<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352071_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, Bbz 2004, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Vlieland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlieland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlieland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.vlieland.nl">Uit het Kastje 48-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening gemeente Vlieland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-02-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, Bbz 2004, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Vlieland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Vlieland,</al><al>gelezen: het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14
                        oktober 2014,</al><al>gelet op: artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de</al><al>Afstemmingsverordening Participatiewet, Bbz 2004, IOAW en IOAZ 2015 gemeente
                        Vlieland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven</al><al> hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en</al><al> gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening</al><al> oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (IOAZ), het Besluit </al><al> bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) en de Algemene wet
                                bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Dienst
                                        Sociale Zaken en</al><al> Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienst: de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest
                                        Fryslân;</al></li><li nr="c."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk</al><al> arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk</al><al> arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al>Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="f."><al>Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                        inkomen;</al></li><li nr="g."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet
                                        of een uitkering</al><al> op grond van de IOAW en de IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>uitkeringsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld
                                        in artikel 5</al><al> onderdeel c van de Participatiewet, of, voor zover sprake
                                        is van </al><al> een IOAW of IOAZ uitkering, de grondslag van de uitkering
                                        als </al><al> bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5
                                        IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>benadelingsbedrag: voorzover het de Participatiewet betreft,
                                        de netto uitkering en</al><al> voorzover het betreft de IOAW of IOAZ, de bruto uitkering
                                        waarop</al><al> eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of
                                        is </al><al> gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van </al><al> verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan;</al></li><li nr="j."><al>plan van aanpak: ook wel genoemd een (sociaal)
                                        activeringsplan, trajectplan of</al><al> ondersteuningsplan, is een document dat beschrijft wat de </al><al> verschillende partijen gaan doen en welke afspraken er zijn </al><al> gemaakt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende, voorafgaand aan of tijdens de uitkering, naar
                                het oordeel van het</al><al> dagelijks bestuur tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                betoont voor de voorziening</al><al> in het bestaan of de uit de Participatiewet, het Bbz 2004, de IOAW
                                en de IOAZ voortvloeiende</al><al> verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
                                zich jegens het</al><al> dagelijks bestuur, diens ambtenaren of instanties die zijn belast
                                met de uitvoering van de </al><al> Participatiewet, IOAW en IOAZ zeer ernstig misdragen, wordt
                                overeenkomstig deze </al><al> verordening de uitkering verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de verlaging wordt gebaseerd op:</al><lijst><li nr="-"><al>de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al>de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
                                        verweten; én</al></li><li nr="-"><al>de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Verlaging van de uitkering op grond van deze verordening laat
                                onverlet de bevoegdheid van</al><al> het dagelijks bestuur dat ter zake van dezelfde gedraging over kan
                                worden gegaan tot </al><al> opschorting of intrekking van het recht op uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 18,</al><al>tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en
                            38, twaalfde lid, van </al><al>de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in
                            ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van uitvoering van verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
                                            gedraging door het</al><al> dagelijks bestuur heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur voert een verlaging niet uit als het
                                    daarvoor dringende redenen</al><al>aanwezig zijn.</al></li><li nr="3."><al>Als op grond van dringende redenen een verlaging niet wordt
                                    uitgevoerd, wordt de belang</al><al>3. hebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Ondanks
                                    dat geen verlaging wordt </al><al>3. uitgevoerd telt de verwijtbare gedraging wel mee voor
                                    recidive.</al><al>3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Schriftelijke waarschuwing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur volstaat met een schriftelijke
                                    waarschuwing indien daarvoor individuele</al><al> bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, tenzij de gedraging
                                    heeft plaatsgevonden binnen</al><al> één jaar nadat eerder een verlaging van de uitkering heeft
                                    plaatsgevonden of een schriftelijke</al><al> waarschuwing is gegeven.</al></li><li nr="2."><al>Als het dagelijks bestuur afziet van het verlagen van de
                                    uitkering op grond van bijzondere</al><al> redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk
                                    mededeling gedaan.</al></li><li nr="3."><al>Een schriftelijke waarschuwing telt mee voor recidive.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere
                                    bijstand die is verleend</al><al>met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de
                                    kalendermaand volgend </al><al> op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de
                                    verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                                    uitgegaan van de op dat tijdstip voor die </al><al>belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald wordt in
                                    afwijking van het eerste lid een </al><al> verlaging van de bijstand met terugwerkende kracht toegepast op
                                    de uitkering over de </al><al> periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad dan wel de
                                    uitkering over de periode </al><al> waarin de gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                                    gelegd als gevolg van de</al><al> beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging
                                    of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog
                                    opgelegd als belanghebbende binnen twaalf maanden na de
                                    bekendmaking van het besluit omtrent de verwijtbare gedraging,
                                    opnieuw binnen het dienstgebied een uitkering ontvangt.</al></li><li nr="4."><al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op
                                    de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking
                                    heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft
                                    plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid
                                    niet</al><al>mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van</al><al> artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op</al><al> bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze verordening ‘uitkeringsnorm’ worden
                                gelezen als ‘uitkeringsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van
                                de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze verordening ‘uitkeringsnorm’ worden
                                gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeids-inschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt </al><al>verkregen, aanvaarden en behouden of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a en 55 </al><al>van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden
                            onderscheiden in de </al><al>volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>eerste categorie:</onderstreept></al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut </al><al>werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>tweede categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de
                                            Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende</al><al> jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding
                                            als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de
                                            Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet
                                            worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            dagelijks bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijke
                                            nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, onderdeel c, van de Participatiewet;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><onderstreept>derde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit
                                            een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                                            de Participatiewet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt</al><al>verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de
                            IOAW of de artikelen </al><al>37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden
                            onderscheiden in de </al><al>volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>eerste categorie: </onderstreept></al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig
                                    laten verlengen van de registratie;</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>tweede categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de</al><al> mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, anders dan het
                                            niet verschijnen zonder </al><al> bericht van verhindering;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 38, zevende lid van de IOAW en
                                            artikel 38, zevende lid van de IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            dagelijks bestuur</al><al> aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW
                                            of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste
                                            lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit
                                                <onderstreept>niet</onderstreept> heeft geleid tot
                                            het geen </al><al> doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                            voorziening;</al></li><li nr="d."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als</al><al> bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de
                                            IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ
                                            niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                                            intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor
                                            een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38,
                                            eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van
                                            de IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            dagelijks bestuur opgedragen tegenprestatie naar
                                            vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel f, van de IOAZ;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><onderstreept>derde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden</al><al> voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld
                                            in de artikelen 36, eerste</al><al> lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de
                                            artikelen 36, eerste lid, en</al><al> 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover
                                            dit heeft geleid tot het geen </al><al> doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                            voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het niet meewerken aan een onderzoek naar de
                                            mogelijkheden tot</al><al> arbeidsinschakeling of uitvoering van een plan van
                                            aanpak door het niet </al><al> verschijnen op een oproep zonder bericht van
                                            verhindering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>twintig procent van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>veertig procent van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>honderd procent van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling Participatiewet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting
                                Participatiewet</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de </al><al>Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging
                            honderd procent van de </al><al>bijstandsnorm gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid van
                            de Participatiewet, </al><al>vindt geen verrekening als bedoeld in artikel 18, vijfde lid van de
                            Participatiewet plaats.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de </al><al> voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid,
                                van de Participatiewet wordt</al><al> afgestemd op het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt in ieder
                                geval begrepen:</al><lijst><li nr="-"><al>het op een onverantwoorde wijze besteden van vermogen of
                                        vermogensbestand delen,</al></li><li nr="-"><al>het doen van een schenking voorafgaand aan of tijdens de
                                        bijstandsverlening, dit voor zover bijstandsverlening
                                        redelijkerwijs was te voorzien;</al></li><li nr="-"><al>het verwijtbaar geen beroep kunnen doen op een voorliggende
                                        voorziening, door deze </al><al> niet te gelde te maken dan wel weigeren er een beroep op te
                                        doen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging bedraagt honderd procent van de uitkeringsnorm voor de
                                duur van de periode</al><al> dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer
                                recht heeft op een </al><al> uitkering. Dit tot een maximum van drie maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet,
                                wordt een verlaging opgelegd van honderd procent van de
                                uitkeringsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen van fysiek
                                geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen en materiële
                                zaken, alsmede bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht
                                tegen de in het eerste lid genoemde personen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                dagelijks bestuur of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of IOAZ,
                                wordt een verlaging opgelegd van honderd procent van de
                                uitkeringsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen van fysiek
                                geweld tegen de in het tweede lid genoemde personen en materiële
                                zaken, alsmede bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht
                                tegen de in het tweede lid genoemde personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het dagelijks bestuur opgelegde
                            verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of
                            onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. Voor zover de
                            verwijtbare gedraging niet valt in de categorieën zoals genoemd in
                            artikel 8 t/m 14 wordt de verlaging vastgesteld op honderd procent van
                            de uitkeringsnorm gedurende één maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in de Participatiewet, Bbz 2004, IOAW of IOAZ genoemde
                                    arbeidsverplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het
                                    bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan
                                    van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                    van één of meerdere in de Participatiewet, Bbz 2004, IOAW of
                                    IOAZ genoemde arbeidsverplichtingen, wordt voor</al><al>iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze
                                    verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de
                                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                    omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></li><li nr="3."><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel
                                    een in de Participatiewet, IOAW of IOAZ genoemde
                                    arbeidsverplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de
                                    Participatiewet, artikel 13 IOAW of artikel 13 IOAZ genoemde
                                    inlichtingenverplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor
                                    zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt
                                    opgelegd.</al></li><li nr="4."><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                    van zowel een in de</al><al>Participatiewet, Bbz 2004, IOAW of IOAZ genoemde
                                    arbeidsverplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de
                                    Participatiewet, artikel 13 IOAW of artikel 13 IOAZ genoemde
                                    inlichtingenverplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan
                                    worden opgelegd, wordt voor iedere </al><al>gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Daarnaast wordt
                                    tevens een boete </al><al>opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate
                                    van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende
                                    niet verantwoord is.</al></li><li nr="5."><al>Bij een samenloop van gedragingen waardoor de totale verlaging
                                    meer dan honderd procent</al><al>5. bedraagt wordt de verlaging in gelijke porties verdeeld onder
                                    gelijktijdige verlenging van de </al><al>5. periode. Uitgangspunt hierbij is dat de verlaging over een zo
                                    kort mogelijke periode </al><al>5. plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een </al><al>1. besluit waarmee een verlaging is toegepast, is afgezien van
                                uitvoering van een verlaging of</al><al>1. een schriftelijke waarschuwing is gegeven vanwege een gedraging
                                als bedoeld in de </al><al>1. artikelen 8, 9, 13, 14, en 15 opnieuw schuldig maakt aan
                                eenzelfde verwijtbare gedraging,</al><al>1. wordt telkens de hoogte van de verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij een verlaging van honderd procent wordt niet de hoogte maar de
                                duur verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit</al><al>3. waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als
                                bedoeld in artikel 18, vierde</al><al>3. lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging als </al><al>3. bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet,
                                bedraagt de verlaging honderd </al><al>3. procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Verlaging uitkering Participatiewet bij weigeren uitkering
                                IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het dagelijks bestuur de uitkering op grond van artikel 20, eerste
                            lid, van de IOAW of artikel </al><al>20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de
                            gedraging die tot deze weigering</al><al>heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou
                            kunnen leiden, kan op</al><al>grond van deze verordening een verlaging op de bijstandsuitkering op
                            grond van de </al><al>Participatiewet plaatsvinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien
                            toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard zou
                            leiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in deze verordening is van toepassing op verwijtbare
                                gedragingen die hebben</al><al> plaatsgevonden na 31 december 2014.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verwijtbare gedragingen die hebben plaatsgevonden voor 1 januari
                                2015 worden beoordeeld</al><al> op basis van de Afstemmingsverordening WWB, IOAW, IOAZ of Bbz
                                Dienst SoZaWe Nw </al><al> Fryslân, vastgesteld door het Algemeen bestuur van de Dienst SoZaWe
                                op 4 april 2013, tenzij</al><al> de bepalingen van deze nieuwe verordening voor de belanghebbende
                                gunstiger uitvalt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening gemeente
                            Vlieland</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente 24
                            november 2014.</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet, IOAW en IOAZ.</tussenkop><al>De gemeenten hebben een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstands- respectievelijk uitkeringsgerechtigden.
                    Mede gelet op de rechtszekerheid van een uitkeringsgerechtigde moet het eigen
                    beleid vastgelegd worden in een verordening.</al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een
                    uitkering voor levensonderhoud is altijd verbonden aan de plicht zich in te
                    zetten om weer onafhankelijk te worden van die uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 20 tweede lid IOAW en
                    artikel 20 tweede lid IOAZ spreekt over het afstemmen van de bijstand en
                    uitkering en de daaraan verbonden </al><al>verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    uitkeringsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de
                    uitkerings-gerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel
                    20 tweede lid IOAW en artikel 20 tweede lid IOAZ legt een directe koppeling
                    tussen de rechten en plichten van uitkerings-gerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van die uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare </al><al>middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de verplichtingen
                    worden </al><al>nagekomen. De inspanningen die van de uitkeringsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het dagelijks bestuur van de Dienst SoZaWe Nw. Fryslân tot het oordeel
                    komt dat een uitkeringsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende
                    mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een
                    bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen </al><al>wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, wordt afgezien van een
                    dergelijke verlaging. Het dagelijks bestuur moet niettemin bij de vaststelling
                    van de verlaging rekening houden met de </al><al>persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Als
                    daartoe zeer dringende reden aanwezig worden geacht kan van een verlaging worden
                    afgezien.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van
                    die verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is om andere redenen,
                    dringende of bijzondere redenen, van een verlaging afgezien van het opleggen van
                    een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende </al><al>gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                    beoordeelt het dagelijks bestuur uiterlijk drie maanden na de datum van de
                    beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding
                    geven de beslissing te herzien. Dit volgt uit </al><al>artikel 18, derde lid, van de Participatiewet. Bij een dergelijke herbeoordeling
                    hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en
                    omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als
                    doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds </al><al>(binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van
                    een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat </al><al>aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te
                    stellen. Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het
                    ministerie van Sociale Zaken en </al><al>Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van
                    de</al><al>geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet). Ten</al><al>aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening moet niet gezien worden als
                    een punitieve sanctie (leedtoevoegend) voor zover de verlaging wordt opgelegd
                    omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende
                    gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier
                    strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de </al><al>strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer
                    ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet
                    op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand/ uitkering. Het belangrijkste voorbeeld van de
                    medewerkingsplicht is het toestaan van een </al><al>huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een huisbezoek echter
                    leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand/ uitkering omdat
                    het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand/
                    uitkering is in dat geval niet aan de orde.</al><al>Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen
                    in verband met arbeidsinschakeling kan ook worden uitgelegd als het niet voldoen
                    aan de medewerkingsplicht.</al><al> In de praktijk betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde
                    inlichtingen te </al><al>verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de </al><al>inlichtingenplicht.</al><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de WWB (thans:
                    Participatie-</al><al>wet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de
                    inlichtingenplicht </al><al>en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.</al><tussenkop>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</tussenkop><al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de
                    bevoegdheid </al><al>de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de
                    recidiveboete. Het </al><al>dagelijks bestuur van de Dienst SoZaWe Nw. Fryslân krijgt daarmee de ruimte een
                    afweging </al><al>te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van
                    de beslagvrije</al><al>voet niet proportioneel wordt geacht. De regels over de bevoegdheid de
                    beslagvrije voet tijdelijk</al><al>buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete zijn neergelegd
                    in de verordening </al><al>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, Bbz
                    2004, de Awb of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn </al><al>vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><tussenkop>Uitkeringsnorm</tussenkop><al>Onder de ‘uitkeringsnorm (lid 2.) wordt in deze verordening verstaan de in de
                    situatie van </al><al>belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm eventueel
                    verminderd met verlagingen (wegens woonsituatie of schoolverlaten), alles
                    inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van
                    de IOAW of de IOAZ wordt onder uitkeringsnorm </al><al>verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en
                    artikel 5 van de IOAZ.</al><tussenkop>Benadelingsbedrag</tussenkop><al>Het benadelingsbedrag is de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger
                    bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de </al><al>voorziening in het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt
                    uitgegaan van het netto- of brutobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is
                    bij het benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete.</al><tussenkop>Artikel 2. Het verlagen van de uitkering </tussenkop><al>De Participatiewet, Bbz 2004, IOAW en IOAZ stelt tegenover het recht op een
                    uitkering een </al><al>aantal verplichtingen. Deze verplichtingen zijn in de wet zelf opgenomen. Het
                    betreffen onder</al><al>andere de volgende verplichtingen:</al><al>-het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                    het</al><al>bestaan;</al><lijst><li nr="-"><al>de plicht tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de medewerkingsplicht, die door het dagelijks bestuur nodig worden
                            geacht voor een</al></li></lijst><al>doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening alsmede </al><al>-het naar behoren voeren van een administratie (Bbz 2004).</al><al>- Als de uitkering wordt verleend aan echtgenoten en daarmee gelijkgestelden
                    gelden de </al><al>- verplichtingen voor ieder van hen.</al><al>In deze verordening zijn voor verschillende gedragingen die een schending van
                    een verplichting</al><al>betekenen, een standaard verlaging vastgesteld in de vorm van een vaste
                    verlaging, uitgedrukt</al><al>in een percentage van het bedrag van de uitkering gedurende een vaste
                    periode.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat de verlaging dient te worden
                    afgestemd op de</al><al>ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de</al><al>belanghebbende. Deze bepaling brengt met zich mee dat bij elke verlaging moet
                    worden </al><al>nagegaan of gelet op de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                    afwijking van de</al><al>hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is.</al><al>Afwijking kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat bij de beoordeling of er een verlaging moet plaatsvinden, en zo
                    ja welke, telkens de volgende drie stappen moet worden doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging (objectieve
                    vaststelling);</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid (mogelijkheden/onmogelijkheden van
                    het</al><al>individu alsmede eventuele persoonlijke omstandigheden);</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende (bijzondere
                    sociale en/of medische omstandigheden).</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee het bedrag</al><al>van de uitkering verlaagd wordt. Voor wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid</al><al>wordt o.a. verwezen naar de toelichting bij artikel 4. afzien van uitvoering van
                    een verlaging.</al><al>Deze stappenoverweging dient opgenomen te worden in de rapportage of het
                    besluit.</al><al>In het derde lid is opgenomen dat een besluit tot afstemming niet verhinderd dat
                    ter zake van </al><al>een zelfde gedraging gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om tot opschorting
                    of</al><al>intrekking van het recht op uitkering over te gaan.</al><tussenkop>Artikel 3. Het besluit tot opleggen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een</al><al>besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In
                    dit artikel is </al><al>aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen
                    vloeien </al><al>rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het
                    motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een
                    deugdelijke motivering is voorzien.</al><tussenkop>Artikel 4. Afzien van uitvoering van verlaging</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan het dagelijks </al><al>bestuur te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het
                    betreffende gedrag. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang</al><al>geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op
                    stuk”) is het nodig</al><al>dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden regelt artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening
                    dat het dagelijks </al><al>bestuur geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden
                    hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in</al><al>onzekerheid wordt gehouden over de vraag of het dagelijks bestuur overgaat tot
                    het opleggen van een verlaging. </al><al>Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                    verlaging of </al><al>heeft de gedraging in een zo ver verleden plaatsgevonden dat wordt afgezien van
                    een </al><al>verlaging, dan is het ook niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedragingen mee </al><al>te tellen. Is er om andere redenen van een verlaging afgezien dan is daarin geen
                    reden gelegen </al><al>om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><tussenkop>Afzien van uitvoering van een verlaging in verband met dringende
                    redenen</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de </al><al>concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden
                    gedacht aan </al><al>enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en
                    anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens
                    gezin. </al><al>Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen
                    reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het
                    verlagen van een uitkering.</al><tussenkop>Afzien van uitvoering van verlaging is ook mogelijk bij geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    dagelijks bestuur een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel
                    afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens </al><al>mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het dagelijks bestuur
                    - dringende </al><al>redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van
                    bijzondere </al><al>omstandigheden kan worden besloten de maatregel op een lager niveau, voor een
                    kortere duur of op nul vast te stellen.</al><tussenkop>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het dagelijks
                    bestuur afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is
                    van belang in verband met </al><al>eventuele recidive. Het opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in
                    artikel 17.</al><tussenkop>Samenloop</tussenkop><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een arbeidsverplichting
                    als schending van de inlichtingenplicht oplevert, wordt geen verlaging opgelegd.
                    In dat geval wordt een boete opgelegd. Dit geregeld in artikel 16 van deze
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 5. Schriftelijke waarschuwing</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld dat kan worden volstaan met een schriftelijke
                    waarschuwing in plaats van een verlaging als het dagelijks bestuur daarvoor
                    individuele bijzondere omstandigheden </al><al>aanwezig acht. Wat die bijzondere omstandigheden zijn, is afhankelijk van de
                    concrete situatie in het individuele geval en kan niet op voorhand in deze
                    verordening worden vastgelegd.</al><al>Vast staat wel dat er sprake moet zijn van een vorm van verwijtbaarheid.</al><al>Echter als uit onderzoek blijkt dat de verwijtbaarheid zeer gering is of dat de
                    omstandigheden van persoon en gezin daartoe voldoende aanleiding geven kan de
                    schriftelijke waarschuwing een instrument zijn met een voldoende corrigerend
                    vermogen. Vooral voor de belanghebbende die voor het eerst in verzuim is.</al><al>Het doen van een schriftelijke waarschuwing telt volledig mee bij de bepaling
                    van recidive. Ook een waarschuwing kan, ingeval van herhaling, dus aanleiding
                    zijn om de oorspronkelijke </al><al>afstemming in duur of hoogte te verdubbelen. In die zin heeft een waarschuwing
                    rechtsgevolg, </al><al>zodat er bezwaar en beroep tegen kan worden aangetekend.</al><al>Niet volstaan kan worden met een schriftelijke waarschuwing als, in de
                    voorafgaande twaalf maanden, eerder een waarschuwing is gegeven of verlaging op
                    de uitkering heeft plaats-gevonden.</al><tussenkop>Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</tussenkop><al>Het verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><tussenkop>Verlagen naar de toekomst </tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste</al><al>methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te worden overgegaan
                    tot </al><al>herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag.
                    In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met
                    ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand
                    waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de
                    verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand </al><al>geldende bijstandsnorm.</al><tussenkop>Verlagen met terugwerkende kracht</tussenkop><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen kan de </al><al>verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast. Het afstemmingsbesluit
                    dat in dat </al><al>geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het
                    besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte uitkering. De uitkering die op
                    grond van het afstemmingsbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van
                    artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk
                    artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd.
                    Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet altijd mogelijk. Als alle
                    uitkering over de </al><al>betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om
                    af te stemmen.</al><al>Is geen duidelijke datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of
                    is de </al><al>verlaging het gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is
                    verlagen met</al><al>terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de
                    toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te
                    solliciteren.</al><tussenkop>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering</tussenkop><al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een </al><al>verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand (meer)
                    heeft. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als
                    gevolg van de beëindiging of</al><al>intrekking van de uitkering, is het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van
                    de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende
                    binnen twaalf maanden na </al><al>beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt.</al><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het dagelijks bestuur moet bij het opnieuw
                    toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding
                    bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een
                    afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel
                    open.]</al><tussenkop>Artikel 7. Berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Uitkeringsnorm </tussenkop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de </al><al>uitkeringsnorm. Onder de uitkeringsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief de </al><al>gemeentelijke verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond
                    van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5
                    van de IOAW respectievelijk van de IOAZ. </al><tussenkop>Bijzondere bijstand </tussenkop><al>In onderdeel a. van lid 2. is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast
                    op de </al><al>bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met </al><al>toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen de 18 en 21
                    jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld
                    door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval
                    bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond
                    van artikel 12 van de</al><al>Participatiewet.</al><al>In het onderdeel b, is het mogelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan </al><al>uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                    verstrekt.</al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele </al><al>inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 8. Gedragingen Participatiewet</tussenkop><al>De artikelen 8 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in </al><al>artikel 10 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                    categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt
                    ernstiger geacht naarmate de </al><al>gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde</al><al>arbeid.</al><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college i.c. het dagelijks bestuur moest
                    afstemmen als een belanghebbende de </al><al>verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede
                    lid, van de </al><al>Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen".
                    Het woord</al><al>"onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter
                    geen</al><al>inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet
                    of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te
                    voorkomen is daarom in artikel 8 neergelegd dat sprake is van een verwijtbare
                    gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen.</al><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (derde categorie)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een </al><al>gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In
                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de </al><al>bijstand met honderd procent gedurende een in deze verordening vastgelegde duur
                    van ten </al><al>minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet). </al><al>In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 11.</al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 8,
                    derde lid, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding,</al><al> gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding (tweede
                    categorie)</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de</al><al>Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij
                    worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding
                    (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen enkele
                    inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel
                    d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen
                    verricht, maar naar het oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende, dan
                    verlaagt het dagelijks bestuur de uitkering. Een aparte grondslag in de
                    verordening opnemen is strikt genomen niet </al><al>noodzakelijk. Dit is in het verleden in verband met de herkenbaarheid wel
                    gedaan.</al><tussenkop>Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al>De artikelen 9 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 9
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 9, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in </al><al>artikel 10 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                    categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt
                    ernstiger geacht naarmate de </al><al>gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of
                    behouden van betaalde arbeid.</al><al>Artikel 10. Hoogte en duur van de verlaging</al><al> Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 8.
                    en 9.</al><al>Met de Wet Maatregelen WWB zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                    bijbehorende </al><al>maatregelen geïntroduceerd. Zie artikel 18, vierde en vijfde lid, van de
                    Participatiewet. Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming aan te
                    sluiten bij die maatregelen voor het schenden van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Dit omwille van eenvoud en duidelijkheid. Bovendien zijn
                    diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen als
                    bedoeld in de artikelen 8 en 9 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 11. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>De eerste keer dat het dagelijks bestuur een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm </al><al>gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode van één maand (artikel
                    18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Artikel 12. Verrekenen verlaging</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur heeft op grond van artikel 18, vijfde lid, tweede volzin
                    van de Participatiewet, de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens
                    schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te
                    verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de </al><al>maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden.</al><al>In deze verordening is bepaald dat de verlaging van de bijstand in één keer met
                    de uitkering wordt verrekend.</al><tussenkop>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een </al><al>hoger bedrag is aangewezen op bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><al>Op grond van artikel 13 van deze verordening wordt een verlaging opgelegd wegens
                    het </al><al>betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                    in het bestaan van honderd procent gedurende maximaal drie maanden.</al><tussenkop>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><tussenkop>Participatiewet </tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen </al><al>daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien
                    van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of
                    inventaris, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als
                    zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk
                    blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben
                    zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele </al><al>intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot)
                    opsluiting in een ruimte zijn als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook
                    verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college,
                    dagelijks bestuur, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun
                    werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden'
                    wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de
                    uitvoering van de Participatiewet,Bbz 2004, IOAW en IOAZ. Dat is anders als
                    betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van
                    toepassing.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige </al><al>misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde
                    lid, van de</al><al>Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015
                    was dit een </al><al>onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer
                    ernstige </al><al>misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige
                    misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die
                    voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ.</al><tussenkop>IOAW en IOAZ </tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden </al><al>verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat
                    in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt
                    beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.
                    Het dagelijks bestuur kan alleen een verlaging </al><al>opleggen als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) </al><al>belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en
                    IOAZ bevatten immers geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige
                    misdragingen. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens
                    het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet)
                    nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden </al><al>verplichting. Vandaar dat in het tweede lid wordt bepaald dat de zeer ernstige
                    misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks
                    verband houden met de uitvoering van IOAW of IOAZ. Als een belanghebbende zich
                    zeer ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden
                    verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen </al><al>beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze gedraging geen
                    sanctie </al><al>mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 15. Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><al>DeParticipatiewet geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55
                    van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid.</al><al>Omdat de verplichtingen die het dagelijks bestuur op grond van artikel 55 van de
                    Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een </al><al>belanghebbende. Het dagelijks bestuur zal daarom altijd rekening moeten houden
                    met de </al><al>individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.
                    In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel
                    vastgestelde verlaging.</al><tussenkop>Artikel 16. Samenloop van gedragingen</tussenkop><tussenkop>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                    geschonden</tussenkop><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in de Participatiewet,
                    Bbz 2004, IOAW of IOAZ. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het
                    bepalen van de hoogte en de duur van de</al><al>verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                    gesteld.</al><tussenkop>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen
                    worden geschonden</tussenkop><al>Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in de
                    Participatiewet, Bbz 2004, IOAW of IOAZ. Dit wordt 'meerdaadse samenloop'
                    genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een </al><al>afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden gelijktijdig
                    opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren
                    zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken
                    worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging kan dan over meerdere
                    maanden worden uitgesmeerd.</al><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is.</al><al>Als sprake is van één gedraging (eendaadse samenloop) die zowel schending van
                    een arbeidsverplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze </al><al>verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de
                    inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke
                    boete. De boete heeft in dat geval prioriteit waardoor van een verlaging moet
                    worden afgezien. </al><al>Bij meerdaadse samenloop (vierde lid), is er sprake van verschillende
                    gedragingen. In deze </al><al>situatie wordt een bestuurlijke boete opgelegd voor zover sprake is van een
                    gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast wordt voor iedere
                    afzonderlijke gedraging een </al><al>verlaging opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken
                    worden naar de individuele omstandigheden. Bij een totale verlaging van meer dan
                    honderd procent wordt de verlaging in gelijke porties over meerdere maanden
                    uitgesmeerd. Uitgangspunt is dat deze </al><al>periode zo kort mogelijk duurt.</al><tussenkop>Artikel 17. Recidive</tussenkop><tussenkop>Verdubbeling hoogte verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een</al><al>verwijtbare gedraging waarmee eenzelfde verplichting wordt geschonden, wordt de
                    grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
                    van de hoogte van de verlaging.</al><al>Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die
                    aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen of
                    individuele bijzondere omstandigheden is afgezien van het uitvoeren van een
                    verlaging of een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al><al>Is afgezien van uitvoering van een verlaging, inclusief schriftelijke
                    waarschuwing, dan wordt bij recidive de oorspronkelijke, voor die desbetreffende
                    gedraging, geldende verlaging verdubbeld.</al><al>Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                    verlaging, dan</al><al>is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te
                    tellen. Voor het </al><al>bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip
                    waarop het besluit </al><al>waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. De recidiveverlaging kan
                    meerdere keren worden toegepast. </al><tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop><al>Een verlaging kan nooit hoger zijn dan 100%. Daarom wordt bij gedragingen waar
                    relatief zware verlagingen voor gelden of bij een opeenstapeling van meerdere
                    verlagingen de totale de duur van de verlaging verlengd. Uitgangspunt hierbij is
                    dat de verlaging over een zo kort mogelijke periode plaatsvindt.</al><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet </al><al>geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    17, eerste lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking
                    gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de
                    recidivebepaling is vereist dat het opnieuw </al><al>schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na
                    bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast.</al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt dat telkens de hoogte
                    van de vorige verlaging wordt verdubbeld. Bij zware gedragingen geldt een
                    verdubbeling van de duur van de verlaging omdat een verlaging van meer dan
                    honderd procent niet mogelijk is.</al><tussenkop>Voorbeeld: gedraging verlaging van 1 maand 40%</tussenkop><tussenkop>1e recidive verlaging van 1 maand 80%</tussenkop><tussenkop>2e recidive verlaging van 2 maanden 100%</tussenkop><tussenkop>3e recidive verlaging van 4 maanden 100%</tussenkop><tussenkop>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste lid is vereist dat sprake moet zijn van
                    "eenzelfde </al><al>verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is
                    opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit
                    niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een
                    eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig
                    misdragen binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich
                    niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen, dan is geen sprake van recidive aangezien het niet
                    "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een
                    belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak en
                    vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht. Ook dan is geen sprake
                    van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn
                    geschonden. </al><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting
                    Participatiewet</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting </al><al>binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is
                    opgelegd</al><al>wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de
                    verlaging </al><al>honderd procent gedurende twee maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde
                    lid, van de </al><al>Participatiewet gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, </al><al>telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de
                    verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste
                    lid, van de</al><al>Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 18. Verlaging uitkering Participatiewet bij weigeren uitkering
                    IOAW/IOAZ</tussenkop><al> Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van
                    de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                    belanghebbende inkomen uit arbeid had </al><al>kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het
                    dagelijks </al><al>bestuur. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde
                    komen als het dagelijks bestuur zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele
                    weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Als het
                    dagelijks bestuur concludeert dat van een </al><al>weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast.</al><al>Als het dagelijks bestuur besluit tot blijvende of tijdelijke weigering van de
                    IOAW- of IOAZ </al><al>uitkering kan, als de belanghebbende nadien recht heeft op een uitkering op
                    grond van de </al><al>Participatiewet, op grond van deze verordening een verlaging op die uitkering
                    worden toegepast.</al><tussenkop>Artikel 19. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Van het gestelde in deze verordening kan worden afgeweken als:</al><lijst><li nr="-"><al>zich in het individuele geval situaties voordoen waarin op het moment
                            van de vaststelling van deze verordening niet is voorzien;</al></li><li nr="-"><al>onverkorte toepassing in het individuele geval leidt tot onbillijkheid
                            van overwegende aard. Dit gelet op het betoonde besef van
                            verantwoordelijkheid en het al dan niet volledig</al><al> nakomen van de verplichtingen door de belanghebbende.</al></li></lijst><al>Afwijking van de standaardafstemming kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen. Deze bepaling maakt, met in achtneming van de ernst van de gedraging,
                    de mate waarin de </al><al>gedraging verweten kan worden en de omstandigheden van persoon en gezin,
                    maatwerk </al><al>mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 20. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 21. Overgangsbepaling</tussenkop><al>Deze verordening is van toepassing op verwijtbare gedragingen die hebben
                    plaatsgevonden na 31 december 2014.</al><al>Al naar gelang de omstandigheden kunnen bepalingen van deze nieuwe verordening
                    voor de belanghebbende gunstiger of ongunstiger uitpakken ten opzichte van de
                    regelgeving zoals deze voor 1 januari 2015 van toepassing was. </al><al>Verwijtbare gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2015 worden in
                    principe </al><al>beoordeeld op basis van de verordening zoals deze tot 1 januari 2015 gold.</al><al>Voor zover er sprake is van een verwijtbare gedraging welke zich uitsmeert over
                    een langere periode, welke aanvangt voor 1 januari 2015 en eindigt na 31
                    december 2014 dan zijn in de </al><al>bepalingen van deze, nieuwe, verordening van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 22. Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>