<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR350723_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 gemeente Moerdijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Moerdijkse Bode week 1, 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 gemeente Moerdijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333">artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 gemeente Moerdijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Moerdijk;</al><al/><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 november 2014 met
                        overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al/><al>Gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet; </al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is het opdragen van een tegenprestatie aan
                        personen van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde
                        leeftijd bij verordening te regelen;</al><al/><al>B E S L U I T</al><al/><al/><al>Vast te stellen : <vet>de</vet><vet>Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente Moerdijk </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, sub 1, sub 5, sub 6 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>Tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                                    die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                    en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="c."><al>Mantelzorg: zorg die mensen vrijwillig en onbetaald verlenen aan
                                    mensen met een fysieke, verstandelijke of psychische beperking
                                    in hun familie, huishouden of sociale netwerk. De verleende zorg
                                    overstijgt de gebruikelijke zorg voor elkaar.</al></li><li nr="d."><al>Vrijwilligerswerk: werk dat in enig georganiseerd verband,
                                    onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen
                                    of de samenleving.</al></li><li nr="e."><al>Wet: Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het college kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening, waarin kan worden vastgelegd, welke
                            aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                            voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover in deze verordening
                            geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen uit de doelgroep die niet deelnemen aan
                                een activerings- of uitstroomtraject de mogelijkheid bieden om
                                onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel
                                van aard zijn, in te zetten als tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover een persoon een alleenstaande ouder is die de volledige
                                zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 5 jaar kan het
                                college slechts nadat het zich genoegzaam heeft overtuigd van de
                                beschikbaarheid van passende kinderopvang en de belastbaarheid van
                                de persoon een tegenprestatie opdragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ontheffing van het leveren van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover personen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn als
                                bedoeld in artikel 4 van de Wet Werk en inkomen naar
                                arbeidsvermogen, ziet het college af van het opdragen van een
                                tegenprestatie;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover personen uit de doelgroep al eventuele
                                zorgtaken/mantelzorg verrichten en/of maatschappelijke activiteiten
                                en/of vrijwilligerswerk verrichten kan het college besluiten af te
                                zien van het opdragen van een tegenprestatie, indien deze
                                werkzaamheden naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                noodzakelijk zijn;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover een persoon een alleenstaande ouder is die de volledige
                                zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot vijf jaar én die
                                in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a eerste
                                lid van de Participatiewet, ziet het college af van het opdragen van
                                een tegenprestatie;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Intrekken van een opgedragen tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan afzien van de overeengekomen tegenprestatie op het
                                moment dat de persoon aan wie de tegenprestatie is opgedragen
                                passende arbeid accepteert;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van de overeengekomen tegenprestatie op het
                                moment dat de uitvoering van deze tegenprestatie de noodzakelijke
                                re-integratie-inspanningen belemmert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>De inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkzaamheden bedoeld in artikel 3 mogen: </al><lijst><li nr="a."><al>naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing van reguliere arbeid op de
                                        arbeidsmarkt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van de
                                        belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de
                                        belanghebbende;</al></li><li nr="c."><al>leeftijd, opleiding en werkervaring van belanghebbende;</al></li><li nr="d."><al>mogelijkheden van belanghebbende om op de werkplek te
                                        komen;</al></li><li nr="e."><al>noodzaak van kinderopvang tijdens de uitvoering van de
                                        tegenprestatie;</al></li><li nr="f."><al>afstemming van de tegenprestatie op eventuele
                                        zorgtaken/mantelzorg of maatschappelijke activiteiten en/of
                                        vrijwilligerswerk wat al door belanghebbende wordt
                                        verricht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>1.Voor zover een tegenprestatie is opgedragen is deze zowel qua
                            tijdsduur als inhoud nauwkeurig omschreven;</al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale tijdsduur
                                    van 6 maanden;</al></li><li nr="b."><al>de tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uur per
                                    week;</al></li><li nr="c."><al>de tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts
                                    eenmaal worden opgedragen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Onkostenvergoeding/vrijwilligersvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende bij het uitvoeren van de tegenprestatie
                                een onkostenvergoeding ontvangt wordt deze bij de verlening van de
                                uitkering ingevolge de Participatiewet buiten beschouwing gelaten.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende bij het uitvoeren van de tegenprestatie
                                een vrijwilligersvergoeding ontvangt wordt deze bij de verlening van
                                de uitkering tot een bedrag van maximaal € 95,- per maand en
                                maximaal € 764,- per jaar vrijgelaten </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                                voorhanden zijn, die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen
                                werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen twaalf
                                maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die
                                kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In situaties, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet 2015 gemeente Moerdijk”. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering 18 december 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>H.D. Tiekstra J.P.M. Klijs</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente
                        Moerdijk</titel></kop><al><cursief>Algemene toelichting:</cursief>Het college is
                    bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te
                    verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt met
                    arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch jonger
                    dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. Daarmee beperkt de doelgroep
                    zich tot de personen die in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de
                    Participatiewet. </al><al>De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college
                    opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast
                    of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                    arbeidsmarkt. </al><al/><tussenkop>Individuele omstandigheden </tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland en West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><tussenkop>Geen tegenprestatie </tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Afstemmen </tussenkop><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de opgedragen tegenprestatie dat de bijstand kan
                    worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al/><tussenkop>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </tussenkop><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). </al><al/><tussenkop>Tegenprestatie is geen re-integratie instrument </tussenkop><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie instrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re-integratie
                    inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk boven
                    uitkering. </al><al/><tussenkop>Ontwikkelen beleid door college </tussenkop><al>Het college kan beleid te ontwikkelen ten behoeve van het verrichten van een
                    tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de verordening
                    tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet. Dit beleid kan op basis van deze verordening verder worden
                    uitgewerkt in beleidsregels. </al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting:</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al/><tussenkop>Mantelzorg </tussenkop><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige
                    zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                    hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. </al><al>Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 4 van deze verordening
                    bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende
                    mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel
                    van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken
                    van mantelzorg zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener; </al></li><li nr="2."><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al></li><li nr="3."><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al></li><li nr="4."><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                    169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr. C. </al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                    Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of
                    sprake is van gebruikelijke zorg. </al><al>Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke zorg kan worden verstaan, wordt
                    aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het protocol
                    Gebruikelijke Zorg. Het wordt als volgt omschreven: De normale, dagelijkse zorg
                    die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te
                    bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die
                    grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                    huishouden. </al><al/><tussenkop>Artikel 2. Beleid</tussenkop><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Opdragen van een tegenprestatie</vet></al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                    Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep
                    worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). </al><al>De tegenprestatie wordt op een positieve en stimulerende wijze ingezet. Ervaring
                    heeft geleerd dat het aansluiten bij de eigen motivatie en initiatief van de
                    persoon positief uitwerkt.</al><al>Wanneer we dan afspraken maken over de te leveren tegenprestatie, verwachten we
                    ook dat deze personen er alles aan doen om de afspraken ook werkelijk na te
                    komen. Nu het leveren van een tegenprestatie in artikel 9 van de Participatiewet
                    is opgenomen als een verplichting, dient het niet nakomen van de gemaakte
                    afspraken tot een afstemming te leiden, tenzij elke vorm van verwijtbaarheid bij
                    het nakoming van de afspraken m.b.t. de tegenprestatie ontbreekt. </al><al>Het is dus belangrijk dat de personen die een tegenprestatie willen leveren zich
                    goed realiseren dat dit een arbeidsverplichting in de zin van de wet betekent. </al><al/><tussenkop>Weigering tegenprestatie </tussenkop><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                    verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te
                    leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). Dit is
                    vastgelegd in de afstemmingsverordening. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Ontheffing van het leveren van een tegenprestatie</vet></al><tussenkop>Mantelzorg </tussenkop><al>Artikel 4 van de verordening bepaalt in welke situaties geen tegenprestatie
                    wordt opgedragen.</al><al>De regering heeft de mogelijkheid van het niet opdragen van een tegenprestatie
                    bij het verrichten van mantelzorg uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging
                    met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). </al><al>Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip
                    mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. </al><al/><tussenkop>Geen tegenprestatie </tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). </al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing
                    op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld
                    in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet) </al><al>De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande
                    ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste
                    lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Intrekken van een opgedragen tegenprestatie</tussenkop><tussenkop>Artikel 5. Intrekken van een opgedragen tegenprestatie</tussenkop><al>Een tegenprestatie wordt uitdrukkelijk niet gezien als een
                    re-integratie-instrument. In situaties waarin aan personen een tegenprestatie is
                    opgedragen kan er door de uitvoering van deze tegenprestatie een zodanig
                    ontwikkeling van de persoon ontstaan dat deze een baan vindt of een
                    re-integratietraject (activerings- of uitstroomtraject) gaat volgen. In die
                    situatie kan het leveren van een tegenprestatie belemmerend werken zodat de
                    mogelijkheid tot het intrekken van een reeds opgelegde tegenprestatie
                    uitdrukkelijk wordt opgenomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 6. Inhoud van een tegenprestatie </tussenkop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                    additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                    werkzaamheden voldoen aan de in artikel 6, eerste lid, van deze verordening
                    genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                    werkzaamheid: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet is bedoeld als re-integratie instrument;</al></li><li nr="c."><al>wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                            organisatie waarin deze wordt verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leidt tot verdringing. </al></li></lijst><al>Deze criteria zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie
                    die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3,
                    p. 14). </al><al/><tussenkop>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden </tussenkop><al>In artikel 6, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van
                    aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de
                    tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de
                    reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en
                    onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en
                    van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid
                    worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al/><tussenkop>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </tussenkop><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratie-instrument. Het
                    betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                    arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere
                    werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                    uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr.
                    3, p. 14). </al><al/><tussenkop>Samenwerking met maatschappelijke organisaties: </tussenkop><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor
                    te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                    is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke
                    organisaties. </al><al>Zie hierover de toelichting bij artikel 9 van deze verordening. </al><al> Artikel 6 lid 2 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                    mogelijkheden van de persoon die de tegenprestatie gaat leveren. Het college
                    dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening
                    moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende,
                    waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke
                    omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het
                    is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te
                    verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt
                    verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Het college kan in beleidsregels vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval
                    als tegenprestatie kunnen worden ingezet. Deze werkzaamheden voldoen aan de in
                    artikel 6, eerste lid, van deze verordening gestelde voorwaarden. </al><al/><tussenkop>Factoren opdragen tegenprestatie </tussenkop><al>In artikel 6, tweede lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren
                    het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze
                    factoren worden hierna toegelicht. </al><al/><tussenkop>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende </tussenkop><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                    rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                    regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de
                    keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende
                    kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten
                    werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een
                    belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige
                    activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door
                    belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van
                    belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                    tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of
                    krachtens artikel 6 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar
                    zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een
                    belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt
                    belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst
                    met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                    voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen
                    keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan
                    het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan
                    belanghebbende. </al><al/><tussenkop>Factor: tegenprestatie 'naar vermogen' </tussenkop><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                    door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft
                    betrekking op de lichamelijke en geestelijke mogelijkheden waarover een
                    belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan
                    elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><tussenkop>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                    belanghebbende </tussenkop><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                    persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                    waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Rekening wordt gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een
                    belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college
                    maatwerk te leveren. Voorts wordt bij het opdragen van een tegenprestatie
                    rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid
                    van kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht. </al><tussenkop>Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                    belanghebbende </tussenkop><al>Het college houdt bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met
                    het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een
                    maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde gevallen
                    besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook
                    kan de omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit
                    verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen
                    van de tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie of
                    dat de persoon zelfs wordt ontheven van het leveren van een tegenprestatie. Een
                    voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een
                    gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en </al><al>houdt daarbij rekening met de duur en omvang. </al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Onder vrijwilligerswerk
                    wordt in het algemeen verstaan: werk dat in enig verband onverplicht en
                    onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving (vergelijk TK
                    2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2). </al><al>De VNG verwijst bij de begripsomschrijving vrijwilligerswerk naar de zogenaamde
                    draaischijf van Movisie. Movisie heeft een draaischrijf ontwikkeld waaraan een
                    gemeente aan de hand van acht onderdelen de definitie kan bepalen. Zie hiervoor:
                    www.movisie.nl/draaischijf.</al><al>Het college kan ook besluiten vrijwilligerswerk gedurende een aantal uren per
                    week aan te merken als tegenprestatie. Hierbij moet wel rekening worden gehouden
                    met maximale duur van de tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 7 van deze
                    verordening. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol spelen.
                    Omdat vrijwilligerswerk veelzijdig van aard is, is geen begripsomschrijving
                    opgenomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 7. Duur en omvang van een tegenprestatie </tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 7 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en
                    omvang van de tegenprestatie. </al><al/><tussenkop>Individuele omstandigheden </tussenkop><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                    belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                    betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in
                    welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    30). </al><al>De tegenprestatie kan relatief gering in omvang en duur ingezet worden om aan de
                    veilige kant van de internationale bepalingen met betrekking tot het verbod op
                    dwangarbeid en verplichte arbeid te blijven. (artikel 4 EVRM).</al><al/><tussenkop>Maximale duur tegenprestatie in dagen </tussenkop><al>Artikel 7, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximale duur van zes maanden. Uit het onderzoeksrapport "Voor wat hoort wat"
                    blijkt dat bij ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie
                    uitvoeren de gemiddelde duur korter is dan een half jaar en bij iets minder dan
                    de helft is de gemiddelde duur meer dan een half jaar. Het is van belang dat de
                    duur beperkt is. Voorkomen moet worden dat een tegenprestatie wordt opgedragen
                    tot aan het einde van de uitkering.</al><al/><tussenkop>Maximale duur tegenprestatie in uren </tussenkop><al>Artikel 7, eerste lid onder b, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor
                    een maximaal aantal uren. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20
                    uren per week. Voor het maximaal aantal uren is gekozen om de tegenprestatie van
                    relatief geringe omvang te laten zijn. </al><al>Uit jurisprudentie blijkt dat een aanbod van het college om voor 32 uur per week
                    werkzaamheden te verrichten in ieder geval niet kan worden aangemerkt als een
                    tegenprestatie (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171 </al><al>Er is bewust voor gekozen om de duur in uren niet te koppelen aan een minimum
                    aantal uren. Dit werkt mogelijk beperkend bij mensen die heel graag een
                    tegenprestatie willen leveren, maar zeer beperkt zijn in hun mogelijkheden. Ook
                    kan de tegenprestatie zonder minimum worden ingezet worden op korte opdrachten. </al><al>Artikel 7, eerste lid onder c, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie
                    binnen een aaneengesloten periode van 12 maanden slechts eenmaal wordt
                    opgedragen. Deze bepaling waarborgt dat de tegenprestatie relatief gering wordt
                    ingezet. De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de
                    re-integratie van een belanghebbende. Bovendien is het verstandig de
                    tegenprestatie relatief gering in omvang en duur in te zetten om aan de veilige
                    kant van de internationale bepalingen met betrekking tot het verbod op
                    dwangarbeid en verplichte arbeid te blijven (artikel 4 EVRM). </al><al/><tussenkop>Artikel 8. Onkostenvergoeding/vrijwilligersvergoeding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Geen werkzaamheden voorhanden </tussenkop><al>Artikel 9, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                    wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen
                    tegenprestatie wordt opgedragen indien geen maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden voorhanden zijn. </al><al>Indien het college besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat geen
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen
                    12 maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen
                    voorhanden zijn. Dit is geregeld in artikel 9, tweede lid, van deze verordening. </al><al/><tussenkop>Artikel 10. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 11. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie. </al><al/><tussenkop>Artikel 12. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>