<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR35110_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm voor de categorieën belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">DinkellandVisie 23 september 2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB gemeente Dinkelland 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 8, eerste lid, aanhef, sub c en 30 Wet werk en bijstand, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-09-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm voor de categorieën
            belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Dinkelland;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 juli 2004;</al><al/><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, aanhef, sub c en 30 van de Wet werk en
                        bijstand, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;</al><al/><al>overwegende dat ingevolge voormelde artikelen bij verordening regels dienen
                        te worden gesteld voor welke categorieën belanghebbenden van 21 of ouder
                        doch jonger dan 65 jaar de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op
                        grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt
                        bepaald;</al><al/><al><vet>besluit</vet></al><al/><al>vast te stellen</al><al/><al><vet>de ‘Verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm voor
                            de categorieën belanghebbenden aan wie bijstand kan worden
                            verleend’.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet : de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375);</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende : degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                        besluit op grond van deze verordening is betrokken;</al></li><li nr="c."><al>woonlasten : </al><al>1. indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsda-
                                        tum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende
                                        huurprijs als bedoeld in de Huursubsidiewet;</al><al>2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                        per maand omgerekende som van de ten behoeve van de
                                        financie- ring van de woning verschuldigde hypotheekrente en
                                        de in ver- band met het in eigendom hebben van de woning te
                                        betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten
                                        wordt verstaan: het eigenaarsaandeel van de onroerende
                                        zaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering,
                                        het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten en de kosten
                                        van groot onderhoud, overeenkomstig de terzake genormeerde
                                        bedragen;</al></li><li nr="d."><al>toeslag : de toeslagen als bedoeld in Hoofdstuk 3, § 3 van
                                        de wet;</al></li><li nr="e."><al>verzorgingsbehoevende : degene die geïndiceerd is voor
                                        opname in een verzorgings- of ver-pleeghuis of zodanig
                                        gehandicapt is, dat hij zonder hulp of verzor-ging zou zijn
                                        aangewezen op opname in een verzorgings- of ver-pleeghuis of
                                        in een andere inrichting ter verzorging of verpleging;</al></li><li nr="f."><al>verzorgende : medebewoner die een verzorgingsbehoevende
                                        verzorgt met wie een bloedverwantschap in de eerste of
                                        tweede graad bestaat;</al></li><li nr="g."><al>medebewoner : degene die, evenals de huurder of de eigenaar
                                        van een woning, in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                                        heeft;</al></li><li nr="h."><al>college : het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Dinkelland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen slechts dan
                                geacht worden te worden gedeeld met een medebewoner, indien deze
                                tenminste beschikt over een inkomen, dat gelijk is aan de vergoeding
                                van levensonderhoud voor een studerende thuiswonende op grond van de
                                Wet studiefinanciering 2000, vermeerderd met 10% van de
                                bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>a. Deze verordening is van toepassing op belanghebbenden van 21 jaar
                                of ouder doch jonger dan 65 jaar.</al><al>b. Bij gehuwden geldt deze verordening slechts indien beide
                                echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toepassing van de hoofdstukken 3 en 4 vindt plaats onverminderd
                                het bepaalde in artikel 18, eerste lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in deze verordening gehanteerde begrippen en begripsbepalingen
                                hebben dezelfde betekenis als bedoeld in de wet en de Algemene wet
                                bestuursrecht, tenzij daarvan uitdrukkelijk in deze verordening
                                wordt afgeweken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 2 Categorieën</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieaanduiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden als bedoeld in artikel 1, derde lid, sub a aan
                                wie bijstand kan worden verleend, geldt in het kader van de
                                toepassing van deze verordening een categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1, vijfde lid worden, voor de
                                toepassing van deze verordening, de categorieën aangeduid als
                                alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwde.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 3 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verhoging bijstandsnorm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere
                                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan
                                        waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of
                                        niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander;
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>indien er voor een verzorgingsbehoevende en zijn verzorgende
                                        sprake is van uit de verzor- gingsbehoevendheid
                                        voortvloeiende extra kosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande
                                en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in
                                wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft alsmede voor de
                                verzorgingsbehoevende en de verzorgende bepaald op 20% van de
                                bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede lid niet
                                van toepassing is, 10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel
                                21, aanhef, sub c van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging bijstandsnorm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm voor gehuwden wordt lager vastgesteld indien de
                                gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                                dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of
                                gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de
                                bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de
                                wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging bijstandsnorm of toeslag bij ontbreken
                                woonlasten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging van de bijstandsnorm of de toeslag als bedoeld in
                                artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef,
                                        sub c van de wet indien de alleenstaande, de alleenstaande
                                        ouder of de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van
                                        het bestaan heeft, dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag
                                        voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan
                                        geen woonlasten zijn verbonden;</al></li><li nr="b."><al>10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef,
                                        sub c van de wet indien geen woning wordt aangehouden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op
                                de toeslag als bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging bijstandsnorm of toeslag bij schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging van de toeslag als bedoeld in artikel 28 van de wet
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de alleenstaande schoolverlater van 23 jaar of ouder 10%
                                    van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c
                                    van de wet;</al></li><li nr="b."><al>voor de alleenstaande ouder, die als schoolverlater is aan te
                                    merken, 10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21,
                                    aanhef, sub c van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag bij alleenstaanden van 21 of 22 jaar</titel></kop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 29, eerste lid van de wet wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar, in afwijking van
                                    artikel 3, derde lid op nihil gesteld;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar die noodzakelijk
                                    zelfstandig woont, in afwijking van het onder a bepaalde,
                                    vastgesteld op 10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel
                                    21, aanhef, sub c van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Maximale verlaging bijstandsnorm of toeslag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op
                                grond van artikel 3 en één of meer verlagingen op grond van de
                                artikelen 4, 5, 6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan
                                25% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c
                                van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor de belanghebbende meer dan één verlaging op grond van de
                                artikelen 4, 5, 6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan
                                25% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c
                                van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 5 Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9 Uitvoering verordening</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking
                                tot de uitvoering van deze verordening, in gevallen waarin deze
                                verordening niet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 18, eerste lid van de wet kan het
                            college, in bijzondere gevallen en voor zover toepassing van deze
                            verordening tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, afwijken
                            van het in deze verordening bepaalde en terzake op individuele gronden
                            een nadere beslissing nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verslaglegging</titel></kop><al>Het college brengt jaarlijks verslag uit aan de raad inzake de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WWB
                            gemeente Dinkelland 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke Referendumwet treedt
                                deze verordening in werking op 1 oktober 2004.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de in het eerste lid vermelde datum vervalt de
                                Toeslagenverordening gemeente Dinkelland 2003.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 16 september
                        2004.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Mr. O.J.R.J. Huitema Mr. F.P.M. Willeme</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Dinkelland
                    2004</tussenkop><al/><al>A.Algemene toelichting</al><al/><tussenkop>1. Inleiding</tussenkop><al>Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef, sub c en artikel 30 van de Wet werk
                    en bijstand (WWB) dient de gemeenteraad bij verordening vast te stellen voor
                    welke categorieën belanghebbenden de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en
                    op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt
                    bepaald. Uit de verordening dient te blijken voor welke categorieën en op grond
                    van welke criteria een verhoging of verlaging van de landelijke bijstandsnormen
                    plaatsvindt. Op die manier kan een uitkeringsgerechtigde concreet uit de
                    verordening afleiden welke verhoging of verlaging in zijn situatie geldt.</al><al>Bij het afbakenen van de categorieën en de daarbij toe te passen verhogingen
                    en/of verlagingen is rekening gehouden met in de praktijk eenvoudig te hanteren
                    criteria. Dat heeft ertoe geleid, dat in de verordening alleen die situaties
                    zijn omschreven, waarin iemand geacht wordt lagere algemeen noodzakelijke kosten
                    van bestaan te hebben. Hierdoor wordt rekenwerk met werkelijke kosten
                    voorkomen.</al><al/><tussenkop>2. Normen</tussenkop><al>Voor personen van 21 tot 65 jaar bestaan er op grond van artikel 21 van de WWB
                    drie basisnormen:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (de gehuwdennorm).</al></li></lijst><al>Dit onderscheid is, in de vorm van categorieaanduiding, in artikel 2 van de
                    verordening verwerkt.</al><al/><tussenkop>3. Toeslagen</tussenkop><al>Een toeslag op de norm wordt verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                    ouder. De maximale toeslag van 20% van de gehuwdennorm kan zonder nader
                    onderscheid tussen deze categorieën worden toegekend. De uitkering voor beide
                    categorieën is dan ten hoogste:</al><lijst><li nr="·"><al>70% van de gehuwdennorm voor alleenstaanden;</al></li><li nr="·"><al>90% van de gehuwdennorm voor alleenstaande ouders.</al></li></lijst><al>De toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is uitgewerkt in artikel
                    3 van de verordening.</al><al/><tussenkop>4. Verlagingen</tussenkop><al>De WWB kent de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden
                            (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                            alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al></li></lijst><al>De twee laatstgenoemde verlagingen zijn bedoeld om de stimulans richting
                    betaalde arbeid te versterken, overeenkomstig de kerngedachte van de WWB: werk
                    boven uitkering.</al><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 8 van de
                    verordening.</al><al/><tussenkop>5. Individualisering</tussenkop><al>De werking van de verordening beperkt zich tot uitkeringsgerechtigden van 21
                    jaar tot 65 jaar.</al><al>In een uitzonderlijke situatie waarin een uitkeringsgerechtigde van 21 tot 65
                    jaar in vergelijkbare omstandigheden slechter af zou zijn, kan het college de
                    bijstand aanpassen op grond van artikel 18 lid 1 WWB. Dit is nader geregeld in
                    artikel 10 van de verordening.</al><al>Voorts voorziet artikel 9, tweede lid van de verordening in de bevoegdheid van
                    het college om nadere regels te stellen met betrekking tot de uitvoering van de
                    verordening, in gevallen waarin de verordening niet voorziet.</al><al/><tussenkop>6. Uitvoeren combinatie verlagingen bij ontbreken
                    woonlasten</tussenkop><al>In tegenstelling tot de Algemene bijstandswet schrijft de WWB niet voor dat, in
                    gevallen waarin zowel de toeslag als de bijstandsnorm verlaagd kunnen worden,
                    deze verlaging met voorrang plaatsvindt op de toeslag. De gewijzigde
                    financieringssystematiek van de WWB (waarbij de volledige financiële
                    verantwoordelijkheid bij de gemeenten is komen te liggen) ligt hieraan ten
                    grondslag.</al><al>Voor de toepassing van de verlaging bij het ontbreken van woonlasten in
                    combinatie met de leeftijdsverlaging maakt het echter wel verschil of de
                    bijstandsnorm of de toeslag wordt verlaagd. In de verordening is in verband
                    hiermee in het tweede lid van artikel 5 opgenomen dat deze verlaging in die
                    situaties bij voorrang wordt toegepast op de toeslag.</al><al/><tussenkop>7. Anti-cumulatiebeding</tussenkop><al>Op grond van artikel 30, tweede lid, aanhef, sub b van de WWB is bepaald dat in
                    de verordening in ieder geval dient te worden vastgesteld, dat niet gelijktijdig
                    toepassing mag worden gegeven aan een verlaging van de bijstandsnorm of de
                    toeslag bij personen die zowel als schoolverlater als alleenstaande van 21 of 22
                    jaar kunnen worden aangemerkt.</al><al>In de voorliggende verordening is de opname van dit beding, ongeacht het
                    dwingende karakter van het bepaalde in voormeld artikel van de WWB, niet
                    opportuun aangezien:</al><lijst><li nr="a."><al>de verlaging op grond van artikel 6 van de verordening (verlaging
                            bijstandsnorm of toeslag bij schoolverlaters) betrekking heeft op
                            alleenstaande schoolverlaters van 23 jaar of ouder, alsmede op
                            alleenstaande ouders, die als schoolverlater zijn aan te merken;</al></li><li nr="b."><al>de verlaging op grond van artikel 7 van de verordening (verlaging
                            toeslag bij alleenstaanden van 21 of 22 jaar) uitsluitend betrekking
                            heeft op alleenstaanden van 21 of 22 jaar.</al></li></lijst><al>Gelet op de verschillende categorieën uitkeringsgerechtigden waarop beide
                    artikelen betrekking hebben, kan geen enkele sprake zijn van gelijktijdige
                    toepassing van de artikelen en is dan ook, in verband hiermee, van opname van
                    het bepaalde in artikel 30, tweede lid, aanhef, sub b van de WWB in deze
                    verordening afgezien.</al><al/><al>B.Artikelsgewijze toelichting</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1, lid 1</vet></tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt, sluiten zoveel mogelijk aan
                    en hebben zoveel mogelijk een gelijkluidende betekenis als de omschrijving
                    hiervan in de WWB. Dit is mede vastgelegd in het vijfde lid van dit artikel.
                    Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen, dat deze verordening uitsluitend
                    betrekking heeft c.q. van toepassing is op niet in een inrichting verblijvende
                    belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar.</al><al/><al>a. <cursief>de wet</cursief></al><al> Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>b. belanghebbende</cursief></al><al>Bij gehuwden zijn beide echtgenoten belanghebbende. Beiden hebben een
                    rechtstreeks belang bij een besluit van het college inzake de verlening van
                    bijstand. De overige leden van een gezin, die onder de gezinsbijstand vallen,
                    hebben geen afzonderlijk opeisbaar recht op bijstand. Zij kunnen dan ook niet
                    als belanghebbende in de zin van de verordening worden aangemerkt.</al><al/><al>c.<cursief>woonlasten</cursief></al><al>Voor de woonlasten van een huurwoning wordt aangesloten bij de minimum huurgrens
                    die de Huursubsidiewet (Stb. 1997, 197) hanteert.</al><al>Voor de woonlasten van een eigen woning wordt rekening gehouden met de ten
                    behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente, de
                    zakelijke lasten en de kosten van groot onderhoud, overeenkomstig de terzake
                    genormeerde bedragen, die aan het hebben van een eigen woning verbonden
                    zijn.</al><al> Voor wat betreft de hypotheekrente gaat het hierbij om de rente voor (dat deel
                    van) de hypotheek, die is afgesloten voor de financiering van de woning. Rente
                    verbonden aan (een deel van) de hypotheek, die betrekking heeft op bijvoorbeeld
                    de financiering van duurzame gebruiksgoederen, wordt bij de bepaling van de
                    woonlasten niet meegenomen.</al><al>Voor de kosten van groot onderhoud gelden de normbedragen zoals deze zijn
                    gebaseerd op voorheen de ‘Beschikking regelen exploitatie toegelaten
                    instellingen’. Op grond van deze beschikking wordt onderscheid gemaakt tussen
                    kosten van groot onderhoud voor voor-oorlogse en na-oorlogse woningen. De
                    normbedragen worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de rendementsfactor,
                    gepubliceerd in de MG-meicirculaire van het Ministerie van Volkshuisvesting en
                    Ruimtelijke Ordening.</al><al/><al>d.<cursief>toeslag</cursief></al><al>Hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 van de WWB (waar de verhogingen en verlagingen van de
                    bijstandsnormen zijn geregeld) is van toepassing op algemene bijstand. De
                    verhoging van de bijstandsnorm met een toeslag is dan ook slechts mogelijk,
                    indien en voor zover sprake is van algemene bijstand als bedoeld in artikel 5,
                    aanhef, sub b van de WWB.</al><al>De criteria ter nadere bepaling van de hoogte van de toeslag zijn vastgelegd in
                    de artikelen 3 tot en met 8 van de verordening.</al><al/><al>e.<cursief>verzorgingsbehoevende</cursief></al><al>Indien sprake is van een verzorgingsbehoevende dan wel iemand die uitsluitend
                    tezamen met één of meer verzorgingsbehoevenden een woning bewoont, worden de
                    woonlasten geacht niet te kunnen worden gedeeld indien en voor zover sprake is
                    van een verzorgingsbehoevende die, indien hij niet tezamen met een andere
                    persoon of personen de woning zou bewonen, zou zijn aangewezen op beroepsmatige
                    hulp in de vorm van verzorging in een verzorgings- of verpleeghuis of in een
                    andere inrichting ter verzorging of verpleging, zoals een bejaardentehuis.</al><al/><al>f.<cursief>verzorgende</cursief></al><al>Degene die de verzorgingsbehoevende verzorgt (met wie een bloedverwantschap in
                    de eerste of tweede graad dient te bestaan) en tezamen met die
                    verzorgingsbehoevende een woning bewoont.</al><al/><al>g.<cursief>medebewoner</cursief></al><al>In het kader van de uitvoering van deze verordening wordt onder medebewoner
                    verstaan onderhuurders, onderverhuurders, kostgangers, kostgevers, inwonende
                    kinderen en woningdelers van 21 tot 65 jaar. Conform het wettelijk uitgangspunt
                    worden medebewoners geacht de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                    geheel of gedeeltelijk met een ander te kunnen delen. Bij de vaststelling van
                    het recht op en de hoogte van de toeslag bij aanwezigheid van medebewoners
                    speelt het begrip ‘hoofdverblijf in dezelfde woning’ een belangrijke rol,
                    evenals de feitelijke situatie van medebewoning en niet de wijze waarop de
                    medebewoners zich ‘naar buiten toe’ presenteren. Het begrip ‘hoofdverblijf’
                    wordt in de WWB niet nader toegelicht. Ter bepaling van het begrip is de
                    regelgeving in verband met de gemeentelijke bevolkingsadministratie (GBA)
                    daartoe richting gevend. Deze regelgeving houdt in dat, als iemand op meer dan
                    één adres woont, voor het GBA het adres geldt, waar de persoon naar redelijke
                    verwachting gedurende een half jaar in beginsel de meeste keren zal
                    overnachten.</al><al>Van zelfstandige huisvesting is sprake, indien een woning wordt bewoond, waarin
                    geen ander zijn hoofdverblijf heeft. Voor de toepassing van de verordening
                    geldt, dat alleen dan van zelfstandige huisvesting sprake is, indien door de
                    persoon een woning wordt bewoond die voorzien is van een eigen toegang, waarbij
                    geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid
                    en toilet met anderen en/of andere wooneenheden worden gedeeld.</al><al>Een eigen toegang houdt in, dat de woonruimte kan worden bereikt zonder dat
                    daarbij vertrekken of gangen en dergelijke gepasseerd behoeven te worden,
                    waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij daarvan huurder of eigenaar
                    zijn.</al><al/><al>h. <cursief>college</cursief></al><al> Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 1, lid 2</vet></al><al>Daar waar sprake is van een medebewoner met inkomen, heeft dit gevolgen voor de
                    vaststelling van de hoogte van de toeslag. Dit lid beoogt hieraan een
                    minimumgrens te stellen in relatie tot de hoogte van het inkomen van de
                    medebewoner. Als de kosten feitelijk niet kunnen worden gedeeld als gevolg van
                    geen of een te laag inkomen bij de medebewoner, kan de beperking van de toeslag
                    als bedoeld in artikel 3, derde lid dan wel de verlaging van de bijstandsnorm
                    als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de verordening niet worden
                    gerechtvaardigd.</al><al/><al><vet>Artikel 1, lid 3</vet></al><al>De werking van deze verordening is beperkt tot belanghebbenden
                    (uitkeringsgerechtigden) van 21 tot 65 jaar. Hierin is in sub a van dit lid
                    voorzien.</al><al>De artikelen 26, 27 en 28 van de WWB maken ook categoriale verlagingen mogelijk
                    voor (gehuwde) uitkeringsgerechtigden van 18, 19 en 20 jaar. Deze
                    uitkeringsgerechtigden hebben echter al een lagere bijstandsnorm op grond van
                    hun leeftijd, omdat zij (tot de 21-jarige leeftijd) in principe geacht worden
                    een beroep te kunnen doen op de ouderlijke onderhoudsplicht. Een verdere
                    verlaging van de bijstandsnorm leidt voor deze categorie uitkeringsgerechtigden
                    tot een inadequate vorm van bijstandsverlening, wat met het bepaalde in sub b
                    van dit artikel wordt voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 1, lid 4</vet></al><al>In artikel 30, vierde lid van de WWB is vastgelegd dat een verhoging of
                    verlaging van de bijstandsnorm, of een afwijkende vaststelling van de toeslag,
                    onverminderd het bepaalde in artikel 18, eerste lid van de WWB plaatsvindt. Dit
                    houdt in dat, zonodig in afwijking van de uit deze verordening voortvloeiende
                    hoogte van de bijstand, door het college de bijstand anders wordt vastgesteld
                    indien dat, gelet op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                    belanghebbende, wenselijk is. Met inachtneming hiervan is in dit lid, gelijk aan
                    de strekking van artikel 30, vierde lid van de WWB, vastgelegd dat het bepaalde
                    in de hoofdstukken 3 en 4 van deze verordening de toepassing van artikel 18,
                    eerste lid van de WWB onverlet laat.</al><al/><al><vet>Artikel 1, lid 5</vet></al><al>In het belang van volledige afstemming van de begrippen met de relevante
                    wetgeving is hier bepaald, dat de begrippen in deze verordening, tenzij daarvan
                    uitdrukkelijk wordt afgeweken, dezelfde betekenis hebben als in de in dit lid
                    vermelde wetten.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Categorieaanduiding</tussenkop><al><vet>Artikel 2, lid 1</vet></al><al>Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in artikel 30 van de WWB waarin is
                    bepaald dat bij verordening dient te worden vastgesteld, voor welke categorieën
                    belanghebbenden de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd.</al><al/><al><vet>Artikel 2, lid 2</vet></al><al>De categorieaanduiding is gebaseerd op de in hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 van de
                    WWB bij de artikelen 25 en 26 gehanteerde begrippen. Voor het toekennen van de
                    toeslag op de bijstandsnorm zijn de in dit lid genoemde categorieën in dat kader
                    dan ook van belang.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Verhoging bijstandsnorm</tussenkop><al><vet>Artikel 3, lid 1, sub a</vet></al><al>De mate waarin de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden
                    gedeeld bepaalt de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en
                    maximaal 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden als bedoeld in artikel 21,
                    aanhef, sub c van de WWB.</al><al> Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk
                    maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden gedeeld en dat er
                    derhalve terecht aanspraak op deze toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een
                    integraal deel van de bijstandsuitkering uit.</al><al>De algemene inlichtingenverplichting die op de bijstandsgerechtigde rust, geldt
                    ook voor het toeslagendeel van de uitkering. De bijstandsgerechtigde zal dan ook
                    door middel van het overleggen van gegevens het recht daartoe moeten
                    aantonen.</al><al>Gehuwden worden per definitie geacht de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te kunnen delen en komen op grond hiervan niet in aanmerking voor een
                    toeslag op de bijstandsnorm. Het verstrekken van een toeslag laat onverlet, dat
                    bepaalde verlagingen op basis van deze verordening mede mogelijk zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 3, lid 1, sub b</vet></al><al>Gelet op de landelijke tendens om ouderen en gehandicapten zo lang mogelijk
                    zelfstandig te laten wonen, wordt (voor zover voldaan wordt aan de
                    begripsbepaling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub f) aan zowel de
                    verzorgende als de verzorgingsbehoevende een toeslag van 20% op grond van het
                    tweede lid van dit artikel toegekend, indien er voor een verzorgingsbehoevende
                    en zijn verzorgende sprake is van uit de verzorgingsbehoevendheid
                    voortvloeiende, per individuele situatie nader te bepalen extra kosten. De
                    toeslag is in deze situatie bedoeld ter voorziening in de individueel
                    vastgestelde extra kosten. De overweging om in een dergelijke situatie de
                    bijstandsnorm te verhogen met de maximale toeslag is gelegen in het feit dat,
                    indien in zo’n situatie geen of een lagere toeslag zou worden verleend in
                    verband met bij betrokkenen aanwezig geachte schaalvoordelen, dit een nadelig
                    effect kan hebben op de bereidheid tot het ontvangen en verlenen van
                    hulpverlening. Voor het beoordelen van de verzorgingsbehoevendheid wordt
                    uitgegaan van de in artikel 1, eerste lid, sub e omschreven geobjectiveerde
                    criteria.</al><al/><al><vet>Artikel 3, lid 2</vet></al><al>Artikel 30, tweede lid van de WWB schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het
                    bepaalde in de artikelen 27, 28 en 29 van de WWB, voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in het tweede lid van
                    artikel 25 van de WWB genoemde maximumbedrag.</al><al>Op grond van het gestelde in het eerste lid onder b van dit artikel wordt (voor
                    zover voldaan wordt aan de begripsbepaling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                    sub f) de toeslag eveneens op dit maximumbedrag bepaald, indien er voor een
                    verzorgingsbehoevende en zijn verzorgende sprake is van uit de
                    verzorgingsbehoevendheid voortvloeiende, per individuele situatie nader te
                    bepalen extra kosten.</al><al>De maximale toeslag komt neer op 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden als
                    bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de WWB. In deze verordening wordt ten
                    aanzien hiervan volstaan met een verwijzing naar het bedrag, zoals dat in het
                    tweede lid van artikel 25 van de WWB wordt vermeld. Dit bedrag wordt regelmatig
                    (veelal halfjaarlijks) bijgesteld.</al><al>De artikelen 26, 27, 28 en 29 van de WWB geven de gemeente overigens de
                    bevoegdheid om voor bepaalde categorieën belanghebbenden de bijstandsnorm of de
                    toeslag lager vast te stellen. Dit betekent dat, indien een alleenstaande of een
                    alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft op zich voldoet aan de in dit lid vermelde
                    voorwaarde, het toch kan zijn dat er geen recht op een toeslag van 20% van de
                    bijstandsnorm voor gehuwden als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de WWB
                    voor de persoon bestaat, indien de gemeente daarnaast tevens gebruik maakt van
                    de mogelijkheid om de bijstandsnorm of de toeslag voor deze persoon te verlagen.
                    De mogelijkheden daartoe zijn geregeld in de artikelen 4 tot en met 7 van deze
                    verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 3, lid 3</vet></al><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op, omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze schaalvoordelen worden
                    forfaitair op 10% gesteld.</al><al> Indien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten met een
                    medebewoner wordt de toeslag, als gevolg van de daaruit optredende
                    schaalvoordelen, op grond van het bepaalde in dit lid beperkt tot 10% van de
                    bijstandsnorm voor gehuwden als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de
                    WWB.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Verlaging bijstandsnorm</tussenkop><al><vet>Artikel 4, lid 1</vet></al><al>Gelijk aan het hiervoor gestelde bij artikel 3, derde lid kunnen ook gehuwden
                    bij medebewoning schaalvoordelen genieten aangezien ook zij de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen, omdat zij in dat geval de
                    door hen bewoonde woning niet alleen bewonen. Deze schaalvoordelen leiden er dan
                    ook toe, dat de bijstandsnorm voor gehuwden lager wordt vastgesteld, indien zij
                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de
                    bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van deze kosten met een ander.</al><al/><al><vet>Artikel 4, lid 2</vet></al><al>Het gestelde bij artikel 3, derde lid is in die zin onverkort op dit lid van
                    toepassing, dat bij gehuwden geen sprake is van een forfaitaire toeslag van 10%,
                    maar van een forfaitaire verlaging van 10% in verband met het kunnen delen van
                    de woonlasten (met de daaruit voortvloeiende schaalvoordelen) op de voor de
                    gehuwden geldende bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de
                    WWB.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Verlaging bijstandsnorm of toeslag bij
                    ontbreken woonlasten</tussenkop><al><vet>Artikel 5, lid 1, sub a</vet></al><al>De bijstandsuitkering dient voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar
                    deel van uit. Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde, als
                    gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft, dan waarin de
                    bijstandsnorm of de toeslag voorziet, bedraagt de verlaging 20% van de
                    bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de WWB verlaagd.</al><al/><al><vet>Artikel 5, lid 1, sub b</vet></al><al>Ten opzichte van artikel 35, eerste lid van de Algemene bijstandswet is artikel
                    27 WWB ruimer geredigeerd. Artikel 35, eerste lid van de Algemene bijstandswet
                    voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door belanghebbende bewoonde
                    woning geen woonlasten verbonden waren. Blijkens de toelichting op artikel 27
                    WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt
                    bewoond, een verlaging te kunnen te kunnen toepassen.</al><al>Gelet hierop is sub b nieuw aan de toeslagenverordening toegevoegd en is daarin
                    bepaald dat, indien geen woning wordt aangehouden, de voor de belanghebbende
                    geldende bijstandsnorm met 10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21,
                    aanhef, sub c van de WWB wordt verlaagd.</al><al/><al><vet>Artikel 5, lid 2</vet></al><al>De verlagingen als bedoeld in het eerste lid worden, voor de in dat eerste lid
                    genoemde catego-rieën, bij voorrang in mindering gebracht op de (in eerste
                    instantie) berekende toeslag. Indien de toeslag lager is dan de in het eerste
                    lid vermelde percentage, wordt het restant van de verlaging op de bijstandsnorm
                    gekort.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Verlaging bijstandsnorm of toeslag bij
                    schoolverlaters</tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 6, sub a</vet></tussenkop><al>Artikel 28 van de WWB biedt het college de mogelijkheid om de bijstandsnorm of
                    de toeslag voor personen die recent de deelname aan onderwijs of
                    beroepsopleiding hebben beëindigd, waarvoor aanspraak bestond op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming op grond van de Wtos, voor de duur van
                    maximaal zes maanden na de beëindiging daarvan te verlagen.</al><al> De achtergrond daarvan is, overeenkomstig het algemene uitgangspunt van de WWB
                    (werk boven uitkering), de schoolverlater financieel richting de arbeidsmarkt te
                    stimuleren.</al><al>Sub a voorziet in de situatie van de alleenstaande schoolverlaters van 23 jaar
                    of ouder, aangezien een alleenstaande van 21 of 22 jaar op grond van artikel 7
                    reeds een verlaging kent.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 6, sub b</vet></tussenkop><al>Onder verwijzing naar het gestelde bij sub a van dit artikel is hier geregeld
                    dat, indien sprake is van een alleenstaande ouder die als een schoolverlater als
                    bedoeld bij sub a valt aan te merken, de verlaging van de toeslag in dat geval
                    en gegeven de daarbij behorende omstandigheden op 10% van de bijstandsnorm als
                    bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de WWB wordt bepaald.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Verlaging toeslag bij alleenstaanden van 21 of
                    22 jaar</tussenkop><al><vet>Artikel 7, sub a</vet></al><al>Gelijk aan de Algemene bijstandswet kent de WWB geen afzonderlijke
                    normsystematiek voor 21- en 22-jarige alleenstaanden. Het gevolg hiervan is, dat
                    de bijstandsuitkering voor deze categorie uitkeringsgerechtigden in bepaalde
                    gevallen hoger is/kan zijn dan het loon, dat ze bij een dienstbetrekking zouden
                    kunnen verdienen. Door het ontbreken van afzonderlijke normen is ook het
                    minimumloon voor deze categorie uitkeringsgerechtigden bij een voltijds
                    dienstbetrekking nauwelijks hoger dan de voor hen geldende bijstandsuitkering.
                    Dit stimuleert het aanvaarden van arbeid niet en staat derhalve haaks op het
                    algemene uitgangspunt van de WWB (werk boven uitkering). Ter voorkoming hiervan
                    is in sub a geregeld, dat de toeslag voor de alleenstaanden van 21 en 22 jaar op
                    nihil wordt gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 7, sub b</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in sub a kan aan een alleenstaande van 21 of 22
                    jaar die noodzakelijk zelfstandig woont een toeslag van 10% van de bijstandsnorm
                    voor gehuwden als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de WWB worden
                    toegekend, indien en voor zover de noodzakelijke zelfstandige bewoning voor deze
                    categorie uitkeringsgerechtigden een gevolg is van het feit dat:</al><lijst><li nr="·"><al>de beide ouders van de belanghebbende zijn overleden;</al></li><li nr="·"><al>de belanghebbende uit huis is geplaatst op grond van een officiële
                            maatregel;</al></li><li nr="·"><al>het onverantwoord is de belanghebbende bij zijn/haar ouder(s) te laten
                            wonen;</al></li><li nr="·"><al>de belanghebbende de zorg heeft voor één of meer ten laste van hem/haar
                            komende kinderen;</al></li><li nr="·"><al>de belanghebbende al langer dan één jaar buitenshuis woont, voordat
                            bijstand wordt aangevraagd en geen sprake is van tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid ter voorziening in het bestaan.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 8 Maximale verlaging bijstandsnorm of
                    toeslag</tussenkop><al><vet>Artikel 8, lid 1</vet></al><al>Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden krachtens de
                    artikelen 4, 5, 6 en 7 van deze verordening, dient rekening te worden gehouden
                    met de cumulatieve effecten hiervan. Om te voorkomen dat de hoogte van de
                    bijstandsuitkering die overblijft onvoldoende is om in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan te kunnen voorzien, bedraagt de totale verlaging, bij een
                    combinatie van een toeslag op grond van artikel 3 en één of meer verlagingen op
                    grond van de artikelen 4, 5, 6 en 7, niet meer dan 25% van de bijstandsnorm voor
                    gehuwden als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de WWB.</al><al/><al><vet>Artikel 8, lid 2</vet></al><al>Ook bij de toepassing van meer dan één verlaging op grond van de artikelen 4, 5,
                    6 en 7 geldt voor de belanghebbenden dat de totale verlaging van de
                    bijstandsnorm of toeslag niet meer dan 25% van de bijstandsnorm voor gehuwden
                    als bedoeld in artikel 21, aanhef, sub c van de WWB bedraagt. Ook hieraan ligt
                    de overweging ten grondslag, dat de bijstandsuitkering die overblijft voldoende
                    voor de belanghebbenden dient te zijn om in de algemeen noodzakelijke kosten van
                    het bestaan te kunnen blijven voorzien.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Uitvoering verordening</tussenkop><tussenkop>Artikel 9, lid 1</tussenkop><al>Dat het college is belast met de uitvoering van de verordening is wettelijk
                    bepaald. Overeenkomstig hetgeen hierover wettelijk is geregeld en met
                    inachtneming van het gemeentelijke mandaatbesluit, kan het college deze
                    bevoegdheid mandateren aan gemeenteambtenaren, zulks onder eventueel nader door
                    het college te stellen regels en onder behoud van de verantwoordelijkheid van
                    het college van de door de gemeenteambtenaren terzake namens het college genomen
                    besluiten.</al><tussenkop>Artikel 9, lid 2</tussenkop><al>Voor een juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat
                    nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Op grond van het bepaalde in dit
                    tweede lid heeft het college de bevoegdheid om dergelijke regels vast te
                    stellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 18, eerste lid van de WWB kan het college
                    op grond van dit artikel in niet krachtens deze verordening voorziene situaties
                    en voor zover toepassing van deze verordening tot een onbillijkheid van
                    overwegende aard leidt op individuele basis naar bevind van zaken handelen en
                    beslissen. Aan het desbetreffende van de verordening afwijkende besluit van het
                    college dient een op de individuele situatie afgestemde motivering ten grondslag
                    te liggen.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Verslaglegging</tussenkop><al>Op grond van dit artikel wordt minimaal één keer per jaar verantwoording door
                    het college aan de raad afgelegd inzake de uitvoering van deze verordening. Deze
                    verantwoording vindt schriftelijk plaats in het eerste kwartaal, volgend op een
                    vol kalenderjaar. Gelet op de datum van inwerkingtreding zoals vastgelegd in
                    artikel 13 van deze verordening vindt deze verantwoording voor het eerst plaats
                    in het eerste kwartaal van 2006.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Citeertitel</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Inwerkingtreding</tussenkop><al><vet>Artikel 13, lid 1</vet></al><al>Ingevolge artikel 22 van de Tijdelijke Referendumwet treedt een verordening
                    waarover een referendum kan worden gehouden niet eerder in werking dan zes weken
                    na de bekendmaking van de vaststelling van de verordening.</al><al>In het belang van een zo spoedig mogelijke implementatie van de op grond van de
                    WWB vast te stellen verordeningen (waaronder deze verordening), alsmede met het
                    oog op een zo spoedig mogelijke voortgang van de daaruit voortvloeiende
                    werkzaamheden, is de inwerkingtreding van deze verordening, met toepassing van
                    artikel 25 van de Tijdelijke Referendumwet, op 1 oktober 2004 vastgesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 13, lid 2</vet></al><al>Door de inwerkingtreding van deze verordening per 1 oktober 2004 dient de bij
                    raadsbesluit van 10 oktober 2002 vastgestelde ‘Toeslagenverordening gemeente
                    Dinkelland 2003’ per gelijke datum te worden ingetrokken. Door middel van dit
                    lid van artikel 13 wordt hierin voorzien.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>