<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR351400_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit Jeugdhulp gemeente Haren 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haren</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-81583.html">Gemeenteblad 81583</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit Jeugdhulp gemeente Haren 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>9441</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Besluit Jeugdhulp gemeente Haren 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haren;</al>
          <al>gelet op de Verordening jeugdhulp gemeente Haren 2015;</al>
          <al>gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein;</al>
          <al>besluit vast te stellen het <vet>Besluit Jeugdhulp gemeente
                            Haren 2015 </vet></al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>Voor de begripsbepalingen wordt verwezen naar de Verordening Jeugdhulp
                        gemeente Haren 2015 en/of de Jeugdwet.</al>
          <al>In dit Besluit wordt verstaan onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 5;</al></li>
            <li nr="b."><al>melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 3, eerste
                                lid; </al></li>
            <li nr="c."><al>verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek als bedoeld in
                                artikel 4. Een ondertekend verslag kan door het college aangemerkt
                                worden als een aanvraag van een voorziening. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Vormen van jeugdhulp</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De volgende overige voorzieningen zijn onder andere beschikbaar: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>
                  <cursief>Versterk</cursief>
                  <cursief>en</cursief>
                  <cursief> van de
                                        sociale context:</cursief>
                </al><lijst>
                  <li nr="1."><al>Algemene (ook digitale) informatieverstrekking omtrent
                                            ontwikkelingsbehoeften jeugdigen en opvoedingsvragen
                                            opvoeders;</al></li>
                  <li nr="2."><al>Activiteiten ter versterking van de pedagogische civil
                                            society, zoals stimuleren en faciliteren van
                                            initiatieven vanuit de informele netwerken,
                                            steuncontacten tussen ouders en jongeren en
                                            intergenerationele contacten die een bijdrage leveren
                                            aan een gezonde en veilige opgroei- en opvoedomgeving,
                                            mogelijkheden voor ouders/opvoeders om elkaar te
                                            ontmoeten;</al></li>
                  <li nr="3."><al>Laagdrempelige opvoedondersteuningsactiviteiten; </al></li>
                  <li nr="4."><al>Maatjesprojecten, vrijwilligersinzet, zelforganisaties
                                            gericht op ondersteuning van opgroeien en opvoeden;</al></li>
                  <li nr="5."><al>Mantelzorgondersteuning voor kinderen en gezinnen.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="b."><al>
                  <cursief>Basisondersteuning: </cursief>
                </al></li>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr="1."><al>Bieden van informatie, advies en consultatie bij opgroei
                                            en opvoedvragen;</al></li>
                  <li nr="2."><al>Ondersteuning en lichte hulp voor jeugdigen en/of
                                            ouders, waaronder vormen van vrij toegankelijke hulp,
                                            gericht op het creëren van een stabiele opvoed- en
                                            opgroeisituatie;</al></li>
                  <li nr="3."><al>Ondersteuning en lichte hulp aansluitend bij de
                                            onderwijs/ opvangsetting, waarbij ondersteuning voor
                                            opvoeders en jeugdigen geboden wordt. Het betreft
                                            activiteiten die in een onderwijssetting plaatsvinden
                                            waarbij de nadruk ligt op zorg;</al></li>
                  <li nr="4."><al>Regulier casemanagement: het systematisch coördineren,
                                            afstemmen en volgen van de benodigde hulpverlening aan
                                            jeugdigen en/of gezinnen, waarbij meerdere hulpverleners
                                            betrokken zijn.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>De volgende individuele voorzieningen zijn onder andere beschikbaar: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>
                  <cursief>Voorzieningen behorend bij </cursief>
                  <cursief>flexibele
                                        ondersteuning</cursief>
                  <cursief>, waaronder:</cursief>
                </al><lijst>
                  <li nr="1."><al>Specifieke jeugdhulptrajecten gericht op jeugdige en/of
                                            gezinssysteem; </al></li>
                  <li nr="2."><al>Langdurige ‘leun en steun’ contacten;</al></li>
                  <li nr="3."><al>Dag- of weekendopvang, respijtzorg;</al></li>
                  <li nr="4."><al>Specifieke multidisciplinaire interventies gecoördineerd
                                            uitgevoerd door verschillende zorgaanbieders voor
                                            gezinnen met meervoudige problemen.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="b."><al>
                  <cursief>Intensieve ondersteuning:</cursief>
                </al><lijst>
                  <li nr="1."><al>Intensieve en meer langdurige interventies gericht op
                                            behandeling, herstel en/of rehabilitatie;</al></li>
                  <li nr="2."><al>Intensieve dagbehandeling op maat;</al></li>
                  <li nr="3."><al>Inzet van (tijdelijke) vervangende opvoedsituatie,
                                            verblijf (op maat) van cliënten buiten de gewone
                                            leef/gezinssituatie; </al></li>
                  <li nr="4."><al>Inzet van spoedzorg en crisisopvang (bij acute
                                            onveiligheid en/of inzet van crisisplekken vanuit
                                            verblijfsfuncties;</al></li>
                  <li nr="5."><al>Gedwongen jeugdhulp en dwang en drangtrajecten;</al></li>
                  <li nr="6."><al>Specialistische diagnostiek.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Melding hulpvraag</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Een hulpvraag kan door of namens de jeugdige en/of zijn ouders bij het
                            college worden gemeld. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                            passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging
                            gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet, in afwachting
                            van de uitkomst van het onderzoek.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige
                            voorziening. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Vooronderzoek</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 5, van
                            belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn
                            situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak
                            voor een gesprek.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders aan het
                            college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het
                            college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de
                            beschikking kunnen krijgen. De jeugdige en/of zijn ouders geven in ieder
                            geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op
                            de identificatieplicht ter inzage.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders, indien zij
                            genoegzaam bekend zijn bij de gemeente, afzien van een vooronderzoek als
                            bedoeld in het eerste en tweede lid.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Gesprek</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en/of de
                            jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover
                            nodig:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                    ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem
                                    of de hulpvraag;</al></li>
              <li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li>
              <li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf op eigen
                                    kracht of met ondersteuning van gebruikelijke hulp van de naaste
                                    omgeving en/of mantelzorgers een oplossing voor de hulpvraag te
                                    vinden; </al></li>
              <li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere en algemeen
                                    gebruikelijke voorziening;</al></li>
              <li nr="e."><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van
                                    een overige voorziening;</al></li>
              <li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
                                </al></li>
              <li nr="g."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                    mantelzorger van de jeugdige en/of zijn ouders;</al></li>
              <li nr="h."><al>de mogelijkheden om door middel van samenwerking tussen partijen
                                    op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs,
                                    welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed
                                    mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte
                                    aan verbetering van de zelfredzaamheid van de jeugdige en/of
                                    zijn ouders; </al></li>
              <li nr="i."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                    voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                    gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of
                                    werk en inkomen;</al></li>
              <li nr="j."><al>hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                    gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van
                                    de jeugdige en/of zijn ouders, en</al></li>
              <li nr="k."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een PGB,
                                    waarbij de jeugdige en/of zijn ouders in begrijpelijke
                                    bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die
                                    keuze.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet informeert het
                            college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze
                            bijdrage wordt geïnd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van
                            zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en
                            kan hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken vragen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van
                            een gesprek.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Verslag</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek,
                            bedoeld in artikel 4.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Binnen tien werkdagen na het gesprek, doch uiterlijk 6 weken na de
                            melding, verstrekt het college aan de jeugdige en/of zijn ouders een
                            verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben
                            meegedeeld dit niet te wensen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders
                            worden aan het verslag toegevoegd<cursief>. </cursief></al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Aanvraag</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek dan wel een
                            ondertekend meldingsformulier in combinatie met het gespreksverslag,
                            aanmerken als aanvraag als de jeugdige en/of zijn ouders, dan wel de
                            vertegenwoordiger van het college, dat in het verslag hebben aangegeven
                            of dit hieraan is toegevoegd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien de jeugdige en/of zijn ouders een aanvraag om een individuele
                            voorziening in wil dienen doen ze dat schriftelijk bij het college.
                        </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8.</nr>
            <titel>Voorwaarden, beoordeling en afweging toegang individuele
                            voorziening</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in het
                            verslag zoals bedoeld in artikel 6wordt vastgesteld
                            dat de jeugdige:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn
                                    naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan
                                    vinden;</al></li>
              <li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet
                                    gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening, of;
                                </al></li>
              <li nr="c."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet
                                    gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het college kent eveneens een individuele voorziening toe voor zover met
                            betrekking tot de jeugdige een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3,
                            eerste lid van de Verordening is afgegeven.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9.</nr>
            <titel>Onderdelen beschikking</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                    resultaat daarvan is;</al></li>
              <li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li>
              <li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing,
                                    en</al></li>
              <li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een PGB wordt in
                            de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>voor welk resultaat het PGB wordt aangewend;</al></li>
              <li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB;</al></li>
              <li nr="c."><al>wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li>
              <li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het PGB is bedoeld,
                                    en </al></li>
              <li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het PGB.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10.</nr>
            <titel>Regels voor het PGB</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het tarief voor een PGB: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>wordt bepaald aan de hand van een door de jeugdige en/of zijn
                                    ouders opgesteld plan over hoe zij het PGB gaan besteden;</al></li>
              <li nr="b."><al>is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te
                                    kopen, en</al></li>
              <li nr="c."><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                    situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in
                                    natura.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De persoon aan wie een PGB wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de
                            volgende voorwaarden betreffende het tarief, betrekken van een persoon
                            die behoort tot het sociale netwerk: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>dat deze persoon een lager tarief krijgt betaald voor zijn
                                    diensten dan het ingevolge het derde en vierde lid vastgestelde
                                    tarief (maximaal 80% van de goedkoopste adequate individuele
                                    voorziening in natura krijgt betaald voor zijn diensten; </al></li>
              <li nr="b."><al>dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de
                                    belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt, en </al></li>
              <li nr="c."><al>dat tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het PGB mogen
                                    worden betaald.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Dit Besluit treedt in werking op 1 januari 2015.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Dit Besluit wordt aangehaald als: Besluit jeugdhulp gemeente Haren
                            2015.</al>
          </lid>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Haren, 15 december 2014</ondertekening>
        <ondertekening>Burgemeester en wethouders,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>mr. M.P. de Wilde,</ondertekening>
        <ondertekening>directeur/gemeentesecretaris</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>J.G. Vlietstra,</ondertekening>
        <ondertekening>burgemeester</ondertekening>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label/>
          <nr/>
          <titel>Toelichting bij het Besluit Jeugdhulp gemeente Haren 2015</titel>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 1.Begripsbepalingen</vet>
        </al>
        <al>De definities van ‘gesprek’ en ‘melding’ zijn nodig omdat deze begrippen niet
                    zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal
                    spraakgebruik. </al>
        <al>De melding is het eerste contact van jeugdigen en ouders met het college om aan
                    te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De melding (artikel 3) is iets
                    anders dan de aanvraag om een individuele voorziening; dit laatste is geregeld
                    in artikel 7. </al>
        <al>Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin
                    het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan
                    deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten
                    aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste
                    resultaten van de te kiezen oplossingen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.Vormen van jeugdhulp</vet>
        </al>
        <al>Voorzieningen onder a en b, versterking sociale context en basiszorg, zijn in
                    principe vrij toegankelijk en beschikkingsvrij, sommige met een lichte
                    toegangstoets vanuit het wijkteam. Hieronder worden enkele vormen van jeugdhulp
                    kort nader toegelicht.</al>
        <al>Eerste lid, onder a: de versterking van de sociale context waarin gezinnen
                    opvoeden en kinderen opgroeien.</al>
        <al>Tweede lid, onder a:</al>
        <al>onder 1) daaronder vallen bijvoorbeeld coachingstrajecten en vormen van
                    e-hulp;</al>
        <al>onder 3) daaronder vallen bijvoorbeeld trajecten zoals onder meer in
                    zorgboerderijen geboden worden; </al>
        <al>onder 5) deze interventies worden uitgevoerd volgens het principe van Wrapped
                    around care.</al>
        <al>Tweede lid, onder b: intensieve ondersteuning bestaat uit een keten van
                    specialistische poliklinische behandelactiviteiten, deeltijd- of dagbehandeling
                    en of klinische opname en gedwongen jeugdhulp.</al>
        <al>Tweede lid, onder b: </al>
        <al>onder 3) hieronder vallen bijvoorbeeld pleegzorg, intramurale opvang, 24uurs
                    opvang, pleegzorg in eigen netwerk, gesloten jeugdzorg, klinische opname en
                    kinder- en jeugdpsychiatrie;</al>
        <al>onder 5) hieronder vallen bijvoorbeeld Jeugdzorgplus en enkele vormen van hoog
                    specialistische GGZ, inzet van zorgtrajecten gericht op het voorkomen van
                    uithuisplaatsing en inzet van specifieke zorgtrajecten gericht op het voorkomen
                    van terugval.</al>
        <al>Het is mogelijk om verschillende voorzieningen genoemd in dit artikel met elkaar
                    te combineren, zodat passende jeugdhulp ingezet kan worden.</al>
        <al>Artikel3. tot en met 7.Algemeen</al>
        <al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in
                    artikel 3 tot en met 7 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling
                    van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 4, in een gesprek
                    met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan
                    bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in
                    plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 3. Melding hulpvraag</vet>
        </al>
        <al>Artikel 3, eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de
                    noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd
                    om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal
                    het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren,
                    maar mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in dit Besluit, de
                    verordening en in de wet waar staat ‘het college’, kan het college deze
                    bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op
                    grond van de algemene regels van de Awb. </al>
        <al>Artikel 3, vierde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op
                    een overige voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure in
                    de zin van artikel 3 van dit Besluit.</al>
        <al>Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en ouders
                    onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele
                    aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en
                    het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige
                    procedure. Dit Besluit bevat bepalingen die dit moeten waarborgen. Hiermee kan
                    ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om een uitvoerig, onnodig
                    bureaucratische proces gaat. Dit is echter geenszins de bedoeling. Zo kan het
                    vooronderzoek (artikel 4), afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of
                    minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in bepaalde gevallen ook
                    van het gesprek (artikel 5) – in overleg met de jeugdige of zijn ouders afgezien
                    worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er ook sprake kan zijn van
                    meerdere (opeenvolgende gesprekken). Als de jeugdige al bij de gemeente bekend
                    is, zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden.
                    Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal een
                    gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te
                    krijgen. Een vooronderzoek en gesprek zullen uiteindelijk vaak wel in enige vorm
                    nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te nemen besluit het van belang is dat
                    alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook
                    andere bepalingen (schriftelijke verslaglegging (artikel 6) en schriftelijke
                    indiening aanvraag (artikel 7) zijn opgenomen met het oog op een zorgvuldige
                    procedure en in het belang van een zorgvuldige dossiervorming.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 4. Vooronderzoek</vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te
                    zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. </al>
        <al>Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het
                    onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart
                    worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij
                    de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele
                    andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                    ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van
                    betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de
                    Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
                    Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met
                    de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om
                    toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het is alleen zinvol om
                    toestemming te vragen voor die situaties waarin professionals van te voren weten
                    dat zij het antwoord van de betrokkene (zowel positief als negatief) zullen
                    accepteren en respecteren. Zo niet, dan wordt niet om ‘toestemming’ gevraagd.
                    Deze situatie zal zich bijvoorbeeld voordoen indien de jeugdhulp nodig is
                    teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen. Daarvoor in de plaats
                    komt dan het transparantiebeginsel: de burger wordt op de hoogte gesteld van het
                    voornemen om gegevens over hem te delen, met wie en waarom. Het vooronderzoek
                    kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en
                    omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.</al>
        <al>Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor
                    het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de
                    jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen.
                    In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de
                    jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in
                    artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of
                    sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van
                    artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van
                    deze wet te treffen.</al>
        <al>In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige
                    bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn
                    ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven (impliciet) toestemming om dit
                    dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek
                    over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag
                    ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in
                    overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. Dit
                    laatste is bepaald in artikel 5, vierde lid.</al>
        <al>Er kunnen zich ook situaties voordoen op grond waarvan professionals tot het
                    inzicht komen dat er sprake is van een acute bedreiging van het de veiligheid en
                    of welzijn van het kind of gezin. In dat geval moet er soms eerst gehandeld
                    worden voordat er een gesprek kan plaats vinden. </al>
        <al>De Jeugdwet kent geen ‘persoonlijk plan’ zoals de Wet Maatschappelijke
                    Ondersteuningartikel 2.3.2, tweede lid. Als de jeugdige en/of zijn ouders een
                    persoonlijk plan willen maken dan is dat natuurlijk mogelijk en zal daar bij het
                    opstellen van het (gezins)plan rekening mee gehouden worden. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 5. Gesprek</vet>
        </al>
        <al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van
                    belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt
                    verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om
                    een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook
                    voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het één en
                    ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam)
                    plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere
                    deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien
                    nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende)
                    gesprekken.</al>
        <al>In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele
                    voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te
                    komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een
                    deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een
                    psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in
                    24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel
                    onderzoek en afweging ten grondslag liggen. </al>
        <al>Een gesprek kan ook worden aangegaan zonder dat er sprake is van een aanvraag
                    voor jeugdhulp. Professionals en medeopvoeders zijn ook verantwoordelijk voor de
                    veiligheid en welzijn van het kind. Zorgen worden via de reguliere communicatie
                    met ouders besproken. Wanneer ouders echter niet in staat of bereid zijn om daar
                    goed op te reageren moet er in het belang van het kind toch hulp worden ingezet.
                    In dat geval is er sprake van ongevraagde ondersteuning tot en met drang.
                    Daarbij staat altijd wel de dialoog met de ouders centraal staat maar is het
                    gesprek niet leidend. De jeugdhulp wordt namelijk op basis van een afweging van
                    deskundigen door de casemanager ingezet. </al>
        <al>In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet
                    plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet
                    plaatsvinden.</al>
        <al>In de onderdelen a tot en met k zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven.
                    Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente
                    bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te
                    worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe
                    ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de
                    gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn
                    situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en
                    ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet en de
                    verordening vermelde uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en
                    veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf
                    ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van
                    probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste
                    omgeving te versterken.</al>
        <al>Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt tedenken aan een
                    voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ of de Zvw en een
                    voorziening op het gebied van passend onderwijs. </al>
        <al>Het tweede lid dient ertoe ouders te informeren. Het college neemt niet de
                    hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt via het door
                    het college daartoe aangewezen bestuursorgaan, evenals de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep daartegen. In artikel 8.2.3 van de wet is bepaald dat de
                    ouderbijdrage door ‘het bestuursorgaan dat (door Onze Ministers) met (de
                    vaststelling en) de inning is belast’ wordt vastgesteld en ten behoeve van de
                    gemeente wordt geïnd. De ouderbijdrage geldt op grond van Artikel 8.2.1 van de
                    wet alleen in situaties van jeugdhulp buiten de thuissituatie. Zie ook artikel
                    5, derde lid van de Verordening.</al>
        <al>Tijdens het gesprek wordt het transparantiebeginsel vervat in artikel 33 en 34
                    Wet bescherming persoonsgegevens gehanteerd. Het transparantiebeginsel houdt in
                    dat iedereen het recht heeft om te weten wat er waar van hem vastligt en wat er
                    tussen wie wordt uitgewisseld. Het college verstrekt die informatie aan
                    betrokkene(n). Het college kan aan de jeugdige en/of zijn ouders toestemming
                    vragen om persoonsgegevens te verwerken (waaronder het uitwisselen van
                    persoonsgegevens), maar reserveert die mogelijkheid -zoals hierboven ook
                    aangegeven- voor die situaties waarin het antwoord van de betrokkene(n)
                    geaccepteerd en gerespecteerd wordt. Zo niet, dan wordt niet om toestemming
                    gevraagd. Deze situatie zal zich bijvoorbeeld voordoen indien de jeugdhulp nodig
                    is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 6. Verslag</vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij.
                    Hierbij is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo. In de memorie van
                    toelichting op het wetsvoorstel Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3)
                    staat hieroverdat het college een weergave van de uitkomsten van het onderzoek
                    verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een
                    maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt
                    het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op
                    een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Het
                    is wel denkbaar dat er een format wordt gehanteerd. </al>
        <al>Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de
                    uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld
                    heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de
                    uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij
                    meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk
                    zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van
                    het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan
                    (arrangement) waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit
                    voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de
                    cliënt dit plan ondertekenen. </al>
        <al>Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het
                    herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (derde lid).</al>
        <al>Doelstelling is om het verslag op zo kort mogelijke termijn na het gesprek vast
                    te leggen. Dan is het immers nog vers voor beide partijen. De uiterlijke termijn
                    daarvoor is 10 werkdagen. Deze verslagtermijn rekt de wettelijke periode van 6
                    weken waarin het onderzoek moet zijn afgerond niet op. De cliënt mag altijd zijn
                    reactie geven op het verslag. Deze reactie wordt aan het verslag toegevoegd. Dit
                    is de meest praktische manier om niet in veel bureaucratie terecht te komen.
                    Beide zienswijzen gaan mee het verdere traject in, ook als het een formele
                    aanvraag wordt. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 7. Aanvraag</vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de
                    wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele
                    voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een
                    individuele voorziening te verkrijgen.</al>
        <al>In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Dit Besluit wijkt daar niet
                    van af. </al>
        <al>Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een
                    beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
                    aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald. </al>
        <al>Als uit het verslag blijkt dat (een deel van) de oplossing ligt in het aanvragen
                    van een individuele voorziening, dan kan het verslag door de gemeente als
                    aanvraagformulier worden beschouwd. Dit voorkomt bureaucratie. Zolang het
                    verslag voldoet op de eisen van de algemene wet bestuursrecht op dit punt, kan
                    dit eenvoudig worden gebruikt als aanvraag. Aan de cliënt is slecht uit te
                    leggen dat na een melding, meewerken aan een onderzoek en een gesprek, nogmaals
                    een nieuw (aanvraag) formulier moet worden ingevuld. De Awb vraagt om de NAW
                    gegevens, een beschrijving van hetgeen wordt aangevraagd en een handtekening. Al
                    deze zaken volgen uit het verslag. De handtekening van de cliënt wordt op het
                    meldingsformulier aangegeven. </al>
        <al>Beslistermijnen Awb</al>
        <al>In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De
                    regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat
                    een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht
                    weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht
                    weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan
                    de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen
                    de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de
                    Awb). </al>
        <al>Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een melding binnen
                    enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties
                    zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn
                    nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is,
                    kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.</al>
        <al>Het uitgangspunt van de jeugdhulp is één gezin, één plan en één regisseur. De
                    regisseur oftewel de casemanager zal in de regel een plan opstellen met het
                    gezin en mogelijk medeopvoeders. Het plan is de basis voor de aanvraag of kan
                    als een aanvraag worden aangemerkt. Het maakt het ook mogelijk om de
                    wederkerigheid van de jeugdhulp te formuleren. Niet alleen de gemeente biedt een
                    voorziening maar ook de ouders en of medeopvoeders gaan actief aan de slag. De
                    actieve inzet van ouders kan voorwaardelijk zijn voor de ondersteuning vanuit de
                    gemeente. De flexibele ondersteuning kan zonder beschikking worden ingezet. Voor
                    de intensieve ondersteuning wordt een beschikking afgegeven. </al>
        <al>Omdat de toekenning van jeugdhulp wordt gemandateerd aan de casemanager zal in
                    veel gevallen geen formele aanvraag worden ingediend en geen beschikking worden
                    verstrekt. De toegekende jeugdhulp en het plan worden wel geregistreerd. De
                    gemeenten schaffen hiervoor de benodigde instrumenten aan die door de
                    professionals maar ook ouders kunnen worden gebruikt. </al>
        <al>Alle aanvragen voor jeugdhulp worden ter afhandeling bij de casemanagers
                    neergelegd. Wanneer een aanvrager het niet eens kan worden met een casemanager
                    kan diegene en/of de ouders schriftelijk een aanvraag indienen. De casemanager
                    zal deze moeten afhandelen conform de formele eisen van de Awb en een
                    beschikking afgeven. Bij een afwijzing kan de aanvrager bezwaar maken en een
                    voorlopige voorziening aanvragen conform de Awb. </al>
        <al>Wanneer de veiligheid en welzijn van het kind er om vragen kan het nodig zijn
                    dat de gemeente jeugdhulp inzet zonder dat er een aanvraag ligt. Naar het
                    oordeel van professionals en deskundigen wordt dan een voorziening ingezet.
                    Hierbij is sprake van drang. Dat wil zeggen dat er sprake is van een ernstige
                    situatie en dat het accepteren van een voorziening kan voorkomen dat een gang
                    naar het gedwongen kader moet worden gemaakt. In dat geval is het voor de
                    rechtsbescherming van de ouders van belang dat een beschikking wordt afgegeven. </al>
        <al>
          <vet>Artikel8. Toegang</vet>
        </al>
        <al>De gemeente organiseert een jeugdhulp structuur gebaseerd op het Groninger
                    Functioneel Model, zoals uitgelegd in de Toelichting op de Verordening
                    Jeugdhulp. In dat model gaan we er van uit dat toegang naar jeugdhulp zo dicht
                    mogelijk bij het kind en gezin wordt georganiseerd en geregisseerd onder de
                    noemer casemanagement. Aan de casemanager wordt de bevoegdheid van het college
                    gemandateerd om de noodzakelijke jeugdhulp in te zetten. Hiermee geven de
                    gemeenten vorm aan het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur.
                    Uitgaande van dit model zal de casemanager ook gemandateerd worden om jeugdhulp
                    in te zetten wanneer de toegang via de huisarts loopt. Met de huisartsen en de
                    zorgaanbieders moeten over de uitvoering afspraken worden gemaakt. In de
                    praktijk kunnen tussen de professionals onderling en of met de opvoeders
                    verschillen van inzichten ontstaan over het plan en de in te zetten jeugdhulp.
                    Daarom moeten binnen de afspraken de rollen en verantwoordelijkheden helder
                    worden beschreven en duidelijke procesafspraken worden gemaakt. </al>
        <al>
          <vet>Artikel10. Regels voor PGB</vet>
        </al>
        <al>In artikel 8.1.1, vijfde lid, onderdeel a, van de wet is bepaald dat het college
                    een PGB kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van
                    derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. Zo wordt
                    voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf
                    ondersteuning willen inkopen met een PGB. Een PGB is gemiddeld genomen ook
                    goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden
                    meegerekend. De maximale hoogte van een PGB is in de Nadere regels begrensd op
                    de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het
                    college ingekochte individuele voorziening in natura. </al>
        <al>Lid 3 optie 1</al>
        <al>Deze voorwaarde beoogt een lager tarief van toepassing te verklaren bij een
                    persoon uit het sociale netwerk dan bij een professionele zorgverlener. Een hulp
                    uit het sociale netwerk heeft in de regel geen overheadkosten. Van belang is,
                    dat een cliënt die specialistische hulp kan inkopen, die passend is en waaraan
                    hij behoefte heeft. In de uitzonderlijke gevallen, dat het budget niet
                    toereikend is, zal het college van deze voorwaarde kunnen afwijken met
                    toepassing van de hardheidsclausule in artikel 12 van de Verordening.</al>
        <al/>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>