<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR351544_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Putten</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Putten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 30 december 2014 Nr. 82946</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 8a eerste lid onderdeel b en Ioaw, artikel 35 lid 1 onderdeel e</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>368785</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>welzijn, maatschappelijke zorg, sociale verzekeringen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld bij besluit van
                        de raad van 4 december 2014 nr. 368813</al><al/><al/><al>De raad der gemeente Putten;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 november 2014,
                        nr. 368785;</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet en
                        artikel 35 lid 1 onderdeel e van de Ioaw;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de Verordening tegenprestatie Participatiewet.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> grote afstand tot de arbeidsmarkt: </al><al>deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk
                                        binnen één jaar;</al></li><li nr="b."><al> korte afstand tot de arbeidsmarkt: </al><al>deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk
                                        binnen één jaar;</al></li><li nr="c."><al> mantelzorg: </al><al>hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                        beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en
                                        opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als
                                        bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks
                                        voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale
                                        relatie en die niet wordt verleend in het kader van een
                                        hulpverlenend beroep.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>BELEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt jaarlijksaan de gemeenteraad een
                                verslag over de doeltreffendheid van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het advies van
                                de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>DE TEGENPRESTATIE NAAR VERMOGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al> naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al> niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;</al></li><li nr="c."><al> worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al> niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening in
                                beleidsregels vastleggen welke aanvullende werkzaamheden het college
                                in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden
                                voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn
                                opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien
                                bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al> de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;</al></li><li nr="c."><al> de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                        belanghebbende moeten in overweging worden genomen;</al></li><li nr="d."><al> als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
                                        vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden
                                        gehouden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van
                                    2maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 10 uren per
                                week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden maximaal 3
                                maal worden opgedragen en omvat in die periode ten hoogste 40
                                dagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                            oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                                voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen
                                werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen
                                    zesmaanden of op dat moment wel werkzaamheden
                                voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label></kop><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al/><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit
                    de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Afstemmen</cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integra</cursief><cursief>tieinstrument
                    </cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49­50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re- integratie
                    inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk boven
                    uitkering.</al><al/><al><cursief>Verordeningsplicht</cursief></al><al>De Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op om bij verordening
                    regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan mensen met
                    een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de pensioengerechtigde
                    leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8a, eerste lid,
                    onderdeel b Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud
                    van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).</al><al/><al><cursief>Ontwikkelen beleid door college</cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al><al/><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 </vet><vet> Begrippen</vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                    'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor
                    deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de
                    mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van
                    deze verordening.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                    'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is
                    voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de
                    mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van
                    deze verordening.</al><al/><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning 2015 (zie artikel 1.1.1, eerste lid van de Wmo
                    2015). Onder mantelzorg wordt verstaan: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van
                    jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die
                    rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en
                    die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.</al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                    Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of
                    sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke
                    zorg wordt verstaan kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke
                    zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat
                    Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of
                    ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze
                    als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                    gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                    huishouden.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 </vet><vet> B</vet><vet>ELEID</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2 Verslag</vet><vet> over beleid</vet></al><al>Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de
                    doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een tegenprestatie. Dit
                    kan middels het jaarlijkse beleidsverslag.</al><al/><al><cursief>Cliëntenraad betrekken bij beleid</cursief></al><al>Uit artikel 2, tweede lid, van deze verordening volgt nadrukkelijk dat de
                    cliëntenraad moet worden betrokken bij de verantwoording over het beleid. Hier
                    kan een relatie worden gelegd met de verordening cliëntenparticipatie, die de
                    gemeenteraad moet vaststellen op grond van artikel 47 Participatiewet. Het
                    verslag over het beleid inzake het opdragen van een tegenprestatie moet het
                    advies van de cliëntenraad bevatten.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Inhoud van</vet><vet> een tegenprestatie</vet></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.</al><al>Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van
                    de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van
                    een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring
                    en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers
                    opgedragen 'naar vermogen'. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in
                    staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al/><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt
                    verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al/><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    </cursief></al><al>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van
                    aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de
                    tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de
                    reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en
                    onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en
                    van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid
                    worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al/><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                    additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                    werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze verordening
                    genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                    werkzaamheid:</al><al>a. naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;</al><al>b. niet is bedoeld als re-integratieinstrument;</al><al>c. wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie
                    waarin deze worden verricht; en</al><al>d. niet leidt tot verdringing.</al><al/><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                    tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                    32 815, nr. 3, p. 14).</al><al/><al>In een beleidsplan kan het college vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval
                    als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van
                    deze verordening gestelde voorwaarden.</al><al/><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties:</cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    samen­werken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor
                    te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                    is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke
                    organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan
                    een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te bepalen. </al><al/><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegen­prestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het
                    betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                    arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere
                    werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering
                    staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr.
                    3, p. 14).</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3 DE TEGENPRESTATIE NAAR VERMOGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4 Het opdragen van een tegenpre</vet>statie</al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                    Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep
                    worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49).</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie opdragen aan personen met lange afstand tot
                        arbeidsmarkt</cursief></al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het college een
                    tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een belanghebbende die
                    een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit impliceert dat aan
                    belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben geen
                    tegenprestatie wordt opgedragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden
                    (zie hierover de toelichting bij artikel 4, tweede lid, onder de kop
                    "Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt"). Zie artikel 1 van
                    deze verordening voor de begrippen korte en grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt.</al><al>Hiervoor is gekozen opdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    zich volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht,
                    zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen
                    met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat
                    hun inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt in beginsel
                    aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt geen tegenprestatie
                    opgedragen. De tegenprestatie mag immers het accepteren van passende arbeid of
                    van re-integratieinspanningen niet belemmeren aangezien werk boven uitkering als
                    uitgangspunt geldt. Aan personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kan
                    het college wel een tegenprestatie opdragen.</al><al/><al><cursief>Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het college een
                    belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie kan
                    opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen
                    re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het verrichten
                    van re- integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden
                    verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie op te dragen.</al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is
                    niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                    arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar
                    arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet)</al><al>De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande
                    ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste
                    lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Weigering tegenprestatie</cursief></al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                    verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te
                    leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). Dit is
                    geregeld in de Afstemmingsverordening.</al><al/><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>In artikel 4, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren
                    het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze
                    factoren worden hierna toegelicht.</al><al/><al><cursief>Factor: tegenprestatie 'naar vermogen''</cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                    door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft
                    betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze
                    werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al/><al><cursief>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                        belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                    persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                    waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening
                    gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het
                    opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren.</al><al/><al>Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met
                    praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of
                    belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al/><al><cursief>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende
                    </cursief></al><al>Bij het opleggen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                    rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                    regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de
                    keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende
                    kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten
                    werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een
                    belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige
                    activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door
                    belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van
                    belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                    tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of
                    krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar
                    zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een
                    belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt
                    belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst
                    met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                    voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen
                    keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan
                    het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan
                    belanghebbende.</al><al/><al><cursief>Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                        belanghebbende</cursief></al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening
                    met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een
                    maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde gevallen
                    besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook
                    kan de omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit
                    verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen
                    van de tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                    voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een
                    gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en
                    houdt daarbij rekening met de duur en omvang daarvan.</al><al/><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college kan ook
                    besluiten vrijwilligerswerk voor een aantal uren aan te merken als
                    tegenprestatie. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de minimale en
                    maximale duur van de tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 5 van deze
                    verordening. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol
                    spelen.</al><al>Omdat vrijwilligerswerk veelzijdig van aard is, is geen begripsomschrijving
                    opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Duur en omvang van een tegenpres</vet><vet>tatie</vet></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.</al><al>Artikel 5 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en
                    omvang van de tegenprestatie.</al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                    belang­hebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                    betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in
                    welke mate een tegenprestatie van een belanghebbende verlangd kan worden (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 30).</al><al/><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in dagen</cursief></al><al>Artikel 5, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximale duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur van
                    2 maanden.. Uit het onderzoeksrapport "Voor wat hoort wat" blijkt dat bij
                    ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren de gemiddelde
                    duur korter is dan een half jaar en bij iets minder dan de helft is de
                    gemiddelde duur meer dan een half jaar. Het is van belang dat de duur beperkt
                    is. Het opdragen van de tegenprestatie tot aan het einde van de uitkering is in
                    ieder geval niet beperkt in duur en in omvang.</al><al/><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in uren</cursief></al><al>Artikel 5, tweede lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximaal aantal uren per week. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal
                    10 uren per week.Voor het maximaal aantal uren is gekozen om de
                    tegenprestatie van relatief geringe omvang te laten zijn.</al><al/><al>Uit jurisprudentie blijkt dat een aanbod van het college om voor 32 uur per week
                    werkzaamheden te verrichten in ieder geval niet kan worden aangemerkt als een
                    tegenprestatie (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Om deze reden dient de tegenprestatie relatief
                    gering in omvang en duur te zijn.</al><al>Artikel 5, derde lid, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie binnen een
                    periode 12 maanden maximaal 3 maal kan worden opgedragen en omvat in die periode
                    ten hoogste 80 dagen<vet>.</vet> Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode
                    van twaalf maanden. Deze bepaling waarborgt dat de tegenprestatie relatief
                    gering wordt ingezet. De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan
                    de re-integratie van een belanghebbende. Bovendien is het verstandig de
                    tegenprestatie relatief gering in omvang en duur in te zetten om aan de veilige
                    kant van de internationale bepalingen met betrekking tot het verbod op
                    dwangarbeid en verplichte arbeid te blijven (artikel 4 EVRM). Het is daarom
                    onwenselijk om een belanghebbende vaker dan driemaal per periode van twaalf
                    maanden in te zetten. Daarbij geldt bovendien dat de tegenprestatie in die
                    periode in totaal slechts voor ten hoogste 40 dagen kan worden ingezet.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Mant</vet><vet>elzorg</vet></al><al>Artikel 6 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen
                    indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het verrichten
                    hiervan redelijkerwijs noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid
                    uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet
                    maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van
                    mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals
                    neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende
                    mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg
                    volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een
                    belanghebbende geen tegenprestatie op (artikel 6 van deze verordening).</al><al/><al><vet>Artikel 7 Geen werkzaamhede</vet><vet>n voorhanden</vet></al><al>Artikel 7, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                    wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    voorhanden zijn. Indien het college besluit geen tegenprestatie op te leggen
                    omdat geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                    wordt binnen zes maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat
                    moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. Dit is
                    geregeld in artikel 7, tweede lid, van deze verordening.</al><al/><al>Komend jaar zal regionaal en in de Arbeidsmarktregio nagegaan worden of met de
                    betrokken gemeenten afspraken gemaakt kunnen worden om tegenprestaties aan te
                    gaan bieden binnen de aangesloten gemeenten.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>