<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR350887_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning Opmeer 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Opmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Opmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad d.d. 5-11-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning Opmeer 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikelen 2.1.3, 2.1.4. eerste tot en met derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RVS 8.60 d.d. 15-10-2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning Opmeer 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Opmeer;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30
                        september 2014;</al><al/><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste tot en met derde en zevende lid,
                        2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de
                        Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al/><al>gezien het advies van de WMO-adviesraad;</al><al/><al>Overwegende dat:</al><lijst><li nr="-"><al>burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop
                                zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
                            </al></li><li nr="-"><al>dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar
                                vermogen bijstaan; </al></li><li nr="-"><al>dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                                onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot
                                participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de
                                gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen
                                blijven wonen; </al></li><li nr="-"><al>dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen voor: </al><lijst><li nr="·"><al>het bieden van ondersteuning bij de versterking van de
                                        zelfredzaamheid en participatie van personen met een
                                        beperking of met chronische psychische of psychosociale
                                        problemen,</al></li><li nr="·"><al>het bieden van een passende bijdrage in de behoefte aan
                                        beschermd wonen of opvang bij personen met psychische of
                                        psychosociale problemen die de thuissituatie hebben
                                        verlaten.</al></li><li nr="·"><al>het bevorderen van de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                        diensten en ruimten voor mensen met een beperking en daarmee
                                        bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                                        samenleving;</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning Opmeer
                        2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is
                                bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar
                                is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;</al></li><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld
                                in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>maatwerkvoorziening: voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college bepaalt met inachtneming van hetgeen in de artikelen 2.3.1 tot
                        en met 2.3.5 van de wet is bepaald over de aanvraagprocedure bij nadere
                        regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de
                        cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                        beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie
                            die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het
                            oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                            met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
                            dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of
                            algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                            maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van de in
                            artikel 2 genoemde procedure, een passende bijdrage aan het realiseren
                            van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot
                            zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                            leefomgeving kan blijven,en/of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                            samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en
                            de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband
                            met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor
                            zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op
                            eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van
                            andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                            algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                            maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van de in
                            artikel 2 genoemde procedure, een passende bijdrage aan het voorzien in
                            de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het
                            realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo
                            zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                                samenleving<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                            zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een
                            maatwerkvoorziening in aanmerking komt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet
                            vermijdbaar was, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>als van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te
                            hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt, voorzover deze
                            noodzaak tot ondersteuning voorzienbaar was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                            eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                            verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                            afgeschreven,</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg
                            van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>tenzij de cliënt geheel, of naar het oordeel van het college in
                            voldoende mate, tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt
                            voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de
                            goedkoopst adequate voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies
                        vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om
                        een maatwerkvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd welke de te verstrekken
                            voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
                            wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd voor welk resultaat
                            het pgb dient te worden aangewend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de
                            beschikking geïnformeerd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Daarnaast kan het college per nadere regeling bepalen welke onderdelen
                            er aanvullend in een beschikking moeten worden vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet
                            een pgb.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze en onder welke
                            voorwaarden de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                            algemene voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al></li><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                cliëntondersteuning, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor
                                het pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen
                                van de cliënt en zijn echtgenoot.</al></li><li nr="2."><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb wordt bepaald:</al></li><li nr="a."><al>door een aanbesteding;</al></li><li nr="b."><al>na een consultatie in de markt, of</al></li><li nr="c."><al>in overleg met de aanbieder.</al></li><li nr="3."><al>In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet,
                                worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK
                                vastgesteld en geïnd.</al></li><li nr="4."><al>Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van
                                een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd,
                                is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders,
                                daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1
                                van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene
                                die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over
                                een cliënt.</al></li><li nr="5."><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al></li><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning,
                                de cliënt een bijdrage is verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage
                                is;</al></li><li nr="c."><al>voor welke groep personen een korting op deze bijdrage van
                                toepassing is, en</al></li><li nr="d."><al>dat de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of pgb’s overeenkomstig
                                artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt
                                verlaagd, waarbij wordt bepaald welke afwijkende bedragen,
                                percentages en inkomensbedragen worden gehanteerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, inbegrepen
                            de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden
                            gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders,
                            een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met
                            de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                            geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                            aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich
                            heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan
                            de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet
                            onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het
                            college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden
                            van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden
                            voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                            voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
                            omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                            aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld
                            in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing
                            als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel
                            intrekken als het college vaststelt dat:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                            verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing
                            zou hebben geleid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                            aangewezen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                            achten;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb
                            verbonden voorwaarden, of</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel
                            gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                            blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend
                            voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                            gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                            college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking
                            heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de
                            ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten
                            pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde
                            zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
                            problemen</titel></kop><al>Het college kan een nadere regeling bepalen voor een tegemoetkoming in
                        aannemelijke meerkosten die verband houden met een beperking of chronische
                        psychische of psychosociale problemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren diensten, in ieder geval rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>overheadkosten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel
                            als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de
                            leverancier worden gevraagd, zoals:</al><al> 1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
                            2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de voorziening;
                            3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening, en 4°. verplichte deelname
                            in bepaalde samenwerkingsverbanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten
                            van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                            overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                            gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle
                                voorzieningen<vet>.</vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                            periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                            geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het
                            beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de
                            krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking
                            tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen
                            voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen,
                            advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
                            beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en
                            voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                            vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en
                            derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar
                        geëvalueerd. Het college zendt hiertoe een verslag over de doeltreffendheid
                        en de effecten van de verordening in de praktijk aan de gemeenteraad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning Opmeer 2012 wordt
                            ingetrokken per 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van
                            deze oude Verordening maatschappelijke ondersteuning Opmeer 2012, totdat
                            het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee
                            deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de oude Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning Opmeer 2012 en waarop nog niet is beslist bij het in
                            werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                            verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de oude Verordening
                            maatschappelijke ondersteuning Opmeer 2012 wordt beslist met
                            inachtneming van die verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning Opmeer 2015.</al></lid></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met
                    toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van
                    een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
                    Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels
                    voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                    redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk,
                    vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen
                    gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een
                    maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden
                    om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren
                    in de maatschappij. </al><al>De gemeente dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure te doorlopen om de
                    hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te
                    krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                    hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het
                    verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                    zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo
                    nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat
                    een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere
                    voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en
                    deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want
                    waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige,
                    tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die
                    bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten
                    leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. </al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende
                    bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd
                    wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend
                    bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn
                    bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de
                    voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene
                    op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage
                    levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                    leefomgeving kan blijven.</al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De
                    uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in
                    mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders.
                    Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze
                    bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten
                    op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de
                    wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter
                    alleen mandateren aan een aanbieder of aan ondergeschikten. Zie voor de
                    definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. </al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het WMO-beleidsplan 2013-2016
                    'Iedereen doet mee!' en het 'Beleidskader transitie van AWBZ naar WMO'. In dit
                    beleidsplan is het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot
                    maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. </al><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per
                    verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de
                    uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot
                    maatschappelijke ondersteuning. In de verordening
                        <onderstreept>dient</onderstreept> overeenkomstig de artikelen 2.1.3 tweede
                    tot en met vierde lid, 2.1.4 derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in
                    ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                            cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief
                            eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                            klachten van cliënten vereist is;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                            gebruikers van belang zijn vereist is;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers,
                            worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid
                            kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning
                            en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;
                            en</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                            waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al></li></lijst><al>Ook <onderstreept>dient</onderstreept> de gemeente overeenkomstig de artikelen
                    2.1.3 derde lid, en 2.6.6 eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te
                    stellen: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                            maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of
                            oneigenlijk gebruik van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                            voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de
                            Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te
                            worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden.</al></li></lijst><al>Daarnaast <onderstreept>kan</onderstreept> de gemeente op grond van de artikelen
                    2.1.4 eerste en tweede lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6 derde lid, van de
                    Wmo 2015:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                            cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd
                            zullen zijn;</al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                            voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met
                            een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.
                            Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt
                            gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en
                            dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de
                            cliënt en zijn echtgenoot;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere
                            instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de
                            eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens
                            onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met
                            de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of
                            psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning
                            van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de
                            toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële
                            draagkracht;</al></li><li nr="-"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan
                            wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan
                            inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Daar waar wordt verwezen naar artikelen in de wet, zijn deze gearceerd
                    opgenomen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel
                    1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze
                    verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke
                    definities hieronder weergegeven.</al><tussenkop>- aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college
                    gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te
                    leveren;</tussenkop><tussenkop>- algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder
                    voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van
                    de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke
                    ondersteuning; </tussenkop><tussenkop>- begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid
                    en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen
                    leefomgeving kan blijven;</tussenkop><tussenkop>- cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan
                    wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of
                    namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; </tussenkop><tussenkop>- gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in
                    redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen
                    of andere huisgenoten; </tussenkop><tussenkop>- maatschappelijke ondersteuning: </tussenkop><tussenkop>1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en
                    vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten
                    voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente,
                    alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, </tussenkop><tussenkop>2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen
                    met een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen
                    zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,</tussenkop><tussenkop>3°. bieden van beschermd wonen en opvang; </tussenkop><tussenkop>- maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en
                    mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen:</tussenkop><tussenkop>1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend
                    verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor
                    noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                    maatregelen,</tussenkop><tussenkop>2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor
                    noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,</tussenkop><tussenkop>3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; </tussenkop><tussenkop>- mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                    beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en
                    zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks
                    voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt
                    verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; </tussenkop><tussenkop>- participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; </tussenkop><tussenkop>- persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen
                    worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                    maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van
                    derden heeft betrokken; </tussenkop><tussenkop>- sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen
                    met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt; </tussenkop><tussenkop>- vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt
                    vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke
                    waardering van zijn belangen ter zake;</tussenkop><tussenkop>- voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; </tussenkop><al><cursief>- </cursief><cursief>zelfredzaamheid: </cursief><cursief>in
                        staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse
                        levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd
                        huishouden</cursief>.</al><al> In artikel 1 van de verordening wordt tevens verwezen naar artikel 2.1.4. eerst
                    lid van de wet waarin ‘een bijdrage’ wordt gedefinieerd als de bijdrage in de
                    kosten voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                    cliëntondersteuning, of voor een maatwerkvoorziening dan wel een
                    persoonsgebonden budget die een cliënt verschuldigd is. Ook de Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze
                    verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een
                    verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’
                    (artikel 1:2). </al><tussenkop>Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>In dit artikel is een delegatiebepaling opgenomen. Conform artikel 2.2.1 t/m
                    2.3.5 van de wet stelt het college bij nadere regelgeving de procedure vast voor
                    een aanvraag maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Deze procedure zal er (ongeveer) als volgt uitzien;</al><al><cursief>-</cursief>melding hulpvraag door of namens cliënt;</al><al><cursief>-</cursief>ingezetene kunnen gratis gebruik maken van
                    cliëntondersteuning;</al><al><cursief>-</cursief>er vindt een vooronderzoek plaats en er wordt een
                    afspraak voor een gesprek gemaakt;</al><al><cursief>-</cursief>in het gesprek onderzoekt het college de melding
                    voor maatschappelijke ondersteuning;</al><al><cursief>-</cursief>er wordt een schriftelijk verslag gemaakt;</al><al><cursief>-</cursief>dit verslag kan dienen als aanvraag; </al><al>Het college zal bij deze procedure ook uiteen zetten in hoeverre ze informele
                    ondersteuning beschouwt als voorliggend aan een maatwerk voorziening.
                    Gebruikelijke zorg is door de werkgever helder gedefinieerd (zie toelichting op
                    artikel 1), maar het is aan het college om helder te beschrijven hoe mantelzorg
                    en 'het sociale netwerk' zich verhouden tot maatschappelijke ondersteuning als
                    (maatwerk)voorziening. Met name mantelzorg krijgt in de wet veel waardering,
                    waardoor het misverstand kan ontstaan dat de wetgever dergelijke zorg
                    vanzelfsprekend acht, terwijl het als meer dan gebruikelijk is gedefinieerd (zie
                    toelichting op artikel 1) dat alleen als voorliggend wordt beschouwd voorzover
                    dit opgebracht kan (!) worden vanuit een sociale betrokkenheid.</al><tussenkop>Artikel 2.3.1 </tussenkop><al>Het college draagt er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking
                    komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. </al><tussenkop>Artikel 2.3.2 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan
                            maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met
                            degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de
                            mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo
                            spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit
                            overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt
                            de ontvangst van de melding.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een
                            persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in
                            het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke
                            maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.
                            Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt
                            hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in
                            de gelegenheid het plan te overhandigen.</al></li><li nr="3."><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op
                            de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.</al></li><li nr="4."><al>Het college onderzoekt:</al></li><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn
                            zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in
                            zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn
                            sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of
                            zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of
                            opvang;</al></li><li nr="d."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de
                            cliënt;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of
                            door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen
                            tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie,
                            onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                            voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of
                            opvang;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en
                            zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het
                            gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen,
                            werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde
                            dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn
                            zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of
                            opvang;</al></li><li nr="g."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde
                            bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn.</al></li><li nr="5."><al>Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan
                            het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het
                            onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.</al></li><li nr="6."><al>Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger
                            medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de
                            verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens
                            vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de
                            gevolgen van die keuze.</al></li><li nr="7."><al>De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de
                            gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij
                            redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></li><li nr="8."><al>Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een
                            schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.</al></li><li nr="9."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan
                            nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                            uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.3.3 </tussenkop><al>In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang
                    noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als
                    gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in
                    artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke
                    maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in
                    artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt. </al><tussenkop>Artikel 2.3.4 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, stelt het
                            college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document
                            als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></li><li nr="2."><al>De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt
                            het college desgevraagd terstond een document als bedoeld in artikel 1
                            van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.3.5 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist op een aanvraag:</al></li><li nr="a."><al>van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten
                            behoeve van zelfredzaamheid en participatie;</al></li><li nr="b."><al>van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve
                            van opvang en beschermd wonen.</al></li><li nr="2."><al>Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de
                            aanvraag.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter
                            compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die
                            de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het
                            oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                            met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
                            dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of
                            wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                            uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende
                            bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat
                            wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in
                            de eigen leefomgeving kan blijven.</al></li><li nr="4."><al>Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter
                            compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving
                            van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die
                            de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s
                            voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de
                            cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen
                            kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                            personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene
                            voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening
                            levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2
                            bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de
                            behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het
                            realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich
                            zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                            samenleving.</al></li><li nr="5."><al>De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat,
                            afgestemd op:</al></li><li nr="a."><al>de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt,</al></li><li nr="b."><al>zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de
                            Zorgverzekeringswet,</al></li><li nr="c."><al>jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan
                            ontvangen,</al></li><li nr="d."><al>onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen,</al></li><li nr="e."><al>betaalde werkzaamheden,</al></li><li nr="f."><al>scholing die de cliënt volgt of kan volgen,</al></li><li nr="g."><al>ondersteuning ingevolge de Wet werk en bijstand,</al></li><li nr="h."><al>de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele
                            achtergrond van de cliënt.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt
                            aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een
                            instelling op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, dan wel
                            er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen
                            gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit
                            dienaangaande.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3. Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134)
                    wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op
                    maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van
                    inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur
                    per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in
                    iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                    verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden
                    verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria
                    meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. </al><tussenkop>Artikel 4. Advisering</tussenkop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek
                    naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de
                    adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht
                    wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliёnt en de adviseur welk
                    aanvullend onderzoek nog nodig is. </al><al>In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De
                    cliёnt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.</al><tussenkop>Artikel 5. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de mogelijkheid van het
                    toekennen van een budget. Het beoogde resultaat (eerste en tweede lid ) is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Het derde lid dient
                    uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van
                    de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK,
                    evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en
                    artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een
                    maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van
                    die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. Het
                    college zal aanvullend op hetgeen is bepaald in lid 1 tm 4 de onderdelen van een
                    WMO-beschikking gaan bepalen. Zo kunnen er voorwaarden worden gesteld aan het
                    verstrekken van een maatwerkvoorziening, waarvoor het college vantevoren
                    richtlijnen opstelt, denk aan de termijn waarvoor de voorziening wordt
                    verstrekt. Het college zal in elke beschikking aangeven hoe er bezwaar kan
                    worden gemaakt tegen haar besluit.</al><tussenkop>Artikel 6. Regels voor pgb </tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. </al><tussenkop>Artikel 2.3.6 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een
                            persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten,
                            hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de
                            maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.</al></li><li nr="2."><al>Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: </al></li><li nr="a."><al>de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in
                            staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter
                            zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn
                            vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden
                            budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de
                            maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te
                            krijgen;</al></li><li nr="c."><al>naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten,
                            hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de
                            maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht
                            worden verstrekt.</al></li><li nr="3."><al>Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder
                            c, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen,
                            woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn
                            voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende
                            het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt
                            verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen,
                            woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon
                            die behoort tot het sociale netwerk.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren:</al></li><li nr="a."><al>voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen,
                            woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de
                            kosten van de maatwerkvoorziening of;</al></li><li nr="b."><al>indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10,
                            eerste lid, onderdeel a, d en e.</al></li><li nr="6."><al>Op een persoonsgebonden budget is titel 4.2 van de Algemene wet
                            bestuursrecht niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliёnt dit
                    gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de
                    motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de
                    aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement
                    Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).</al><al>Het tweede lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin
                    staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de
                    hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend
                    moet zijn. Dit is gedelegeerd aan het college. Daarbij wordt het college
                    opgedragen om in elk geval een differentiatie aan te brengen in de hoogte van
                    het pgb. Zo kunnen er verschillende tarieven worden gehanteerd voor
                    verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen
                    hulpverleners. Bij het vaststellen van tarieven kan bijvoorbeeld onderscheid
                    gemaakt worden tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk,
                    door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden (professionals)
                    en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder
                    diploma’s e.d.). </al><al>Van belang is dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder het sociale
                    netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de
                    beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die
                    gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot
                    betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
                    Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt
                    hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers
                    bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                    maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt
                    aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt
                    indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig,
                    doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder
                    c, van de wet). </al><al> Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid,
                    onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het
                    doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde
                    lid, van de wet).</al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. </al><tussenkop>Artikel 7. Regels voor bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen
                    en algemene voorzieningen </tussenkop><tussenkop>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met
                    derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1.4 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij verordening kan worden bepaald dat een cliënt een bijdrage in de
                            kosten is verschuldigd:</al></li><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                            cliëntondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget.</al></li><li nr="2."><al>In de verordening kan de hoogte van de bijdrage voor de verschillende
                            soorten van voorzieningen verschillend worden vastgesteld en kan worden
                            bepaald dat:</al></li><li nr="a."><al>voor personen, behorende tot daarbij omschreven groepen, een daarbij
                            aangegeven korting op de bijdrage voor een algemene voorziening van
                            toepassing is;</al></li><li nr="b."><al>de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden
                            budget:</al><al>1°. verschuldigd is zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik
                            maakt onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het
                            persoonsgebonden budget wordt verstrekt, en </al><al>2°. afhankelijk is van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn
                            echtgenoot. </al></li><li nr="3."><al>Het totaal van de bijdragen voor een maatwerkvoorziening dan wel een
                            persoonsgebonden budget gaat de kostprijs niet te boven. In de
                            verordening wordt bepaald op welke wijze de kostprijs wordt
                            berekend.</al></li><li nr="4."><al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
                            met betrekking tot de bijdragen voor een maatwerkvoorziening dan wel een
                            persoonsgebonden budget, waaronder regels over: </al></li><li nr="a."><al>de hoogte,</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop het inkomen en vermogen bij de vaststelling worden
                            betrokken,</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen de verschuldigde bijdrage moet zijn voldaan,</al></li><li nr="d."><al>de wijze van invordering, en</al></li><li nr="e."><al>de uitzonderingsgronden voor het verschuldigd zijn van een
                            bijdrage.</al></li><li nr="5."><al>De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
                            vierde lid, die betrekking heeft op het in het tweede lid bedoelde
                            vermogen, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
                            beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der kamers
                            der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er
                            geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na het besluit
                            van die kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der
                            Staten-Generaal worden overgelegd.</al></li><li nr="6."><al>De bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden
                            budget wordt, met uitzondering van die voor opvang, vastgesteld en voor
                            de gemeente geïnd door het CAK.</al></li><li nr="7."><al>In de verordening wordt bepaald door welke instantie de bijdrage voor
                            een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget voor opvang
                            wordt vastgesteld en geïnd. Het college draagt er zorg voor dat aan het
                            CAK mededeling wordt gedaan van de bijdragen die door de bedoelde
                            instantie zijn vastgesteld, voor zover niet betrekking hebbende op
                            personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s
                            voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.1.5 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget wordt
                            verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige
                            cliënt, kan bij verordening worden bepaald dat de in artikel 2.1.4
                            bedoelde bijdrage is verschuldigd door:</al></li><li nr="a."><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een
                            op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is
                            toegewezen, en</al></li><li nr="b."><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent
                            over een cliënt.</al></li></lijst><tussenkop>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van
                    algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van
                    algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door
                    hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen
                    bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het
                    bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier
                    verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige
                    informatievoorziening uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er
                    zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken,
                    zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</tussenkop><tussenkop>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot
                    een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de wet). Zowel landelijk als gemeentelijk worden in een
                    financieel besluit nadere regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen
                    (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). Het college zal hierbij uitgaan van de
                    maximaal mogelijke bijdrage voor maatwerkvoorzieningen. Bij het vaststellen van
                    de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen zal het college tevens maatregelen
                    nemen om stapeling van kosten voor kwetsbare doelgroepen te voorkomen of
                    corrigeren.</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening de
                    kwaliteitseisen worden vastgelegd.</al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. </al><al>De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid zijn
                    een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het tweede
                    lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van
                    artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 9. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 14 dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                    voorziening.</al><tussenkop>Artikel 6.1 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van
                            toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.</al></li><li nr="2."><al>De toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling
                            van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede
                            lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van
                            dossiers.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de toezichthoudende ambtenaar door inzage in bescheiden bij
                            de vervulling van zijn taak dan wel door verstrekking van gegevens in
                            het kader een melding als bedoeld in artikel 3.4, gegevens, daaronder
                            begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming
                            persoonsgegevens, heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit
                            hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke
                            verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar, onverminderd het
                            bepaalde in artikel 5.2.4.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 10. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet<cursief>.</cursief></al><al> Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><tussenkop>Artikel 2.3.8 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De cliënt doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen
                            beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot
                            heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of
                            2.3.6.</al></li><li nr="2."><al>De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien die feiten
                            en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond
                            van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of
                            kunnen worden verkregen uit bij regeling van Onze Minister aan te wijzen
                            administraties.</al></li><li nr="3."><al>De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze
                            wet.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.3.10 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6
                            herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:</al></li><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                            verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing
                            zou hebben geleid,</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden
                            budget is aangewezen,</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer
                            toereikend is te achten,</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                            persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden,</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of
                            voor een ander doel gebruikt.</al></li><li nr="2."><al>Het college bepaalt in de beslissing, bedoeld in het eerste lid, het
                            tijdstip waarop de beslissing in werking treedt.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.4.1 </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6
                            met toepassing van artikel 2.3.10, onderdeel a, heeft ingetrokken en de
                            verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt
                            opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en van
                            degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel
                            of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                            maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden
                            budget.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel
                            invorderen.</al></li></lijst><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al> In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt<cursief>.’
                    </cursief></al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 11. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><tussenkop>Artikel 12. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                    chronische problemen </tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. </al><tussenkop>Artikel 13. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 14. Klachtregeling</tussenkop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al> In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald datin de
                    verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een
                    regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder
                    is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                    klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de
                    wet).</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een ambtenaar de aanbieder. Ook kan het gaan
                    om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in
                    verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of
                    uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><tussenkop>Artikel 15. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald datin ieder geval moet worden bepaald ten aanzien
                    van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over
                    voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn,
                    vereist is. </al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. </al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de
                    in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling
                    op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 16. Betrekken van ingezetenen bij het beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. </al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. </al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><tussenkop>Artikel 17. Evaluatie</tussenkop><al>Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau (zie
                    artikel 7.10 van de wet) zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde
                    gegevens benutten.</al><tussenkop>Artikel 18. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. Het college zal in een nieuw besluit ook
                    bepalingen opnemen over de omgang met voorzieningen die zijn verstrekt op basis
                    van de oude verordening, in het algemeen en zo nodig (bijvoorbeeld vanwege de
                    bezuiniging op de hulp bij het huishouden) ook voor sommige voorzieningen in het
                    bijzonder. </al><al>In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze
                    nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet
                    is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het vierde
                    lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude
                    verordening worden afgedaan. Daarnaast bevat de wet nog overgangsrecht voor AWBZ
                    cliënten die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep beschermd wonen (zie de
                    artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de wet).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>