<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR350348_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Individuele Inkomenstoeslag 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hilvarenbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hilvarenbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Individuele Inkomenstoeslag 2015.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Individuele Inkomenstoeslag 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Hilvarenbeek;</al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en
                                wethouders;</al></li><li nr="-"><al>gelet op de artikelen 8 lid 1 sub b en 36 van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Wet</cursief>: Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al><cursief>College</cursief>: het college van burgemeester en
                                wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;</al></li><li nr="c."><al><cursief>Raad</cursief>: de gemeenteraad van de gemeente
                                Hilvarenbeek;</al></li><li nr="d."><al><cursief>WML</cursief><cursief>:</cursief> Wettelijk minimum
                                loon;</al></li><li nr="e."><al><cursief>Peildatum</cursief>: datum waartegen een persoon
                                individuele inkomenstoeslag aanvraagt;</al></li><li nr="f."><al><cursief>R</cursief><cursief>eferteperiode</cursief>: periode van
                                drie jaar (36 maanden) voorafgaand aan de peildatum;</al></li><li nr="g."><al><cursief>Individuele inkomenstoeslag</cursief>: toeslag zoals
                                bedoeld in artikel 36 van de wet;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Vermogen</cursief>: het vermogen zoals bedoeld in artikel
                                34 van de wet;</al></li><li nr="i."><al><cursief>WTOS</cursief>: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                schoolkosten;</al></li><li nr="j."><al><cursief>WSF 2000</cursief>: Wet Studiefinanciering;</al></li><li nr="k."><al>Voor de individuele inkomenstoeslag gaan we uit van de volgende
                                normen:</al><al>norm gehuwden: 100% WML</al><al>norm alleenstaande ouder: 90% WML</al><al>norm alleenstaande: 70% WML.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet komt in aanmerking voor
                            de Individuele inkomenstoeslag de belanghebbende van 21 jaar of ouder
                            doch jonger dan de AOW gerechtigde leeftijd, die gedurende de
                            referteperiode aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is
                            dan 100% van de voor hem geldende norm, zoals opgenomen in artikel 1 van
                            deze Verordening, gemiddeld per jaar en geen in aanmerking te nemen
                            vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet voor de Individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de
                            belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel
                            een studie volgt als genoemd in de WSF 2000.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
                            Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college
                            vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                            Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor toepassing van het tweede en derde lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Individuele inkomenstoeslag bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden: 40% van de norm gehuwden</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaande ouders: 40% van de norm alleenstaande
                                    ouder</al></li><li nr="c."><al>voor alleenstaanden: 40% van de norm alleenstaande</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s en worden
                            jaarlijks in januari vastgesteld en gelden voor het gehele
                            kalenderjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Onvoorziene situaties</titel></kop><al>In situaties en omstandigheden waarin deze regeling niet voorziet, beslist
                        het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De "Verordening Langdurigheidstoeslag 2012” wordt op dat moment
                            ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze Verordening kan aangehaald worden als: Verordening Individuele
                        Inkomenstoeslag 2015.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Toelichting Verordening Individuele Inkomenstoeslag. </al><al/><al><vet>Algemeen. </vet></al><al><vet>Langdurigheidstoeslag wordt individuele inkomenstoeslag </vet></al><al>Per 1 januari 2015 is de wet werk en bijstand (WWB) aangepast en opgenomen
                        in de Participatiewet. Met de wetswijziging is de langdurigheidstoeslag
                        (LDT) omgevormd naar een individuele inkomenstoeslag.</al><al/><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                        bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch
                        kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen
                        zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen
                        perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te
                        verhogen. Er is dan sprake van bestaansverschraling. Om die reden is bij de
                        invoering van de Wet werk en bijstand in 2004 de langdurigheidstoeslag in
                        het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag
                        gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een
                        bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015
                        vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien
                        is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een
                        discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele
                        inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden
                        daarvoor.</al><al/><al><vet>Bevoegdheid gemeenten</vet></al><al/><al><cursief>Vast te leggen regels in verordening</cursief></al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het
                        is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig
                        een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die
                        persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste
                        lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld
                        worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in
                        artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval
                        betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                        begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Daarnaast moet bij verordening de
                        hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. </al><al/><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Het college kan in beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen
                        uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede
                        lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in
                        de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                        inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden
                        van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald
                        dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                                inkomensverbetering te komen.</al></li></lijst><al>Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking
                        komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen (geen)
                        uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                        gedacht aan personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd
                        wegens een schending van een arbeidsverplichting of een
                        re-integratieverplichting of aan personen die uit 's Rijks kas bekostigd
                        onderwijs volgen. </al><al/><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                        langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening
                        overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                        langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet voorziet
                        in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de
                        Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet
                        Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De individuele
                        inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers toegekend
                        tegen een peildatum. Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen
                        betekenis voor het recht op een dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen
                        vóór 1 januari 2015 op basis van de toepasselijke verordening recht had op
                        langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de
                        voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van de
                        Participatiewet en deze verordening. Toekenning van het recht op individuele
                        inkomenstoeslag tegen een datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is
                        uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel 36 van de
                        Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al><al/><al><cursief>Wijziging leefvorm</cursief></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon
                        kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien
                        gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte
                        van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen
                        moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden
                        voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden
                        moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden
                        voldoen.</al><al/><al><vet>Mogelijkheden voor eigen beleid</vet><vet><cursief>.
                        </cursief></vet></al><al>Op grond van de nieuwe wet zijn er diverse mogelijkheden voor het invullen
                        van eigen gemeentelijk beleid. </al><al>Naast de genoemde onderwerpen kan het daarbij ook gaan om de afstemming van
                        het beleid op het gemeentelijke armoede en participatie beleid. Hierna wordt
                        op de verschillende onderwerpen nader ingegaan. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief><vet>. </vet></al><al>De nieuwe individuele inkomenstoeslag geeft gemeenten nadrukkelijk de
                        mogelijkheid deze ook van toepassing te laten zijn op werkenden met een laag
                        inkomen. De raad kiest ervoor deze 'werkende armen' tot de doelgroep van de
                        individuele inkomenstoeslag te blijven rekenen. Op deze manier is de
                        individuele inkomenstoeslag onderdeel van het integrale gemeentelijk beleid
                        op het gebied van armoedebestrijding. Een belangrijke focusgroep binnen de
                        armoedebestrijding is namelijk de groep van werkenden met een laag inkomen.
                        We hebben in deze verordening, om werkende armen in aanmerking te kunnen
                        laten komen op de toeslag, de norm aangepast waarmee wordt gerekend. Als we
                        de individuele inkomenstoeslag zouden koppelen aan de nieuwe
                        kostendelersnorm komen veel werkenden niet in aanmerking. De
                        kostendelersnorm rekent namelijk met een lager uitkeringsbedrag naarmate er
                        meer volwassenen in een huis wonen. Omdat werkende mensen minimaal het
                        wettelijk minimum loon verdienen hebben zij bij inwoning altijd een hoger
                        inkomen dan de kostendelersnorm. Als we de kostendelersnorm zouden hanteren,
                        zouden werkenden dus niet in aanmerking komen voor de inkomenstoeslag. Dit
                        willen we voorkomen. Daarom koppelen we het recht op toeslag aan een
                        percentage van het wettelijk minimum loon voor respectievelijk gehuwden,
                        alleenstaande ouders en alleenstaanden. </al><al/><al><cursief>Hoogte van de toeslag</cursief><vet>. </vet></al><al>Tot 2009 was de hoogte van de langdurigheidstoeslag centraal bepaald.
                        Oorspronkelijk was de hoogte van de toeslag gekoppeld aan het verschil
                        tussen de bijstandsnorm en de volledige AOW. Deze hoogte hanteren wij bij
                        benadering nog. Het waren vaste bedragen, als percentage van de voor de
                        persoon toepasselijke bijstandsnorm. Vanaf 1 januari 2009 bepalen gemeenten
                        zelf de hoogte van de toeslag. Ook met de Participatiewet blijft dat zo. </al><al>Bij vaststellen van het bedrag moet een aantal zaken bedacht worden. Een te
                        laag bedrag doet geen recht aan het karakter van de individuele
                        inkomenstoeslag, namelijk dat deze is bedoeld voor mensen die financieel
                        geen mogelijkheden hebben gehad te reserveren voor onverwachte uitgaven. Een
                        te hoog bedrag kan leiden tot het optreden van de armoedeval. Immers, wordt
                        op enig moment een hoger inkomen bereikt, dan vervalt direct de hele
                        toeslag. </al><al>Met de Participatiewet wordt ook de kostendelersnorm ingevoerd. Hierdoor
                        ontstaan bij het bepalen van de hoogte van uitkeringsbedragen veel
                        verschillende categorieën van bedragen; meer dan in de vroegere situatie.
                        Dat maakt het lastig uit te gaan van de geldende bijstandsnorm; die is er
                        immers in veel varianten. Door te kiezen voor een percentage van het
                        Wettelijk Minimum loon, hoeft slechts gerekend te worden met één bedrag dat
                        jaarlijks wordt vastgesteld. Bovendien hoeft op deze manier niet jaarlijks
                        apart geïndexeerd te worden. De raad heeft ervoor gekozen om de hoogte van
                        de individuele inkomenstoeslag ten opzichte van de vorige verordening
                        minimaal aan te passen door niet meer uit te gaan van de geldende
                        bijstandsnorm maar van het van toepassing zijnde percentage van het
                        Wettelijk minimumloon. </al><al/><al><cursief>Langdurig</cursief><vet>. </vet></al><al>De raad kiest ervoor de referteperiode van drie jaar te handhaven. </al><al/><al><cursief>Laag inkomen</cursief><vet>. </vet></al><al>Hilvarenbeek kiest ervoor de grens van 100% te handhaven, berekend naar een
                        percentage van het wettelijk minimum loon voor respectievelijk gehuwden,
                        alleenstaande ouders en alleenstaanden. Hiermee blijft de doelgroep verruimd
                        met 'werkende armen', en is de toeslag ongevoelig voor conjuncturele
                        schommelingen, terwijl de druk op het budget niet toe neemt. </al><al/><al><cursief>Vorm verstrekking. </cursief></al><al>De toekenning gebeurt in beginsel op aanvraag. Het onderzoek om vast te
                        stellen of klanten met een </al><al>WWB-uitkering of andere inkomensondersteunende regeling van de gemeente
                        Hilvarenbeek in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag, zal
                        zoveel mogelijk uitgevoerd worden met gebruikmaking van gegevens uit de
                        administratie door middel van geautomatiseerde gegevensselectie. We voldoen
                        daarmee aan belangrijke pijlers van gemeentelijk en landelijk beleid:
                        tegengaan van niet-gebruik (armoedemaatregel), beperken van administratieve
                        last en verhogen van dienstverlening aan klanten, individuele toetsing en
                        het beperken van gegevensuitvraag en efficiencymaatregelen in relatie tot
                        uitvoeringskosten. Ook voldoen we hiermee aan de Wet eenmalige
                        gegevensuitvraag. De overige inwoners van de gemeente die nog niet in onze
                        administratie zitten kunnen de individuele inkomenstoeslag aanvragen en
                        moeten de noodzakelijke gegevens aanleveren. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting. </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen.</titel></kop><al>Dit artikel bevat de definitiebepalingen. </al><al><cursief>Peildatum</cursief></al><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                        aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                        persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen
                        vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op
                        de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering
                        heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum
                        kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld
                        om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van
                        bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de
                        Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de
                        Participatiewet.</al><al/><al><cursief>Normbedragen</cursief></al><al>Per 1 januari 2015 is de kostendelersnorm ingevoerd. Hierdoor wordt de
                        uitkering lager al naar gelang er meer volwassenen in dezelfde woning wonen.
                        Als we de individuele inkomenstoeslag koppelen aan de kostendelersnorm komen
                        veel werkenden niet in aanmerking, omdat zij minimaal het wettelijk minimum
                        loon verdienen en bij inwoning dus een hoger inkomen hebben dan de
                        kostendelersnorm. Dit willen we voorkomen. Daarom koppelen we het recht op
                        toeslag aan een percentage van het WML voor respectievelijk gehuwden,
                        alleenstaande ouders en alleenstaanden. Dit is dus bewust niet de
                        bijstandsnorm of het sociaal minimum. We laten de hoogte van de
                        tegemoetkoming aan dezelfde normen gekoppeld als aan de
                        langdurigheidstoeslag tot 2015. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Voorwaarden.</titel></kop><al>In dit artikel worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag
                        inkomen uitgewerkt. Het laag inkomen wordt uitgedrukt in maximaal 100% van
                        de voor persoon toepassing zijnde norm, gedefinieerd in deze verordening
                        als:</al><al>norm gehuwden: 100% WML</al><al>norm alleenstaande ouder: 90% WML</al><al>norm alleenstaande: 70% WML.</al><al>Wettelijk is geregeld dat de individuele inkomenstoeslag bestemd is voor
                        mensen tussen 21 jaar en de AOW gerechtigde leeftijd. Langdurig wordt
                        aangeduid met 3 jaar (36 maanden). Gedurende deze periode moet een laag
                        inkomen zijn geweest, niet hoger dan het in aanmerking te nemen percentage
                        van de norm. De gemeente verstrekt een eenvoudig aanvraagformulier om de
                        aanvraag in te dienen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Hoogte van de toeslag.</titel></kop><al>In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. In dit model wordt
                        uitgegaan van 40% van het toepasselijke percentage van het wettelijk
                        minimumloon, verschillend naar de categorieën: gehuwden (100% WML),
                        alleenstaande ouder (90% WML) of alleenstaand (70% WML). Afronding vindt
                        plaats op hele euro's naar boven. Door te kiezen voor een percentage van het
                        WML, hoeft slechts gerekend te worden met één bedrag dat jaarlijks wordt
                        vastgesteld. Bovendien hoeft op deze manier niet jaarlijks apart geïndexeerd
                        te worden. De norm van januari is de maatstaf en daar wordt de berekening
                        van de toeslag op aangepast. Er zijn geen bedragen opgenomen in deze
                        verordening om te voorkomen dat deze onderhoudsgevoelig wordt door de
                        wijzigingen in de normbedragen. </al><al>Artikel 5. Inwerkingtreding. De Participatiewet wordt per 2015 van kracht en
                        op 1 januari 2015 treedt deze verordening in werking. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>