<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR349793_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rijnwaarden</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP, 30-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, onderdeel d, Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>
      Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                
      Participatiewet
    </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Rijnwaarden; </al><al>overwegende dat op grond van artikel 60b van de Participatiewet de beslag
                        vrije voet gedurende 3 maanden buiten werking kan worden gesteld bij de
                        verrekening van de recidiveboete; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november
                        2014;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet; </al><al>gezien het advies van de cliëntenraad RSD de Liemers; </al><al>b e s l u i t:</al><al>I.De “Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                        Participatiewet” vast te stellen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="·"><al><cursief>beslagvrije voet:</cursief> beslagvrije voet als
                                    bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van
                                    Burgerlijke Rechtsvordering; </al></li><li nr="·"><al><cursief>recidiveboete:</cursief> bestuurlijke boete als bedoeld
                                    in artikel 18a, vijfde lid, van de Participatiewet; </al></li><li nr="·"><al><cursief>bezit</cursief><cursief>:</cursief> waarde van de
                                    bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of
                                    redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de
                                    woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel
                                    50, eerste lid, van de Participatiewet; </al></li><li nr="·"><al><cursief>verrekenen</cursief><cursief>:</cursief> verrekening
                                    als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de
                                    Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al><cursief>thuisinwonend kind</cursief>: de uitkeringsgerechtigde
                                    die bij zijn/haar ouder(s) inwoont. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                                het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                                een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de Participatiewet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het college de recidiveboete
                            met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot</al><al> huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin; of </al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verrekenen ingeval van thuisinwonend kind</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval de uitkeringsgerechtigde als een thuisinwonend kind
                                wordt aangemerkt, verrekent het college de recidiveboete zonder
                                inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in de artikelen 2, 3 en 4 is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Participatiewet, indien en voor zover deze boete nog niet is
                            betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive wordt met
                            ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in zijn openbare raadsvergadering van 16 december 2014</al><al/><al>De raad van de gemeente Rijnwaarden,</al></slotformulering><ondertekening>
          De griffier, voorzitter,
        </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>Algemeen deel </tussenkop><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking getreden. Voor de Wet werk en bijstand heeft deze wet
                    de bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht
                    geherintroduceerd. Het college van burgemeester en wethouders (verder college)
                    is verplicht de bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. Deze
                    verplichting is overgenomen in de Participatiewet. In beginsel moet bij deze
                    verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is
                    echter sprake van een bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het college
                    besluiten gedurende maximaal drie maanden met de beslagvrije voet te verrekenen. </al><al/><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                    ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. De
                    bevoegdheid kan op veel verschillende manieren worden ingevuld. Tot dusver is
                    nog geen enkele keer sprake geweest van een recidiveboete en is hetgeen in de
                    huidige verordening staat vermeld ook nog geen enkele keer toegepast. </al><al/><al>Destijds is bewust gekozen om de beslagvrije voet buitenwerking te stellen zoals
                    in de huidige verordening staat vermeld. Er is dan ook geen enkele aanleiding om
                    dit te wijzigen nu met ingang van 1 januari 2015 de Participatiewet wordt
                    ingevoerd en de Wet werk en bijstand komt te vervallen. </al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. </al><al/><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet
                    gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij
                    uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid, van de Participatiewet is geregeld dat het college die
                    de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende
                    tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op
                    dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke
                    verordening zijn vastgelegd.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste behoeven
                    geen nadere toelichting. </al><al/><al><cursief>Bezit</cursief><cursief>:</cursief>
          De verordening kent een
                    definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de waarde van) alle
                    bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden beschikken of
                    redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan uit geld als
                    op geld waardeerbare goederen. </al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
                    Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op
                    het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid,
                    van de Participatiewet zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die
                    vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt
                    te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan
                    beschikken, volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door
                    belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning. </al><al><cursief>Verrekenen</cursief><cursief>:</cursief>
          De Participatiewet
                    kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van Burgerlijke
                    Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte begripsbepaling
                    opgenomen in de verordening. </al><al/><tussenkop>Artikel 2. Verrekenen bij voldoende bezit </tussenkop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit </tussenkop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken
                    over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. </al><al/><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990. </al><al/><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het
                    volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden
                    kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden,
                    nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten. </al><al/><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r, van de Participatiewet worden vrijgelaten voor de
                    algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                    bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze
                    inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een
                    belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3. </al><al/><al>Wanneer belanghebbende geen gegevens verstrekt m.b.t. zijn/haar bezittingen,
                    wordt de beslagvrije voet gedurende drie maanden volledig buiten werking
                    gesteld.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet </tussenkop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4.
                    Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het college zal
                    moeten toetsen.</al><al/><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                    artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                    verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                    gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige
                    verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar
                    verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien. </al><al/><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het
                    woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende
                    redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake.
                    Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                    waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere
                    wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                    verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                    geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Verrekenen ingeval van thuisinwonend kind</tussenkop><al>In het geval de uitkeringsgerechtigde wordt aangemerkt als een thuisinwonend
                    kind, wordt de volledige uitkering verrekend met de boete gedurende een termijn
                    van 3 maanden. De reden hiervan is dat thuisinwonende kinderen geen huur,
                    energiekosten en water als vaste lasten hebben en er zodoende ook geen dreiging
                    is dat zij uit huis worden gezet dan wel worden afgesloten van gas, water of
                    licht.</al><al>Het feit of de uitkeringsgerechtigde al dan niet bezittingen heeft, is niet van
                    toepassing.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes </tussenkop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 6 dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn. </al><al/><tussenkop>Artikel 7. Intrekking oude verordening</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><tussenkop>Artikel 8. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><tussenkop>Artikel 9. Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>