<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR350807_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goirle</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-09-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goirle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-81178.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAnderePeriode%26spd%3d20141229%26epd%3d20141229%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dGoirle%26pnr%3d1%26rpp%3d10%26_page%3d2%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=10&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad, 2014, 81178</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artt. 108 en 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artt. 8, 8a en 8b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-03-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      
      Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015
    
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>1:</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:</nr>
              <titel>Definities</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>P-wet: Participatiewet</al></li>
              <li nr="b."><al>Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;</al></li>
              <li nr="c."><al>IOAW : Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li>
              <li nr="d."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li>
              <li nr="e."><al>De wet: de P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz te samen;</al></li>
              <li nr="f."><al>Algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de P-wet;</al></li>
              <li nr="g."><al>Bijstandsnorm: 1° toepasselijke norm als bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel c, van de P-wet, of 2° grondslag van de uitkering als
                                    bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor
                                    zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of
                                    IOAZ;</al></li>
              <li nr="h."><al>Grondslag: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en
                                    artikel 5 IOAZ;</al></li>
              <li nr="i."><al>Bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de P-wet;</al></li>
              <li nr="j."><al>Belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het
                                    gezin dat recht heeft op een uitkering dan wel een voorziening
                                    in het kader van de wet;</al></li>
              <li nr="k."><al>Uitkering: in de context van deze verordening wordt onder
                                    uitkering verstaan de bijstandsuitkering of de grondslag IOAW /
                                    IOAZ; </al></li>
              <li nr="l."><al>Uitkeringsgerechtigde: een persoon die een uitkering ontvangt
                                    ingevolgde de P-wet, IOAW of IOAZ;</al></li>
              <li nr="m."><al>Re-integratieverplichting: de verplichting om gebruik te maken
                                    van een voorziening gericht op inschakeling in of het verkleinen
                                    van de afstand tot de arbeid waaronder begrepen begeleiding naar
                                    maatschappelijke participatie en het meewerken aan een onderzoek
                                    naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en/ of de
                                    geschiktheid voor scholing/ opleiding;</al></li>
              <li nr="n."><al>Inlichtingenplicht: de verplichting om op verzoek of onverwijld
                                    uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                                    omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van
                                    invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op
                                    bijstand; </al></li>
              <li nr="o."><al>Medewerkingsverplichting: de verplichting om mee te werken aan
                                    de noodzakelijk geachte voorziening, aan een onderzoek naar het
                                    recht op uitkering, eventueel via een huisbezoek als ook naar de
                                    voortgang van het re-integratietraject;</al></li>
              <li nr="p."><al>Benadelingsbedrag: het bedrag dat ten onrechte of teveel is of
                                    wordt verleend als uitkering;</al></li>
              <li nr="q."><al>Recidive: hiervan is sprake wanneer een belanghebbende zich
                                    binnen 12 maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                    gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    uit dezelfde categorie dan wel hetzelfde artikel zoals genoemd
                                    in deze verordening dan wel de wet. Alleen bij de boete is de
                                    recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar.</al></li>
              <li nr="r."><al>Verlaging/maatregel: het verlagen van de bijstand of grondslag
                                    op grond van artikel 18, tweede lid, van de P-wet
                                    respectievelijk artikel 20, tweede lid, IOAW/ IOAZ;</al></li>
              <li nr="s."><al>Waarschuwing: het besluit waarin afgezien wordt van het opleggen
                                    van een maatregel of boete, maar waarin wel wordt bevestigd dat
                                    er sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van
                                    verplichtingen;</al></li>
              <li nr="t."><al>Voorziening: een door het college noodzakelijk geachte
                                    voorziening gericht op inschakeling in de arbeid of zelfstandige
                                    maatschappelijke participatie waaronder begrepen een onderzoek
                                    naar de belastbaarheid en de noodzaak tot inzet van
                                    loonkostensubsidie;</al></li>
              <li nr="u."><al>Doelgroep re-integratie: personen aan wie op grond van artikel
                                    7, eerste lid, onder a van de P-wet of op grond van artikel 34
                                    van de IOAW, of op grond van artikel 34 van de IOAZ door de
                                    gemeente ondersteuning bij re-integratie kan worden
                                    geboden;</al></li>
              <li nr="v."><al>Participatie: het naar vermogen meedoen in de samenleving door
                                    onder andere het verrichten van betaald regulier of
                                    gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het verrichten van
                                    maatschappelijk nuttige activiteiten of een tegenprestatie;</al></li>
              <li nr="w."><al>Loonkostensubsidie: de subsidie op de loonsom die het college
                                    kan verstrekken aan een werkgever om een werknemer met een
                                    verminderde loonwaarde vanwege een beperking al dan niet
                                    tijdelijk in dienst te nemen;</al></li>
              <li nr="x."><al>Verminderde loonwaarde: hiervan is sprake wanneer een persoon
                                    vanwege een beperking niet in staat is het wettelijk minimum
                                    uurloon te verdienen;</al></li>
              <li nr="y."><al>Plan van aanpak: een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel
                                    44a van de P-wet of een trajectplan;</al></li>
              <li nr="z."><al>Tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten
                                    die worden verricht, eventueel naast of in aanvulling op
                                    beloonde arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de
                                    arbeidsmarkt. De werkzaamheden hoeven niet te leiden tot het
                                    versterken van het arbeidsperspectief en dienen als wederdienst
                                    voor de ontvangen uitkering;</al></li>
              <li nr="aa."><al>Wachttijd (27-): wettelijk bepaalde periode van vier weken
                                    waarin de belanghebbende, jonger dan 27 jaar, verplicht is zelf
                                    op zoek te gaan naar werk en om de mogelijkheden van regulier
                                    onderwijs te onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend
                                    en het recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar
                                    participatie onderzocht;</al></li>
              <li nr="bb."><al>Duurzame arbeidsinschakeling: algemeen geaccepteerde arbeid die
                                    over een periode van ten minste zes maanden wordt verricht en
                                    waar geen voorziening aan verbonden is in de vorm van
                                    loonkostensubsidie;</al></li>
              <li nr="cc."><al>Bestuurlijke boete: een boete die door een daartoe bevoegde
                                    overheidsdienst zonder tussenkomst van het Openbaar Ministerie
                                    of een rechter kan worden opgelegd. Deze boete heeft een
                                    straffend karakter;</al></li>
              <li nr="dd."><al>Beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                    475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering, deel van het inkomen waarop geen beslag mag
                                    worden gelegd;</al></li>
              <li nr="ee."><al>Recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                    vijfde lid, van de P-wet; </al></li>
              <li nr="ff."><al>Bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                    diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met
                                    uitzondering van het in de bewoonde woning met bijbehorend erf
                                    gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de
                                    P-wet; </al></li>
              <li nr="gg."><al>Verrekenen: de verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde
                                    lid, van P-wet.</al></li>
              <li nr="hh."><al>Mantelzorg: langdurige zorg, gedurende 10 uur of meer per week,
                                    die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden
                                    aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving,
                                    waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                                    relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                    overstijgt;</al></li>
              <li nr="ii."><al>ii. Flankerende voorziening: de inzet van deze voorziening is
                                    een randvoorwaarde voor de belanghebbende voor deelname aan
                                    re-integratievoorzieningen en nakoming van arbeidsverplichtingen
                                    (waaronder schuldhulpverlening en kinderopvang);</al></li>
              <li nr="jj."><al>No-risk polis: een verzekering die de financiële gevolgen van
                                    ziekte van de in dienst genomen uitkeringsgerechtigde voor een
                                    werkgever afdekt;</al></li>
              <li nr="kk."><al>Screening: een onderzoek naar de mogelijkheden op de
                                    arbeidsmarkt van een uitkeringsaanvrager of
                                    uitkeringsgerechtigde dat wordt verwerkt in een plan van aanpak;
                                </al></li>
              <li nr="ll."><al>Diagnose: wanneer de screening duidt op het mogelijk bestaan van
                                    een arbeidsbeperking of een andere belemmering richting
                                    arbeidsmarkt, wordt dit vervolgonderzoek ingesteld teneinde een
                                    plan van aanpak vast te stellen;</al></li>
              <li nr="mm."><al>Verdiepende diagnose: een nader onderzoek naar de
                                    arbeidsmogelijkheden en beperkingen uitgevoerd door een externe
                                    deskundige teneinde een plan van aanpak vast te stellen;</al></li>
              <li nr="nn."><al>Participatiepartner: re-integratiebedrijf, werkgever of
                                    maatschappelijke partner, waarmee de gemeente samenwerkt in het
                                    kader van de P-wet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>2:</nr>
            <titel>Re-integratie en tegenprestatie</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.1:</nr>
              <titel>Algemene bepalingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:</nr>
                <titel>Opdracht en taak van het college</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten
                                    behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep
                                    re-integratie en die dit naar het oordeel van het college nodig
                                    heeft bij de arbeidsinschakeling of zelfstandige
                                    maatschappelijke participatie. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod
                                    aan ondersteuning en voorzieningen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening of
                                    ondersteuning rekening met de mogelijkheden en omstandigheden
                                    van de belanghebbende. Deze omstandigheden hebben in ieder geval
                                    betrekking op zorgtaken van die persoon zoals beschreven in de
                                    beleidsregels, eventuele structurele beperkingen, de
                                    mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie
                                    of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van
                                    flankerende voorzieningen die belemmeringen voor re-integratie
                                    en arbeidsinschakeling kunnen opheffen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het college kan bij het bepalen van het aanbieden van
                                    voorzieningen prioriteren naar gelang de financiële
                                    mogelijkheden en rekening houden met maatschappelijke,
                                    economische en conjuncturele ontwikkelingen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                                    voorzieningen of doelgroepen en draagt daarbij zorg voor een
                                    evenwichtige verdeling. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:</nr>
                <titel>Aanspraak</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voorzieningen kunnen worden verstrekt aan een belanghebbende dan
                                    wel aan de werkgever van de belanghebbende. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Op basis van een screening en eventueel een (verdiepende)
                                    diagnose stemt het college de ondersteuning en voorzieningen af
                                    op het vergroten van de zelfredzaamheid van de belanghebbende
                                    via de kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling dan wel een
                                    zo hoog mogelijke arbeidsproductiviteit. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan
                                    een persoon vast in een plan van aanpak en/of een
                                    beschikking.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een
                                    beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die
                                    voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of
                                    maatschappelijke participatie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Een persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie maar geen
                                    bijstandsuitkering ontvangt, heeft geen aanspraak op
                                    ondersteuning krachtens deze verordening indien:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het gezinsinkomen hoger is dan 110% van het wettelijk
                                            minimumloon en/of het vermogen hoger is dan het maximaal
                                            vrij te laten vermogen conform de P-wet;</al></li>
                  <li nr="b."><al>deze persoon betaalde arbeid verricht gedurende meer dan
                                            12 uur per week;</al></li>
                  <li nr="c."><al>niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze
                                            persoon bereid dan wel in staat is om tenminste 12 uur
                                            per week algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.
                                        </al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het college kan in de beleidsregels voorzieningen aanwijzen,
                                    waarvoor de bepalingen zoals opgenomen in het vijfde lid niet
                                    van toepassing zijn. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te
                                    bieden als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd
                                    vanwege een reden, zoals opgenomen in artikel 5, sub a en e.
                                </al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.2:</nr>
              <titel>Voorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:</nr>
                <titel>Voorzieningen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep
                                    re-integratie:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>(laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li>
                  <li nr="b."><al>begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid;
                                        </al></li>
                  <li nr="c."><al>ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van
                                            belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, waaronder
                                            begeleiding op en aanpassingen van de werkplek en
                                            scholing;</al></li>
                  <li nr="d."><al>verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan
                                            maatschappelijke participatie;</al></li>
                  <li nr="e."><al>Anderszins een voorziening verstrekken in verband met
                                            bepaalde specifieke re-integratie activiteiten, nader te
                                            bepalen in de beleidsregels zoals vermeld in het derde
                                            lid van dit artikel.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning
                                    bieden ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de
                                    doelgroep re-integratie, anders dan de loonkostensubsidie, zoals
                                    opgenomen in paragraaf 2.3 van deze verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                    beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de bijbehorende
                                    voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze
                                    verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:</nr>
                <titel>Beëindigen van een voorziening</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        P-wet of de artikelen 13 en 37 van de IOAW of IOAZ niet
                                        (langer) nakomt; </al></li>
                <li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep re-integratie; </al></li>
                <li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de P-wet; </al></li>
                <li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening; </al></li>
                <li nr="e."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li>
                <li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening en de
                                        beleidsregels worden gesteld om in aanmerking te komen voor
                                        die voorziening.</al></li>
                <li nr="g."><al>door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de
                                        voorziening niet wenselijk is omdat de participatiepartner,
                                        niet of in onvoldoende mate aan de op hem rustende
                                        verplichtingen krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de
                                        geldende voorwaarden voldoet.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6:</nr>
                <titel>Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, van de P-wet een uitkeringsgerechtigde voor wie de
                                    kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die
                                    daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt,
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten zoals
                                    bedoeld in artikel 10a van de P-wet.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele
                                    werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a P-wet verricht,
                                    ontvangt conform lid 6 van dat artikel ieder half jaar een
                                    premie mits naar vermogen is meegewerkt aan het vergroten van de
                                    kans op arbeidsinschakeling. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan op basis van artikel 10a van de P-wet of artikel
                                    38a IOAW/IOAZ aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder en
                                    die niet beschikt over een startkwalificatie scholing aanbieden
                                    met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in
                                    artikel 31, tweede lid, onder j van de P-wet. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de
                                    participatieplaats, voor wat betreft de premie zoals bedoeld in
                                    het tweede lid, de scholing zoals bedoeld in lid 3 en de
                                    voorwaarden en verplichtingen die daaraan verbonden zijn.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.3:</nr>
              <titel>Voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of
                                beperkingen richting werk</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7:</nr>
                <titel>Participatievoorziening beschut werk</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    persoon uit de doelgroep re-integratie die uitsluitend in een
                                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden
                                    heeft tot arbeidsparticipatie. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan uit de personen uit de doelgroep re-integratie
                                    een voorselectie maken en kan bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling of
                                    zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                    college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen
                                    met beperkingen richting werk. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de P-wet, bedoelde
                                    werkzaamheden mogelijk te maken zet het college verschillende
                                    ondersteunende voorzieningen in, welke zijn opgenomen in de
                                    beleidsregels. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en
                                    legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente
                                    beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt het college met
                                    het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, aan de
                                    gemeente gelieerde bedrijven en andere reguliere
                                    werkgevers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het college kan ervoor kiezen om een alternatieve passende
                                    voorziening aan te bieden, anders dan beschut werk, aan de
                                    persoon zoals bedoeld in het eerste lid. Het college stelt
                                    beleidsregels vast over deze alternatieve voorziening.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8:</nr>
                <titel>No-risk polis</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Een werkgever kan in aanmerking komen voor een no-riskpolis als: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de werkgever een arbeidsovereenkomst aangaat met een
                                            werknemer, dan wel de arbeidsovereenkomst verlengt en;
                                        </al></li>
                  <li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                            behoort tot de doelgroep re-integratie en; </al></li>
                  <li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere
                                            belemmering heeft richting werk of de werkgever ten
                                            behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie als
                                            bedoeld in artikel 10d van de P-wet ontvangt en; </al></li>
                  <li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is.
                                        </al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                    gemeente een verzekering af en treedt op als verzekeringnemer.
                                    De begunstigde is de werkgever. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>De vergoeding, de looptijd van de verzekering en overige
                                    voorwaarden zijn gespecificeerd in de polisvoorwaarden van de
                                    no-risk polis, zoals overeengekomen met de verzekeraar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de no-risk
                                    polis. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>9:</nr>
                <titel>Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en
                                    loonwaarde</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals
                                            omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                            P-wet en;</al></li>
                  <li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                            wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li>
                  <li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                            arbeidsparticipatie.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van een regionaal
                                    overeengekomen methodiek.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>De in het derde lid bedoelde methodiek wordt als bijlage dan wel
                                    als addendum toegevoegd aan deze verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al>Indien de regionale methodiek zoals bedoeld in het derde lid ten
                                    tijde van de inwerkingtreding van deze verordening nog niet
                                    vastgesteld is, dan wordt de loonwaarde, tot het moment dat dit
                                    wel het geval is, bepaald aan de hand van een methodiek die
                                    voldoet aan de eisen die worden gesteld in de algemene maatregel
                                    van bestuur alsook aan de eisen van de ministeriële
                                    regeling.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.4:</nr>
              <titel>Individuele studietoeslag</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>10:</nr>
                <titel>Indienen verzoek</titel>
              </kop>
              <al>Een verzoek voor studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, eerste
                                lid, van de P-wet, wordt ingediend middels een door het college
                                vastgesteld formulier. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>11:</nr>
                <titel>Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon</titel>
              </kop>
              <al>Het college controleert of de aanvrager voldoet aan de vereisten van
                                artikel 36b en stelt vast of de belanghebbende met voltijdse arbeid
                                niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon,
                                maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. Bij twijfel
                                vraagt het college een externe organisatie om advies.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>12:</nr>
                <titel>Eenmaal per periode individuele studietoeslag
                                    verlenen</titel>
              </kop>
              <al>Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen
                                voor een individuele studietoeslag. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>13:</nr>
                <titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een individuele studietoeslag bedraagt € 100,00 per maand. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Indexering van het in het eerste lid genoemde bedrag vindt per
                                    nieuw studiejaar plaats op basis van het
                                    consumentenprijsindexcijfer, af te ronden op hele euro's. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>14:</nr>
                <titel>Betaling individuele studietoeslag</titel>
              </kop>
              <al>Een individuele studietoeslag wordt per studiejaar eenmalig als één
                                bedrag uitbetaald.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.5:</nr>
              <titel>Tegenprestatie</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>15:</nr>
                <titel>Doelgroep en doel</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Tot de doelgroep van de tegenprestatie behoren alle
                                    belanghebbenden van 18 jaar of ouder, die de pensioengerechtigde
                                    leeftijd nog niet hebben bereikt en die een uitkering ontvangen
                                    op grond van de wet.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het doel van het verrichten van een tegenprestatie is om
                                    belanghebbenden maatschappelijk nuttige werkzaamheden te laten
                                    verrichten.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>16:</nr>
                <titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                    werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als
                                    tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                            arbeidsmarkt en; </al></li>
                  <li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie instrument en; </al></li>
                  <li nr="c."><al>in de organisatie waarin ze worden verricht, worden
                                            verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                            en;</al></li>
                  <li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Het college stelt ter nadere uitvoering van de tegenprestatie
                                    beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                    werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                    voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                    verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>17:</nr>
                <titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
                                </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                    rekening met de volgende factoren: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de belanghebbende moet de tegenprestatie naar vermogen
                                            kunnen verrichten; </al></li>
                  <li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van een belanghebbende worden in aanmerking genomen;
                                        </al></li>
                  <li nr="c."><al>de wensen van de belanghebbende ten aanzien van de
                                            inhoud van de tegenprestatie, waaronder begrepen een
                                            eventueel voorstel voor wat betreft de inhoud van de
                                            tegenprestatie van de belanghebbende zelf.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>18:</nr>
                <titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De uitvoering van de tegenprestatie wordt opgedragen voor een
                                    maximale duur van tachtig uur per kalenderjaar. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal acht uur per
                                    week. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De tegenprestatie kan binnen een periode van twaalf maanden
                                    slechts eenmaal worden opgedragen. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>19:</nr>
                <titel>Afzien van het opdragen van een tegenprestatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een
                                    belanghebbende mantelzorg verricht. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien de
                                    belanghebbende naar het oordeel van het college reeds voldoende
                                    maatschappelijk nuttige activiteiten verricht. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan afzien van het opdragen van de tegenprestatie
                                    aan bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden en legt dat, indien
                                    van toepassing, vast in beleidsregels.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>3:</nr>
            <titel>Afstemming en bestuurlijke boete</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.1:</nr>
              <titel>Algemene bepalingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>20:</nr>
                <titel>Opleggen van een verlaging van de uitkering</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan zoals bedoeld in de P-wet dan wel de
                                    verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de wet, met
                                    uitzondering van artikel 17, eerste lid, P-wet en artikel 13
                                    IOAW en IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
                                    zich zeer ernstig misdragen zoals omschreven in artikel 34 van
                                    deze verordening, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                    verlaging van de uitkering opgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een verlaging van de uitkering wordt afgestemd op de ernst van
                                    de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan
                                    worden verweten en de omstandigheden waarin hij of zijn gezin
                                    verkeert.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>21:</nr>
                <titel>Besluit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In het besluit tot het opleggen van de verlaging van de
                                    uitkering, of waarschuwing, wordt in ieder geval vermeld: de
                                    reden van de verlaging/waarschuwing, de eventuele duur en hoogte
                                    van de verlaging als ook de afweging van de individuele belangen
                                    zoals bedoeld in deze verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt
                                    gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                    dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op
                                    grond van deze verordening. Daarom tellen ook deze besluiten mee
                                    voor recidive.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>22:</nr>
                <titel>Afzien van het opleggen van een verlaging</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging
                                    indien:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li>
                  <li nr="b."><al>de gedraging meer dan 2 jaar voor constatering daarvan
                                            door het college heeft plaatsgevonden en het is niet de
                                            gedraging zoals bedoeld in de geüniformeerde
                                            maatregelen, zoals opgenomen in artikel 18, vierde lid,
                                            P-wet.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                    grond van dringende redenen, legt het college dit vast in een
                                    besluit. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>23:</nr>
                <titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging
                                    in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum
                                    waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging van de
                                    uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                                    uitgegaan van de voor die maand geldende toepasselijke
                                    bijstandsnorm.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een
                                    besluit op aanvraag, voor zover de uitkering nog niet is
                                    uitbetaald. In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering
                                    terug tot de ingangsdatum van de uitkering dan wel de datum
                                    waarop het verzuim betrekking heeft.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het
                                    zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud
                                    hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op grond van het
                                    Bbz, de verlaging met terugwerkende kracht worden betrokken bij
                                    de definitieve vaststelling van die bijstand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Bij samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen
                                    van verplichtingen inhouden, wordt de hoogte en duur van de
                                    verlaging vastgesteld op de gedraging met de hoogste
                                    verlaging.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al>De uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij
                                    sprake is van: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>recidive, dan wordt de duur van de verlaging verdubbeld
                                            tenzij in deze verordening of de wet anders is
                                            bepaald;</al></li>
                  <li nr="b."><al>verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een
                                            afwijkende duur is vastgesteld.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6</lidnr>
                <al>Indien door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of
                                    niet volledig kan worden toegepast kan bij een eventuele nieuwe
                                    aanvraag binnen de termijn van 1 jaar de verlaging of het deel
                                    dat nog niet is uitgevoerd alsnog worden geëffectueerd. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>24:</nr>
                <titel>De berekeningsgrondslag van de maatregel</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke
                                    bijstandsnorm.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Deze verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke
                                    bijstandsnorm, dan wel uit een percentage van het
                                    benadelingsbedrag, zoals opgenomen in deze verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 (onderhoudsplicht ouders)
                                            P-wet; </al></li>
                  <li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie
                                            tot het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding
                                            geeft; </al></li>
                  <li nr="c."><al>het bijzondere bijstand betreft voor woonkosten en
                                            premie voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan
                                            zelfstandigen die een uitkering voor levensonderhoud
                                            (hebben) ontvangen krachtens het Bbz of IOAZ.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan bijzondere
                                    bijstand worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in
                                    artikel 32, vijfde lid, van deze verordening wanneer sprake is
                                    van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan afstemming
                                    plaatsvinden door de bijstand bij een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het
                                    bestaan te verstrekken als geldlening op basis van artikel 48,
                                    tweede lid, onder b, P-wet.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>25:</nr>
                <titel>Waarschuwing</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan bij gedragingen uit de tweede categorie zoals
                                bedoeld in de artikel 27, sub b, en artikel 29, sub b, van deze
                                verordening, in plaats van een verlaging, een waarschuwing opleggen
                                indien, ter beoordeling van het college, de ernst van de gedraging,
                                de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin
                                belanghebbende verkeert daartoe aanleiding geven.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>26:</nr>
                <titel>Horen van de belanghebbende(n)</titel>
              </kop>
              <al>Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan
                                kan afgezien worden als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft
                                        gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of
                                        omstandigheden; of</al></li>
                <li nr="b."><al>binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de
                                        inlichtingenplicht; of</al></li>
                <li nr="c."><al>het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst
                                        van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2:</nr>
              <titel>Gedragingen en bijbehorende maatregelen</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2.1:</nr>
              <titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                                betrekking tot de arbeidsinschakeling</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>27:</nr>
                <titel>Gedragingen P-wet</titel>
              </kop>
              <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                                arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                                artikelen 9 en 9a van de P-wet niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                                worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>eerste categorie:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>het door een persoon niet of onvoldoende meewerken
                                                aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een
                                                plan van aanpak;</al></li>
                    <li nr="2."><al>het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of
                                                passende scholing te verkrijgen, te aanvaarden en te
                                                behouden gedurende de wachttijd van 4 weken na
                                                melding voor jongeren tot 27 jaar;</al></li>
                    <li nr="3."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                                college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                                                P-wet;</al></li>
                    <li nr="4."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling of re-integratie.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit
                                                niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                                artikel 18, vierde lid, van de P-wet;</al></li>
                    <li nr="2."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de
                                                re-integratieverplichtingen verbonden aan de in
                                                artikel 9a, eerste lid, P-wet bedoelde ontheffing,
                                                wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing
                                                van de arbeidsplicht;</al></li>
                    <li nr="3."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als
                                                werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                                werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten
                                                verlengen van de registratie;</al></li>
                    <li nr="4."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                belemmeren, niet zijnde gedragingen genoemd in
                                                artikel 18, vierde lid, P-wet.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>28:</nr>
                <titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel>
              </kop>
              <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                                arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                                artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt
                                nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>eerste categorie:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid;</al></li>
                    <li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                                geaccepteerde arbeid;</al></li>
                    <li nr="3."><al>het weigeren van een passend re-integratie
                                                aanbod;</al></li>
                    <li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                                college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                                bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f,
                                                IOAW/IOAZ. </al></li>
                    <li nr="5."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling of re-integratie.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al></li>
                    <li nr="2."><al>het niet naar vermogen meewerken aan een door het
                                                college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                                artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                                onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het niet
                                                naar vermogen deelnemen aan taalwervingslessen voor
                                                mensen die onvoldoende de Nederlandse taal
                                                beheersen; </al></li>
                    <li nr="3."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de
                                                re-integratieverplichtingen verbonden aan de in
                                                artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde
                                                ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van
                                                de ontheffing van de arbeidsplicht;</al></li>
                    <li nr="4."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als
                                                werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                                werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten
                                                verlengen van de registratie;</al></li>
                    <li nr="5."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                belemmeren.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>29:</nr>
                <titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in artikel 27 en
                                    artikel 28 van deze verordening, wordt vastgesteld op:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij
                                            gedragingen van de eerste categorie;</al></li>
                  <li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij
                                            gedragingen van de tweede categorie.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden
                                    besluiten om in afwijking van lid 1, onderdeel a, van dit
                                    artikel de maatregel te effectueren door gedurende 2 maanden de
                                    uitkering met 50% te verlagen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>30:</nr>
                <titel>Niet nakomen overige verplichtingen P-wet</titel>
              </kop>
              <al>Indien een belanghebbende nadere verplichtingen als bedoeld in
                                artikel 55 P-wet die strekken tot arbeidsinschakeling niet nakomt,
                                wordt een verlaging van de uitkering van 20% gedurende 1 maand
                                toegepast. </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2.2:</nr>
              <titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                                tot de arbeidsinschakeling</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>31:</nr>
                <titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                    arbeidsverplichting</titel>
              </kop>
              <al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid, van de P-wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de
                                verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2.3</nr>
              <titel>overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>32:</nr>
                <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in het vierde
                                    lid van dit artikel en artikel 33 van deze verordening, dan
                                    wordt een verlaging van de uitkering opgelegd die wordt
                                    afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende
                                    wijze vastgesteld:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is
                                            dan € 4.000,00;</al></li>
                  <li nr="b."><al>20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan €
                                            4.000,00.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de
                                    verlaging 20% van de uitkering gedurende één maand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van
                                    een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het
                                    verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan
                                    wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden
                                    opgelegd van 100%. Deze bepaling geldt alleen voor de
                                    P-wet.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor bijzondere
                                    bijstand geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening,
                                    die gezien haar aard passend en toereikend is voor de soort
                                    kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, wordt de
                                    bijzondere bijstand verlaagd met het bedrag waarin de
                                    voorliggende voorziening zou hebben voorzien. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Als toepassing van het vierde lid leidt tot onbillijkheden wordt
                                    toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid,
                                    onder b, P-wet en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van
                                    een geldlening voor de duur van het eerder dan wel langer
                                    bijstandsafhankelijk zijn.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>33:</nr>
                <titel>Verlies van een passende en toereikende voorliggende
                                    voorziening wegens recidiveboete</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze verordening
                                wordt een verlaging van de uitkering opgelegd van 100% gedurende één
                                maand, indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een
                                passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze
                                volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete, gerekend vanaf
                                de start van de verrekening. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>34:</nr>
                <titel>Zeer ernstige misdragen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen
                                    en instanties, die zijn belast met de uitvoering van de P-wet,
                                    als bedoeld in artikel 9, zesde lid van de P-wet, kan de
                                    uitkering worden verlaagd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het
                                    college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW, IOAZ
                                    of Bbz, kan de uitkering worden verlaagd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het agressieprotocol treedt in werking in geval van een zeer
                                    ernstige misdraging. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college legt een maatregel op van 100% gedurende één
                                    maand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Bij recidive legt het college een maatregel op van 100%
                                    gedurende 3 maanden.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>35:</nr>
                <titel>Niet nakomen overige verplichtingen</titel>
              </kop>
              <al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 P-wet, niet zijnde de
                                gedragingen als bedoeld in artikel 30 of artikel 32 van deze
                                verordening, niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging
                                toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>20% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen
                                        van nadere verplichtingen die verband houden met de aard en
                                        het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li>
                <li nr="b."><al>40% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen
                                        van nadere verplichtingen die strekken tot vermindering van
                                        de bijstand;</al></li>
                <li nr="c."><al>100% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen
                                        van nadere verplichtingen die strekken tot beëindiging van
                                        de bijstand.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.3:</nr>
              <titel>Bestuurlijke boete</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.3.1:</nr>
              <titel>Schending inlichtingenplicht</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>36:</nr>
                <titel>Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en bestuurlijke
                                    boete</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Bij het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de
                                    inlichtingenverplichting op grond van de wet, waardoor ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verleend, wordt
                                    er een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van het
                                    benadelingsbedrag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Indien het benadelingsbedrag lager is dan de minimale boete
                                    zoals opgenomen in het Boetebesluit socialezekerheidswetten,
                                    wordt deze minimale boete opgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien het niet, niet tijdig, of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht op grond van de wet niet heeft geleid tot een
                                    benadelingsbedrag, dan wordt de minimale boete opgelegd zoals
                                    opgenomen in het Boetebesluit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Als er sprake is van een situatie zoals genoemd in het derde
                                    lid, en er geen sprake is van recidive, kan het college
                                    besluiten tot het geven van een waarschuwing in plaats van het
                                    opleggen van een bestuurlijke boete.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                    opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het Openbaar
                                    Ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake
                                    strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting
                                    een aanvang heeft genomen, of het recht tot strafvervolging is
                                    vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>37:</nr>
                <titel>Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan de bestuurlijke boete matigen als er sprake is
                                    van verminderde verwijtbaarheid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan afzien van het opleggen van een boete als er
                                    sprake is van zeer dringende redenen.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.3.2:</nr>
              <titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive
                                (alleen P-wet)</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>38:</nr>
                <titel>Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende
                                    bezit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                    recidiveboete de eerste drie maanden zonder inachtneming van de
                                    beslagvrije voet.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende
                                    een tijdvak van drie maanden vanaf de eerste van de maand
                                    volgend op de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                                    opgelegd.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>39:</nr>
                <titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal
                                    de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college
                                    de recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                    beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf de eerste van
                                    de maand volgend op de dagtekening waarop de bestuurlijke boete
                                    is opgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid,
                                    verrekent het college de recidiveboete in de daarop volgende
                                    twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft
                                    beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de
                                    toepasselijke bijstandsnorm.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                    gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en
                                    r, P-wet.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>40:</nr>
                <titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van artikel 38 en artikel 39 van deze verordening kan
                                het college de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije
                                voet verrekenen indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in
                                        artikel 38 en artikel 39 zou leiden tot huisuitzetting van
                                        belanghebbende en diens gezin; of</al></li>
                <li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>41:</nr>
                <titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boete</titel>
              </kop>
              <al>De artikelen in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing
                                op de verrekening van</al>
              <al>de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, P-wet,
                                indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment
                                van verrekening.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>4:</nr>
            <titel>Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>42:</nr>
              <titel>Hoogwaardig handhaven</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>Het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude dan wel van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar het
                                landelijk model voor hoogwaardig handhaven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Het college stelt regels met betrekking tot hoogwaardig handhaven
                                waarbij tenminste wordt aangegeven hoe wordt geregeld:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan
                                        verbonden gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik;</al></li>
                <li nr="b."><al>de wijze van verificatie van gegevens en van informatie
                                        uitwisseling met derden;</al></li>
                <li nr="c."><al>de wijze waarop controles worden uitgevoerd;</al></li>
                <li nr="d."><al>de wijze waarop fraude wordt opgespoord en afgehandeld.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>43:</nr>
              <titel>Controle</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering
                                en kan daarbij gebruikmaken van controlemiddelen zoals een
                                heronderzoeksplan, huisbezoeken, risicoprofielen,
                                bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit
                                voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en
                                tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de
                                uitkering en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de
                                rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college
                                en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling
                                daarvan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>44:</nr>
              <titel>Aangifte bij het Openbaar Ministerie</titel>
            </kop>
            <al>Indien een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van
                            de gemeenten, doet het college aangifte bij het Openbaar Ministerie, in
                            overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt
                            gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale
                            Zekerheidsfraude.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>45:</nr>
              <titel>Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</titel>
            </kop>
            <al>Het college stelt regels met betrekking tot herziening, terug- en
                            invordering waarbij tenminste wordt geregeld:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van
                                    een verstrekte voorziening;</al></li>
              <li nr="b."><al>op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering dan
                                    wel van invordering kan worden afgezien;</al></li>
              <li nr="c."><al>met welke frequente heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>46:</nr>
              <titel>Verhaal</titel>
            </kop>
            <al>Het college stelt regels op met betrekking tot verhaal op de
                            onderhoudsplicht waarin tenminste wordt geregeld:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot verhaal;</al></li>
              <li nr="b."><al>wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van
                                    een verhaalsbesluit en het invorderen van de te verhalen
                                    voorziening;</al></li>
              <li nr="c."><al>met welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>5:</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>47:</nr>
              <titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende participatie en inkomen, overeenkomstig de
                                krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met
                                betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende participatie en inkomen te
                                doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen
                                en beleidsvoorstellen betreffende participatie en inkomen, en
                                voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                                vervullen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in lid 1 tot en met 3
                                genoemde bepalingen zijn geregeld in de Verordening participatieraad
                                gemeente Goirle. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>47A:</nr>
              <titel>Evaluatie</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier
                                jaar geëvalueerd, met uitzondering van een additionele evaluatie
                                over het jaar 2015. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad
                                een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de
                                verordening in de praktijk. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid vindt een tussenevaluatie plaats een
                                jaar na inwerkingtreding van deze verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>48:</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>49:</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als: 'Verzamelverordening
                            Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015'. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>50:</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>De verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>51:</nr>
              <titel>Intrekking oude verordeningen en overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De 'Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ, Bbz 2013-II' wordt per
                                    1 januari 2015 ingetrokken. </al></li>
              <li nr="2."><al>Voor wat betreft de re-integratieparagraaf geldt het volgende:
                                    een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2013-II,
                                    die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt
                                    deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden
                                    voor de duur dat deze is verstrekt.</al></li>
              <li nr="3."><al>De toeslagenparagraaf van de Verzamelverordening 2013-II blijft
                                    gelden voor alle belanghebbenden, die op 31 december 2014 een
                                    uitkering krachtens de WWB ontvingen, bij ongewijzigde
                                    omstandigheden tot 1 juli 2015. </al></li>
              <li nr="4."><al>Hoofdstuk 7 van de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz
                                    2013-II blijft van kracht tot het moment dat de Participatieraad
                                    zoals bedoeld in de 'Verordening op de participatieraad gemeente
                                    Goirle' is geïnstalleerd.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Goirle in zijn vergadering van 9
                        december 2014.</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
           , de voorzitter
        </ondertekening>
        <ondertekening>
           , de griffier
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz
                        2015</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Inleiding</tussenkop>
        <al>Per 1 januari 2015 treedt de Participatiewet (P-wet) in werking. De Wet werk en
                    bijstand (WWB) gaat hier in op. De P-wet maakt onderdeel uit van de drie grote
                    transities op het sociale domein, waarmee centrale overheidstaken naar gemeenten
                    komen. De overheveling in de P-wet betreft de afschaffing van nieuwe instroom
                    Sociale Werkvoorziening en jonggehandicapten met arbeidspotentieel. Het zittende
                    bestand SW en Wajong blijft bij respectievelijk Diamantgroep en UWV. Ook mensen
                    die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn houden recht op een Wajong
                    uitkering vanuit het UWV. </al>
        <al>Naast de invoering van de P-wet zijn er ook WWB maatregelen 2015 doorgevoerd.
                    Deze gaan onder andere over de kostendelersnorm, waardoor het gemeentelijk
                    beleid op toeslagen en verlagingen geschrapt is. Deze verordeningsplicht vervalt
                    dan ook. Ook zijn er een aantal gedragingen expliciet in de wet opgenomen,
                    waaraan een wettelijke maatregel is gekoppeld. Deze maatregelen zijn ook als
                    zodanig in deze verzamelverordening opgenomen.</al>
        <al>De P-wet kent een aantal nieuwe, verplichte verordeningen. Dit zijn:
                    tegenprestatie, loonkostensubsidie, beschut werk en individuele studietoeslag.
                    Deze verordeningen zijn in deze verzamelverordening gerangschikt in paragraaf 2:
                    Re-integratie en tegenprestatie. Verder komen de afstemmings- (incl.
                    bestuurlijke boete) en handhavingsverordening terug. Ook nu zijn een groot deel
                    van de verplichte verordeningen samengevoegd tot één verzamelverordening. Dit
                    omdat deze onderwerpen zeer nauw samenhangen en vanwege de lokale wens om de
                    uitvoering te vereenvoudigen en regels terug te dringen. Er zijn nog een aantal
                    aparte verordeningen: individuele inkomenstoeslag en inspraak. Deze laatste is
                    opgenomen in de nieuwe verordening over de Participatieraad. </al>
        <al>Ook nu zijn er duidelijk weer aanscherpingen te zien op het afstemmings- en
                    handhavingsbeleid. Met name de uniforme maatregelen in de wet geven dit aan.
                    Hier staat een minimale maatregel van 100% gedurende 1 maand voor. Ook is heel
                    duidelijk te zien dat er sprake is van een kanteling in denken: minder inzet van
                    voorzieningen, vooral begeleiding naar de reguliere arbeidsmarkt en wie
                    begeleiding nodig heeft krijgt deze kortdurend en heel gericht. </al>
        <al>Het kabinet beschrijft deze ontwikkelingen als volgt:</al>
        <tussenkop>Individueel, maatschappelijk én financieel belang nieuwe aanpak </tussenkop>
        <tussenkop>“Ieder mens heeft recht op zelfbeschikking, verdient de kans het beste
                    uit zichzelf te halen en zich te ontplooien. We schrijven niemand af, maar
                    spreken iedereen aan. Een baan is immers de beste sociale zekerheid. Natuurlijk
                    zorgen we samen voor wie echt niet kan meedoen.” Zo beschrijft het regeerakkoord
                    van dit kabinet het individuele belang dat iedereen die dat kan, ook naar
                    vermogen meedoet. Meedoen naar vermogen dient daarnaast ook een maatschappelijk
                    en economisch belang. De arbeidsmarkt staat voor grote veranderingen. Voor het
                    eerst sinds decennia neemt het aantal werkenden af. Als er niets gebeurt, komt
                    de samenleving straks mensen tekort om het werk te doen. Terwijl er intussen om
                    uiteenlopende redenen nog veel mensen langs de kant staan die (gedeeltelijk) wel
                    kunnen werken. Dat is sociaal en economisch ongewenst. </tussenkop>
        <al>Voor mensen met een arbeidsbeperking die hierdoor niet in staat zijn om het
                    wettelijk minimum uurloon te verdienen zijn specifieke voorzieningen
                    voorgeschreven welke op maat in deze verordening terug te zien zijn. Het college
                    zal deze algemeen geformuleerde regels nog nader uitwerken in
                    beleidsregels.</al>
        <tussenkop>Aanpassingen vanwege de invoering P-wet</tussenkop>
        <al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot voorzieningen,
                    specifiek voor mensen met verminderd arbeidsvermogen (o.a. in paragraaf 2.3).
                    Hieronder valt ook de studietoeslag, die we kunnen verstrekken aan
                    niet-uitkeringsgerechtigden ter ondersteuning bij hun studie. Deze bepalingen
                    zullen we waar nodig nader uitwerken in beleidsregels om te komen tot maatwerk
                    en toch zo veel als mogelijk uniformiteit. </al>
        <tussenkop>Aanpassing WWB maatregelen 2015</tussenkop>
        <al>De uniforme maatregelen zijn verwerkt. Hierop is de maatregel "niet ingeschreven
                    staan UWV" verhoogd zodat deze aansluit op de uniforme maatregelen. Vanwege de
                    invoering van de kostendelersnorm is de toeslagenparagraaf vervallen. We zullen
                    nog wel beleidsregels opstellen om de commerciële huurdeling te regelen. Verder
                    staat de tegenprestatie in de paragraaf re-integratie en tegenprestatie
                    opgenomen.</al>
        <al>De Verzamelverordening 2015 is als volgt opgebouwd:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Algemene bepalingen</al></li>
          <li nr="2."><al>Re-integratie en tegenprestatie</al></li>
          <li nr="3."><al>Maatregelen (afstemming) incl. bestuurlijke boete</al></li>
          <li nr="4."><al>Handhaving</al></li>
          <li nr="5."><al>Slotbepalingen</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Paragraaf 1: Algemene bepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1: Definities</tussenkop>
        <al>De centrale rol van participatie in de bijstandsverlening (werk boven inkomen en
                    iedereen doet mee) raakt in het bijzonder de doelgroep, het karakter en de
                    reikwijdte van begrippen als participatie en voorzieningen. De in de
                    verzamelverordening gebruikte begrippen sluiten zoveel als mogelijk aan bij die
                    van de wetgeving. Dit uit het oogpunt van helderheid en structuur. Hiermee kan
                    de burger gemakkelijker de samenhang doorzien tussen het doel van de wetgeving
                    en de in de verordening uitgewerkte beleidskaders. Voor zover er definities niet
                    in de Verordening zijn opgenomen, gelden deze zoals in de wet bedoeld.</al>
        <al>De definities in deze paragraaf gelden voor de gehele Verzamelverordening,
                    tenzij hierop in de paragrafen een uitzondering voor staat gegeven.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2: Re-integratie en tegenprestatie</tussenkop>
        <al>Dit hoofdstuk regelt het ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen aan
                    werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De opdracht hiertoe is geregeld in
                    artikel 7 van de P-wet en 34 IOAW. Voor de IOAZ en Bbz gelden deze regels niet
                    vanwege de specifieke doelgroep en bepalingen.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2.1: Algemene bepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 2: Opdracht en taak van het college </tussenkop>
        <al>Het college biedt voorzieningen en ondersteuning zoals bedoeld in deze
                    verordening aan personen aan die behoren tot de doelgroep re-integratie. Het
                    college maakt een afweging, waarbij zij kijkt of een voorziening gelet op de
                    mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende (het meest) doelmatig is met
                    het oog op arbeidsinschakeling. Het is aan het college om te zorgen voor
                    voldoende aanbod van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en
                    re-integratie. Het college zorgt voor een gevarieerd aanbod aan voorzieningen en
                    legt deze vast in de beleidsregels.</al>
        <al>Bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning houdt het college
                    rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                    bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de P-wet. </al>
        <al>Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is
                    in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                    handicap. De doelstelling van dit verdrag is<cursief> het bevorderen, beschermen
                        en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap
                        van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en
                        het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente
                    waardigheid.</cursief></al>
        <al>Daarnaast dient het college bij het aanbieden van ondersteuning of een
                    voorziening rekening te houden met de zorgtaken van de belanghebbende. Onder
                    deze zorgtaken verstaan we de opvang van ten laste komende kinderen en het
                    verrichten van mantelzorg. Het college stelt nadere regels over inhoud van deze
                    zorgtaken en de manier waarop zij daarmee rekening gaat houden. </al>
        <al>Soms hebben personen hulp of ondersteuning nodig, anders dan direct gericht op
                    arbeid, om de stap richting de arbeidsmarkt te kunnen maken. Dit kan
                    bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er sprake is van een ernstige
                    schuldenproblematiek. In het vierde lid is opgenomen dat het college de inzet
                    van flankerende voorzieningen bevordert. Bij deze voorzieningen kan men dus
                    denken aan een traject in het kader van schuldhulpverlening maar bijvoorbeeld
                    ook kinderopvang. De inzet van een dergelijke voorziening kan (in het
                    individuele geval) een randvoorwaarde zijn voor wat betreft deelname aan
                    re-integratievoorzieningen en nakoming van arbeidsverplichtingen. Let wel: de
                    gemeente hoeft niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren, maar houdt wel
                    rekening met het beschikbaar zijn hiervan.</al>
        <al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college zal naar aanleiding
                    van een aanspraak op ondersteuning altijd een individuele afweging maken of zij
                    die aanspraak wil en kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen kan
                    echter niet de reden zijn om aanvragen op ondersteuning af te wijzen. Wel kan
                    het college per voorziening een plafond inbouwen. Het college dient in zo'n
                    geval na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. In
                    het individuele geval is het altijd aan de gemeente om te beoordelen of er
                    überhaupt ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op
                    het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn.
                    Hierbij kan het college de afweging maken voor het goedkoopste adequate
                    alternatief.</al>
        <tussenkop>Artikel 3: Aanspraak </tussenkop>
        <al>Met de wijziging van de WWB per 1 januari 2012, heeft de regering de
                    verplichtingen voor jongeren tot 27 jaar aangescherpt. Onder meer is toen voor
                    de jongere tot 27 jaar een zoektermijn van 4 weken, gerekend vanaf de datum van
                    melding, ingevoerd. In deze periode dient de jongere aantoonbare inspanningen te
                    verrichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en zijn mogelijkheden
                    voor de terugkeer naar regulier onderwijs te onderzoeken. Een aantal gemeenten
                    in Nederland heeft in de praktijk de zoektermijn uitgebreid en past deze ook toe
                    op personen van 27 jaar en ouder. Hoewel er zeker scherpe randjes aan de
                    toepassing hiervan zitten, hebben deze gemeenten vooruit gelopen op de
                    verwachting dat de zoektermijn als algehele maatregel in de P-wet terecht zou
                    komen. Dat is niet gebeurd.</al>
        <al>Het invoeren van de zoektermijn (ook wel inspanningsperiode genoemd) voor
                    personen van 27 jaar en ouder is onder de P-wet daarmee een beleidskeuze voor de
                    gemeente. Wij kiezen ervoor om voor personen van 27 jaar en ouder geen
                    zoektermijn te hanteren. Ook voor de - in sommige andere gemeenten gehanteerde -
                    beleidskeuze om de aanspraak op ondersteuning niet eerder dan vier weken na de
                    uitkeringsaanvraag inhoudelijk te beoordelen, kiezen wij niet. Wij vinden het
                    belangrijk om belanghebbenden in een zo vroeg mogelijk stadium te kunnen spreken
                    over de ondersteuning. En om deze personen te wijzen op hun rechten en
                    verplichtingen. Wij vinden het belangrijk om personen die in de uitkering komen
                    snel op te pakken en door te geleiden naar werk, vrijwilligerswerk of een andere
                    vorm van activering.</al>
        <al>Het college betrekt bij het afwegen van de belangen bij het aanbieden van
                    voorzieningen onder meer de situatie op de arbeidsmarkt, de mate van investering
                    in een belanghebbende (eerder aangeboden voorzieningen), het vooruitzicht op
                    inkomen uit betaalde arbeid als ook de mogelijkheid van een voorliggende
                    voorziening waaronder voor jongeren de terugkeer naar het reguliere
                    onderwijs.</al>
        <al>De aanspraak voor mensen zonder uitkering, die wel tot de doelgroep behoren,
                    beperken we naar inkomen en vermogen. Ook dit past in de nieuwe visie op
                    re-integratie waarbij we de steeds schaarsere middelen inzetten voor de
                    doelgroepen die dit het hardste nodig hebben. In verband met de invoering van de
                    kostendelersnorm stellen we de inkomensgrens op 110% van het Wettelijk minimum
                    loon (WML) en niet de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Toepassing van de
                    (kostendelers)norm zou te snel tot uitsluiting van voorzieningen leiden. Maar
                    het hanteren van het 110% WML heeft ook consequenties. Dit betekent bijvoorbeeld
                    dat arbeidsbeperkten met arbeidsvermogen en een verdienende partner bij
                    overschrijding van de inkomens-/vermogensgrens geen beroep op
                    re-integratieondersteuning kunnen doen, terwijl dat onder de Wajong wel kon. De
                    toegang tot de Wajong beperkt zich - met de invoering van de P-wet - tot
                    personen die volledig, blijvend geen arbeidsvermogen hebben. Personen met
                    arbeidsvermogen zijn aangewezen op de P-wet.</al>
        <al>In het zevende lid is opgenomen dat de bepalingen die zijn opgenomen in het
                    zesde lid niet van toepassing zijn op voorzieningen die de beleidsregels daartoe
                    aanwijzen. Het betreffen de voorwaarden waaronder niet uitkeringsgerechtigden
                    aanspraak kunnen maken op voorzieningen. Voor bepaalde voorzieningen zijn
                    dergelijke voorwaarden niet wenselijk. Dit lid geeft de ruimte om bepaalde
                    voorzieningen, indien gewenst, voor een bredere doelgroep in te zetten.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2.2: Voorzieningen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 4: Voorzieningen </tussenkop>
        <al>De P-wet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet
                    bieden. Het criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de
                    arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                            vrijwilligerswerk);</al></li>
          <li nr="·"><al>het leren van vaardigheden of kennis; </al></li>
          <li nr="·"><al>het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk);</al></li>
          <li nr="·"><al>de mogelijkheid om met behoud van uitkering te werken (inclusief
                            vergoeding);</al></li>
          <li nr="·"><al>Et cetera.</al></li>
        </lijst>
        <al>De voorzieningen voor werkgevers kunnen we ook in verschillende categorieën
                    opdelen. Zo kunnen we de werkgever stimuleren om een persoon uit de doelgroep
                    werkervaring op te laten doen in zijn bedrijf dan wel de persoon in dienst te
                    nemen. De gemeente zou bijvoorbeeld een deel van de opleidingskosten voor haar
                    rekening kunnen nemen. Ook kunnen we een werkgever door middel van een
                    voorziening compenseren voor een verminderde loonwaarde of productiviteit van
                    een belanghebbende. Dit betreft bijvoorbeeld loonkostensubsidie, zoals opgenomen
                    in artikel 9. Verder kan het college een voorziening verstrekken die het risico
                    van een werkgever wegneemt voor wat betreft ziekte van de werknemer. Dit is in
                    deze verordening vertaald in de no-risk polis zoals opgenomen in artikel 8.</al>
        <al>In dit artikel zijn de verschillende categorieën voorzieningen opgenomen die het
                    college tot haar beschikking heeft bij het ondersteunen van belanghebbenden
                    richting de arbeidsmarkt. Onder deze categorieën vallen meer specifieke
                    instrumenten zoals bijvoorbeeld bemiddeling van de werkzoekende, scholing,
                    proefplaatsen et cetera. Het college werkt deze individuele voorzieningen uit in
                    nadere regels. </al>
        <tussenkop>Artikel 5: Beëindigen van een voorziening </tussenkop>
        <al>In artikel 5 zijn de beëindigingsgronden opgenomen die gelden voor voorzieningen
                    die zijn toegekend. Er staat beschreven dat het college een voorziening kan
                    beëindigen en in welke gevallen dit kan. Het college kan een voorziening
                    beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 5 van deze verordening. Het
                    college kan een voorziening bijvoorbeeld beëindigen als een persoon niet in
                    voldoende mate meewerkt aan de betreffende voorziening. In een dergelijk geval
                    zal het college overigens ook een afstemming van de uitkering bezien. </al>
        <al>Onderdeel g is, anders dan in onderdeel a. tot en met f., gericht op de
                    werkgever en niet op de persoon die gebruik maakt van de voorziening. Indien een
                    participatiepartner niet voldoet aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de
                    voorziening, bijvoorbeeld het bieden van bepaalde ondersteuning op de werkvloer,
                    dan kan het college de voorziening ook beëindigen. Het is wel van belang dat er
                    door de werkgever of uitvoeringsorganisatie een overeenkomst is ondertekend
                    waarin de verwachtingen ten opzichten van de werkgever en de voorwaarden in
                    verband met de voorziening staan beschreven. </al>
        <al>Let wel: de reikwijdte van deze bepaling is beperkt. Dit lid kan het college
                    niet toepassen wanneer er reeds in wettelijke bepalingen is vastgelegd wanneer
                    aan de voorwaarden is voldaan. Dat is het geval bij de voorzieningen beschut
                    werk en loonkostensubsidie. Wanneer er een arbeidsovereenkomst is gesloten
                    tussen werkgever en werknemer geldt het burgerlijk recht en heeft de werkgever
                    enkel verplichtingen richting de werknemer (en niet jegens de gemeente). </al>
        <al>De P-wet voorziet niet in een wettelijke bepaling tot terugvordering van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet-bijstandsgerechtigde dan wel de werkgever kan het college de
                    kosten terugvorderen. Terugvordering dient te geschieden op grond van het
                    Burgerlijk Wetboek.</al>
        <tussenkop>Artikel 6: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27
                    jaar</tussenkop>
        <al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de P-wet). Het
                    college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al>
        <tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop>
        <al>Een participatieplaats is bedoeld voor het verrichten van additionele
                    werkzaamheden. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren
                    werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op
                    tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan
                    een uitkeringsgerechtigde in een participatieplaats kan werken. Ook is het
                    mogelijk hiermee te beoordelen of het werkterrein past bij de capaciteiten van
                    de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het
                    betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam
                    perspectief op arbeid kan realiseren. </al>
        <al>De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar
                    (artikel 10a van de P-wet). Na negen maanden beoordeelt het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de P-wet). Zo niet dan beëindigt het college de
                    participatieplaats. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats
                    beoordeelt het college opnieuw of zij de participatieplaats zal voortzetten. Als
                    de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog
                    op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de
                    arbeidsinschakeling, dan kan het college de participatieplaats nog één jaar
                    verlengen. Echter in dat geval dient het college een andere werkomgeving te
                    bieden (artikel 10a, negende lid, van de P-wet). Na 36 maanden vindt opnieuw een
                    dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de P-wet).</al>
        <tussenkop>Premie</tussenkop>
        <al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de P-wet).
                    Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft
                    meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van
                    de premie moet in de verordening vastliggen (artikel 8a, eerste lid, onderdeel
                    d, van de P-wet). De premie laten we vrij op grond van artikel 31, tweede lid,
                    onderdeel j, van de P-wet. In verband hiermee is de hoogte van de premie
                    begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Bij het bepalen van
                    de hoogte van de premie zijn de risico's van de armoedeval betrokken.<sup/></al>
        <al>We verstrekken de premie per zes maanden. Aangezien artikel 6 verwijst naar de
                    premie zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de P-wet, is
                    ook bij de hoogte van de premie aansluiting gezocht bij voornoemd artikel. De
                    hoogte van de premie is per jaar bepaald op 25% van het in artikel 31, tweede
                    lid, onderdeel j, van de P-wet genoemde bedrag, thans € 2.312,00<sup/>. Het
                    bedrag per periode van 6 maanden zoals genoemd in artikel 10a, zesde lid, van de
                    P-wet is derhalve thans telkens € 289,00.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2.3: Voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of
                    beperkingen richting werk</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7: Participatievoorziening beschut werk </tussenkop>
        <al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft,
                    dat het college van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan verwachten
                    dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al>
        <al>Het is nog niet volledig duidelijk of de wetgever de inzet van de voorziening
                    Beschut Werk verplicht stelt of gaat stellen. Het is dus nog niet zeker of we
                    als gemeente wel of niet de keuze hebben of wij de voorziening Beschut Werk
                    willen inzetten. Wij gaan er - evenals een aantal andere gemeenten in de regio
                    Hart van Brabant - vanuit dat we, anders dan in de huidige Wsw, zelf mogen
                    bepalen of we de voorziening Beschut Werk aanbieden. En in welke vorm en omvang. </al>
        <al>Indien er een wettelijke verplichting komt ten aanzien van het aanbieden van
                    plekken nieuw beschut, zet de gemeente Goirle in op een minimaal aantal plekken.
                    Indien er geen wettelijke verplichting is, wil de gemeente Goirle zich inspannen
                    om deze doelgroep mogelijk een ander aanbod doen. Hierbij denken we aan
                    begeleiding bij werk via leerwerkbedrijven (maar zonder dat de gemeente de
                    werkgeversrol op zich neemt), arbeidsmatige dagbesteding of vormen van
                    maatschappelijke participatie.</al>
        <tussenkop>Artikel 8: No-risk polis</tussenkop>
        <al>De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg
                    te nemen om mensen uit de doelgroep in dienst te nemen. De gemeente kan de
                    verzekering aanbieden aan een werkgever die een persoon uit de doelgroep
                    re-integratie in dienst neemt. De polis zorgt een schadeloosstelling van de
                    werkgever in het geval van ziekte van de werknemer. </al>
        <tussenkop>Voorwaarden</tussenkop>
        <al>De no-riskpolis kunnen we inzetten als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.
                    In het eerste lid is beschreven welke criteria gelden voor een werkgever om in
                    aanmerking te komen voor een polis. </al>
        <al>De no-risk polis kunnen we inzetten wanneer een werkgever een
                    arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer, dan wel het arbeidscontract van
                    de werknemer verlengt. </al>
        <al>Voorts is voor inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer behoort tot
                    de doelgroep re-integratie en hij een structurele functionele of andere
                    beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een loonkostensubsidie als
                    bedoeld in artikel 10d van de P-wet ontvangt. De no-risk polis is dus breder
                    inzetbaar dan enkel voor werknemers die behoren tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie. Maar het is beslist niet de bedoeling om voor iedere
                    uitkeringsgerechtigde die gaat werken het risico van ziekte af te dekken. Alleen
                    wanneer er sprake is van een goede reden om de polis in te zetten (aanwezige
                    ziekte of beperking of een psychosociaal probleem) dan zullen we hiervoor
                    kiezen. Dit werken we nader uit in beleidsregels.</al>
        <al>Verder dient de werknemer, en dus niet de werkgever, ten tijde van het afsluiten
                    van de eerste polis, zijn woonplaats te hebben binnen de gemeente Goirle.</al>
        <tussenkop>Hoogte en duur vergoeding no-riskpolis</tussenkop>
        <al>De gemeente bepaalt bij welke verzekeraar zij de verzekering afsluit en wat de
                    dekking is. De duur en hoogte van de dekking zullen we nader vastleggen in de
                    beleidsregels, deze zullen corresponderen met de polisvoorwaarden zoals deze
                    zijn overeengekomen tussen de gemeente en de verzekeraar. </al>
        <al>Na twee jaar is het UWV verantwoordelijk. De no-riskpolis kunnen we dus maximaal
                    voor de duur van twee jaar inzetten. Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het
                    minimumloon heeft verdiend, dus zonder loonkostensubsidie, gaat de
                    verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar UWV en kan artikel 29b van
                    de Ziektewet van toepassing zijn.</al>
        <al>Het is van belang de werkgever bij het verstrekken van de polis goed te
                    informeren over de voorwaarden van de polis, zoals: welke kosten zijn gedekt,
                    wat is het eigen risico et cetera.</al>
        <tussenkop>Artikel 9: Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en
                    loonwaarde</tussenkop>
        <al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel kunnen we uitsluitend
                    inzetten als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie,
                    als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de P-wet: personen met
                    een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per
                    definitie tijdelijk, maar kunnen we, indien nodig, voor een langere periode
                    inzetten. Met dit instrument compenseert de gemeente werkgevers voor de
                    verminderde productiviteit van de werknemer. </al>
        <al>In artikel 10c van de P-wet is bepaald dat het aan college is om vast te stellen
                    of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van
                    de P-wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepaalt of
                    mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of zij loonkostensubsidie
                    voor hen inzet. In artikel 9, tweede lid, is vastgelegd welke criteria zij
                    daarbij in acht neemt. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel e, van de P-wet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep
                    loonkostensubsidie vastgelegd. </al>
        <tussenkop>Loonwaardebepaling</tussenkop>
        <al>In de P-wet en in de concept lagere regelgeving zijn de wettelijke eisen
                    neergelegd waaraan de loonwaarde methodiek moet voldoen. Daarbinnen is aan
                    gemeenten en regio’s beleidsvrijheid gegeven. De P-wet bepaalt dat de methode
                    van loonwaardebepaling waarvoor de gemeente kiest in de gemeentelijke
                    verordening moet zijn vastgelegd. </al>
        <al>Gemeenten dienen over de loonwaardebepaling regionale afspraken te maken in het
                    Werkbedrijf. Het opstellen van een methodiek voor loonwaardebepaling hangt dus
                    samen met de vorming van Werkbedrijven. Hoewel men in alle regio's hard werkt
                    aan de vorming van Werkbedrijven, zal niet in iedere regio op 1 januari 2015 een
                    Werkbedrijf van start gaan. Dat betekent ook dat gemeenten in deze regio niet in
                    de gelegenheid zijn de loonwaardemethodiek tijdig vast te leggen in een
                    verordening.</al>
        <al>Zoals vermeld in de nota van toelichting op het Ontwerpbesluit
                    loonkostensubsidie Participatiewet is er een ministeriële regeling ontworpen
                    voor het geval Werkbedrijven voor 1 januari 2015 niet operationeel zijn. Als er
                    over de loonwaardebepaling nog geen regionale afspraken in het Werkbedrijf zijn
                    gemaakt, kiezen de gemeenten zelf voor een loonwaardemethodiek. Die methodiek
                    moet dan, naast de voorwaarden die in het Ontwerpbesluit zijn opgenomen, voldoen
                    aan de in de ministeriële regeling opgenomen eisen. De eisen die in het
                    Ontwerpbesluit zijn opgenomen zijn dat:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>de gemeente de loonwaardebepaling laat uitvoeren door of onder
                            verantwoordelijkheid van een deskundige;</al></li>
          <li nr="·"><al>de loonwaardebepaling plaatsvindt op de werkplek met inbreng van de
                            werkgever;</al></li>
          <li nr="·"><al>de gemeente de loonwaardebepaling uitvoert (of laat uitvoeren) op basis
                            van een beschreven objectieve methode. </al></li>
        </lijst>
        <al>In de ministeriële regeling staat welke bestanddelen (kwaliteit, tempo,
                    inzetbaarheid) de gemeente bij de vaststelling van de loonwaarde moet betrekken,
                    de functie waartegen zij de prestaties van de betrokken (potentiële) werknemer
                    moet afzetten en de wijze waarop zij de loonwaarde berekent. Tot aan het moment
                    dat in een regionaal Werkbedrijf afspraken over een loonwaardemethodiek zijn
                    gemaakt en die methode voldoet aan de voorwaarden van het Ontwerpbesluit, gelden
                    de in de ministeriële regeling opgenomen eisen. </al>
        <al>De loonwaarde methodiek zullen wij -indien deze niet tijdig beschikbaar is-
                    separaat van deze Verzamelverordening als addendum aanbieden. Dit gebeurt op het
                    moment dat er in de arbeidsmarktregio afspraken over minimumeisen tot stand zijn
                    gekomen en deze bovendien akkoord zijn bevonden door het ministerie van Sociale
                    Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De regionale afspraken treden na vaststelling in
                    de plaats van de bij ministeriële regeling gestelde aanvullende eisen.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2.4: Individuele studietoeslag</tussenkop>
        <tussenkop>Voorwaarden individuele studietoeslag </tussenkop>
        <al>Artikel 36b, eerste lid, van de P-wet spreekt zowel over verzoek als aanvraag.
                    Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de individuele
                    omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag verlenen.
                    Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag: </al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>18 jaar of ouder is; </al></li>
          <li nr="·"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 (WSF 2000) of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van
                            hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
                            (WTOS);</al></li>
          <li nr="·"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            P-wet heeft; en </al></li>
          <li nr="·"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. </al></li>
        </lijst>
        <al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of hij van dit recht gebruik maakt is niet in de P-wet geregeld en
                    is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele studietoeslag op grond
                    van de P-wet. Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan ook
                    voldoende dat een persoon recht heeft op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming. De persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk
                    moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft,
                    bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving
                    bij een bepaalde opleiding te overleggen. </al>
        <al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de P-wet zijn niet van toepassing bij
                    verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    P-wet). De belanghebbende moet een aanvraag moet indienen bij het college. Het
                    college houdt hierbij geen rekening met een eventuele draagkracht van de ouders
                    (artikel 12 P-wet).</al>
        <al>Een individuele studietoeslag kunnen we niet als lening verstrekken als een
                    persoon met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 van de P-wet is
                    namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b,
                    tweede lid, van de P-wet). Ook artikel 52 van de P-wet is niet van toepassing op
                    de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de P-wet). Dit maakt
                    dat we de individuele studietoeslag niet kunnen verstrekken in de vorm van een
                    voorschot. </al>
        <tussenkop>Artikel 10: Indienen verzoek </tussenkop>
        <al>De persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden te voldoen zoals
                    genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de P-wet. Onder aanvraag moeten we
                    verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde
                    lid, van de Awb). Een belanghebbende dient een aanvraag in beginsel schriftelijk
                    in te dienen (artikel 4:1 van de Awb). </al>
        <al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop een belanghebbende het
                    verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de P-wet moet indienen,
                    staat in deze verordening dat hij het verzoek moet doen door middel van een door
                    het college vastgesteld formulier. Een verzoek zien we dan als een aanvraag
                    zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke
                    aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die de aanvrager moet ondertekenen en ten
                    minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een
                    aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van
                    de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de
                    beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de
                    beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling
                    verzoek kunnen we hiermee dus niet aanmerken als een verzoek om individuele
                    studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de P-wet. </al>
        <tussenkop>Artikel 11: Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon </tussenkop>
        <al>In eerste instantie onderzoekt het college zelf of er sprake is van verminderd
                    arbeidsvermogen, dus of de aanvrager niet in staat is om het wettelijk minimum
                    uurloon te verdienen. Wanneer het college hieraan twijfelt en de eigen
                    onderzoeksmogelijkheden deze twijfel niet weg kunnen nemen, zal het college een
                    extern advies aanvragen.</al>
        <tussenkop>Artikel 12: Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen </tussenkop>
        <al>Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een
                    individuele studietoeslag. </al>
        <al>We kiezen voor deze periode omdat we dan de bijstand onbelast kunnen
                    verstrekken. Voordeel van eenmalige verstrekking is dat we alleen bij de
                    aanvraag hoeven te kijken of belanghebbende voldoet aan alle voorwaarden. We
                    hoeven niet later ook nog te onderzoeken of iemand is blijven studeren. Wel
                    zullen we bij een nieuwe aanvraag voor een volgende periode weer op dat moment
                    moeten onderzoeken of iemand voldoet aan de criteria. Een studiejaar start op 1
                    september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar.</al>
        <tussenkop>Artikel 13: Hoogte individuele studietoeslag </tussenkop>
        <al>Het college kent de studietoeslag per persoon, die voldoet aan de voorwaarden,
                    toe. Een individuele studietoeslag bedraagt € 100,00 per maand. Dit bedrag is
                    afgesproken in regionaal verband. Is sprake van gehuwden die allebei
                    afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor een individuele studietoeslag, dan
                    komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een individuele studietoeslag. In het
                    tweede lid is het indexeringspercentage opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de
                    raad de verordening telkens opnieuw moet vaststellen, enkel voor indexatie van
                    de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexering) intern
                    duidelijk te communiceren. </al>
        <al>In artikel 13 is opgenomen dat we de toeslag na indexering steeds afronden op
                    een rond bedrag van hele euro's. Bij een bedrag van 0,5 of hoger ronden we
                    steeds naar boven af. Voor wat betreft het indexeren, vermenigvuldigen we het
                    maandelijkse (geïndexeerde) bedrag eerst met twaalf voor het jaarbedrag. Het
                    jaarbedrag ronden we vervolgens af, dus niet het maandbedrag. </al>
        <tussenkop>Artikel 14: Betaling individuele studietoeslag </tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag. </al>
        <tussenkop>Eenmalige uitbetaling </tussenkop>
        <al>Een individuele studietoeslag betalen we eenmalig per studiejaar in één bedrag
                    uit. Dit is het bedrag zoals neergelegd in artikel 13 van deze verordening, maal
                    12 maanden. Na 12 maanden kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een
                    individuele studietoeslag. Hiertoe dient hij een nieuwe aanvraag in te
                    dienen.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2.5: Tegenprestatie</tussenkop>
        <al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten. Het doel van de tegenprestatie is om
                    uitkeringsgerechtigden te prikkelen om maatschappelijk nuttige activiteiten te
                    gaan verrichten. De tegenprestatie is geen re-integratie instrument, maar een
                    wederdienst voor de ontvangen uitkering. De tegenprestatie bestaat uit de plicht
                    om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde, maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die
                    niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De werkzaamheden die de
                    belanghebbende in het kader van de tegenprestatie krijgt opgedragen, vinden in
                    beginsel binnen de gemeentegrenzen plaats.</al>
        <al>Onder de vlag van wederkerigheid zet de klant zich in eerste instantie in om te
                    blijven groeien op de participatieladder en zich te blijven ontwikkelen richting
                    arbeidsmarkt. Als er ruimte ontstaat voor een extra activiteit, reserveren we
                    die in eerste instantie voor de groei op de participatieladder. Is die groei
                    niet meer realiseerbaar of is er qua ureninzet nog ruimte, dan vullen we de
                    extra ruimte in met een activiteit voor het maatschappelijk nut. Als de klant al
                    mantelzorg of op vrijwillige basis maatschappelijke activiteiten verricht,
                    voldoet de klant daarmee aan de wederkerigheid en vragen we geen tegenprestatie. </al>
        <al>Als de klant dit niet al doet en ook niet op korte termijn, uit eigen beweging
                    en op eigen kracht, maatschappelijke activiteiten gaat verrichten, vragen we een
                    activiteit van maatschappelijk nut: de tegenprestatie.</al>
        <al>De mogelijkheid tot het opleggen van een tegenprestatie is beperkt door hetgeen
                    is opgenomen in artikel 4 EVRM rondom gedwongen arbeid. De arbeid moet van korte
                    duur, incidenteel en onbeloond zijn en het mag beslist geen verdringing
                    opleveren op de arbeidsmarkt. </al>
        <tussenkop>Artikel 15: Doelgroep en doel </tussenkop>
        <al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie geldt in beginsel voor
                    iedereen die een uitkering ontvangt. Dit geldt niet alleen voor belanghebbenden
                    met een uitkering op grond van de P-wet, maar ook voor belanghebbenden met een
                    uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. Het opdragen van een tegenprestatie naar
                    vermogen is geen middel, maar een doel. Doel is om uitkeringsgerechtigden, die
                    tot dusver aan de zijlijn stonden, te prikkelen om zich in te zetten voor de
                    samenleving als tegenprestatie voor de ontvangen uitkering.</al>
        <tussenkop>Artikel 16: Inhoud van een tegenprestatie </tussenkop>
        <al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te dragen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Het
                    college dient hierbij maatwerk toe te passen. </al>
        <al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie het college van
                    hem verwacht. </al>
        <tussenkop>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden </tussenkop>
        <al>In de wet is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                    onderscheiden van de reguliere betaalde werkzaamheden: het moet om iets extra’s
                    gaan waar normaal gesproken geen banen voor zijn. </al>
        <al>De in dit artikel gestelde voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste
                    kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis
                    (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14) en op de eisen van het EVRM. </al>
        <al>In de beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden zij in ieder
                    geval als tegenprestatie kan inzetten (artikel 16, tweede lid, van deze
                    verordening). Deze werkzaamheden kunnen we zien als een uitwerking van artikel
                    16 van deze verordening. </al>
        <tussenkop>Samenwerking met maatschappelijke organisaties: </tussenkop>
        <al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Een
                    vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een belangrijk
                    hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                    bepalen. </al>
        <al>De tegenprestatie is in beginsel niet bedoeld voor de re-integratie en is ook
                    niet direct gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt. De tegenprestatie mag
                    het accepteren van passende arbeid of van re-integratie inspanningen niet
                    belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit
                    artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de P-wet en de parlementaire
                    geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al>
        <tussenkop>Artikel 17: Het opdragen van een tegenprestatie</tussenkop>
        <al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te dragen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja, welke tegenprestatie zij aan de
                    belanghebbende opdraagt. Tegen een besluit tot het opdragen van een
                    tegenprestatie kan een belanghebbende bezwaar en beroep aantekenen (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). </al>
        <tussenkop>Het college moet rekening houden met de individuele omstandigheden van
                    belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante
                    persoonlijke omstandigheden zoals zorgtaken. Het college draagt de werkzaamheden
                    immers op ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat
                    is de werkzaamheden te verrichten</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 18: Duur en omvang van een tegenprestatie </tussenkop>
        <tussenkop>Maximale duur tegenprestatie </tussenkop>
        <al>De uitvoering van de tegenprestatie kunnen we opdragen voor de maximale duur van
                    80 uur per kalenderjaar. Let wel: het gaat hier om de termijn waarop de
                    belanghebbende daadwerkelijk werkzaam is op de tegenprestatie, niet de termijn
                    waarop deze is opgelegd zonder dat hij hiervoor ook werkzaamheden verricht.</al>
        <tussenkop>Maximale duur tegenprestatie in uren </tussenkop>
        <al>Er moet sprake zijn van een korte duur: daarom is er voor gekozen om maximaal 8
                    uur per week een tegenprestatie op te dragen. Daarnaast kan de belanghebbende de
                    rest van de week nog steeds voldoen aan een eventuele re-integratie– of
                    arbeidsverplichting. </al>
        <al>We dragen binnen een periode van twaalf maanden een tegenprestatie slechts
                    eenmaal op. Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode van twaalf maanden.
                    De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van
                    een belanghebbende. </al>
        <tussenkop>Artikel 19: Afzien van het opdragen van een tegenprestatie</tussenkop>
        <al>Er is een aantal redenen waarom we geen tegenprestatie opdragen. De regering
                    heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd voor mantelzorg in de nota van
                    wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    24, p. 6). Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening
                    en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs
                    noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie
                    op.</al>
        <al>Daarnaast dragen we geen aanvullende tegenprestatie op als iemand al voldoende
                    maatschappelijk actief is en op deze wijze een tegenprestatie levert aan de
                    maatschappij. Daarnaast kan het college nog bepaalde groepen mensen uitzonderen
                    in beleidsregels. </al>
        <al>De gemeenteraad van Goirle hecht eraan om ook rekening te houden met de wensen
                    va een belanghebbende voor wat betreft de inhoud van de tegenprestatie. Het moet
                    hier vanzelfsprekend wel gaan om reële wensen die uitvoerbaar zijn. </al>
        <tussenkop>Paragraaf 3: Afstemming en bestuurlijke boete</tussenkop>
        <al>Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving in werking getreden. Sinds die datum is het college verplicht een
                    bestuurlijke boete op te leggen als sprake is van schending van de
                    inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid van het college om bij schending van
                    de inlichtingenplicht een maatregel op te leggen is verdwenen.</al>
        <al>Gaat het om schending van een andere verplichting dan de inlichtingenplicht, dan
                    is een maatregel nog wel aan de orde. Denk bijvoorbeeld aan schending van de
                    medewerkingsplicht, arbeids- en re-integratieverplichting, aan tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid, het zich zeer ernstig misdragen of het niet
                    nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging
                    van de bijstand. </al>
        <al>In paragraaf 3.1 en paragraaf 3.2 is de verplichting als bedoeld in artikel 18
                    van de P-wet uitgewerkt om vorm en inhoud te geven aan een sanctiebeleid
                    (vaststellen afstemmingsverordening). Het verlagen van de uitkering is
                    voorgeschreven als de belanghebbende naar het oordeel van het college:</al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan;</al></li>
          <li nr="§"><al>de uit de wet voortvloeiende verplichtingen, anders dan benoemd in
                            artikel 17, eerste lid, P-wet niet of onvoldoende nakomt.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het sanctiebeleid is uitgewerkt vanuit de visie, dat een uitkering bedoeld is
                    als een tijdelijke overbrugging aar participatie met betaald ( of gesubsidieerd)
                    werk. Op grond van de eigen verantwoordelijkheid zijn uitkeringsgerechtigden
                    wettelijk verplicht al datgene te doen (en na te laten) wat nodig en mogelijk is
                    om in het eigen bestaan te voorzien. Wij kunnen hen hierin ondersteunen en
                    aanmoedigen via eventuele voorzieningen. De tegenhanger hiervan is het
                    sanctiebeleid. Als een uitkeringsgerechtigde een noodzakelijk traject naar
                    participatie frustreert, handhaven we metterdaad en streng (lik op stuk beleid).
                    Ook waar het agressie en geweld tegen die dienstverleners die de wetten
                    uitvoeren betreft.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 3.1: Algemene bepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Maatwerk uitgewerkt in de artikelen 20 t/m 22</tussenkop>
        <al>Het sanctiebeleid moet voldoen aan de vereisten van de P-wet en de Algemene wet
                    bestuursrecht. Deze bepalingen komen tegemoet aan de beginselen van
                    zorgvuldigheid, rechtszekerheid en motivering bij het opleggen van een sanctie.
                    De gestelde waarborgen verduidelijken de rechtspositie van de klant in relatie
                    tot de P-wet-inkomensgarantie op minimumniveau.</al>
        <tussenkop>Artikel 21: Besluit</tussenkop>
        <al>De regels, zoals deze voortkomen uit constante jurisprudentie worden hierbij
                    aangehaald. Een maatregel beoordelen we op:</al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>De ernst van de gedraging: welke verplichting is niet of niet correct
                            nagekomen;</al></li>
          <li nr="§"><al>De mate van verwijtbaarheid: was het niet nakomen aan de belanghebbende
                            toe te rekenen;</al></li>
          <li nr="§"><al>De individuele omstandigheden: soms zijn de omstandigheden zodanig dat
                            de gedraging niet aan te rekenen valt en soms kunnen de omstandigheden
                            ook een reden zijn om geen maatregel op te leggen. </al></li>
        </lijst>
        <al>Met name deze laatste overweging is maatwerk, nu hier uitgegaan wordt van de
                    individuele situatie van de belanghebbende.</al>
        <tussenkop>Artikel 22: Afzien van het opleggen van een verlaging</tussenkop>
        <al>Nieuw is hier dat er een termijn is gesteld waar binnen het college een
                    maatregel kan opleggen. Deze termijn geldt alleen voor de niet-geüniformeerde
                    maatregelen van artikel 18 lid 4 P-wet. Concreet betekent dit dat als de
                    gedraging meer dan 2 jaar voordat het college deze constateert heeft
                    plaatsgevonden, we afzien van het opleggen van een maatregel. Let wel: dit geldt
                    dus niet voor de schending van de inlichtingenplicht!</al>
        <al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als hier dringende
                    redenen voor zijn: dit zal niet vaak het geval zijn. Te denken valt aan de zeer
                    dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 P-wet. </al>
        <tussenkop>Artikel 23: Ingangsdatum, tijdvak en recidive</tussenkop>
        <al>Eerste lid: de verlaging kan pas ingaan op het moment dat iemand hiervan op de
                    hoogte is gesteld, dus als hij of zij de beschikking heeft ontvangen. Daarom
                    gaat de verlaging in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin we
                    de beschikking aan de belanghebbende versturen. Meestal wijzigt de toepasselijke
                    norm niet. Voor de effectuering van de verlaging geldt de norm in de maand
                    waarin we de verlaging effectueren om te voorkomen dat we iemand financieel
                    onevenredig benadelen. Een voorbeeld hierbij is dat iemand de norm alleenstaande
                    heeft op het moment dat we de maatregelwaardige gedraging constateren en leeft
                    als gehuwde (met de norm tweepersoonshuishouden) op het moment dat we de
                    verlaging effectueren. Als we een verlaging van 10% gedurende 1 maand opleggen,
                    zullen we deze opleggen op de norm behorend bij een tweepersoonshuishouden. In
                    dit geval is de verlaging hoger, maar het kan andersom ook zo zijn dat de
                    verlaging lager uitvalt als de situatie omgekeerd is (tweepersoonshuishouden
                    wijzigt in alleenstaande).</al>
        <al>Tweede lid: de verlaging kent geen terugwerkende kracht en gaat in per de eerste
                    van de maand volgend op de beschikkingsdatum. Uitzondering hierop is bij de
                    aanvraag. Als er dan sprake is van een maatregelwaardige gedraging gaat deze in
                    per ingangsdatum van de uitkering of datum gedraging, als deze hierna ligt, mits
                    de uitkering niet al is uitbetaald. Is de uitkering al wel uitbetaald, dan geldt
                    de hoofdregel van de eerste van de maand volgend op de beschikking.</al>
        <al>Vierde: Als er sprake is van meerdere maatregelwaardige gedragingen, dan zullen
                    we altijd de maatregel met de hoogste sanctie opleggen. De sancties tellen we
                    dus niet bij elkaar op.</al>
        <al>Vijfde lid, sub b: bij recidive is de duur van de verlaging in principe altijd
                    twee maanden, ook als er sprake is van een derde of vierde overtreding. Dit in
                    afwijking van de geüniformeerde verlagingen, waarbij de duur van de verlaging
                    bij herhaalde niet nakoming is gesteld op drie maanden. </al>
        <al>Zesde lid: als de uitkering is beëindigd kunnen we een verlaging van de
                    uitkering niet meer effectueren. Wanneer de klant binnen een jaar een nieuwe
                    uitkering aanvraagt en we deze toekennen, dan kunnen we de verlaging of het deel
                    dat nog niet is geëffectueerd alsnog effectueren op de nieuwe uitkering vanaf de
                    ingangsdatum. </al>
        <tussenkop>Artikel 24: De berekeningsgrondslag van de maatregel</tussenkop>
        <al>De verlaging is een percentage van de maanduitkering dan wel van het
                    benadelingsbedrag. In principe passen we de verlaging toe op de bijstand voor
                    levensonderhoud. Er zijn uitzonderingen hierop. Wanneer we bijzondere bijstand
                    uitbetalen voor levensonderhoud of wanneer er sprake is van ongenoegzaam besef
                    van verantwoordelijkheid door het laten liggen van een voorliggende voorziening
                    (artikel 32, vijfde lid, verordening).</al>
        <tussenkop>Artikel 25: Waarschuwing</tussenkop>
        <al>In plaats van het opleggen van een verlaging kunnen we bij gedragingen van de
                    tweede categorie, zoals bedoeld in artikel 27 sub b en artikel 28 sub b van deze
                    verordening, volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Dit kan
                    alleen in de situaties waarin de verordening dit toestaat. De waarschuwing telt
                    mee voor de recidive en we moeten deze dan ook beschikken en registreren.</al>
        <tussenkop>Artikel 26: Horen van de belanghebbende(n)</tussenkop>
        <al>We moeten de belanghebbende horen en altijd een schriftelijk besluit nemen.
                    Vanzelfsprekend zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht hierop ook
                    van toepassing. In dit artikel staan alleen de bijzondere bepalingen voor de
                    uitvoering van de P-wet.</al>
        <al>De sanctie gaat pas in als de belanghebbende hier van op de hoogte is gesteld.
                    Het college kan slechts in bepaalde situaties, zoals opgenomen in deze
                    verordening, gemotiveerd afzien van het horen. </al>
        <tussenkop>Paragraaf 3.2: Gedragingen en bijbehorende maatregelen</tussenkop>
        <tussenkop>Paragraaf 3.2.1: Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen
                    met betrekking tot de arbeidsinschakeling</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 27: Gedragingen P-wet</tussenkop>
        <al>Artikel 27 en artikel 29 moeten we in onderlinge samenhang lezen. In artikel 27
                    staan de schendingen van verplichtingen uit de P-wet. De verwijtbare gedragingen
                    die hierin staan genoemd zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën
                    kent artikel 29 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage.
                    De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. </al>
        <tussenkop>Gedragingen in de eerste categorie:</tussenkop>
        <al>De gedragingen die hier genoemd zijn, wegen allemaal zeer zwaar gelet op de
                    eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde om al datgene te doen
                    wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Een tekortkoming
                    van deze aard druist zo in tegen het uitgangspunt van participatie naar
                    vermogen, dat we een verlaging van de uitkering van 100% voor de duur van één
                    maand proportioneel achten. Deze verlaging achten we bovendien redelijk en
                    billijk, omdat de belanghebbende door diens opstelling, houding of gedrag niet
                    zelf in het bestaan kan voorzien. Daarnaast sluiten we hiermee aan bij de in de
                    wet genoemde (wel geüniformeerde) maatregelen.</al>
        <tussenkop>Gedragingen in de tweede categorie:</tussenkop>
        <al>De gedragingen die hier zijn genoemd wegen minder zwaar dan de gedragingen in de
                    eerste categorie. Gelet op de aard van de gedragingen in relatie tot het
                    teruglopende participatiebudget, achten we een verlaging van 50% gedurende 1
                    maand niet disproportioneel. </al>
        <tussenkop>Artikel 28: Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop>
        <al>Ook artikel 28 en artikel 29 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                    artikel 28 zijn schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd.
                    De verwijtbare gedragingen die hierin staan genoemd zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën kent artikel 29 een gewicht toe in de vorm van
                    een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende
                    zwaarte. Een gedraging achten we ernstiger naarmate de gedraging meer concrete
                    gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid. </al>
        <tussenkop>Artikel 29: Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop>
        <al>In het eerste lid staan de verlagingspercentages behorende bij de
                    verlagingswaardige gedragingen als bedoeld in artikel 27 en artikel 28.</al>
        <al>Met de Wet Maatregelen WWB 2015 zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                    bijbehorende maatregelen geïntroduceerd (artikel 18, vierde en vijfde lid, van
                    de P-wet). Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming van de
                    gedragingen in de eerste categorie als bedoeld in artikel 27 en artikel 28 aan
                    te sluiten bij de maatregelen voor het schenden van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Dit omwille van duidelijkheid. Bovendien zijn diverse
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen in de eerste
                    categorie. </al>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat het college op basis van individuele
                    omstandigheden kan besluiten de verlaging van 100% gedurende een maand op te
                    delen in 2 maanden verlaging van 50%. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
                    gezinnen met kleine kinderen die door de verlaging van 100% in dusdanige
                    problemen komen dat de huisvesting in het geding komt. Hierbij merken we op dat
                    het hebben van kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet
                    gaan om de gehele situatie.</al>
        <tussenkop>Artikel 30: Niet nakomen overige verplichtingen P-wet</tussenkop>
        <al>Artikel 55 van de P-wet geeft het college de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de
                    klant. Deze verplichtingen zijn beperkt tot een viertal categorieën, te
                    weten:</al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li>
          <li nr="§"><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li>
          <li nr="§"><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li>
          <li nr="§"><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li>
        </lijst>
        <al>Dit artikel ziet op de verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling. De
                    overige verplichtingen komen terug in artikel 35.</al>
        <al>Voorbeeld van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling:</al>
        <al>§het zich onderwerpen, op advies van een arts, aan een noodzakelijke behandeling
                    van medische aard, omdat de beperkingen arbeidsinschakeling in de weg staan. </al>
        <al>Bij het niet nakomen van deze verplichtingen leggen we een verlaging van de
                    uitkering van 20% gedurende één maand op. </al>
        <tussenkop>Paragraaf 3.2.2: Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met
                    betrekking tot de arbeidsinschakeling </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 31: Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop>
        <al>In lid 1 is bepaald dat bij het verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, de verlaging van de uitkering 100% gedurende een maand
                    bedraagt. Dit is volgens de p-wet de minimale verlaging.</al>
        <al>Als er sprake is van recidive (het niet of onvoldoende nakomen van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een
                    belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting), bedraagt de verlaging 100% gedurende 2
                    maande, zoals beschreven in artikel 23. </al>
        <al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    verlaging, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de P-wet).</al>
        <al>Wettelijk heeft de belanghebbende de mogelijkheid om zich te herstellen. Hij kan
                    hiervoor een verzoek doen en moet aantonen nu wel te voldoen aan de
                    verplichtingen. Deze mogelijkheid wordt verder uitgewerkt in de
                    beleidsregels.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 3.2.3 overige gedragingen die leiden tot een
                    verlaging</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 32: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop>
        <al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken zoals:</al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li>
          <li nr="§"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li>
          <li nr="§"><al>het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een
                            alimentatievordering.</al></li>
        </lijst>
        <al>De sanctie stemmen we af op het benadelingsbedrag. Wanneer het niet mogelijk is
                    een benadelingsbedrag vast te stellen, terwijl er wel sprake is van benadeling,
                    dan leggen we een verlaging van 20% van de uitkering gedurende één maand
                    op.</al>
        <al>Bij het onverantwoord interen van vermogen of het weggeven (schenken) van
                    vermogen is de hoogte van de sanctie gekoppeld aan de duur van de schadelast
                    voor de gemeente. Deze maatregel geldt niet voor de IOAW nu deze regeling geen
                    vermogensbepaling kent. Wanneer er sprake is van versneld interen of wegschenken
                    van vermogen verlagen we de uitkering gedurende het eerder bijstandsafhankelijk
                    zijn met 100%. Als dit tot problemen leidt kunnen we bijstand in de vorm van een
                    lening verstrekken conform artikel 48 van de wet. </al>
        <al>Versneld interen van vermogen berekenen we naar de systematiek van 1½ x de norm
                    per maand. </al>
        <tussenkop>Artikel 33: Verlies van een passende en toereikende voorliggende
                    voorziening wegens recidiveboete</tussenkop>
        <al>Iemand die vanwege recidive wel recht heeft op een voorliggende voorziening die
                    niet tot uitbetaling komt, kan vanaf dat moment aanspraak maken op bijstand. De
                    voorliggende voorziening is namelijk niet meer passend en toereikend. Er bestaat
                    wel formeel recht, maar het komt niet meer tot uitbetaling. Als iemand een
                    beroep doet op bijstand vanwege verrekening van de bestuurlijke boete, leggen we
                    een maatregel op van 100% gedurende de eerste maand gerekend vanaf de start van
                    de verrekening van de voorliggende voorziening. </al>
        <al>Als dan de beslagvrije voet bij een voorliggende voorziening op nihil is
                    gesteld, dan laten we een – bij ministeriële regeling bepaald – deel van de
                    zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen vrij. Het vrij te laten deel
                    van de uitkering kunnen we afhankelijk stellen van de leefsituatie. Is de
                    beslagvrije voet op nihil gesteld en krijgt iemand als gevolg daarvan bijstand,
                    dan ontstaat de situatie dat iemand op papier twee (volledige) uitkeringen
                    ontvangt. Dit heeft gevolgen voor de toeslagen, nu het jaarinkomen op papier
                    hoog is. Er zal dus geen recht meer zijn op huur- en zorgtoeslag en kindgebonden
                    budget waardoor de belanghebbende de kosten van bestaan niet meer kan betalen
                    uit de bijstandsuitkering. Om dit op te lossen is in de P-wet geregeld dat we
                    dit vrijgelaten bedrag voor de bijstand niet als middel mogen aanmerken (artikel
                    31 lid 2 sub x P-wet). </al>
        <tussenkop>Artikel 34: Zeer ernstige misdragen</tussenkop>
        <al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de P-wet. </al>
        <al>Onder de term ‘zeer ernstig misdragen’ verstaan we in elk geval: elke vorm van
                    ongewenst en agressief (fysiek) contact met een persoon of het ondernemen van
                    pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen
                    met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan
                    een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe
                    in enige vorm zien we als zeer ernstige misdraging. Handelingen die door hun
                    grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen
                    grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele
                    intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot)
                    opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te
                    beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.</al>
        <al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de P-wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten
                    van hun werkzaamheden.</al>
        <al>Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' geven we aan dat
                    we de verlaging van de uitkering alleen kunnen opleggen bij misdragingen in het
                    kader van de uitvoering van de P-wet.</al>
        <al>Als er sprake is van misdragingen jegens de met de uitvoering van de P-wet
                    belaste personen en instanties zonder dat deze bezig zijn met de uitvoering van
                    de P-wet (dus evt. in hun privésituatie) , doen we altijd aangifte en kunnen we
                    in voorkomende gevallen een gebouwverbod opleggen. </al>
        <al>Bij zeer ernstige misdragingen treedt het agressieprotocol in werking. Dit
                    protocol voorziet in onder meer een ordegesprek, het doen van justitiële
                    aangifte (altijd bij fysiek geweld), een gebouwverbod en dergelijke. </al>
        <al>Daarnaast leggen we een verlaging van de uitkering van 100% gedurende een maand
                    op. Bij recidive verlagen we de uitkering gedurende drie maanden met 100%. Dit
                    omdat de impact van zeer ernstig misdragen op de personen maar ook op de
                    organisatie dermate groot zijn dat we dit zoveel mogelijk moeten voorkomen. Deze
                    hoogte heeft naast een repressief ook een preventief aspect.</al>
        <tussenkop>Artikel 35: Niet nakomen overige verplichtingen</tussenkop>
        <al>Artikel 55 van de P-wet geeft het college de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de
                    klant. Deze verplichtingen zijn beperkt tot een viertal categorieën, te
                    weten:</al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling (geregeld in artikel
                            30 van deze verordening);</al></li>
          <li nr="§"><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li>
          <li nr="§"><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li>
          <li nr="§"><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li>
        </lijst>
        <al>De sanctie stemmen we af op het soort verplichting dat de belanghebbende niet
                    nakomt en de impact hiervan op de bijstandsverlening.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 3.3: Bestuurlijke boete</tussenkop>
        <tussenkop>Paragraaf 3.3.1: Schending inlichtingenplicht</tussenkop>
        <al>In artikel 18a van de P-wet is bepaald, dat het college een bestuurlijke boete
                    oplegt als sprake is van een schending van de inlichtingenplicht. Het college is
                    verplicht de bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. In
                    beginsel moet het college bij deze verrekening de bescherming van de beslagvrije
                    voet in acht nemen. Is echter sprake van een recidiveboete (binnen 5 jaar), dan
                    kan het college besluiten gedurende maximaal drie maanden zonder beslagvrije
                    voet te verrekenen.</al>
        <al>De P-wet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen
                    over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin zij het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel acht. </al>
        <al>Deze bevoegdheid kan de gemeenteraad op veel verschillende manieren invullen.
                    Maar zij strekt zich slechts uit over het al dan niet in acht nemen van de
                    beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. De wetgever geeft
                    gemeenten verder heel weinig beleidsruimte waar het gaat om terugvorderen
                    (verplicht) en het opleggen van een boete (ook verplicht).</al>
        <tussenkop>Artikel 36: Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en bestuurlijke
                    boete</tussenkop>
        <al>Bij het niet nakomen van deze verplichting bieden we, met opschorting van het
                    recht op uitkering, een hersteltermijn. Het gaat hier veelal om de plicht tot
                    het verstrekken of aanvullen van informatie (aanvraagformulier,
                    inkomstenverklaring en nader onderzoek rechtmatigheid). De
                    inlichtingenverplichting heeft mede betrekking op het nakomen van de
                    verplichting bedoeld in artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                    Werk en Inkomen.</al>
        <al>Als een aanvraag of lopende uitkering formeel correct is af te doen via het
                    buiten behandeling laten van de aanvraag of het tijdig stopzetten van een
                    lopende uitkering en er géén sprake is van financiële benadeling, passen we geen
                    sanctie toe. Dus alleen bij verwijtbare nalatigheid van de
                    inlichtingenverplichting met gevolgen voor de uitkering leggen we een boete
                    op.</al>
        <al>De hoogte van de boete stemmen we af op de hoogte van het benadelingbedrag. Dit
                    bedrag is netto voor de P-wet, tenzij sprake is van een overschrijding van het
                    kalenderjaar, en bruto voor de IOAW en IOAZ. Wanneer er sprake is van een
                    benadelingbedrag van € 50.000,00 of meer doen we in beginsel aangifte bij het OM
                    en blijft sanctionering achterwege (ne bis in idem) tenzij het OM besluit te
                    seponeren om een andere reden dan dat er geen sprake is van fraude of benadeling
                    van de gemeente. Dan zullen we wel sanctioneren, vandaar dat er geen restrictie
                    is in dit artikel tot € 50.000,00.</al>
        <al>Dit onderdeel van het sanctiebeleid steunt mede op het kosten-/baten-principe.
                    Is ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering verleend, dan vorderen we
                    het benadelingsbedrag in beginsel volledig terug. Dit onder handhaving van het
                    recht tot het opleggen van een boete.</al>
        <tussenkop>Artikel 37: Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete</tussenkop>
        <al>Als alle verwijtbaarheid ontbreekt mag de gemeente volgens de wet geen boete
                    opleggen. Let wel: het gaat hier om objectiveerbare niet-verwijtbaarheid. Of er
                    sprake is van opzet is niet relevant, hoewel het woord fraude wel enige
                    opzettelijkheid in zich heeft. Het college kan wel de boete matigen als er
                    sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Ook weer objectiveerbaar
                    natuurlijk.</al>
        <al>Bij de beoordeling van de mate waarin we de gedraging aan de betrokkene kunnen
                    verwijten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde
                    verwijtbaarheid:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die
                            niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in
                            de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting
                            te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet
                            volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig
                            zijn verstrekt;</al></li>
          <li nr="b."><al>de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de
                            overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of</al></li>
          <li nr="c."><al>de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of
                            onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden
                            niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste
                            inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij
                            de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van
                            toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het college kan in andere, zeer dringende situaties ook besluiten tot matiging
                    van de boete. Dit is altijd maatwerk en zal het college individueel goed moeten
                    motiveren.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 3.3.2: Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens
                    recidive (alleen P-wet)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 38: Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</tussenkop>
        <al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de P-wet. Eventueel
                    aanwezige schulden spelen immers geen rol en brengen we dus ook niet op het
                    bezit in mindering. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de P-wet
                    zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige
                    verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de
                    bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig
                    moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen
                    voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin
                    bewoonde (eigen) woning.</al>
        <al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 38 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou belanghebbende een periode van drie maanden moeten
                    kunnen overbruggen.</al>
        <tussenkop>Artikel 39: Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</tussenkop>
        <al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet (dus 100% van de uitkering). Voor de overige twee maanden vindt weliswaar
                    verrekening met in achtneming van de beslagvrije voet plaats, maar niet
                    volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80%
                    van de toepasselijke bijstandsnorm.</al>
        <al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990.</al>
        <al>Met de gekozen opzet geven we enerzijds uiting aan het principe dat fraude niet
                    mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds houden we rekening met de zorgplicht van gemeenten en de
                    vangnetfunctie van de bijstand. Het volledig buiten werking stellen van de
                    beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke
                    consequenties hebben. Dat moeten we voorkomen, nu de regeling daarmee zijn doel
                    voorbij zou schieten.</al>
        <al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r, van de P-wet worden vrijgelaten voor de algemene
                    bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm,
                    tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus
                    niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende
                    nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3.</al>
        <tussenkop>Artikel 40: Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop>
        <al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin we volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar achten. Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden
                    waaraan het college zal moeten toetsen.</al>
        <al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van
                    artikel 38 en artikel 39 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer
                    volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende
                    en diens gezin. We moeten voorkomen dat een belanghebbende door de volledige
                    verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar
                    verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien.</al>
        <al>Een dreigende huisuitzetting zien we in deze verordening als een dringende reden
                    om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het woord
                    'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen
                    dan een dreigende huisuitzetting, kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet.</al>
        <al>Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts om incidentele
                    gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende en diens
                    gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele
                    feit dat het belanghebbende door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het
                    bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken
                    van dringende redenen.</al>
        <al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de andere gemeente de beslagvrije
                    voet niet respecteren, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij
                    uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid, van de P-wet is geregeld dat het college die de
                    uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende
                    tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op
                    dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke
                    verordening zijn vastgelegd.</al>
        <tussenkop>Artikel 41: Eerder opgelegde bestuurlijke boete</tussenkop>
        <al>In artikel 60b, derde lid, van de P-wet is bepaald dat de bevoegdheid om te
                    verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde
                    bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt dit artikel dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 4: Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</tussenkop>
        <al>In deze paragraaf is de verplichting uitgewerkt als bedoeld in artikel 8b van de
                    P-wet: in het kader van goed financieel beheer regels opstellen voor de
                    bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Deze regels moeten waarborgen dat aan de eisen
                    van rechtmatigheid wordt voldaan. Gelet op de financiële verantwoordelijk van de
                    gemeente is naast controle van de rechtmatigheid van de bijstand ook het
                    beheersen van het volume in de bijstand belangrijk. Een effectieve handhaving
                    vertaalt zich immers in een besparing op het inkomensdeel. </al>
        <al>Het beleid voor handhaving is reeds lang ingericht naar het model van
                    hoogwaardig handhaven. Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is
                    opgebouwd uit vier pijlers, waarvan twee preventief en twee repressief van aard
                    zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen;</al></li>
          <li nr="2."><al>het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor
                            spontane naleving P-wet);</al></li>
          <li nr="3."><al>het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en
                            misbruik en</al></li>
          <li nr="4."><al>het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het college werkt de pijlers van hoogwaardig handhaven verder uit in
                    beleidsregels en</al>
        <al>richtlijnen voor de uitvoering.</al>
        <al>Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden van
                    oneigenlijk</al>
        <al>gebruik en misbruik van de P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 is gewaarborgd door te
                    werken naar de uitgangspunten van het landelijke model voor programmatisch en
                    hoogwaardig handhaven. De vier visievelden van dat model voeren we in samenhang
                    uit. De nadruk ligt op preventie en gedragsverandering (spontaan naleven
                    verplichtingen). Voorkomen is beter dan genezen.</al>
        <tussenkop>Artikel 44: Aangifte bij het Openbaar Ministerie</tussenkop>
        <al>Er wordt geen bestuurlijke boete opgelegd als er aangifte wordt gedaan bij het
                    OM, vanwege het beginsel 'ne bis in idem' (niet 2x straffen voor hetzelfde
                    feit). Als het OM echter besluit niet tot vervolging over te gaan, dan kan de
                    gemeente wel sanctioneren. Dit kan wel enige tijd later zijn, omdat het OM de
                    aangifte zal moeten beoordelen en dat kost tijd.</al>
        <tussenkop>Artikel 45: Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</tussenkop>
        <al>Ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto uitkering door
                    oneigenlijk gebruik of misbruik van de P-wet, IOAW, IOAZ of Bbz 2004 vorderen we
                    in beginsel volledig terug volgens de door het college vastgestelde nadere
                    regels in het beleidskader terug- en invordering van kosten van bijstand. Deze
                    regels voorzien mede in het afzien van het terugvorderen van (marginale) kosten
                    van bijstand, de termijn waarover de belanghebbende naar draagkracht moet
                    terugbetalen en het matigen dan wel afboeken (kwijtschelden) van terug te
                    vorderen kosten van bijstand.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 5: Slotbepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 47: Betrekken van ingezetenen bij het beleid</tussenkop>
        <al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 47 P-wet. In het eerste lid is
                    verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde
                    inspraakverordening. Op deze manier waarborgen we dat er eenzelfde
                    inspraakprocedure geldt voor het beleid op het gebied van participatie en
                    inkomen als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is
                    uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment
                    aangewezen kan raken op ondersteuning. </al>
        <al>In de Verordening participatieraad is vastgelegd hoe de inspraak van ingezetenen
                    op het gebied van de Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet geregeld is. In deze
                    verordening heeft het college ook ruimte om de exacte invulling van de
                    medezeggenschap vorm te geven. </al>
        <al>De overige slotbepalingen behoeven geen toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>