<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR352043_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reintegratieverordening participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Vlieland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlieland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlieland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.vlieland.nl">Uit het Kastje nummer 48-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reintegratieverordening gemeente Vlieland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8; 10">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reintegratieverordening participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Vlieland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Vlieland,</al><al>gelezen: het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober
                        2014</al><al>gelet op: de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, 10a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en de
                        artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste
                        lid van de Wet inkomens voorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werknemers en de </al><al> artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste
                        lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte </al><al> gewezen werknemers</al><al>b e s l u i t: </al><al>vast te stellen de </al><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</vet></al><al><vet>gemeente Vlieland</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden </al><al>omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet,
                                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet </al><al>inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen (IOAZ), en de Algemene wet bestuursrecht
                                    (Awb).</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Dienst
                                            Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienst: de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                            Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="c."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk </al><al> arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al></li><li nr="e."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste
                                            lid, onder a, van de</al><al> Participatiewet alsmede de personen zoals bedoeld in
                                            artikel 34, </al><al> eerste lid, onderdeel a van de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van
                                            een hulpverlenend</al><al> beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                            personen</al><al> uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                            rechtstreeks </al><al> voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke
                                            zorg van </al><al> huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></li><li nr="g."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                            jaar;</al></li><li nr="h."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                            jaar.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze
                                verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden
                                en functionele beperkingen van een</al><al> persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op
                                zorgtaken van die </al><al> persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk.
                                Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>noodzakelijk te verrichten mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zal bij het bepalen van het aanbod van
                                voorzieningen prioriteiten stellen in verband met zijn financiële
                                mogelijkheden en met de maatschappelijke,</al><al> economische en conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een
                                verslag over de</al><al> doeltreffendheid van het beleid. Dit verslag wordt vormgegeven
                                conform het verslag als bedoeld in artikel 77 van de Participatiewet
                                wet. Het verslag bevat in ieder geval het </al><al> oordeel van de Cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze
                                verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke
                                voorzieningen, waaronder ondersteunende</al><al> voorzieningen, het dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden
                                en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn </al><al> opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de
                                        artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de</al><al> doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening
                                        onvoldoende</al><al> bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                                        niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                        de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de</al><al> voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                        aanmerking te </al><al> komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer een voorziening is beëindigd en niet het beoogde doel heeft
                                gehad, kan het dagelijks bestuur besluiten geen nieuwe voorziening
                                aan de belanghebbende aan te bieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een eigen bijdrage wordt in rekening gebracht voor de
                                niet-uitkeringsgerechtigde of</al><al> in geval de niet-uitkeringsgerechtigde deel uitmaakt van een
                                gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 3 van de
                                Participatiewet, met een gezamenlijk inkomen hoger dan 150% van het
                                van toepassing zijnde wettelijk minimum loon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigen bijdrage die in rekening wordt gebracht is gelijk aan de
                                gemaakte kosten van het door het dagelijks bestuur aangeboden
                                voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan besluiten tot het instellen van één of
                                meer budgetplafonds voor de verschillende voorzieningen en/of
                                doelgroepen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een door het dagelijks bestuur in het eerste lid genoemde
                                budgetplatform vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                een scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>zonder inzet van de scholing is het verwerven of behouden
                                        van arbeid naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet
                                        haalbaar;</al></li><li nr="b."><al>de scholing moet aansluiten bij de krachten of bekwaamheden
                                        van de persoon; en</al></li><li nr="c."><al>de scholing die ingezet wordt beslaat maximaal een periode
                                        van twee jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid,</al><al> onderdeel a, van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht
                                op algemene</al><al> bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet
                                onbeloonde additionele </al><al> werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden</al><al> worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt
                                ondertekend door het </al><al> dagelijks bestuur, de werkgever en de persoon die de additionele
                                werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                100,00 per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan
                                een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van
                                een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat
                                hij deze persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                voorselectie en wint bij het
                                Uitvoeringsinstituutwerknemersverzekeringen advies in voor de
                                beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                                aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                hebben. Het dagelijks bestuur selecteert voor deze beoordeling
                                uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het dagelijks bestuur de
                                volgende ondersteunende voorzieningen in:</al><lijst><li nr="-"><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                        werkomgeving,</al></li><li nr="-"><al>uitsplitsing van taken of</al></li><li nr="-"><al>aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                        arbeidsduur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk
                                en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk beschikbaar worden
                                gesteld. In verband hiermee overlegt het dagelijks bestuur met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente of
                                dienst gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                            arbeids-</al><al> overeenkomst aangaat met een werknemer; </al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                            behoort tot de</al><al> doelgroep; </al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere
                                            beperking heeft of de</al><al> werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                            loonkostensubsidie als </al><al> bedoeld in artikel 10d van de wet ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is,
                                            en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de
                                            gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De no-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                                            minimumloon, en</al></li><li nr="b."><al>15 procent boven de dekking voor extra
                                            werkgeverslasten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                    dienst een</al><al>verzekering af met de verzekeraar en treedt op als verzekeringnemer. De
                            begunstigde is de werkgever. </al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur verstrekt de no-riskpolis tot en met 12 maanden
                            na indiensttreding van de werknemer bij de werkgever.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de</al><al> Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ Dienst SoZaWe Nw.
                                Fryslân, </al><al> vastgesteld door het Algemeen bestuur van de Dienst SoZaWe op 29
                                mei 2013, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening,
                                behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden
                                uit de Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ Dienst SoZaWe NW.
                                Fryslân, voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan na afloop van de in het eerste lid,
                                onderdeel a, bedoelde</al><al> periode, besluiten of een voorziening wordt voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ Dienst SoZaWe Nw.
                                Fryslân blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette
                                voorziening als bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening 2015
                            gemeente Vlieland.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>van de gemeente Vlieland op 24 november 2014.</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van </al><al>gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is </al><al>maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen
                    wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan
                    het dagelijks bestuur de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen
                    afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit
                    de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de
                    door het college i.c. het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het dagelijks bestuur in ieder
                    geval kan aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen</al><al> 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid,</al><al> onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet</al><al> (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde lid, van de
                            Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn </al><al>vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al> Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet
                    de gemeenteraad in de verordening ten aanzien van de aangeboden voorzieningen
                    vastleggen hoe </al><al>rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van
                    personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de </al><al>omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is
                    in</al><al>overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                    handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en
                    waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                    mensenrechten en fundamentele </al><al>vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun
                    inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering
                    gegeven.</al><al>Het is aan het dagelijks bestuur om te zorgen voor een voldoende en passend
                    aanbod van voorzieningen. Het dagelijks bestuur heeft daarbij te maken met
                    beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een
                    veelheid aan sociaal economische factoren. Dat maakt dat het dagelijks bestuur
                    bepaalt voor welke inwoners die tot de doelgroep van de Participatiewet behoren,
                    zij bepaalde voorzieningen gaan inzetten.</al><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    i.c. het dagelijks bestuur aan moet bieden. Het enige criterium is dat de
                    voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan
                    het (op termijn) mogelijk maken van reguliere </al><al>arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de
                    arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering
                    en het voorkomen van een </al><al>isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het
                    leren van </al><al>vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via
                    gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat in een individuele situatie een
                    persoonsgebonden </al><al>re-integratiebudget ter beschikking wordt gesteld.</al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan
                    beëindigen en in welke gevallen dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                    verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een</al><al>detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend
                    de </al><al>toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                    rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                    opgenomen in </al><al>artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een </al><al>uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a,
                    vijfde lid, </al><al>onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid,
                    onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het dagelijks
                    bestuur ondersteuning bij de </al><al>arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren, het inkomen
                    ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee
                    jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 4. Eigen bijdrage</tussenkop><al>Niet-uitkeringsgerechtigden behoren tot de doelgroep die een voorziening moet
                    worden </al><al>aangeboden. Zij kunnen niet worden uitgesloten op basis van hun inkomen. Om die
                    reden wordt de niet-uitkeringsgerechtigde een eigen bijdrage in rekening
                    gebracht.</al><tussenkop>Artikel 5. Budgetplafonds</tussenkop><al>In het verlengde van artikel 2, tweede lid, kan het dagelijks bestuur
                    budgetplafonds </al><al>instellen. Met het instellen van dergelijke plafonds wordt voorkomen dat
                    bepaalde groepen onevenredig veel aanspraak maken op voorzieningen en daaraan
                    gekoppelde middelen.</al><tussenkop>Artikel 6. Scholing</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat het dagelijks bestuur een scholingstraject kan aanbieden
                    aan een persoon die behoort tot de doelgroep.</al><al>Bij de inzet van scholing wordt gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie en de
                    duur ervan. Het dagelijks bestuur hoeft aan een persoon geen scholing aan te
                    bieden als dergelijke scholing naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van
                    de persoon te boven gaan. Gekozen wordt voor die scholing die het snelst leidt
                    tot het beoogde doel. In beginsel zal er geen </al><al>scholing ingezet worden die langer dan 24 maanden in beslag neemt.</al><tussenkop>Jongeren</tussenkop><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas </al><al>bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen </al><al>ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van
                    de </al><al>Participatiewet).</al><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Jongeren worden geacht minimaal te beschikken over een startkwalificatie.
                    Hierdoor </al><al>beschikken zij over een betere startpositie op de arbeidsmarkt.</al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo- of VWO-diploma of een diploma
                    van het </al><al>middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. </al><al>Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                    startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing
                    noodzakelijk zijn voor de</al><al>re-integratie. </al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient het dagelijks bestuur aan deze persoon
                    scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van
                    de werkzaamheden op de </al><al>participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting
                    van de kansen op de arbeidsmarkt. Het dagelijks bestuur hoeft aan een persoon
                    alleen geen scholing of </al><al>opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel
                    de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn
                    oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op
                    inschakeling in het arbeidsproces van de </al><al>persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 7. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Het dagelijks bestuur kan daarom ook enkel aan personen van 27
                    jaar of ouder met recht op algemene bijstand een </al><al>participatieplaats aanbieden.</al><al>Additionele werkzaamheden</al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het dagelijks
                    bestuur of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot
                    (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). </al><al>Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na
                    aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de
                    participatieplaats wordt voorgezet. Als de dienst concludeert dat voortzetting
                    van de participatieplaats met het oog op in de persoon </al><al>gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de </al><al>participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een
                    andere </al><al>werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de
                    Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats
                    (artikel 10a, tiende lid, van de </al><al>Participatiewet).</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de </al><al>additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet).
                    Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de </al><al>verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de
                    Participatiewet). </al><al>De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j,
                    van de </al><al>Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het
                    in de </al><al>vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de </al><al>premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is gekozen voor
                    een premie van telkens € 100,- per zes maanden.</al><tussenkop>Artikel 8. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                    uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                    beperking een zodanige </al><al>mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat niet van
                    een </al><al>reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in
                    dienst neemt.</al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de dienst een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het dagelijks bestuur welke
                    mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de
                    verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom
                    is in het tweede lid bepaald dat het dagelijks </al><al>bestuur uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    selecteert voor de </al><al>beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een
                    korte afstand tot de </al><al>arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot </al><al>arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving </al><al>kunnen werken. </al><al>Het dagelijks bestuur kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in
                    een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft </al><al>(artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag
                    van een </al><al>persoon nodig. Het dagelijks bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een
                    voorselectie. Het dagelijks bestuur moet bij het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen advies </al><al>inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een
                    beschutte </al><al>omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    hebben. </al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het dagelijks bestuur
                    met </al><al>betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het </al><al>Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een </al><al>beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Stap 3: besluit dagelijks bestuur</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist het dagelijks bestuur of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort.
                    Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen, kan het dagelijks bestuur
                    besluiten het advies niet te volgen.</al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    het dagelijks bestuur ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                    beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de </al><al>beleidsvrijheid van gemeenten i.c. de dienst. Een dienstbetrekking kan
                    bijvoorbeeld worden </al><al>georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via </al><al>detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.</al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze </al><al>dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze verordening
                    vastgelegd op welke wijze het dagelijks bestuur de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. De Dienst kan het werk
                    zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente of dienst gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.</al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                    hoeveel plekken voor beschut werk de dienst beschikbaar stelt. Het aanbod is
                    mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij
                    werkgevers. Daarom moet het dagelijks </al><al>bestuur overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod te kunnen
                    bepalen</al><al>(vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 9. No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de </al><al>loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een
                    werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de
                    Ziektewet van toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b
                    Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever in aanmerking komt voor
                    de no-riskpolis bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of
                    andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een
                    loonkostensubsidie ontvangt.</al><tussenkop>Voorwaarden</tussenkop><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een </al><al>no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 maanden
                    duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet </al><al>hebben binnen de gemeente.</al><tussenkop>Hoogte vergoeding</tussenkop><al>De no-riskpolis vergoedt het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                    minimumloon en 15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al><tussenkop>Contract met verzekeraar</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis
                    een</al><al>verzekering afsluiten met de verzekeraar. Het dagelijks bestuur treedt op als </al><al>verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde (derde lid).</al><tussenkop>Duur no-riskpolis</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur vergoedt de kosten van de no-riskpolis tot 12 maanden na </al><al>indiensttreding van de werknemer bij de werkgever.</al><tussenkop>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</tussenkop><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen en kan artikel 29b van de
                    Ziektewet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 10. Overgangsrecht</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op
                    grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                    voorwaarden uit deze </al><al>verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratie-verordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer </al><al>worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude </al><al>re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar
                    door </al><al>inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou
                    dan op grond van artikel 3, tweede lid, van deze verordening moeten worden
                    beëindigd. Om dit te voorkomen is dit artikel geregeld dat dergelijke
                    voorzieningen worden behouden voor een </al><al>bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van twaalf maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is
                    verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de oude
                    re-integratieverordening. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet
                    de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen
                    aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de </al><al>arbeidsinschakeling. De periode van periode van twaalf maanden begint te lopen
                    vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen</tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de oude re-integratieverordening worden in
                    beginsel behouden tot twaalf maanden na inwerkingtreding van deze verordening.
                    Na afloop van die periode kan het dagelijks bestuur besluiten of een voorziening
                    wordt voortgezet (derde lid). Hierbij kan het dagelijks bestuur rekening houden
                    met al gesloten overeenkomsten. </al><al>Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het
                    dagelijks bestuur is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te
                    voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende
                    re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná </al><al>inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                    overeenkomst.</al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de oude re-integratieverordening van
                    toepassing (derde lid).</al><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk</tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na twaalf maanden is niet mogelijk
                    als de </al><al>voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de </al><al>voorwaarden voor die voorziening op grond van de <vet>oude
                        re-integratieverordening</vet> of als de voorziening is toegekend voor een
                    kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een
                    voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de
                    oorspronkelijke toekenning.</al><tussenkop>Artikel 11. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 12. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>