<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR350778_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels terug- en invordering Particpatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Meppel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Meppel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch publicatieblad, 24-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels terug- en invordering Particpatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet, IOAW en IOAZ </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>259763</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels terug-en invordering Participatiewet lOAW en lOAZ gemeente Meppel
            2015 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label> Inleiding </label></kop><structuurtekst><al>Wettelijke grondslag:</al><al>Nationale wetgeving, lOAW, lOAZ en Participatiewet.</al><al>Op grond van artikel 58 van Participatiewet kan het college dat de
                            bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen. Een
                            gelijksoortige bepaling is sinds invoering van de Wet bundeling van
                            uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG) opgenomen in de
                            lOAW en lOAZ. (Artikel 25, van de lOAW alsmede artikel 25 van de
                            lOAZ).</al><al>Terugvordering is in dat kader een aan het college toekomende
                            bevoegdheid en het college kan deze bevoegdheid dan ook nader inkaderen
                            door middel van beleidsregels.</al><al>Met inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en
                            sanctiebeleid SZW-wetten (Wet aanscherping) wordt de bevoegdheid tot
                            terugvordering gedeeltelijk omgezet in een wettelijke verplichting. Meer
                            specifiek gaat het om vorderingen die het gevolg zijn van ten onrechte
                            ontvangen uitkering in verband met schending van de inlichtingenplicht
                            (Artikel 58, eerste lid van de Participatiewet artikel 25, eerste lid
                            van de lOAW en lOAZ).</al><al> De verplichting tot terugvordering komt daarbij mede tot uiting
                            in:</al><lijst><li nr="a."><al>een verplichting tot verrekening van deze vordering met een
                                    eventueel recht op algemene bijstand, een uitkering in het kader
                                    van de lOAW of lOAZ dan wel een Bbz-uitkering (Artikel 60,
                                    vierde lid van de Participatiewet en artikel 28, tweede lid van
                                    de lOAW en lOAZ); en</al></li><li nr="b."><al>een wettelijk verbod om medewerking te verlenen aan een
                                    schuldregeling indien de vordering is ontstaan door het niet of
                                    niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting (Artikel
                                    60c van de Participatiewet en artikel 29a van de lOAW en
                                    lOAZ).</al></li></lijst><al>De verplichting tot terugvordering geldt alleen voor vorderingen die
                            zijn ontstaan na inwerkingtreding van de Wet aanscherping (1 januari
                            2013). Dat geldt ook voor de hierboven onder a en b genoemde
                            verplichtingen. Is het besluit tot terugvordering voor 1 januari 2013
                            afgegeven dan blijft ook voor de vordering als gevolg van schending van
                            de inlichtingenplicht, een en ander een bevoegdheid (Artikel XXV, zesde
                            lid van de Wet aanscherping)</al><al>Naast de bevoegdheid tot terugvordering is in de wet ook een drietal
                            andere (gerelateerde) bevoegdheden opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bevoegdheid tot intrekking of herziening van het recht op
                                    bijstand dan wel een uitkering in het kader van de lOAW of lOAZ
                                    (artikel 54, derde lid van de Participatieweten artikel 17,
                                    derde lid van de lOAW en lOAZ);</al></li><li nr="b."><al>de bevoegdheid om gebruik te maken van de in titel 4.4 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht genoemde mogelijkheden tot
                                    invordering van een schuld; en</al></li><li nr="c."><al>de bevoegdheid tot brutering van de vordering in het kader van
                                    te veel genoten uitkering (artikel 58, vijfde lid (v/h vierde
                                    lid) van de Participatiewet en artikel 25, vijfde lid (v/h
                                    vierde lid) van de lOAW en lOAZ).</al></li></lijst><al>Ook deze bevoegdheden worden - zij het soms indirect - aangetast door de
                            Wet aanscherping.</al><lijst><li nr="a."><al>Met betrekking tot de bevoegdheid tot intrekking of herziening
                                    wordt de wet aangepast, in die zin dat intrekking en herziening
                                    een verplichting wordt als sprake is van ten onrechte of tot een
                                    te hoog bedrag verstrekte uitkering als gevolg van een schending
                                    van de inlichtingenplicht. In alle andere gevallen blijft het
                                    een bevoegdheid (Deze wijziging is ingegaan op 1 juli 2013). Het
                                    ligt voor de hand om vast te anticiperen op deze
                                    wetswijziging.;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Met betrekking tot de wijze van invordering heeft het college in
                                    wezen volledige vrijheid in de keuze van middelen en de mate
                                    waarin zij - met inachtneming van de regelgeving rond de
                                    beslagvrije voet - middelen bij de berekening van de draagkracht
                                    betrekt. De Wet aanscherping stelt enkel daar waar het een
                                    fraudevordering of de daarmee samenhangende boete betreft
                                    verrekening -indien mogelijk - verplicht verrekening (artikel
                                    60, vierde lid van de Participatiewet en artikel 28, tweede lid
                                    van de lOAW en lOAZ).</al></li><li nr="c."><al>Met betrekking tot brutering is de Participatiewet na
                                    inwerkingtreding van de Wet aanscherping niet gewijzigd. Daar
                                    artikel 58, eerste lid van de WWB het college echter verplicht
                                    tot terugvordering van de kosten van bijstand en tot deze kosten
                                    eveneens de eventueel afgedragen belasting en premies behoren,
                                    heeft het college op dit vlak niet de vrijheid om (gedeeltelijk)
                                    van brutering af te zien indien verrekening niet mogelijk
                                    blijkt.</al></li></lijst><al>In hoofdstuk 2 worden de beleidsregels inzake de bevoegdheid tot
                            terugvordering, intrekking/herziening, brutering en invordering in het
                            kader van de Participatiewet, lOAW en lOAZ nader uitgewerkt. Daarbij is
                            ook aandacht besteed aan de wijzigingen die de Wet aanscherping op dit
                            vlak verlangt.</al><al>In hoofdstuk 3 ( artikelen 9 tot en met 13)wordt de
                            betalingsverplichting verder uitgewerkt. Er wordt een onderscheid
                            gemaakt in fraudevorderingen ontstaan voor 1 januari 2013,
                            fraudevorderingen ontstaan op of na 1 januari 2013 en overige
                            vorderingen.</al><al>Indien geen uitkering (meer) wordt ontvangen wordt de
                            aflossingscapaciteit na 6 maanden opnieuw vastgesteld. Daarna wordt de
                            aflossingscapaciteit deels in aanmerking genomen om de prikkel naar werk
                            te behouden. Om uitvoeringstechnische redenen wordt geen rekening
                            gehouden met de vakantietoeslag.</al><al>In hoofdstuk 4 zijn aanvullende bepalingen opgenomen over
                            fraudeverordeningen die ontstaan zijn op of na 1 januari 2013 alsmede
                            over de invordering van de boete bij een eerste verwijtbare gedraging.
                            Bepalingen omtrent kwijtschelding van de vordering in verband met
                            deelname aan een schuldregeling zijn voor deze vordering niet van
                            toepassing. Ook is toelating tot de WSNP niet mogelijk.</al><al>Ten aanzien van invordering is ook opgenomen dat het surplus aan
                            vermogen boven de bijstandsnorm ingevorderd wordt.</al><al>Recidive ( een herhaling van een verwijtbare gedraging):</al><al>Hiervoor gelden aparte regels die in een afzonderlijke verordening
                            moeten worden vastgelegd.</al><al>Bbz</al><al>Het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) is een algemene
                            maatregel van bestuur die weliswaar op de WWB is gebaseerd (art. 78f
                            WWB), maar ten aanzien van terugvordering daarvan afwijkt omdat
                            terugvordering in het Bbz nog een verplichtend karakter heeft. Om die
                            reden wordt het Bbz niet in de beleidsregels meegenomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet, lOAW, lOAZ en de Algemene wet
                                    bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bruteren: het verhogen van de vordering met de
                                                  loonbelasting en premies volksverzekeringen
                                                  waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt
                                                  krachtens de Wet op de loonbelasting 1954
                                                  inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting
                                                  en premies niet verrekend kunnen worden met de
                                                  door het college af te dragen loonbelasting en
                                                  premies volksverzekeringen;</al></li><li nr="b."><al>college: het college van burgemeester en
                                                  wethouders van de gemeente Meppel;</al></li><li nr="c."><al>fraudevordering: vordering in verband met ten
                                                  onrechte of tot een te hoog bedrag verleende
                                                  uitkering als gevolg van het niet of niet
                                                  behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;</al></li><li nr="d."><al>bestuurlijke boete: bestuurlijke sanctie,
                                                  inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot
                                                  terugbetaling van een geldsom, die gericht is op
                                                  bestraffing van de overtreder;</al></li><li nr="e."><al>herzien: het wijzigen van het recht op bijstand
                                                  met terugwerkende kracht;</al></li><li nr="f."><al>intrekking: het beëindigen van het recht op
                                                  bijstand met terugwerkende kracht;</al></li><li nr="g."><al>inlichtingenplicht: verplichting genoemd in
                                                  artikel 17, eerste lid van de Participatiewet,
                                                  artikel 13, eerste lid van de lOAW, artikel 13,
                                                  eerste lid van de lOAZ en artikel 30c, tweede en
                                                  derde lid van de Wet structuur
                                                  uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="h."><al>lOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                                  gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze
                                                  werknemers;</al></li><li nr="i."><al>lOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                                  gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                                  zelfstandigen;</al></li><li nr="j."><al>uitkering: de door het college verleende
                                                  bijstand in het kader van de WWB en de uitkering
                                                  in het kader van de lOAW en lOAZ;</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering en brutering</titel></kop><al>Het college acht zich verplicht tot de aanpak van fraude. In dit
                                kader:</al><lijst><li nr="1."><al>herziet dan wel trekt het college het recht op uitkering in,
                                        indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten
                                        onrechte is verleend;</al></li><li nr="2."><al>maakt het college ten volle gebruik van de bevoegdheid tot
                                        terugvordering zoals deze haar op grond van artikel 58,
                                        tweede lid en artikel 59 van de Participatiewet alsmede
                                        artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de lOAW en lOAZ
                                        toekomt; en</al></li><li nr="3."><al>bruteert het college de vordering, welke zijn ontstaan door
                                        gebruik te maken van de onder lid 2 genoemde bevoegdheden,
                                        bij niet tijdige betaling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Uitzonderingen voortvloeiende uit de jurisprudentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 2 vordert het
                                    college een door haar na ontvangst van een signaal ten onrechte
                                    of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering niet terug, voor
                                    zover deze uitkering ook zes maanden na ontvangst van dit
                                    signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend,
                                    tenzij belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft
                                    geschonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan
                                    relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is
                                    van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie
                                    zou moeten ondernemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 2 beperkt het
                                    college de terugvordering tot het bedrag dat te veel aan
                                    bijstand zou zijn verstrekt, zo belanghebbende wel aan de
                                    inlichtingenplicht had voldaan, indien sprake is van intrekking
                                    van het recht op bijstand over een langere periode omdat
                                    belanghebbende over de gehele periode in beperkte mate beschikte
                                    over in aanmerking te nemen vermogen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 3 ziet het
                                    college af van brutering indien sprake is van een vordering die
                                    is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan
                                    worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is
                                    voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Kwijtschelding in verband met het gedurende een
                                bepaalde periode voldoen aan de betalingsverplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing op
                                fraudevorderingen, alsmede boetes die op of na 1 januari 2013 zijn
                                ontstaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van terugvordering of van verdere terugvordering na
                                    het voldoen aan de betalingsverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. In afwijking van artikel 2, tweede lid besluit het college
                                    besluit af te zien van terugvordering of van verdere
                                    terugvordering van uitkering indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende drie jaar volledig aan zijn
                                            betalingsverplichtingen heeft voldaan; of</al></li><li nr="b."><al> gedurende drie jaar niet volledig aan zijn
                                            betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
                                            achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd en
                                            de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog
                                            heeft voldaan heeft voldaan; of</al></li><li nr="c."><al> gedurende drie jaar geen betalingen heeft verricht en
                                            niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan
                                            verrichten.</al></li><li nr="d."><al> een bedrag, overeenkomend met tenminste 50% van de
                                            restsom in één keer aflost en is gebleken dat verdere
                                            incasso vruchteloos is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van lid 1 sub a tot en met c geldt een termijn van
                                    vijfjaar indien de de vordering is ontstaan als gevolg van
                                    schending van de informatieplicht of wegens te kort schietend
                                    besef van verantwoordelijkheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid,
                                    aanhef, onder a. b of d slechts genomen als de belanghebbende
                                    daarom schriftelijk heeft verzocht. Tot toepassing van het
                                    eerste lid, aanhef en onder c, wordt uitsluitend ambtshalve
                                    besloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Uitzondering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 5 is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die
                                    door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt,
                                    behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het op basis van artikel 5 genomen besluit tot (gedeeltelijk)
                                    afzien van terugvordering wordt ingetrokken, indien op een later
                                    tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige
                                    gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of
                                    volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Kwijtschelding in verband met
                                    kruimelbedragen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2, onderdeel b</al><al>a. ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit
                                indien de terug te vorderen uitkering een bedrag van € 50,00 op
                                netto basis per kalenderjaar niet te boven gaat.</al><al>b. ziet het college af van nadere invordering indien het terug te
                                vorderen een bedrag van € 150,00 niet te boven gaat en na aanmaning
                                geen betaling is ontvangen.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Schuldregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij
                                    schulden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de
                                    Participatiewet en artikel 29a van de lOAW en lOAZ, verleent het
                                    college medewerking aan een schuldregeling indien:</al><lijst><li nr="a."><al> redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende
                                            niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn
                                            schulden;</al></li><li nr="b."><al> redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling
                                            met betrekking tot alle vorderingen van de overige
                                            schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand
                                            zal komen; en</al></li><li nr="c."><al>de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde
                                            uitkering tenminste zal worden voldaan naar
                                            evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van
                                            gelijke rang.</al></li><li nr="d."><al> de schuldregeling tot stand moet komen door een persoon
                                            of organisatie die ook daadwerkelijk volgens de gelden
                                            kwaliteitseisen in staat mag worden geacht een goede en
                                            evenwichtige schuldregeling te kunnen
                                            treffen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>de terugvordering van uitkering het gevolg is van
                                            verwijtbaar gedrag van de belanghebbende dan wel de
                                            vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm
                                            van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel
                                            48, tweede lid, aanhef en onder b, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een
                                            goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet
                                            op die goederen verhaald kan worden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling
                                    wordt ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al> niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is
                                            bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen
                                            die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al> de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden
                                            verplichting ondanks eerdere waarschuwing blijft
                                            schenden; dan wel</al></li><li nr="c."><al> onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
                                            verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                            ander besluit zou hebben geleid.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Invordering</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>De betalingsverplichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van
                                    het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel
                                    4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gelijktijdig met het terugvorderingbesluit afgegeven
                                    invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van (het saldo van) de vordering;</al></li><li nr="b."><al> de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel
                                            te voldoen;</al></li><li nr="c."><al> de datum waarop de betalingsverplichting in gaat;</al></li><li nr="d."><al> de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken
                                            na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in
                                            artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te
                                            treffen;</al></li><li nr="e."><al> de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de
                                            betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2
                                            Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4
                                            over aanmaning en invordering bij dwangbevel;</al></li><li nr="f."><al> de vermelding dat het aangaan van nieuwe
                                            schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe
                                            vaststelling van een opgelegde betalingsverplichtingen
                                            behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid van de
                                Participatiewet en artikel 28, tweede lid van de lOAW en lOAZ en
                                ongeacht de in artikel 9 genoemde betalingstermijn gaat het college
                                indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering
                                over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op
                                bijstand of een uitkering in het kader van de lOAW of lOAZ.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitstel van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent uitstel van betaling indien haar ambtshalve
                                    dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende
                                    duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om
                                    binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van
                                    de vordering over te gaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit
                                    verbindt het college aan het verleende uitstel de voorwaarde dat
                                    belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing
                                    van de openstaande schuld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het tweede lid verbindt het
                                    college, aan de verlening van (verder) uitstel de extra
                                    voorwaarde dat belanghebbende indien hij over vermogen beschikt
                                    dan wel komt te beschikken, dit vermogen - voor zover dit meer
                                    bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm - aanwendt ter
                                    aflossing van de openstaande schuld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als
                                    bedoeld in het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al> worden de vorderingen die het gevolg zijn van te veel
                                            ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten; en</al></li><li nr="b."><al> is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d
                                            van Participatiewet van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het uitstel wordt ingetrokken indien de belanghebbende de nader
                                    overeengekomen aflossing niet nakomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse
                                    aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een
                                    uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de
                                    Participatiewet, de lOAW of de lOAZ, bedraagt de
                                    aflossingsverplichting 6% van de van toepassing zijnde
                                    bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, dan wel de van toepassing
                                    zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en
                                    volgende, van de lOAW en lOAZ per maand inclusief
                                    vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het
                                    bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke
                                    rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid wordt de aflossingsverplichting
                                    voor fraudevorderingen ontstaan op of na 1 januari 2013 en de
                                    opgelegde bestuurlijke boete bij een 1^ overtreding bepaald op
                                    de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van
                                    het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid, wordt
                                    met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover
                                    de vordering(en) in zijn geheel binnen een periode van 36
                                    maanden kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing
                                    tenminste € 25,00 per maand bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een
                                    andere schuldeiser dan het college), kan de
                                    aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor
                                    alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte
                                    zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse
                                    aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de Participatiewet, lOAW
                                    of lOAZ</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij
                                    beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende zes
                                    maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het
                                    bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de
                                    bijstandsperiode of periode waarin een uitkering op grond van de
                                    lOAW of lOAZ is ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na afloop van de termijn van zes maanden wordt de hoogte van de
                                    maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als
                                    bedoeld in artikel 12, eerste lid, vermeerderd met 35% van het
                                    bedrag waarmee het inkomen exclusief vakantiegeld meer bedraagt
                                    dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief
                                    vakantiegeld en maximale toeslag, dan wel lOAW- of
                                    lOAZ-grondslag exclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het
                                    bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het
                                    Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in
                                    aanmerking zou komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid wordt de aflossingsverplichting
                                    van een fraudevordering en de boete ontstaan op of na 1 januari
                                    2013 vastgesteld op het bedrag als in artikel 12 tweede lid
                                    bedoeld en wordt het in het tweede lid genoemde percentage
                                    verhoogd tot 50%.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van dit artikel wordt de aflossingscapaciteit niet
                                    opnieuw vastgesteld als met de debiteur een betalingsvoorstel is
                                    overeengekomen als genoemd in artikel 12 en deze stipt wordt
                                    nagekomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Wettelijke rente en invorderingskosten bij uitstel en niet
                                    tijdige betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij uitstel en niet tijdige betaling wordt geen wettelijke rente
                                    in rekening gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij verzuim en niet tijdige betaling worden de kosten van
                                    aanmaning ( niet de gemeente) de kosten uitvaardigen van een
                                    dwangbevel en kosten deurwaarder worden bij belanghebbende in
                                    rekening gebracht.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Tussentijdse beoordeling van een lopende
                                    betalingverplichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door
                                    het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bj een gegrond vermoeden dat de afloscapaciteit van
                                    belanghebbende is gewijzigd, kan het college een
                                    draagkrachtonderzoek instellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover geen gegrond vermoeden, als bedoeld in het eerste
                                    lid, aanwezig is, stelt het college telkens binnen 24 maanden
                                    een draagkrachtonderzoek in, tenzij de vordering binnen een
                                    periode van 36 maanden volledig is afgelost.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het college als gevolg van een draagkrachtonderzoek
                                    besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde
                                    betalingsverplichting, wordt belanghebbende hiervan in kennis
                                    gesteld bij beschikking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze
                                    opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op
                                    die van de beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door
                                    belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder
                                    bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met
                                    bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot:</al><lijst><li nr="a"><al>wijziging van de eerder vastgestelde
                                            betalingsverplichting, of</al></li><li nr="b"><al>tijdelijk uitstel van de opgelegde
                                            betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent de
                                            eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting
                                            niet te kunnen voldoen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college
                                    een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid en
                                    deelt dit aan belanghebbende mee.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de
                                    lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende
                                    redenen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.3</nr><titel>Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen
                                    aan de betalingsverplichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Niet of niet meer voldoen van de
                                    betalingsverplichting</titel></kop><al>Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een
                                betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet
                                meer nakomt, wordt het terugvorderingbesluit ten uitvoer gelegd door
                                middel van een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b
                                tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek
                                van Burgerlijke Rechtsvordering, of beslag in de zin van het Tweede
                                Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van
                                de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als
                                bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat de per omgaande gestarte
                                betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in
                                artikel 4:117 Awb.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Rente en kosten</titel></kop><al>Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in
                                artikel 17 wordt de vordering verhoogd met de op de invordering
                                betrekking hebbende kosten, indien de invordering is overgedragen
                                aan een gerechtsdeurwaarder.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Aanvullende bepalingen terug- en invordering van fraudevorderingen en 
                                boetes op grond van artikel 58 lid 1 Participatiewet en 
                                artikel 25 lid 1 lOAW en lOAZ die ontstaan zijn op of na 1 januari 2013.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>De bepalingen in dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing op
                                fraudevorderingen en boetes die op of na 1 januari 2013 zijn
                                ontstaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>bepalingen met betrekking tot herziening, intrekking en
                                brutering.</titel></kop><al>Het college is verplicht tot aanpak van fraude. In dit kader:</al><lijst><li nr="1."><al>herziet dan wel trekt het college het recht op uitkering in,
                                        indien de uitkering tot een een te hoog bedrag dan wel ten
                                        onrechte is verleend;</al></li><li nr="2."><al>vordert het college de te hoog of ten onrechte verstrekte
                                        uitkering terug op grond van artikel 58, eerste lid en
                                        artikel 59 van de Partcipatiewet alsmede artikel 25, eerste lid en artikel 26 lOAW 
                                        en lOAZ terug;</al></li><li nr="3."><al>bruteert het college de vordering voor zover deze niet voor afloop
                                        van het kalenderjaar is voldaan;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>afzien van verdere terugvordering als gedurende 
                                    een bepaalde periode aan de betalingsverplichtingen is voldaan.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 20 tweede lid maakt het college
                                        gebruik van de bevoegdheid af te zien van verdere
                                        terugvordering van uitkering indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende tien jaar volledig aan zijn
                                                betalingsverplichting heeft voldaan;</al></li><li nr="b."><al>gedurende tien jaar niet volledig aan zijn
                                                betalingsverplichting heeft voldaan, maar het
                                                achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd
                                                met de op de invordering betrekking hebbende kosten,
                                                alsnog heeft betaald.</al></li><li nr="c."><al>gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht
                                                en niet aannemelijk is, dat hij deze op enig moment
                                                zal gaan verrichten; of</al></li><li nr="d."><al>een bedrag, overeenkomend met tenminste 50% van de
                                                restsom, in één keer aflost.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In beginsel wordt een besluit als genoemd in het eerste lid,
                                        aanhef onder a, b en d daarom schriftelijk heeft verzocht.
                                        Tot toepassing van het eerste lid onder c wordt uitsluitend
                                        ambtshalve besloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Invordering op vermogen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens tot verrekening in gevolge artikel 10 wordt
                                        overgegaan geldt als aanvullende voorwaarde dat
                                        belanghebbende indien hij over een vermogen beschikt dan wel
                                        komt te beschikken , dit vermogen - voor zover dit meer
                                        bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm- volledig
                                        aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.</al></li><li nr="2."><al>Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogens
                                        beschikt als bedoeld in het eerste lid;</al><lijst><li nr="a."><al>worden de vorderingen die het gevolg zijn van teveel
                                                ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten;
                                                en</al></li><li nr="b."><al>is het bepaalde in artikel 34,tweede lid, onder a en
                                                d van de Participatiewet van overeenkomstige
                                                toepassing.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Volgorde invordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Verrekening en terugbetaling vindt bij voorrang plaats op de
                                        boete.</al></li><li nr="2."><al>Van lid 1 kan worden afgeweken als de fraudevordering in het
                                        lopende kalenderjaar volledig kan worden verrekend of
                                        terugbetaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Onvoorziene situaties</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of
                                toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze
                                regels, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende afwijken van de bepalingen in de beleidsregels,
                                indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende
                                aard zou leiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels terug-
                                en invordering Participatiewet, lOAW en lOAZ gemeente Meppel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2015 </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Intrekken oude beleidsregels</titel></kop><al>De beleidsregels terugvordering 2013 worden ingetrokken op 1 januari
                                2015</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders d.d. 16
                        december 2014 </ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><nr>Toelichting op de beleidsregels terug- en invordering Participatiewet,IOAW
                        en lOAZ gemeente Meppel 2015.</nr></kop><al>Toelichting op de beleidsregels terug- en invordering Participatiewet,IOAW en
                    lOAZ gemeente Meppel 2015.</al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1.</al><al>In dit artikel wordt uitleg gegeven over de begripsbepalingen en afkortingen van
                    de wetten zoals die door het college worden gehanteerd.</al><al>Herzien : het wijzigen van het recht op bijstand met terugwerkende kracht. In
                    dat geval blijft er ook met terugwerkende kracht (gedeeltelijk) recht op
                    bijstand. Intrekking: het beëindigen van het recht op bijstand met terugwerkende
                    kracht. In dat geval bestaat er achteraf in het geheel geen recht op bijstand
                    meer. Beëindigen van de uitkering kan alleen een op, of na de datum van het
                    beëindigingsbesluit gelegen datum. In verband met de invoering van de Wet
                    aanscherping wordt een onderscheid gemaakt tussen vorderingen waarvan
                    terugvordering een wettelijke plicht is (verder te noemen: fraudevorderingen) en
                    vorderingen waarbij het met betrekking tot terugvordering om een bevoegdheid
                    gaat. De beleidsregels zien - voor zover zij betrekking hebben op de
                    terugvordering- en bruteringbevoegdheid - enkel op deze laatste groep. Voor
                    zolang deze nuance niet in de beleidsregels is verwerkt, zijn de in de
                    beleidsregels opgenomen bepalingen - voor zover zij zien op de terugvordering-
                    en bruteringbevoegdheid - voor fraudevorderingen onverbindend.</al><al>Artikel 2.</al><al>Het tweede artikel bevat het waarin beginsel gebruik wordt gemaakt van de
                    bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering, invordering of brutering
                    van de uitkering.</al><al>In verband met de invoering van de Wet aanscherping is het raadzaam een
                    onderscheid te maken tussen enerzijds de wijze waarop met de terugvordering- en
                    bruteringbevoegdheid wordt omgegaan en anderzijds de bevoegdheid tot intrekking,
                    herziening en invordering. De Wet aanscherping laat immers deze laatste
                    bevoegdheden goeddeels ongemoeid. Wat inhoudt dat het college op dit vlak juist
                    ook met betrekking tot fraudevorderingen nog enige beleidsvrijheid heeft.</al><al>Artikel 3.</al><al>In artikel 3 staan vervolgens de algemene - binnen de jurisprudentie
                    geformuleerde -uitzonderingen op de in artikel 2 genoemde hoofdregel beschreven.
                    Het gaat hier om situaties waarvan binnen de jurisprudentie is komen vast te
                    staan dat het college ongeacht een gehoudenheid tot terugvordering dan wel
                    brutering dient af te zien van haar vaste gedragslijn. Het college heeft in deze
                    niet de vrijheid om van deze in de jurisprudentie benoemde uitzonderingen af te
                    wijken. Het gaat meer specifiek om:</al><al>a) De zes maanden jurisprudentie</al><al>De zes maanden jurisprudentie komt er kortheidshalve op neer dat de gemeente
                    binnen zes maanden nadat zij een signaal heeft ontvangen, over dient te gaan tot
                    aanpassing van het recht op uitkering. Een signaal kan daarbij worden
                    gedefinieerd als relevante informatie over de uitkeringsgerechtigde waaruit kan
                    worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond
                    daarvan actie zou moeten ondernemen. Vindt geen aanpassing van het recht op
                    uitkering plaats binnen de genoemde zes maanden, dan dient het college van
                    terugvordering af te zien voor het deel dat na deze zes maanden nog te veel aan
                    uitkering is verstrekt. De zes maanden jurisprudentie speelt niet indien sprake
                    is van schending van de inlichtingenplicht (Zie CRvB 12 juni 2006, UN; BA7221 en
                    CRvB 17 juli 2007, UN: BB1640)</al><al>b) Beperkte overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd</al><al>De situatie kan bestaan dat betrokkene niet heeft gemeld dat hij over een
                    vermogen beschikt dat in beperkte mate de vermogensgrens overstijgt. Komt het
                    college hierachter dan is zij in wezen gerechtigd om de bijstand over de gehele
                    periode van de overschrijding in te trekken. Vaste jurisprudentie is echter dat
                    in deze situatie de terugvordering dient te worden beperkt tot het bedrag dat
                    niet zou zijn verstrekt indien betrokkene de beperkte overschrijding van de
                    vermogensgrens wel tijdig zou hebben gemeld. (zie CRvB 16 augustus 2011, UN:
                    BR5136 en CRvB 11 mei 2010, UN: BM5095)</al><al>c) Afzien van brutering</al><al>Ook het bruteren van de vordering is een bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak
                    dient te worden afgezien van brutering, indien sprake is van een vordering die
                    is ontstaan buiten toedoen van een betrokkene en hem niet kan worden verweten
                    dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop
                    deze betrekking heeft (Zie CRvB 24 juli 2007, UN: BB0561). </al><al/><al>Hoofdstuk 2 Geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering</al><al/><al>In dit hoofdstuk wordt nader uitgewerkt onder welke omstandigheden het college
                    geheel of gedeeltelijk afziet van terugvordering.</al><al>Artikel 4</al><al>In verband met de invoering van de Wet aanscherping komen fraudevorderingen
                    enkel in de bij wet geregelde situaties (artikel 58, zevende lid van de
                    Participatiewet en artikel 25, zesde lid van de lOAW en lOAZ) voor
                    kwijtschelding in aanmerking. Het bepaalde in hoofdstuk II is daarom niet van
                    toepassing op fraudevorderingen.</al><al>Binnen de verdere vormgeving van het hoofdstuk is gekozen voor een opdeling in
                    paragrafen. Onderscheid is gemaakt in:</al><al>a. Kwijtschelding in verband met het doorlopen van een bepaalde periode waarin
                    belanghebbende heeft voldaan aan de opgelegde betalingsverplichting (par. 2.1,
                    artikel 5 en 6);</al><al>b. Kwijtschelding in verband met de beperkte hoogte van de vordering (par. 2.2,
                    artikel 7).</al><al>c. Schuldregeling, hierin wordt beschreven onder welke voorwaarden het college
                    medewerking verleent aan een eventuele schuldregeling.</al><al>Het gaat hier niet om een zuivere vorm van afzien van terugvordering, maar het
                    feitelijk effect is wel vergelijkbaar.</al><al>Kwijtschelding in verband met het gedurende een bepaalde periode voldoen aan de
                    betalingsverplichting</al><al>Artikel 5.</al><al>Bij de bepaling inzake kwijtschelding nadat een bepaalde periode is voldaan aan
                    een opgelegde betalingsverplichting is het gangbaar dat het college kenbaar
                    maakt:</al><al>a. welke periode een schuldenaar zijn betalingsverplichting moet zijn
                    nagekomen;</al><al>b. of de duur van de betalingsverplichting ongeacht de hoogte van de vordering
                    geldt of dat de duur mede bepaald wordt door de hoogte van de vordering;</al><al>c. of de duur van de betalingsverplichting ongeacht de soort van de vordering
                    geldt of dat de duur van de betalingsverplichting mede bepaald wordt door de
                    grondslag van de vordering;</al><al>d. of zij wel of niet de mogelijkheid open laat tot kwijtschelding na voldoening
                    van een bepaald percentage van de vordering ineens, al dan niet gekoppeld aan
                    voldoening van achterstallige termijnen en/of rente.</al><al>Artikel 6.</al><al>Het staat het college wederom vrij om op de in artikel 5 genoemde hoofdregel
                    uitzonderingen te formuleren. Wanneer het college hier voor kiest, dan gaat het
                    college aldus de reikwijdte van de kwijtscheldingsregeling volledig beperken
                    voor bepaalde typen schulden. Gangbare volledige beperkingen van de
                    kwijtscheldingsregeling zijn: schulden die gedekt zijn door een zakelijk recht
                    zoals pand of hypotheek. Daarnaast kan het college een eerder verleende
                    kwijtschelding intrekken indien later blijkt dat deze intrekking is gebaseerd op
                    onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van belanghebbende.</al><al>Kwijtschelding van een vordering in verband met kruimelbedragen.</al><al>Artikel 7.</al><al>In beleid kan het college de hoogte bepalen van zgn. kruimelbedragen waarbij het
                    college kan afzien van een terugvorderingsbesluit of nadere invordering nadat
                    een terugvorderingsbesluit is genomen en een of meerdere invorderingsmaatregelen
                    zonder resultaat zijn geweest.</al><al>Schuldregeling</al><al>Artikel 8.</al><al>In dit artikel geeft het college aan onder welke voorwaarden medewerking wordt
                    verleend aan een eventuele schuldregeling. Voorwaarden zijn:</al><al>a. de vaststelling dat op gronden van redelijkheid en billijkheid van de
                    schuldenaar niet langer gevergd kan worden dat hij de schuld (volledig) voldoet;
                    dan wel</al><al>b. de vaststelling dat wanneer het college bij de aanwezigheid van meerdere
                    schuldeisers vasthoudt aan zijn eigen vordering c.q. vorderingen, een
                    schuldregeling niet tot stand komt; en</al><al>c. de bijkomende voorwaarde dat de vordering van het college wel naar
                    evenredigheid zal worden voldaan.</al><al>Zoals reeds eerder aangegeven is wettelijk bepaald dat geen medewerking aan de
                    totstandkoming van een schuldregeling kan worden verleend indien het een na 1
                    januari 2013 ontstane fraudevorderingen betreft of de daarmee samenhangende
                    boete. Dit artikel ziet daarom niet op deze vorderingen.</al><al>Het enkele feit dat belanghebbende zich aangemeld heeft voor schuldregeling is
                    onvoldoende. Belanghebbende dient zich ook aan de voorwaarden te houden die aan
                    de schuldregeling zijn verbonden. De schuldregeling dient ook binnen een
                    vastgestelde termijn zijn beslag te krijgen.</al><al>Om die reden zijn hierover een bepalingen opgenomen.</al><al>a. een periode benoemt waarbinnen - gerekend vanaf het moment dat het college
                    heeft aangegeven haar medewerking aan een schuldregeling te zullen verlenen -een
                    schuldregeling definitief moet zijn vastgesteld;</al><al>b. bepaalt dat de schuldregeling tot stand moet zijn gekomen door een persoon of
                    organisatie die ook daadwerkelijk volgens geldende kwaliteitseisen in staat
                    geacht mag worden een goede en evenwichtige schuldregeling te kunnen
                    treffen;</al><al>c. gronden benoemt op basis waarvan zij haar medewerking aan een schuldregeling
                    intrekt. Gangbare intrekkingsgronden zijn:</al><al>• het feit dat de schuldenaar (eventueel na eerdere waarschuwing) zijn
                    verplichtingen in het kader van de schuldregeling verwijtbaar niet nakomt;
                    en</al><al>• de vaststelling dat de schuldregeling tot stand is gekomen op basis van
                    onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van de schuldenaar.</al><al>Hoofdstuk 3 Invordering</al><al>In hoofdstuk wordt gebruikelijk een uitwerking gegeven van de wijze waarop de
                    vordering wordt ingevorderd. De bepalingen binnen dit hoofdstuk zien op (a) de
                    betalingsverplichting, (b) de controle op de hoogte van de betalingsverplichting
                    en (c) de gevolgen bij niet of niet meer voldoen aan de
                    betalingsverplichting.</al><al>Met betrekking tot de invordering van fraudevorderingen, alsmede de daarmee
                    samenhangende boete, is enkel bepaald dat verrekening verplicht is voor zover
                    dit mogelijk is omdat aan betrokkene een uitkering ingevolge de Participatiewet,
                    lOAW, lOAZ dan wel Bbz-uitkering wordt verstrekt. Op andere vlakken heeft het
                    college aldus beleidsvrijheid. Voor fraudevorderingen geldt in zijn algemeenheid
                    een stringenter invorderingsbeleid dan overige vorderingen binnen het
                    bestand.</al><al>De betalingsverplichting</al><al>Artikel 9.</al><al>In dit hoofdstuk wordt gestart met een artikel waarin:</al><al>a. de hoofdregel beschreven staat over het gebruik van de bevoegdheid tot
                    invordering; en</al><al>b. aangegeven wordt dat het college overgaat tot invordering van een vordering
                    conform de wet en onderstaande beleidsregels.</al><al>Artikel 10.</al><al>Voor zover betrokkene na afgifte van het terugvorderingsbesluit een uitkering
                    ontvangt in het kader van de Participatiewet, lOAW of lOAZ is het college
                    bevoegd om tot verrekening van de vordering over te gaan. Gekozen wordt om
                    direct tot verrekening over te gaan en niet te wachten totdat het besluit tot
                    invordering in kracht van gewijsde is getreden (6 weken na afgifte, hetgeen ook
                    in beginsel het einde van de betalingstermijn inhoudt).</al><al>Zoals reeds meerdere keren aangegeven geldt voor fraudevorderingen ontstaan na 1
                    januari 2013 en de daarmee samenhangende boete een verrekeningsplicht. Dit
                    artikel ziet daarom niet op deze vorderingen.</al><al>Artikel 11.</al><al>In beginsel rust op betrokkene de verplichting om de gehele vordering binnen de
                    geboden betalingstermijn te voldoen. Het college is echter bevoegd om betrokkene
                    uitstel van betaling te verlenen en daaraan voorwaarden te verbinden. In dit
                    kader dient het college te bepalen:</al><al>a. in welke situaties zij ambtshalve en in welke situaties zij op verzoek van
                    belanghebbende de mogelijkheid van het verlenen van uitstel overweegt,</al><al>b. wanneer zij uitstel verleent, alsmede</al><al>c. welke voorwaarden zij aan uitstelverlening verbindt.</al><al>Daarbij dient te worden bedacht dat de weigering van (verder) uitstel van
                    betaling tot gevolg heeft dat - indien de betalingstermijn verstrijkt/is
                    verstreken - betrokkene in verzuim verkeert, wat betekent dat betrokkene over de
                    openstaande schuld kan worden geconfronteerd met kosten in het kader van
                    aanmaning en het uitvaardigen van een dwangbevel.</al><al>Artikel 12</al><al>Wanneer de debiteur een uitkering van de gemeente ontvangt het college uitstel
                    van betaling verleent onder de voorwaarde dat betrokkene maandelijks een
                    aflossing verricht, heeft het college voorts de beleidskeuze om de hoogte van de
                    maandelijkse betalingsverplichting te bepalen, waarbij wel of geen rekening
                    wordt gehouden met:</al><al>a. het jaarlijkse vakantiegeld dat in mei van ieder jaar wordt uitbetaald;</al><al>b. het onderscheid fraudevordering versus andersoortige vorderingen;</al><al>c. invorderingsmaatregelen van eventuele andere schuldeisers;</al><al>d. de financiële draagkracht van belanghebbende (het feit dat betrokkene een
                    uitkering van het college ontvangt (artikel 12) dan wel inkomsten op een ander
                    vlak heeft (artikel 13)).</al><al>Artikel 13</al><al>Bij beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de aflossingscapaciteit 6
                    maanden na de verzenddatum van het besluit tot beëindiging of intrekking opnieuw
                    vastgesteld. Indien de volledige draagkrachtruimte in aanmerking wordt genomen
                    kan dit uitstroom naar werk belemmeren.</al><al>Werk gaat boven uitkering en om uitstroom te bevorderen wordt dan ook niet de
                    volledige draagkrachtruimte in aanmerking genomen.</al><al>Van het inkomen boven de bijstandsnorm wordt 35% als aflossingscapaciteit in
                    aanmerking genomen. Voor fraudeschulden wordt een percentage van 50% gehanteerd.
                    De betalingsverplichting wordt dan als volgt vastgesteld:</al><al>Totale netto in aanmerking te nemen inkomen ( artikel 31 t/m 33) €</al><al>Af: van toepassing zijnde bijstandsnorm €</al><al>eventuele compensatie huur en zorgtoeslag €</al><al>ouderbijdragen LBIO €</al><al>Kinderalimentatie € €</al><al>Draagkrachtruimte €</al><al>Maandelijkse aflossing: 35 of 50% van de draagkrachtruimte €. Bij: 6% van de
                    bijstandsnorm incl. vakantietoeslag cq Beslagruimte bij fraudevorderingen €^
                    Betalingsverplichting €.</al><al>Van bovenstaande richtlijn kan worden afgeweken als bij minnelijke schikking een
                    betalingsverplichting wordt overeengekomen waarbij de schuld binnen een termijn
                    van 36 maanden volledig wordt terugbetaald.</al><al>Artikel 14.</al><al>Op 1 december 2009 heeft het college besloten om de wettelijke rente niet aan de
                    burger in rekening te brengt. Eventueel bijkomende kosten zoals kosten
                    dwangbevel en deurwaarderskosten worden wel in rekening gebracht.</al><al>De tussentijdse wijziging van een betalingsverplichting</al><al>Artikel 15.</al><al>Wanneer het college de betalingsverplichting heeft vastgesteld onder voorwaarde
                    dat betrokkene maandelijks een aflossing verricht, staat het college vervolgens
                    voor de beleidskeuze om wel of niet te bepalen:</al><al>a. op grond van welke criteria periodieke draagkrachtonderzoeken worden
                    gestart;</al><al>b. welke resultaten uit een draagkrachtonderzoek bepalend zijn voor de vraag of
                    een opgelegde maandelijkse betalingsverplichting wel of niet wordt
                    gewijzigd;</al><al>c. gelet op punt b, of de bijzondere situatie van uitstroom uit een
                    uitkeringssituatie, per direct, dan wel na afloop van een bepaalde periode,
                    aanleiding is om wel of niet rekening te houden met de gewijzigde draagkracht
                    van belanghebbende.</al><al>Artikel 16.</al><al>Niet alleen het college heeft de bevoegdheid tot wijziging van de voorwaarden
                    waaronder uitstel van betaling is verleend, ook een schuldenaar kan daartoe een
                    verzoek indienen bij het college. Het college kan in beleid criteria ( artikel 9
                    lid 2 sub f) vastleggen wanneer een dergelijk verzoek in beginsel wel of juist
                    niet (bij voorbeeld bij het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen) wordt
                    toegekend alsmede welke procedurele eisen hiervoor gelden.</al><al>Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting</al><al>Wanneer een schuldenaar zijn betalingsverplichting niet nakomt of de voorwaarden
                    waaronder uitstel van betaling is verleend schendt en de oorspronkelijke
                    betalingstermijn is verstreken, is betrokkene in verzuim als bedoeld in artikel
                    4:97 Awb. Artikel 4:112 e.v. Awb bepaalt dan de verdere invorderingsprocedure,
                    te weten de invordering door middel van aanmaning en dwangbevel.</al><al>Artikel 17.</al><al>De Awb beschrijft slechts de procedure. Zij geeft niet aan binnen welke termijn
                    het college tot aanmaning dan wel uitvaardiging van een dwangbevel dient over te
                    gaan. Het college beschikt in dit kader over beleidsvrijheid. In de onderhavige
                    bepaling wordt de hoofdregel beschreven.</al><al>Artikel 18.</al><al>In beleid kan het college tevens bepalen of en zo ja, in welke situaties het
                    college gebruik maakt van de bevoegdheid tot het in rekening brengen van:</al><al>a. een aanmaningsvergoeding als bedoeld in artikel 4:113 Awb; alsmede</al><al>b. de kosten van een dwangbevel als bedoeld in artikel 4:119 Awb.</al><al>Hoofdstuk 4 Aanvullende bepalingen terug-en invordering van</al><al>fraudevorderingen en boetes op grond van artikel 58 lid 1 Participatiewet en
                    artikel 25lidl lOAW en lOAZ die ontstaan zijn op of na 1 januari 2013.</al><al>Artikel 20</al><al>Fraudevorderingen die ontstaan zijn op of na 1 januari 2013 wordt de uitkering
                    herzien of ingetrokken. De ten onrechte verstrekte uitkering wordt
                    teruggevorderd. Fraudevorderingen worden zoals wettelijk voorgeschreven bruto
                    teruggevorderd. De boete wordt over de netto ten onrechte bijstand
                    berekend.</al><al>Het fraudebedrag minus eventuele ontvangsten in het lopende kalenderjaar wordt
                    aan het eind van het jaar gebruteerd.</al><al>Artikel 21.</al><al>Van de bevoegdheid om in bepaalde situaties van verdere invordering wordt
                    afgezien, zoals aangegeven in artikel 58 lid 7 Participatiewet wordt gebruik
                    gemaakt.</al><al>Artikel 22.</al><al>Fraudevorderingen dienen in beginsel volledig te worden terugbetaald. Als de
                    belanghebbende over middelen beschikt hoger dan de van toepassing zijnde
                    bijstandsnorm dient het meerdere op de schuld te worden afgelost.</al><al>Artikel 23.</al><al>Fraudevorderingen zijn preferente vorderingen en boetes zijn concurrente
                    vorderingen. Het ligt daarom voor de hand dat tijdens de uitkeringsperiode eerst
                    op de boetes worden afgelost. Hiervan kan worden afgeweken als de vordering in
                    het kalenderjaar kan worden verrekend of worden terugbetaald.</al><al>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</al><al>Artikel 27</al><al>De beleidsregels terugvordering treden per 1 januari 2015 in werking De
                    beleidsregels kennen ten opzichte van de vorige beleidsregels geen nadelige
                    effecten voor belanghebbenden. Aangezien de nieuwe beleidsregels geen ongunstige
                    effecten kennen, is gemeentelijk overgangsrecht niet aan de orde.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>