor de studietoeslag vastgelegd. Er
                    kunnen zich echter concrete situaties voordoen waarin deze verordening niet
                    voorziet. Dit artikel bepaalt dat het dagelijks bestuur in dergelijke situaties
                    beslist in afwijking van deze verordening. Redelijkheid is hierbij het
                    uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet en de</al><al>verordening gehandeld te worden.</al><tussenkop>Artikel 8. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in</al><al>artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet de
                    verordenings-opdracht voor de </al><al>gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening vast te stellen over het
                    verlenen van een individuele studietoeslag.</al><tussenkop>Artikel 9. Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>