<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR350051_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergen op Zoom</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen op Zoom</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2015, 67829</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art.147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a, lid 1, sub a, c, d en e, en lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 10b, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers / Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers gewezen zelfstandigen, art. 35, lid 1, sub a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 6, lid 2, sub b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers / Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers gewezen zelfstandigen, art. 36, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-07-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>1e wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RVB15-0043</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Sociale Zaken</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Bergen op Zoom;</al><al>overwegende dat de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012
                        aanpassing behoeft;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11
                        november 2014, nummer RVB14-0100;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 8a, lid 1, sub a, c, d en
                        e, en lid 2 en artikel 10b, lid 4, van de Participatiewet, artikel 35, lid
                        1, sub a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers / Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers gewezen
                        zelfstandigen;</al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><al><vet>de </vet><vet>Re-integratieverordening Participatiewet</vet>vast
                        te stellen.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader zijn omschreven, hebben dezelfde</al><al> betekenis als in de Participatiewet (PW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte</al><al> werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen</al><al> zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Bergen op Zoom;</al></li><li nr="b."><al>wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al>proefplaatsing: werken met behoud van uitkering gedurende
                                        een periode van maximaal 3 maanden met</al><al> de intentie en afspraak van een concrete baan in het
                                        vooruitzicht;</al></li><li nr="f."><al>werkstage: werken met behoud van uitkering gedurende een
                                        periode van maximaal 6 maanden met als doel</al><al> om werkritme en werkervaring op te doen;</al></li><li nr="g."><al>activeringsplaats: werken met behoud van uitkering door
                                        personen met een (zeer) grote afstand tot de</al><al> arbeidsmarkt die wel het perspectief hebben dat zij met
                                        langere begeleiding weer inzetbaar </al><al> zijn in reguliere arbeid;</al></li><li nr="h."><al>detachering: werken in een betaalde baan bij een reguliere
                                        werkgever via een (sociaal) detacheringsbureau</al><al> van de overheid of via een derde;</al></li><li nr="i."><al>werkplekaanpassing: een voorziening die ingezet kan worden
                                        op de werkplek ten behoeve van een</al><al> werknemer met arbeidsbeperkingen, waardoor de werknemer in
                                        staat is zijn </al><al> werkzaamheden naar behoren uit te voeren;</al></li><li nr="j."><al>jobcoaching: het geheel aan ondersteunende activiteiten dat
                                        nodig is om arbeidsparticipatie van mensen met</al><al> een beperking op een specifieke werkplek optimaal en
                                        duurzaam te maken, waarbij het gaat om </al><al> activiteiten die overstijgend zijn aan het gebruikelijke
                                        inwerktraject van de werkgever en die na </al><al> het inwerken (nog) nodig zijn om de opgedragen taken te
                                        kunnen blijven uitvoeren.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling</titel></kop><al>Het college bevordert dat met betrekking tot het aanbieden van
                            ondersteuning, er sprake is van een gelijke aandacht voor de in artikel
                            7, lid 1, sub a, van de wet genoemde groepen alsmede voor een
                            evenwichtige verdeling binnen de te onderscheiden doelgroepen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2a</nr><titel>Derogatie</titel></kop><al>Op subsidies die op grond van deze verordening worden verstrekt, zijn de
                            bepalingen van de Algemene subsidieverordening Bergen op Zoom 2015 niet
                            van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Subsidie- of budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke</al><al> voorziening;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Overschrijding van het plafond als bedoeld in lid 1 en lid 2 vormt
                                een weigeringsgrond bij de aanspraak</al><al> op een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op loonkostensubsidie als bedoeld
                                in artikel 18 van deze verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Bijzondere bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op de verplichtingen die uit de wet en
                                deze verordening voortvloeien, aan een</al><al> voorziening nadere verplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan een voorziening deelneemt, zijn
                                        verplichtingen als bedoeld in artikel 9 en artikel 17
                                        van</al><al> de wet, artikel 13 en artikel 37 van de IOAW of artikel 13
                                        en artikel 37 van de IOAZ niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt, niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt, algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen</al><al> gebruik wordt gemaakt van een van de voorzieningen als in
                                        deze verordening genoemd, tenzij het betreft een </al><al> persoon als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, 2º, van de
                                        wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van</al><al> de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt, niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden</al><al> voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt, niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening</al><al> worden gesteld om in aanmerking te komen voor die
                                        voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in
                                hoofdstuk 4 van deze verordening nadere regels</al><al> stellen. Deze regels kunnen betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                        -vaststelling;</al></li><li nr="d."><al>de terugvordering van teveel betaalde
                                        loonkostensubsidies;</al></li></lijst><al>e. de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies;</al><lijst><li nr="f."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="g."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li><li nr="h."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Individuele omstandigheden</titel></kop><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen
                            voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen
                            van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op
                            zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                            werk. </al><al>Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar;</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Niet-uitkeringsgerechtigden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de re-integratie van niet uitkeringsgerechtigden gelden de
                                volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager dient zich voor minimaal 20 uur per week
                                        beschikbaar te stellen voor algemeen geaccepteerde</al><al> arbeid; b. de noodzaak voor ondersteuning dient aanwezig te
                                        zijn en wordt door het college vastgesteld; c. de
                                        ondersteuning dient te allen tijde gericht te zijn op
                                        uitstroom; d. de aanvrager is verplicht ingeschreven te
                                        staan als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzieningen als genoemd in de artikelen 12 en 16 van deze
                                verordening worden niet ingezet voor</al><al> niet-uitkeringsgerechtigden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen recht op ondersteuning bestaat voor de
                                niet-uitkeringsgerechtigde, indien sprake is van een
                                voorliggende</al><al> voorziening welke naar de mening van het college in voldoende mate
                                bijdraagt aan de re-integratie van de </al><al> aanvrager.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Vorm van ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen behorend tot de doelgroep een
                                proefplaatsing aanbieden indien de werkgever</al><al> bij wie deze proefplaatsing wordt gerealiseerd, aansluitend een
                                dienstverband in het vooruitzicht stelt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De proefplaatsing is bedoeld om de werknemer de vaardigheden te
                                leren die noodzakelijk zijn voor het verrichten</al><al> van de werkzaamheden in het aansluitende dienstverband.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de
                                uitvoering van de proefplaatsing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkstage gericht op arbeidsinschakeling
                                aanbieden als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon behoort tot de doelgroep; en</al></li><li nr="b."><al>de persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of
                                        ruime afstand tot de arbeidsmarkt heeft door</al><al> langdurige werkloosheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden</al><al> beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                waarop de werkstage wordt uitgevoerd en</al><al> de voorwaarden die hieraan worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale</al><al> activering, onder andere in de vorm van een activeringsplaats, voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig </al><al> moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen
                                gebruik meer wordt gemaakt van een</al><al> voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het vorige lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van</al><al> die persoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                waarop sociale activering wordt uitgevoerd en</al><al> de voorwaarden die hieraan verbonden worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de persoon die behoort tot de doelgroep scholing
                                of opleiding aanbieden die de toegang tot</al><al> de arbeidsmarkt bevordert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het vorige lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, lid 3, onderdeel a, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                waarop het scholingsinstrument wordt</al><al> toegepast en de voorwaarden die hieraan verbonden worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Detachering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de persoon die behoort tot de doelgroep een
                                dienstverband aanbieden in de vorm van een</al><al> detacheringsbaan, waarbij betrokkene voor het verrichten van de
                                werkzaamheden wordt geplaatst bij een derde. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                van uitvoering van deze detacheringsbaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar en ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a</al><al> van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke</al><al> overeenkomst die wordt ondertekend door het college en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat </al><al> verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie als bedoeld in artikel 10a, lid 6, van de wet bedraagt
                                telkens € 100,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een</al><al> lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige
                                mate van begeleiding op en aanpassingen van </al><al> de werkplek nodig heeft, dat van een reguliere werkgever
                                redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze </al><al> persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit personen uit de doelgroep een voorselectie en
                                wint bij het Uitvoeringsinstituut Werknemers-</al><al> verzekeringen advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in
                                een beschutte omgeving onder aangepaste </al><al> omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, lid 1, van de wet bedoelde werkzaamheden
                                mogelijk te maken, kan het college de volgende</al><al> ondersteunende voorzieningen inzetten: </al><lijst><li nr="a."><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                        werkomgeving;</al></li><li nr="b."><al>uitsplitsing van taken;</al></li><li nr="c."><al>aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                        arbeidsduur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk</al><al> de gemeente beschikbaar stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                                persoonlijke ondersteuning in de vorm van</al><al> jobcoaching aanbieden bij het verrichten van de aan die persoon
                                opgedragen taken in de vorm van structurele </al><al> begeleiding, als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in
                                staat is de aan hem door de werkgever opgedragen </al><al> taken te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                waarop jobcoaching wordt aangeboden,</al><al> alsmede de omvang, duur en kosten hiervan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt voor 2015 in aanmerking voor een no-riskpolis bij
                                het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor de desbetreffende werknemer een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van </al><al> de wetontvangt; en</al><al/></li><li nr="b."><al>de werknemer op een garantiebaan als bedoeld in de Wet
                                        banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten is geplaatst;
                                        en</al><al/></li><li nr="c."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is.</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt bij ziekte van de in het vorige lid
                                bedoelde werknemer een bedrag overeenkomstig artikel 29b
                                Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de
                                uitvoering van de no-riskpolis. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2016</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Incidentele loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een incidentele loonkostensubsidie verstrekken aan
                                werkgevers ten behoeve van bepaalde</al><al> specifieke doelgroepen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels op ten aanzien van:</al><lijst><li nr="a."><al>de specifieke doelgroepen waarvoor incidentele
                                        loonkostensubsidie kan worden verleend;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte en duur van de incidentele
                                        loonkostensubsidie;</al></li><li nr="c."><al>het recht op incidentele loonkostensubsidie in relatie tot
                                        de omvang van de dienstbetrekking;</al></li><li nr="d."><al>de wijze van betaalbaarstelling;</al></li><li nr="e."><al>het maximaal aantal te verstrekken incidentele
                                        loonkostensubsidies per werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De incidentele loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als
                                hierdoor de concurrentieverhoudingen niet</al><al> onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing van arbeid
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De incidentele loonkostensubsidie wordt niet verstrekt in combinatie
                                met structurele loonkostensubsidie voor</al><al> dezelfde werknemer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De incidentele loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de
                                werkgever op grond van een andere regeling</al><al> aanspraak kan maken op een financiële tegemoetkoming in verband met
                                de indiensttreding van de werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Structurele loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep van
                                de structurele loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in
                                        artikel 7, lid 1, sub a, van de wet;</al></li><li nr="b."><al>de persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen; en</al></li><li nr="c."><al>de persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van de vaststelling van de structurele
                                loonkostensubsidie stelt het college de loonwaarde van de</al><al> persoon als bedoeld in artikel 17 van deze verordening vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Conform hetgeen in het Regionaal Werkbedrijf West-Brabant is
                                afgesproken, wordt voor de vaststelling van de loonwaarde gebruik
                                gemaakt van de methodiek van het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen of de methodiek Talent 6.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Werkplekaanpassing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkgever, die met een persoon die behoort tot
                                de doelgroep een dienstbetrekking aangaat</al><al> van ten minste zes maanden, een vergoeding verstrekken voor de
                                eenmalige noodzakelijke kosten van </al><al> aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt
                                verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergoeding als bedoeld in het vorige lid wordt niet verstrekt,
                                indien op grond van een andere regeling een</al><al> vergoeding voor de kosten kan worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                van uitvoering van de voorziening als bedoeld</al><al> in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon behorend tot de doelgroep, een
                                vergoeding verstrekken voor noodzakelijke</al><al> kosten die zijn gemaakt in het kader van de
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op de in het vorige lid genoemde vergoeding bestaat,
                                indien een beroep gedaan kan worden</al><al> op een voorliggende voorziening die gezien aard en doel wordt
                                geacht voor de belanghebbende toereikend en </al><al> passend te zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de
                                vergoeding als vermeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Premie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de
                                arbeidsinschakeling kan de uitkeringsgerechtigde</al><al> een premie worden verstrekt van maximaal het bedrag als bedoeld in
                                artikel 31, lid 2, sub j, van de PW.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt in beleidsregels de voorwaarden voor het recht op
                                een dergelijke premie vast alsmede de hoogte</al><al> hiervan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Overige re-integratievoorzieningen</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de inzet van
                            andere dan de in deze verordening genoemde
                            re-integratievoorzieningen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Staatssteunbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Staatssteun</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als en voor zover de verstrekking van de voorzieningen aan de
                                werkgever staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 van het
                                Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geschiedt de
                                verstrekking op grond van:</al><al> a. hoofdstuk III, deel 6 van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van
                                de Commissie van 17 juni 201 aarbij </al><al> bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van
                                het Verdrag met de ie markt </al><al> verenigbaar worden verklaard; of</al><al> b. de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18
                                december 2013 betreffende de to ing </al><al> van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking
                                van de Europese Unie op de-</al><al> minimissteun.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als en voor zover de verstrekking van de voorzieningen aan de
                                werkgever staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 van het
                                Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wordt de
                                voorziening verstrekt onder de voorwaarde dat de begunstigde
                                onderneming een dossier bijhoudt aan de hand waarvan kan </al><al> worden geverifieerd of de verleende steun voldoet aan de
                                voorwaarden van de in lid 1 ge emde </al><al>t toegepaste verordeningen.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Door of namens het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                            belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening,
                            indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re-integratieverordening Wet</al><al> werk en bijstand 2012 behoudt deze voorziening voor de duur ervan,
                                alsmede voor zover en zolang aan de </al><al> opgelegde verplichtingen wordt voldaan, met een maximum van twaalf
                                maanden te rekenen vanaf 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het vorige lid bedoelde periode
                                besluiten de voorziening voort te zetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ”Re-integratieverordening
                            Participatiewet”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2015.</al></li><li nr="2."><al>De “Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012“,
                                    vastgesteld in de openbare vergadering van</al><al>222 december 2011, vervalt op 1 januari 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 17 december 2014.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>