<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR35106_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemeen Plaatselijke Verordening Westland 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Westland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Westland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Hele Westland d.d. 17-2-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>APV Westland 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;g=2004-04-28">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0003718&amp;g=2004-04-28">Wet algemene regels herindeling </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-01-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-03-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2005-09-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging artt. 5.7.4 en 5.7.5</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Besluitenlijst b&amp;w 21-12-2004, nr. 5.1.1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>nvt</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>nvt</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemeen Plaatselijke Verordening Westland 2004 (APV Westland 2004)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Weg:</al><lijst><li nr="1."><al>de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan
                                            liggende en als zodanig aangeduide
                                            parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al> de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek
                                            toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                                            plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                                            vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                            portieken, gangen, passages en galerijen, die
                                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                            toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al> andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                            afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen,
                                            passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende
                                            de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe
                                            naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten;</al></li><li nr="5."><al> Noordzeestrand, gelegen binnen de gemeentegrens.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde
                                    staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27,
                                    tweede lid, van de Wegenwet.</al></li><li nr="c."><al>Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap
                                    heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="d."><al>Voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a
                                    en onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                    1990, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al> kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                            voertuigen.</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                                    werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.</al></li><li nr="f."><al>Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
                                    gebezigd of tot woning bestemd.</al></li><li nr="g."><al>Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond.</al></li><li nr="h."><al>Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke
                                    overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
                                    vormt.</al></li><li nr="i."><al>Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage A
                                    van de Meststoffenwet.</al></li><li nr="j."><al>Openbaar water: alle wateren die – al dan niet met enige
                                    beperking – voor het publiek bevaarbaar of anderszins
                                    toegankelijk zijn.</al></li><li nr="k."><al>Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de
                                aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                    ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging
                                    wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                                    waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al> indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke
                                    van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="e."><al> indien de houder of de rechtverkrijgende dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Voorzover sprake is in deze verordening van termijnen in uren, bepaald
                            door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op
                            een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                            erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op
                            de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende
                            feestdag is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg </titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te
                                        ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding
                                        gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of
                                        dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is
                                        bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend
                                        bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of
                                        zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                        wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd gezag
                                        in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming
                                        van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.2</nr><titel>Vermommingen e.d. bij samenscholing en
                                        ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Het is verboden zonder redelijk doel zich te bevinden op
                                        de weg bij enig voorval, waar wanordelijkheden ontstaan of
                                        dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek
                                        aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel in of aanwezig te
                                        zijn bij een samenscholing:</al><lijst><li nr="a."><al>met een ketting, knuppel, of enig ander gereedschap,
                                                voorwerp of middel waarvan, gelet op de aard of de
                                                omstandigheid, kan worden aangenomen dat het is
                                                bestemd voor geweldpleging tegen personen of
                                                goederen;</al></li><li nr="b."><al>gemaskerd, vermomd of op andere wijze onherkenbaar
                                                gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Wet wapens en munitie en/of de Wet openbare manifestaties
                                        van toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Optochten en betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Optochten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                        2.1.2.2, op de weg te doen plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of
                                                goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden, moet daarvan voor de openbare
                                        aankondiging ervan en ten minste 1 week voordat de betoging
                                        zal worden gehouden, schriftelijk kennis geven aan de
                                        burgemeester, met inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4,
                                        eerste lid, hierover is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                    2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn 1 week verkorten en een
                                    mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al> naam en adres van degene die de betoging
                                                houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                                tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van
                                                samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                                treffen om een regelmatig verloop te
                                                bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                        stukken of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                        afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk
                                        aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan
                                        door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of
                                        het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                        afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester op of
                                        aan de weg:</al><lijst><li nr="a."><al>een vertoning voor publiek te geven, niet zijnde een
                                                betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2;</al></li><li nr="b."><al>voor publiek muziek ten gehore te brengen;</al></li><li nr="c."><al>een feest of een wedstrijd te geven of te
                                                houden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 2.1.2.1, tweede lid, is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, onder c, bepaalde geldt niet
                                        voorzover artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet
                                        1994 of artikel 5.4.1 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan
                                        de weg op te treden als dienstverlener of zijn diensten als
                                        zodanig aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 2.1.2.1, tweede lid, is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.3 Straatartiest </nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te
                                        treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of
                                        gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid
                                        vermeldeverbod beperken tot bepaalde dagen en
                                        uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of
                                        een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
                                        bestemming daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing
                                        op:</al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen
                                                gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of
                                                goederen en niet voor commerciële doeleinden worden
                                                gebruikt; </al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het
                                                voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en
                                                mits: </al><lijst><li nr="-"><al> geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter
                                                  boven dat gedeelte bevindt; en </al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel van het scherm, in welke stand
                                                  dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van
                                                  het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de
                                                  weg bevindt; </al></li><li nr="-"><al> geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de
                                                  opgaande gevel reikt;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                                kortstondig op de weg gebracht worden in verband met
                                                laden of lossen ervan en mits degene die de
                                                werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor
                                                zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan,
                                                in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of
                                                stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan
                                                gereinigd is; </al></li><li nr="d."><al>voertuigen; </al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                                worden geopenbaard; </al></li><li nr="f."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of
                                        stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                        plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun
                                        omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging
                                        schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de
                                        bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig
                                        gebruik daarvan, danwel een belemmering vormen voor het
                                        doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder
                                        weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                                weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de
                                                weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                                dan wel een belemmering kan vormen voor het
                                                doelmatig beheer en onderhoud van de weg; </al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                                hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                redelijke eisen van welstand; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de op de
                                        Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Woningwet, de
                                        Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverodening Zuid-Holland
                                        (1997) van toepassing zijn of voorzover er sprake is van een
                                        evenement als bedoeld in artikel 2.2.1, of terras als
                                        bedoeld in artikel 2.3.1.2, vijfde lid, waarvoor vergunning
                                        is verleend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onverminderd het in dit artikel bepaalde kan het college
                                        nadere regels stellen omtrent het plaatsen van een container
                                        op de weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                        weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een weg
                                        aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                        weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat, alsmede alle niet‑openbare
                                        ontsluitingswegen van gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij
                                        het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet
                                        voorzover het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, Wegenverordening
                                        Zuid-Holland (1997), de Telecommunicatiewet of de daarop
                                        gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Westland van
                                        toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college: </al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg; </al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                                uitweg; </al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar
                                                de weg.Voor de toepassing van het eerste lid wordt
                                                onder weg verstaan wat artikel 1 van de
                                                Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg;
                                        b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de
                                        bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de
                                        bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                                omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                                gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover de Wet
                                        beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapskeur of de
                                        Wegenverordening Zuid-Holland (1997) van toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel> Veiligheid op de weg </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg
                                        te werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel
                                        427, aanhef en onder 4o, van het Wetboek van Strafrecht of
                                        artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing
                                        is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                        beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                        winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de
                                        naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in
                                        de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de
                                        weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of
                                        te doen verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                        milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Hinderlijke beplanting of voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                    hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije
                                    uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of
                                    gevaar oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg
                                        gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar
                                        voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel
                                        427, aanhef en onder 1o of 3 o, van het Wetboek van
                                        Strafrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide‑ of veengronden
                                        dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig
                                        meter daarvan gedurende de door het college aangewezen
                                        periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op heide‑ of veengronden dan wel
                                        in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter
                                        daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of
                                        smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te
                                        laten liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                        voorzover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3 o,
                                        van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet
                                        voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende,
                                        als tuin ingerichte, erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6a</nr><titel>voorkoming vreugdevuren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of
                                        bij zich te hebben enig materiaal of voorwerp waarmee op de
                                        weg een vuur is aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        indien de in dat lid bedoelde materiaal of voorwerp niet
                                        gebezigd of bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                        handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7</nr><titel> Gevaarlijk of hinderlijk
                                        voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                        (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                        prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                        meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de
                                        uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen
                                        van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                        wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                        verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel
                                        5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een
                                    voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen
                                    neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                        voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                        openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als
                                        bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan
                                        tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord
                                        of voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de
                                        Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                        Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9a</nr><titel>Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en
                                        verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                        bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar
                                        verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te
                                        wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te
                                        belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                        Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.10</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                        weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                        bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
                                        houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken
                                        als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te
                                        hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de
                                        bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al> voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                                verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren
                                                of in gevaar te brengen; </al></li><li nr="b."><al> bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
                                                ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het
                                        Wetboek van Strafrecht of de Vaarwegenverordening
                                        Zuid-Holland van toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdelingdstuk</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van: </al><lijst><li nr="a."><al> bioscoopvoorstellingen; </al></li><li nr="b."><al> markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder
                                            h, van de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze
                                            verordening; </al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; </al></li><li nr="d."><al> het in een inrichting in de zin van de Drank‑ en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen; </al></li><li nr="e."><al> betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld
                                            in de Wet openbare manifestaties; </al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2.1, 2.1.4.1,
                                            2.1.4.2, 2.1.4.3 van deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan: een
                                    herdenkingsplechtigheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde; </al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast; </al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen; </al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan aan de vergunning nadere voorschriften
                                    verbinden ten aanzien van de (brand)veiligheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3a</nr><titel>Ordeverstoring evenementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of
                                    wanordelijkheden te veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of
                                    andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een
                                    zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid
                                    in gevaar komt of kan komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
                                    behoren tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en
                                    munitie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van
                                    ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare
                                    orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                        voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                        logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of
                                        rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid
                                        of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval
                                        verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                        snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                        aanhorigheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                        besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                        horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden
                                        en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                        spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                        verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
                                        een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in
                                        artikel 2.3.1.2 of 2.3.1.3.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: </al><lijst><li nr="a."><al>gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders
                                                wonende bloed‑ en aanverwanten, in de rechte lijn
                                                onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
                                                2.3.1.2</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                        vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het
                                        eerste lid indien de vestiging of de exploitatie van het
                                        horecabedrijf in strijd is met een geldend
                                        bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het
                                        eerste lid indien de houder geen verklaring omtrent gedrag
                                        overlegt die uiterlijk 3 maanden voor de datum waarop de
                                        vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste
                                        lid geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel
                                        moet worden aangenomen dat de woon‑ en leefsituatie in de
                                        omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op
                                        ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de
                                        aanwezigheid van het horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                        weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het
                                        karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf
                                        is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het
                                        horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter
                                        plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                        exploitatie van het horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de
                                        burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook
                                        betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf
                                        behorende terrassen voorzover deze zich op de weg bevinden
                                        over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de
                                        burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming
                                        van die weg ten behoeve van een of meer bij een
                                        horecabedrijf horende terrassen weigeren: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                                weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid
                                                van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                daarvan; </al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor
                                                het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voorzover
                                        de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening
                                        Zuid-Holland (1997) van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De burgemeester kan aan de vergunning nadere voorschriften
                                        verbinden ten aanzien van de (brand)veiligheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.3</nr><titel>Opheffing vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel
                                        2.3.1.2 niet geldt voor een of meer in dat besluit
                                        aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan
                                        wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de
                                        gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit als
                                        bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig
                                        geschieden dat daardoor de woon‑ en leefsituatie in de
                                        omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde niet op
                                        ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.4</nr><titel>Sluitingstijden </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor
                                        bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten
                                        of te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur, met
                                        dien verstande dat na 01.00 uur geen bezoekers mogen worden
                                        toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het de
                                        houder van een horecabedrijf behorende bij, op of in een
                                        sportaccommodatie verboden dit voor bezoekers geopend te
                                        hebben of daarin of aldaar bezoekers toe te laten of te
                                        laten verblijven gedurende andere tijden dan de tijd gelegen
                                        tussen een uur voor en een uur na het gebruik overeenkomstig
                                        de bestemming van de sportaccommodatie; met dien verstande
                                        dat het de houder van het horecabedrijf verboden is dit voor
                                        bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten
                                        of te laten verblijven tussen 01.00 uur en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het de
                                        houder van een horecabedrijf, waar tegen vergoeding, al dan
                                        niet door middel van een automaat, eetwaren of alcoholvrije
                                        dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, verboden
                                        dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe
                                        te laten of te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00
                                        uur, met dien verstande dat na 01.30 uur geen bezoekers in
                                        die bedrijven mogen worden toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan door middel van een
                                        vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen
                                        voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan 4 keer per kalenderjaar aan een houder
                                        van een inrichting ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod, met dien verstande dat de ontheffing
                                        kan worden verleend tot 04.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet
                                        voorzover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften
                                        van toepassing zijn.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan per kern afwijkende sluitingstijden
                                        vaststellen voor horecabedrijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.5</nr><titel>Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                        bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een
                                        of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens
                                        artikel 2.3.1.4 geldende sluitingstijden vaststellen of
                                        tijdelijk sluiting bevelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel
                                        13b van de Opiumwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.6</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
                                    tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een
                                    op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te
                                    zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.7</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.8</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                                    inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet,
                                    treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd
                                    bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met
                                    2.3.1.5.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.1</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                        nachtverblijf</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in
                                            de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                                            mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                            kamperen wordt verschaft; </al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel
                                            daarin de feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of
                                        het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen
                                        drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan
                                        de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan nadere eisen stellen ten aanzien van de
                                        (brand)veiligheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.3</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als
                                    bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te
                                    houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester
                                    vastgestelde model.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                    kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres,
                                    woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van
                                    aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Speelgelegenheden </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                        publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                        geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                        inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                                        verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                        verbod is niet van toepassing op </al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel
                                                30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de
                                                Kansspelen vergunning is verleend; </al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie
                                                of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                                verlenen; </al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden
                                                om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van
                                                de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen
                                                op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de
                                                Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in
                                                artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te
                                                verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat
                                                de woon‑ en leefsituatie in de omgeving van de
                                                speelgelegenheid of de openbare orde op
                                                ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de
                                                exploitatie van de speelgelegenheid; </al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van een speelgelegenheid in
                                                strijd is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.2</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen</al></li><li nr="b."><al> speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                                onder a, van de Wet; </al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel
                                                30, onder c, van de Wet; </al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                                artikel 30, onder d, van de Wet; </al></li><li nr="e."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                                artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
                                        toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
                                        toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                        geheel niet zijn toegestaan.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal
                                    behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak
                                    dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende
                                    zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: </al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken of op andere wijze aan te
                                            brengen; </al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur‑ of verfstof enige
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
                                </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar
                                    water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet,
                                    aanplakdoek, kalk, teer, kleur‑ of verfstof of verfgereedschap.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2.4.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar
                                    water te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse
                                    sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap,
                                    voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde
                                    gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of
                                    niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                    bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
                                    wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten
                                    de daarin gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs
                                    gebillijkt wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet
                                    voorzover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                                    Wegenverordening Zuid-Holland (1997) van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
                                            beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                            toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                            afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair; </al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                            weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder wordt
                                            veroorzaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover
                                    artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het
                                    college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                    aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende
                                    drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; </al></li><li nr="b."><al>b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank‑ en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden; </al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een
                                openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek; </al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt‑ en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                    gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                    bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                    woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                    bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een
                                    gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te
                                    bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>Het is verboden om zonder toestemming bewakingsapparatuur te
                                gebruiken indien daarmee personen kunnen worden gadegeslagen in een
                                aan een ander toebehorend gebouw, vaartuig of besloten erf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel/></kop><al>Gereserveerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of aan
                                    een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben
                                    die een voor de omgeving opvallend geluid‑ of lichtsignaal kan
                                    produceren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing voorzover de Wet op de
                                    Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus van
                                    toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen: </al><lijst><li nr="a."><al>op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; </al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats; c. op de weg zonder voorzien te zijn van een
                                            halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar
                                            of houder duidelijk doet kennen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een
                                    hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat
                                    begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is
                                    of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar
                                    gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: </al><lijst><li nr="a."><al> op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede
                                            bestemd voor het verkeer van voetgangers; </al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide; </al></li><li nr="c."><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
                                    onmiddellijkworden verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het
                                    terrein van een ander: </al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de
                                            eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die
                                            hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod
                                            in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
                                            vindt; </al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf
                                            nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft
                                            bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                            acht en een aanlijn‑ en muilkorfgebod in verband met het
                                            gedrag van die hond noodzakelijk vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt voor
                                    het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien
                                    moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar
                                    identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder
                                            d, van de Regeling agressieve dieren; </al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met
                                            een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet
                                            langer is dan 1,50 meter. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voorzover de Regeling agressieve dieren van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.20</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde
                                    plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van
                                    overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is
                                    daarbij aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="a."><al> aanwezig te hebben; dan wel </al></li><li nr="b."><al> aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of
                                            schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan
                                            wel </al></li><li nr="c."><al> aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren
                                    aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel
                                    aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het- college
                                    is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                    milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.21</nr><titel/></kop><al>Gereserveerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.22</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.23</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een
                                door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1
                                maarten 1 juni.</al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gesteld gebod.</al><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Verordening
                                Ophokplicht Postduiven van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.24</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden: </al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
                                            gebouwen waar overdag mensen verblijven; </al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit‑ en invliegen van de bijen
                                    te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of
                                    gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voorzover de Wegenverordening Zuid-Holland (1997) van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.25</nr><titel>Hinder door bromfietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig
                                te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de
                                omgeving hinder ontstaat.</al><al>Dit verbod geldt niet zover de wet Milieubeheer en/of de
                                Wegenverkeerswet 1994 van toepassing zijn.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; </al></li><li nr="b."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of
                                        op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde
                                        goederen door de handelaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld: </al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed; </al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed; </al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen –
                                            voorzover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van
                                            het goed; </al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed; </al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al> wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter,
                                        tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester
                                        of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in
                                        kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte
                                        maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn
                                        woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door
                                        hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al> de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al> aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard
                                        van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;</al></li><li nr="d."><al> indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al> zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester
                                        aangewezen ambtenaar;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door verkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat
                                    een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                    inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere
                                    wijze overdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel
                                            2.3.1.1, eerste en tweede lid; </al></li><li nr="b."><al>houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
                                            lid.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen, aanwezig te houden
                                zonder vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf
                                is of zal worden gevestigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een
                                    voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks
                                    gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voorzover artikel 429, aanhef en onder 1 juncto, van het Wetboek
                                    van Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding </titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1 (samenscholingsverbod),
                                2.1.2.1 (Optochten), 2.1.5.1 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven
                                de weg), 2.1.5.2 (Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg),
                                2.1.6.4 (Openen straatkolken en dergelijke), 2.1.6.7 (Gevaarlijk of
                                hinderlijk voorwerp), 2.2.3a (Ordeverstoring evenementen), 2.4.7
                                (Hinderlijk gedrag op of aan de weg), 2.4.8 (hinderlijk
                                drankgebruik), 2.4.9 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen), 2.4.9
                                (Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten), 2.6.3 (Bezigen van
                                consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling), of 5.5.1 (Verbod om
                                vuur te stoken) van de Algemene plaatselijke verordening Westland
                                groepsgewijs niet naleven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>prostitutie:</cursief> het zich beschikbaar stellen
                                        tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander
                                        tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al><cursief>prostituee:</cursief> degene die zich beschikbaar
                                        stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een
                                        ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al><cursief>seksinrichting:</cursief> de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
                                        worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische
                                        aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk
                                        geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                        sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf
                                        waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan
                                        niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al><cursief>escortbedrijf:</cursief> de natuurlijke persoon,
                                        groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
                                        die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                                        uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al><cursief>sekswinkel: </cursief>de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen
                                        van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al><cursief>exploitant:</cursief> de natuurlijke persoon of
                                        personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
                                        seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al><cursief>beheerder:</cursief> de natuurlijke persoon of
                                        personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent
                                        in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al><cursief>bezoeker:</cursief> degene die aanwezig is in een
                                        seksinrichting, met uitzondering van:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al> de exploitant;</al></li><li nr="2."><al> de beheerder;</al></li><li nr="3."><al> de prostituee;</al></li><li nr="4."><al> het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al> toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2;</al></li><li nr="6."><al> andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd
                                    bestuursorgaan<cursief>:</cursief> het college of, voorzover het
                                betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                                erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
                                burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk
                                nadere regels vaststellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> de persoonsgegevens van de beheerder; en </al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;
                                        </al></li><li nr="d."><al>een plattegrond van de seksinrichting met een schaal van
                                            tenminste 1:100 waarop duidelijk de inrichting en de
                                            bestemming van de werkruimten is aangegeven; </al></li><li nr="e."><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de
                                            seksinrichting door middel van een situatietekening met
                                            een schaal van tenminste 1:1000; </al></li><li nr="f."><al>het aantal werkzame prostituees; </al></li><li nr="g."><al>bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de
                                            kamer van koophandel; </al></li><li nr="h."><al>het bewijs waaruit blijkt dat de exploitant zelfstandig
                                            gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor
                                            de seksinrichting.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder: </al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij; </al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
                                        </al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en
                                    de beheerder niet: </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld; </al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse
                                            Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter
                                            wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
                                            bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                            eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                            toegelaten; </al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot
                                            een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan
                                            wel mede wegens overtreding van: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                  Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
                                                  Wet arbeid vreemdelingen; </al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                                  242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303,
                                                  416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het
                                                  Wetboek van Strafrecht; </al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede
                                                  artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163
                                                  van de Wegenverkeerswet 1994; </al></li><li nr="-"><al> de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de kansspelen; </al></li><li nr="-"><al> de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen; </al></li><li nr="-"><al> de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                    artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of
                                    artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt; </al><al>b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning; </al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    op maandag tot en met zondag tussen 01.00 en 09.00 uur;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                    bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4,
                                    eerste lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                    toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde
                                    belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit
                                    hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste
                                            of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; </al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien
                                    dat in de seksinrichting: </al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en
                                            XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie; en </al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken: </al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen
                                            of gebieden; </al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde
                                    belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich
                                    bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het
                                    bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede
                                    lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een
                                    bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit
                                    verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een
                                    openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en
                                    op de tijden bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt; </al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken
                                na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                                weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3.2.2 gestelde eisen; </al></li><li nr="b."><al> de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening; </al></li><li nr="c."><al> er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de
                                    aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid,
                                    kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde; </al></li><li nr="b."><al> in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast; </al></li><li nr="c."><al> in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            aantasting van het woon- en leefklimaat; </al></li><li nr="d."><al> in het belang van de veiligheid van personen of
                                            goederen; </al></li><li nr="e."><al> in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;
                                        </al></li><li nr="f."><al> in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; </al></li><li nr="g."><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                            prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid,
                                    onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                    feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen
                                    een week na de feitelijke beëindiging van het beheer
                                    schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> Besluit: het Besluit horeca-, sport- en
                                        recreatie-inrichtingen milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al> inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit;
                                    </al></li><li nr="c."><al> houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft; </al></li><li nr="d."><al> collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; </al></li><li nr="e."><al> incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorschriften 1.1.1., 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de bijlage
                                    onder B van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voorschrift 1.5.1 van de bijlage onder B van het Besluit
                                    geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen
                                    collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                    dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid,
                                    kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een
                                    of meer van de volgende delen te weten: De Lier, ´s-Gravenzande,
                                    Heenweg, Naaldwijk, Maasdijk, Honselersdijk, Monster, Poeldijk,
                                    Ter Heijde, Wateringen en Kwintsheul</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de bijlage onder
                                    B van het Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van de
                                    inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                    festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij het voorschrift
                                    1.5.1 uit de Bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing
                                    is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor
                                    de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis
                                    heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer
                                    het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de
                                burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in
                                de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze wordt beïnvloed. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                    hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat
                                    voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                    wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet, voor zover artikel 2.4.16, de op de Wet
                                    milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de
                                    Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en
                                    verkeersregels 1990 of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke
                                    stoffen van toepassing zijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>gereserveerd</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>gereserveerd</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Verontreiniging van de weg en van terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><al>a. afval of vuilnis of enig andere dergelijke stof of voorwerp,
                                    die/dat aanleiding kan geven tot verontreiniging, beschadiging
                                    of onvoldoende afwatering van de weg, dan wel aanleiding kan
                                    geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu, op of
                                    in de bodem, buiten een daarvoor bestemde verzamelplaats, te
                                    plaatsen, te storten, te werpen, uit te gieten, te laten vallen
                                    of lopen of te houden; </al><al>b. andere afvalstoffen dan straatafval, als bedoeld in artikel
                                    4.2.1.1, eerste lid, onder b, achter te laten in daartoe van
                                    gemeentewege geplaatste of voorgeschreven bakken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod is
                                    niet van toepassing op het ter inzameling aanbieden van
                                    huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, de krachtens
                                    de afvalstoffenverordening gemeente Westland aangewezen personen
                                    of instanties of houders van een vergunning als bedoeld
                                    voornoemde verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het, in het eerste lid, onder a, gestelde
                                    verbod ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen
                                    voorschriften worden verbonden ter bescherming van het
                                    milieu.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod is
                                    niet van toepassing op het thuiscomposteren van groente-, fruit-
                                    en tuinafval.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover de stoffen of voorwerpen op de weg geraken of
                                    tijdelijk op de weg worden gebracht als onvermijdelijk gevolg
                                    van het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen
                                    dan wel van het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de
                                    weg.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    voorts niet voor zover: </al><al>a.de Wet milieubeheer, de Meststoffenwet, de Destructiewet, de
                                    Bestrijdingsmiddelenwet, de Kernenergiewet, of de Wet
                                    bodembescherming voorziet in de beoogde bescherming van het
                                    milieu; </al><al>b. de Wet beheer rijkswaterstaatswerken; </al><al>c. De Wegenverordening Zuid-Holland (1997) of de Provinciale
                                    milieuverordening Zuid-Holland van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of
                                    voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg wordt
                                    verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht,
                                    alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever
                                    verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al> indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van
                                            het verkeer of voor beschadiging van het wegdek
                                            oplevert, de weg terstond na het ontstaan van de
                                            verontreiniging te reinigen of te doen reinigen; </al></li><li nr="b."><al> indien de verontreiniging geen gevaar voor de
                                            veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het
                                            wegdek oplevert, de weg terstond na de beëindiging van
                                            de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag
                                            duren, elke dag terstond na beëindiging van de
                                            werkzaamheden op die dag; te reinigen of te doen
                                            reinigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening
                                    Zuid-Holland (1997) van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel><cursief>1.1.1.1 Afvalbakken in inrichtingen voor het
                                        verbruiken van eet- en drinkwaren</cursief></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder of beheerder van een winkel, hal, kraam of andere
                                    dergelijke inrichtingen waar eet- en/of drinkwaren worden
                                    verkocht welke ter plaatse kunnen worden genuttigd, is
                                    verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al> een mand, bak of soortgelijk voorwerp in of nabij de
                                            inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te
                                            hebben, waarin het publiek papier, etensresten,
                                            verpakkingsmateriaal en ander afval kan achterlaten;
                                        </al></li><li nr="b."><al> zorg te dragen dat die mand, die bak of dat
                                            soortgelijke voorwerp van een zodanige constructie is
                                            dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat
                                            die mand, die bak of dat voorwerp steeds tijdig wordt
                                            geledigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder of beheerder van een inrichting bedoeld in het eerste
                                    lid is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na
                                    sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op
                                    eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op
                                    de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van
                                    de inrichting op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen,
                                    voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en het tweede lid gestelde verplichting geldt
                                    niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                    voorschriften van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.4</nr><titel>Wegwerpen van reclame- of strooibiljetten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die op de weg reclame- of strooibiljetten of dergelijke
                                    geschriften onder het publiek verspreidt, is verplicht deze,
                                    indien zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg
                                    of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het
                                    publiek worden weggeworpen, terstond daarvan te verwijderen of
                                    te doen verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet ten aanzien van
                                    het verspreiden van reclame‑ of strooibiljetten of dergelijke
                                    geschriften vanuit een luchtvaartuig.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.5</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.6</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.7</nr><titel><cursief>Verbod doorzoeken van ter inzameling gereed staande
                                        afvalstoffen</cursief></titel></kop><al>Het is verboden afvalstoffen die ter inzameling gereed staan te
                                doorzoeken en te verspreiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.8</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet‑openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet‑openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;
                                        </al></li><li nr="b."><al> hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld,
                                            opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al> dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan
                                            van de houtopstand; </al></li><li nr="d."><al> bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente,
                                            vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de
                                            Boswet; </al></li><li nr="e."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                            Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi
                                            (Buism.) C. Moreau); f iepenspintkever: het insect, in
                                            elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten
                                            Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh)
                                            en Scolytus pygmaeus.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>Kapverbod </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstand te
                                    vellen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al> wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                            landbouw gronden, beide voorzover bestaande uit
                                            niet-geknotte populieren of wilgen; </al></li><li nr="b."><al> vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; </al></li><li nr="c."><al> fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te
                                            dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het
                                            bijzonder bestemde terreinen; </al></li><li nr="d."><al> kweekgoed; </al></li><li nr="e."><al> houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                            geveld; </al></li><li nr="f."><al> houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                            Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen
                                            is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                            zelfstandige eenheid vormt die: </al><lijst><li nr="-"><al> ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10
                                                  are; </al></li><li nr="-"><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer
                                                  dan 20 bomen, gerekend over het totale
                                                  aantalrijen; </al></li></lijst></li><li nr="g."><al> houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                            Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last
                                            van het college, zulks onverminderd het bepaalde in
                                            artikel 4.5.6.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met
                                    toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door
                                    degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd
                                    is over de houtopstand te beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het bureau LASER aan het college een afschrift heeft
                                    toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2
                                    van de Boswet, beschouwt het college dit afschrift mede als een
                                    vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3a</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.4</nr><titel>Vergunning ex lege</titel></kop><al>De vergunning wordt geacht te zijn verleend, wanneer niet binnen de
                                in artikel 1.2 genoemde termijn een beslissing is genomen op de
                                aanvraag voor een vergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.5</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet
                                    worden herplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van
                                    feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief worden van
                                    de vergunning, oftewel tot het moment dat: </al><lijst><li nr="a."><al> de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken
                                            zonder dat bezwaar of beroep is ingediend; </al></li><li nr="b."><al> beslist is op een verzoek om een voorlopige
                                            voorziening; </al></li><li nr="c."><al> beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot
                                            voorlopige voorziening is gedaan. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.6</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    college is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het
                                    college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de
                                    houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot
                                    het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting
                                    opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door zijn te geven
                                    aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan
                                    wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van
                                    de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene
                                    die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd
                                    is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te
                                    geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn
                                    voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                                    weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                    met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is
                                    verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.5.2, artikel 4.5.5 of artikel 4.5.6, schade
                                lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een
                                naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.8</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding
                                    van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is
                                    de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                    stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al> indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
                                        </al></li><li nr="b."><al> de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;
                                        </al></li><li nr="c."><al> of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te
                                            vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding
                                            van de iepziekte wordt voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                    kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                    vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
                                    verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Bescherming van flora en fauna</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.1</nr><titel>Bescherming groenvoorzieningen</titel></kop><al>Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij
                                de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of
                                bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een
                                bloem- of heesterperk dan wel aldaar bloemen te plukken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.2</nr><titel>Beschermde planten; hout sprokkelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd: </al><lijst><li nr="a."><al>plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het
                                            natuur-, landschaps- of dorps-/stadsschoon verboden is
                                            daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken of bij
                                            zich te hebben; </al></li><li nr="b."><al> bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen waar het
                                            om redenen van milieubeheer verboden is hout te
                                            sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een, door het college, krachtens het eerste
                                    lid, aangewezen plaats: </al><lijst><li nr="a."><al> de daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken,
                                            bij zich te hebben dan wel </al></li><li nr="b."><al> hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te
                                            hebben.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet: </al><lijst><li nr="a."><al> ten aanzien van door of met toestemming van de
                                            rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel van elders
                                            afkomstige bloemen of planten of hout; </al></li><li nr="b."><al>indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden
                                            verricht in het kader van normale
                                            onderhoudswerkzaamheden; </al></li><li nr="c."><al>voorzover de Natuurbeschermingswet van toepassing
                                            is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts
                                    niet: </al><lijst><li nr="a."><al> ten aanzien van hout dat afkomstig is van houtopstanden
                                            waarop het in artikel 4.5.2 gestelde verbod niet van
                                            toepassing is; </al></li><li nr="b."><al> ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd
                                            krachtens een verordening van het Bosschap. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het
                                    verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan
                                    wel uitdrogend dood hout.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.3</nr><titel>Vervoer van organisch materiaal</titel></kop><al/><al>Het is verboden organisch materiaal, afkomstig van land-en
                                tuinbouwbedrijven, anders dan doelmatig afgedekt en lekvrij, te
                                vervoeren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.1</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                    aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                    voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is
                                    een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen
                                    of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben,
                                    anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels: </al><lijst><li nr="a."><al> onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="b."><al> bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="c."><al> caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere
                                            dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden
                                            gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel; </al></li><li nr="d."><al> mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen; </al></li><li nr="e."><al> afvalstoffen; </al></li><li nr="f."><al> autowrakken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                    verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid
                                    aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof: </al><lijst><li nr="a."><al> op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan
                                            wel</al></li><li nr="b."><al> op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders
                                            dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer, het Besluit beheer autowrakken, de Wet op de
                                    Ruimtelijke Ordening of de Provinciale milieuverordening
                                    Zuid-Holland van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.1a</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld
                                            in artikel 1 van de Meststoffenwet; </al></li><li nr="b."><al>emissiearm aanwenden: gebruiken van dierlijke
                                            meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het
                                            Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met
                                            dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e
                                            gelezen moet worden: ‘<cursief>tijdens </cursief>het
                                            uitrijden van de dierlijke mest deze
                                                <cursief>gelijktijdig </cursief>wordt ondergewerkt’;
                                        </al></li><li nr="c."><al>grond: bouwland, maïsland en grasland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik dierlijke
                                    meststoffen 1998 is het verboden op gronden dierlijke
                                    meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of
                                    te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op algemeen erkende
                                    feest‑ en gedenkdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voorzover de dierlijke mest emissiearm, als bedoeld in dit
                                    artikel, wordt aangewend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid
                                    gestelde verboden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Vervoer van dierlijke meststof als dunne mest dient te
                                    geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een
                                    zindelijke staat verkeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.2</nr><titel>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de
                                    hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van het
                                    college deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of
                                    het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van
                                    handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of
                                    afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een
                                    andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet ten aanzien van: </al><lijst><li nr="a."><al> opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het
                                            inwendig gedeelte van een onroerende zaak; </al></li><li nr="b."><al> opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren
                                            of andere constructies, aangewezen door de overheid;
                                        </al></li><li nr="c."><al> opschriften en aankondigingen betrekking hebbend
                                            op:</al><lijst><li nr="-"><al> openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop,
                                                  verhuur of verpachting van een onroerende zaak
                                                  voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="-"><al> het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of
                                                  op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of
                                                  waarvoor die zaak is bestemd, zomede op
                                                  naamborden; mits deze opschriften en
                                                  aankondigingen gezamenlijk geen grotere
                                                  oppervlakte hebben dan 0,50 m<sup>2</sup> en geen
                                                  van alle een grotere afmeting in een richting
                                                  hebben dan 1,00 meter en mits deze opschriften en
                                                  aankondigingen zijn aangebracht op of aan een
                                                  onroerende zaak; </al></li></lijst></li><li nr="d."><al>opschriften betrekking hebbend op de naam of aard van in
                                            uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen
                                            die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk
                                            betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht
                                            op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken
                                            zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zolang zij
                                            feitelijke betekenis hebben; </al></li><li nr="e."><al>opschriften en aankondigingen aan gebouwen en
                                            inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn
                                            aangebracht ten dienste van dat vervoer; </al></li><li nr="f."><al>opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke
                                            aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits
                                            van het aanbrengen ervan tevoren door of vanwege de
                                            rechthebbende of de hoofdgebruiker van de onroerende
                                            zaak schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college
                                            en het college niet binnen twee weken na ontvangst van
                                            die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken.
                                            Zodanige opschriften en aankondigingen worden geacht hun
                                            tijdelijk karakter te hebben verloren, wanneer deze
                                            gedurende meer dan 9 weken op de onroerende zaak
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gesteld verbod geldt voorts niet voor
                                    zover de Woningwet, op de Wet Milieubeheer gebaseerde
                                    voorschriften, de Monumentenwet, de Verordening Bescherming
                                    Landschap en Natuur Zuid-Holland, de gemeentelijke
                                    monumentenverordening of artikel 2.1.5.1 van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al> Indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand; </al></li><li nr="b."><al> in het belang van de verkeersveiligheid; </al></li><li nr="c."><al> in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.3</nr><titel>Aanschrijving </titel></kop><al>Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in
                                het tweede lid van artikel 4.7.2, dan wel aangebracht voor een ander
                                doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar
                                wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt
                                veroorzaakt, is het college bevoegd de rechthebbende
                                onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te
                                schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter
                                beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. Degene tot
                                wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is
                                verplicht deze aanschrijving op te volgen.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b,
                                        van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al> voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al></li><li nr="c."><al> treinen en trams;</al></li><li nr="d."><al> fietsen, bromfietsen; </al></li><li nr="e."><al> gehandicaptenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                        verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="f."><al> kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                        rolstoelen;</al></li><li nr="g."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor
                                        het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: </al><lijst><li nr="a."><al> drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer
                                            voertuigen; dan wel </al></li><li nr="b."><al> de weg als werkplaats voor voertuigen te
                                            gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen; </al></li><li nr="b."><al> het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al> voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; </al></li><li nr="b."><al> voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in
                                            het eerste lid genoemde persoon. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2a</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                    weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel
                                    het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch
                                    in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
                                    verwaarloosde toestand verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de
                                    Wet milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                    magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk
                                    voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of
                                    mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: </al><lijst><li nr="a."><al> langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen
                                            of te hebben op een door het college aangewezen weg,
                                            waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog
                                            op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of
                                            schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                            gemeente; </al></li><li nr="b."><al> op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover
                                    Wegenverordening Zuid-Holland (1997) of Verordening Bescherming
                                    Landschap en Natuur Zuid-Holland van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan binnen een afstand van 10 meter van
                                    dezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar
                                    te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door
                                    dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen
                                    of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al> op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;
                                        </al></li><li nr="b."><al> op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                            uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
                                            overheid; </al></li><li nr="c."><al> op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
                                            ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit
                                            doel zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                    het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op de weg te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                    inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan onder door hem te stellen voorschriften
                                    vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen
                                    instellingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in de
                                    uitoefening van handel op of aan de weg of aan een openbaar
                                    water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met
                                    enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de
                                    openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te
                                    verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: </al><lijst><li nr="a."><al> ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of
                                            afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin
                                            gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                            artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. </al></li><li nr="b."><al> voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van
                                            goederen door - of door huisgenoten of personeel van -
                                            hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel,
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; </al></li><li nr="c."><al>voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op
                                            de plaats die is aangewezen voor het houden van een
                                            markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt
                                            gehouden wordt; </al></li><li nr="d."><al> voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen op een standplaats bedoeld in artikel
                                            5.2.3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al> in het belang van de openbare orde; </al></li><li nr="b."><al> in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast; </al></li><li nr="c."><al> in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;
                                        </al></li><li nr="d."><al> wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te
                                            verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter
                                            plaatse in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de
                                    weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan
                                    niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de
                                    openlucht gelegen plaats: </al><lijst><li nr="a."><al> met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander
                                            middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde
                                            in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te
                                            bieden dan wel diensten aan te bieden;</al></li><li nr="b."><al> anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te
                                            hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te
                                            verstrekken aan publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan,
                                    dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt
                                    of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten
                                    aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven
                                    stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als
                                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op
                                    de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks
                                    gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een
                                    evenement als bedoeld in artikel 2.2.1, of voor het organiseren
                                    van een markt als bedoeld in artikel 5.2.4.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de
                                    Wet milieubeheer, de Woningwet, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zuid-Holland
                                    (1997) van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde; </al></li><li nr="b."><al> in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast; </al></li><li nr="c."><al> in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving; </al></li><li nr="d."><al> in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;
                                        </al></li><li nr="e."><al> wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te
                                            verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter
                                            plaatse in gevaar komt; </al></li><li nr="f."><al> vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een
                                    standplaats­ver­gun­ning aan, indien de aanvraag tevens een
                                    Wet-milieubeheerplichtige activiteit betreft en indien geen
                                    toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag
                                    waarop de beslissing over de Wet-milieubeheervergunningaanvraag
                                    is genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: </al><lijst><li nr="a."><al> in of op een - al dan niet met enige beperking - voor
                                            het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te
                                            organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige
                                            goederen worden verhandeld; </al></li><li nr="b."><al> toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te
                                            geven, dat in of op een - al dan niet met enige
                                            beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of plaats
                                            met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel
                                            standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan
                                            publiek aan te bieden, te verkopen of te
                                            verstrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en
                                    voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik
                                    zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het
                                    belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet
                                    zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen,
                                    aan te brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                    voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                                    gedach­ten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                    brengen of te heb­ben, indien deze door hun omvang of
                                    vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar
                                    opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor
                                    het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                    belem­mering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van
                                    het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de
                                    Scheepvaart­ver­keers­wet, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                    Wet beheer rijkswaterstaats­wer­ken, de Vaarwegenverordening
                                    Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al><lijst><li nr="a."><al> nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente; </al></li><li nr="b."><al> beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening
                                    Zuid-Holland of de Verordening Bescherming Landschap en Natuur
                                    Zuid-Holland van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening Zuid-Holland of
                                    de Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede
                                lid, en 5.3.3 bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het Wetboek
                                    van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement of de Vaarwegenverordening
                                    Zuid-Holland van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland
                                    van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.8</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik
                                    van deze terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al> in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast; </al></li><li nr="b."><al> in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al> in het belang van het voorkomen van overlast; </al></li><li nr="b."><al> in het belang van de bescherming van natuur- of
                                            milieuwaarden; </al></li><li nr="c."><al> in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers
                                    of berijders van paarden: </al><lijst><li nr="a."><al> ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten; </al></li><li nr="b."><al> die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen;
                                        </al></li><li nr="c."><al> die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; </al></li><li nr="d."><al> van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters
                                            van percelen gelegen binnen de door het college
                                            aangewezen plaatsen; </al></li><li nr="e."><al> voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: </al><lijst><li nr="a."><al> op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen of anderszins vuur aan te leggen, te stoken
                                    of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ontheffing kan worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al> in het belang van de openbare orde en veiligheid; </al></li><li nr="b."><al> ter bescherming van de woon- en leefomgeving;</al></li><li nr="c."><al> ter bescherming van de flora en de fauna.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover: </al><lijst><li nr="a."><al> op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                            toepassing zijn; </al></li><li nr="b."><al> de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland hierover
                                            een regeling bevat; </al></li><li nr="c."><al> artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van
                                            strafrecht van toepassing is; of </al></li><li nr="d."><al> het betreft verlichting door middel van kaarsen,
                                            fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden,
                                            vuurkorven en dergelijke of vuur voor koken, bakken en
                                            braden, indien dat geen gevaar, overlast of hinder
                                            oplevert voor de omgeving.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op
                                een door overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op andere plaatsen dan op
                                    die plaatsen die nader door het college zijn aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin de nader aangewezen
                                    plaatsen zoals genoemd in het eerste lid voor een bepaalde
                                    termijn wordt ontrokken aan de mogelijkheid voor
                                    asverstrooiing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod van het verstrooien op andere plaatsen
                                    dan de aangewezen plaatsen zoals genoemd in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.3</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daartoe hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent het Noordzeestrand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.1</nr><titel>Voorwerpen</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.1.5.1 is het zonder
                                vergunning van het college verboden op het Noordzeestrand: </al><lijst><li nr="a."><al> tenten, strandhuisjes of dergelijke voorwerpen te plaatsen,
                                        te laten liggen of te laten staan;</al></li><li nr="b."><al> afsluitingen te maken, lijnen te spannen of het verkeer in
                                        enig opzicht te belemmeren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.2</nr><titel>Verhuur</titel></kop><al>Het is zonder vergunning van het college verboden op het
                                Noordzeestrand stoelen, windschermen dan wel rij- of trekdieren te
                                verhuren of voor verhuur aanwezig te hebben dan wel op enige wijze
                                ten vermake van het publiek van dieren gebruik te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.3</nr><titel>Honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond in
                                    de periode van 15 mei tot 15 september te laten verblijven op
                                    een gedeelte van het Noordzeestrand dat, en gedurende de tijden
                                    die, door het college bij ter openbare kennisgeving te brengen
                                    besluit zijn aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond in
                                    de periode van 15 mei tot 15 september, anders dan aangelijnd,
                                    te laten verblijven op een gedeelte van het Noordzeestrand, dat
                                    en gedurende de tijden die door het college bij ter openbare
                                    kennisgeving te brengen besluiten zijn aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.4</nr><titel>Voertuigen, rijdieren en vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op het Noordzeestrand met een motorvoertuig of
                                    een bromfiets te rijden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in lid 1 omschreven verbod ontheffing
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is zonder vergunning van het college verboden, in de periode
                                    van 15 mei tot 15 september, op een gedeelte van het
                                    Noordzeestrand dat en gedurende de tijden die door het college
                                    bij bekendmaking zijn aangewezen; </al><lijst><li nr="a."><al> met een fiets te rijden; </al></li><li nr="b."><al>zich met een rij- of trekdier op te houden; </al></li><li nr="c."><al>een vaartuig anders dan een zeilplank, catamaran,
                                            kiteboard, (golf)surfplank, kano, jetski, waterski of
                                            parasail te hebben.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in dit artikel gestelde verboden gelden niet met betrekking
                                    tot voertuigen, dieren en vaartuigen, die worden gebruikt door
                                    of in opdracht van openbare lichamen, de Koninklijke Nederlandse
                                    Reddingsmaatschappij en de ´s-Gravenzandse Vrijwillige
                                    Reddingsbrigade en de Monsterse Reddingsbrigade.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.5</nr><titel>Zeilplanken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de periode van 15 mei tot 15 september zich
                                    met een zeilplank, catamaran, kiteboard, (golf)surfplank, kano,
                                    jetski, waterski of parasail op te houden of te bewegen binnen
                                    een afstand van 150 meter van de laagwaterlijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in lid 1 gestelde verbod geldt niet voor een gedeelte van de
                                    Noordzee dat door het college bij bekendmaking is aangewezen,
                                    mits de in dat besluit door hen te stellen voorschriften in acht
                                    worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voorschriften als bedoeld in lid 2 kunnen onder meer
                                    behoren voorschriften ter bescherming van de veiligheid van
                                    zwemmers of de gebruikers van de zeillank, catamaran, kiteboard,
                                    (golf)surfplank, kano, jetski, waterski of parasail.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.6</nr><titel>Plankieren</titel></kop><al>Het is verboden de plankieren op het Noordzeestrand te berijden met
                                voertuigen, uitgezonderd gehandicaptenvoertuigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.7</nr><titel>Strandhuisjes, -paviljoens en –posten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich te bevinden tussen of achter de op het
                                    Noordzeestrand geplaatste strandhuisjes, -paviljoens, -posten en
                                    dergelijke.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het lid 1 gestelde verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al> personen die gerechtigd zijn tot het gebruik van de in
                                            lid 1 genoemde opstallen; </al></li><li nr="b."><al> personen in dienst bij de overheid of leden van de
                                            's-Gravenzandse Vrijwillige Reddingsbrigade, de
                                            Monsterse Reddingsbrigade, dan wel de leden van de
                                            Koninklijke Vereniging voor E.H.B.O, afdeling
                                            Monster/Poeldijk in de uitoefening van hun functie.
                                        </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.8</nr><titel>Drijven</titel></kop><al>Het is verboden zich in zee te begeven of te bevinden met een
                                luchtbed of -kussen, autoband of een ander voorwerp dat als
                                drijfmiddel kan worden gebruikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.9</nr><titel>Zwemmen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich van een strandhoofd af in zee te begeven of
                                    in de naaste omgeving daarvan te baden of te zwemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in zee te zwemmen indien dit wegens stroming,
                                    golfslag of vervuiling gevaar kan opleveren voor leven of
                                    gezondheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ieder is verplicht zich terstond uit zee te verwijderen nadat
                                    een ambtenaar van politie of een lid van de ´s-Gravenzandse
                                    Vrijwilliege Reddingsbrigade of de Monsterse Reddingsbrigade
                                    kenbaar heeft gemaakt dat zwemmen gevaar oplevert, als bedoeld
                                    in lid 2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.10</nr><titel>Afval</titel></kop><al>Het is verboden op het strand afval of resten van levensmiddelen,
                                papier, blikken, flessen of ander verpakkingsmateriaal weg te
                                werpen, neer te leggen of achter te laten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.11</nr><titel>Naakt op of bij het strand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich op het Noordzeestrand naakt te bevinden of
                                    in de Noordzee binnen een afstand van 150 meter van de
                                    laagwaterlijn naakt te zwemmen of te baden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                    gedeelte van de (het) Noordzee(strand) dat door het college bij
                                    ter openbare kennisgeving te brengen besluit is aangegeven, mits
                                    de in dat besluit door hen te stellen voorschriften in acht
                                    worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor gevallen, waarin artikel
                                    239 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van
                            de rechtelijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college of de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het
                                verstrijken van een termijn van zes weken na de datum van
                                publicatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene Plaatselijke Verordening Monster 1995, de Algemene
                                Plaatselijke Verordening De Lier 1995, de Algemene Plaatselijke
                                Verordening Wateringen 1995, de Algemene Plaatselijke Verordening
                                ´s-Gravenzande 1995, de Algemene Plaatselijke Verordening Maasland
                                en de Algemene Plaatselijke Verordening Schipluiden 1995 worden
                                vervallen verklaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd – verleend krachtens
                                verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven – indien
                                en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing
                                betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening – van kracht tot
                                de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij
                                worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven – indien en voorzover de
                                bepalingen ingevolge welke deze verplichtingen zijn opgelegd, ook
                                zijn vervat in deze verordening – van kracht tot de termijn waarvoor
                                zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen bedoeld in het eerste lid en
                                verplichtingen bedoeld in het tweede lid, worden geacht
                                vergunningen, ontheffingen en verplichtingen in de zin van deze
                                verordening te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van een
                                verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, is ingediend en voor
                                het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op
                                die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling
                                van de onderhavige verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Gebods‑ of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                                vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een
                                verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van
                                toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al> gedurende acht weken na het in werking treden van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de
                                        vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn
                                        een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze
                                        aanvraag is beslist.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                                heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die
                                verordening genomen nadere regels, beleidsregels en
                                aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de
                                aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze
                                verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Algemene Plaatselijke Verordening
                            Westland 2004" of als "APV Westland 2004".</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Westland,
                        gehouden op 2 maart 2004</ondertekening><ondertekening>w.g. de griffier</ondertekening><ondertekening>w.g. de voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>