<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR349632_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet Gilze en Rijen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gilze en Rijen</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gilze en Rijen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2014, nr. 68436, 26 november 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet Gilze en Rijen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet Gilze en Rijen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Agendapunt 8c.</al><al>Vergadering</al><al>d.d. 3 november 2014.</al><al><vet>DE RAAD VAN DE GEMEENTE GILZE EN RIJEN;</vet></al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 22 oktober;</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>besluit vast te stellen de</al><al><vet>Verordening tegenprestatie Participatiewet Gilze en Rijen
                        2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><cursief>M</cursief><cursief>antelzorg: </cursief>langdurige
                                    zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt
                                    geboden</al><al>aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe
                                    omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                                    sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor
                                    elkaar overstijgt. </al></li><li nr="b."><al><cursief>Tegenprestatie</cursief>: onbeloonde maatschappelijk
                                    nuttige activiteiten die worden verricht, eventueel naast of in
                                    aanvulling op beloonde arbeid, en die niet leiden tot
                                    verdringing op de arbeidsmarkt. De werkzaamheden hoeven niet te
                                    leiden tot het versterken van het arbeidsperspectief.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep en doel tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de doelgroep van de tegenprestatie behoren alle belanghebbenden
                                van 18 jaar of ouder, die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet
                                hebben bereik en die een uitkering ontvangen op grond van de
                                Participatiewet, IOAW of IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van het verrichten van een tegenprestatie is om
                                belanghebbenden vanuit het principe van wederkerigheid
                                maatschappelijk nuttige werkzaamheden te laten verrichten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt; </al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; </al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en </al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing. </al><al>2.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze
                                        verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke
                                        aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan
                                        aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden, inclusief de
                                        mogelijkheden om voor een vergoeding van extra kosten in
                                        aanmerking te komen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
                                </al></li><li nr="2."><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                    rekening met de volgende factoren: </al><lijst><li nr=""><al>a)de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                    door een belanghebbende;</al></li><li nr=""><al>b)de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van belanghebbende; </al></li><li nr=""><al>c)de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                    belanghebbende;</al></li><li nr=""><al>d)de maatschappelijke activiteiten of het vrijwilligerswerk dat
                                    door belanghebbende al wordt verricht. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>De tegenprestatie is kort van duur en beperkt in omvang. De individuele
                            omstandigheden van belanghebbende zijn hierbij bepalend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                            onredelijkheid of onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    tegenprestatie Participatiewet Gilze en Rijen 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare</ondertekening><ondertekening>vergadering van 3 november 2014.</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. J.W. Timmermans dr. A.J.W. Boelhouwer</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet Gilze en Rijen
                        2015 </titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>In artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet, in artikel 37 IOAW
                    en artikel 37 IOAZ is vastgelegd dat degenen die een uitkering ontvangen op
                    grond van deze wetten verplicht zijn om een maatschappelijk nuttige
                    tegenprestatie te verrichten. Deze activiteiten vinden plaats naast of in
                    aanvulling op reguliere arbeid. Daarnaast mogen deze activiteiten niet leiden
                    tot verdringing van de arbeidsmarkt. Vanaf de datum van melding is iedere
                    belanghebbende in de leeftijd van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde
                    leeftijd verplicht deze tegenprestatie naar vermogen te verrichten.</al><tussenkop>Individuele omstandigheden /Eigen kracht en maatwerk</tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te dragen tegenprestatie.
                    Uitgangspunt vormt de eigen kracht van het individu. Om deze reden worden
                    belanghebbenden in de gelegenheid gesteld zelf met een voorstel te komen voor
                    het invullen van de tegenprestatie. Lukt dit niet dan wordt de nodig
                    ondersteuning geboden.</al><al>Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                    nemen. Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het
                    een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet
                    voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem
                    verwacht wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><tussenkop>Geen tegenprestatie </tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele situaties tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De opdracht tot een tegenprestatie is niet van toepassing op
                    een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument </tussenkop><al>De plicht tot tegenprestatie is een middel om belanghebbenden maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden te laten verrichten in de samenleving als tegenprestatie
                    voor het ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft
                    niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen,
                    maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 4950). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard
                    niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als
                    re-integratieinstrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van
                    passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als
                    uitgangspunt geldt werk boven uitkering. </al><tussenkop>Verordeningsplicht </tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB (zoals opgenomen in de Participatiewet) legt de
                    gemeenteraad de verplichting op om bij verordening regels vast te stellen over
                    het opdragen van een tegenprestatie aan mensen met een bijstandsuitkering in de
                    leeftijd van 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze
                    verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b
                    Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud van de
                    tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). </al><tussenkop>Ontwikkelen beleid door college </tussenkop><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet. De kaders voor de uitvoering van het beleid zijn
                    neergelegd in de Implementatienota Participatiewet. Uitwerking daarvan vindt in
                    beleidsregels plaats.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al>Voor de definitie van mantelzorg is aangesloten bij artikel 1.1.1 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning 2015. </al><tussenkop>Artikel 2. Doelgroepen en doel tegenprestatie</tussenkop><al>Formulering spreekt voor zich en sluit aan bij wettelijke regeling en
                    gemeentelijke praktijk.</al><tussenkop>Artikel3. Inhoud van een tegenprestatie </tussenkop><al>Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van
                    de tegenprestatie. Het college past maatwerk toe bij het opdragen van een
                    tegenprestatie. Het college houdt rekening met de individuele omstandigheden van
                    belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante
                    persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar
                    vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de
                    werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr.
                    12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt
                    verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><tussenkop>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden </tussenkop><al>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van
                    aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de
                    tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de
                    reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en
                    onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en
                    van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid
                    worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><tussenkop>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </tussenkop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                    additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                    werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze verordening
                    genoemde voorwaarden. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste
                    kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis
                    (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al>In de beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden in ieder
                    geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 2, tweede lid, van deze
                    verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel 2, eerste lid, van
                    deze verordening gestelde voorwaarden. </al><tussenkop>Samenwerking met maatschappelijke organisaties: </tussenkop><al>Om ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    voorhanden zijn onderhoudt het college contact met verschillende
                    maatschappelijke organisatie, maar zet bijvoorbeeld ook het project
                    WoonZorgService in de Wijk en het VrijwilligersInformatiePunt in.</al><al>In algemene zin wordt er steeds naar gestreefd de tegenprestatie zoveel als
                    mogelijk ‘om de hoek’ te organiseren. Ook hierbij geldt maatwerk. Mocht er
                    lokaal niets voorhanden zijn, dan wordt over de gemeentegrens heen gekeken.</al><tussenkop>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </tussenkop><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het betreft
                    werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en
                    die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere
                    werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering
                    staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr.
                    3, p. 14). </al><tussenkop>Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie </tussenkop><al>Het college hanteert het uitgangspunt dat iedereen in beginsel aangesproken
                    wordt op het leveren van een tegenprestatie. De afgelopen jaren hebben ook
                    geleerd dat het opleggen van een verplichting niet nodig is. Juist het gesprek
                    om met elkaar opzoek te gaan naar een best passende opdracht biedt vertrouwen en
                    geeft energie. Om die reden ziet het college af van het opleggen van
                    verplichtingen en het opleggen van sancties. Tegelijkertijd blijft het college
                    investeren in het steeds verder uitrollen van het leveren van een tegenprestatie
                    door bijstandsgerechtigden.</al><tussenkop>Geen tegenprestatie </tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk afzien van afspraken over de te
                    leveren tegenprestatie. Het verrichten van een tegenprestatie is niet van
                    toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is,
                    als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                    (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De verplichting tot
                    tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het
                    bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                    Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al>In de afgelopen jaren is er niemand die een leveren van een tegenprestatie heeft
                    geweigerd. Het opzetten van een sanctieregime schiet dan ook naar het oordeel
                    van het college zijn doel voorbij.</al><tussenkop>Factor: tegenprestatie 'naar vermogen' </tussenkop><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                    door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft
                    betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze
                    werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><tussenkop>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                    belanghebbende </tussenkop><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                    persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                    waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een
                    belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college
                    maatwerk te leveren. </al><al>Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met
                    praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of
                    belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht. </al><tussenkop>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende </tussenkop><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                    rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                    regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de
                    keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende
                    draagt zelf ideeën aan voor het invullen van de tegenprestatie. Ook hier is de
                    zelfredzaamheid en eigen kracht van de cliënt het uitgangspunt . In zijn
                    beslissing sluit het college hierbij (zoveel mogelijk) aan. Uiteraard moet die
                    werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 van deze
                    verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college is niet
                    gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel in
                    de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het
                    college belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur
                    kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid
                    op. Het is immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een
                    tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. </al><tussenkop>Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                    belanghebbende </tussenkop><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening
                    met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een
                    maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde gevallen
                    besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook
                    kan de omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit
                    verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen
                    van de tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                    voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een
                    gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en
                    houdt daarbij rekening met de duur en omvang. </al><tussenkop>Artikel 5. Duur en omvang van een tegenprestatie </tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. </al><tussenkop>Individuele omstandigheden </tussenkop><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                    belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                    betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in
                    welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    30). </al><tussenkop>Artikel 6. Mantelzorg </tussenkop><al>Artikel 6 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen
                    indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het verrichten
                    hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid
                    uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet
                    maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).</al><al>Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip
                    mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een
                    belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten
                    van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het
                    college een belanghebbende geen tegenprestatie op (artikel 5 van deze
                    verordening). </al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Slotbepalingen</tussenkop><al>Artikelen behoeven geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>