<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR349410_1</dcterms:identifier><dcterms:title>BEZOLDIGINGSREGELING GEMEENTE MAASSLUIS 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Maassluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Maassluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.maassluis.nl en www.overheid.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bezoldigingsregeling gemeente Maassluis 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">CAR UWO, artikel 3:1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Gemeenteblad 2014-74</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-24061</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>BEZOLDIGINGSREGELING GEMEENTE MAASSLUIS 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>vastgesteld door B&amp;W op 23 december 2014 en </al><al>de werkgeverscommissie op … december 2014</al><al>overeenstemming met GO op 2 december 2014</al><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis en de
                        werkgeverscommissie van de gemeenteraad van Maassluis</al><al>gelezen het voorstel van de afdeling Algemene Zaken van 18 december
                        2014;</al><al>overwegende dat het wenselijk is om de bestaande bezoldigingsverordening te
                        actualiseren;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 3:1 van de CAR-UWO;</al><al>gelet op de instemming van de commissie voor georganiseerd overleg;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de navolgende</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>medewerker: de ambtenaar zoals omschreven in de
                                        CAR-UWO;</al></li><li nr="b."><al>werkgever: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Maassluis en in geval van de griffie de
                                        werkgeverscommissie van de gemeenteraad van Maassluis.</al></li><li nr="c."><al>betrekking: het samenstel van werkzaamheden, waarmee de
                                        medewerker door of namens het college is belast en zoals
                                        vastgesteld in de functiebeschrijving;</al></li><li nr="d."><al>salarisschaal: de opklimmende reeks van bedragen, zoals
                                        opgenomen in Bijlage I behorende bij deze regeling;</al></li><li nr="e."><al>persoonlijke schaal: de salarisschaal gelegen direct boven
                                        de voor de functie geldende salarisschaal;</al></li><li nr="f."><al>salaris: het voor de medewerker geldende bedrag binnen de
                                        voor zijn betrekking toepasselijke salarisschaal;</al></li><li nr="g."><al>salaris per uur: 1/156 deel van het salaris bij een werktijd
                                        van gemiddeld 36 uren per week;</al></li><li nr="h."><al>volledige werktijd: een werktijd van gemiddeld 36 uren per
                                        week;</al></li><li nr="i."><al>bezoldiging: de som van het salaris en de toelagen, waarop
                                        de medewerker ingevolge deze regeling aanspraak heeft;</al></li><li nr="j."><al>minimumsalaris: het laagste bedrag van een
                                        salarisschaal;</al></li><li nr="k."><al>periodieke verhoging: het verschil tussen twee opeenvolgende
                                        salarisbedragen;</al></li><li nr="l."><al>maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal,
                                        exclusief de eventuele uitloopverhoging;</al></li><li nr="m."><al>dagvenster: de werktijd op maandag tot en met vrijdag tussen
                                        07:00 en 22:00 uur;</al></li><li nr="n."><al>buitendagvensterarbeid: werkzaamheden door de medewerker in
                                        dienstopdracht verricht buiten het dagvenster;</al></li><li nr="o."><al>overwerk: werkzaamheden door de medewerker in dienstopdracht
                                        verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;</al></li><li nr="p."><al>standaardregeling: de regeling zoals omschreven in artikel
                                        4:2 van de CAR-UWO;</al></li><li nr="q."><al>bijzondere regeling: de regeling zoals omschreven in artikel
                                        4:3 van de CAR-UWO;</al></li><li nr="r."><al>dienstreis: een tijdelijke verplaatsing in opdracht van de
                                        werkgever teneinde arbeid te verrichten buiten de plaats van
                                        tewerkstelling.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aanspraak bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op bezoldiging vangt aan op de datum waarop de
                                aanstelling, dan wel de arbeidsovereenkomst van de medewerker in
                                gaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op bezoldiging eindigt met ingang van de dag, waarop het
                                ontslag van de medewerker in gaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Betaling en berekening bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bezoldiging wordt eens per kalendermaand aan de medewerker
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de bezoldiging of een onderdeel daarvan moet worden berekend
                                over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per maand
                                vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal sociale
                                verzekeringsdagen van die maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het bepaalde in de vorige leden kan worden afgeweken, indien
                                hiertoe naar het oordeel van het college op grond van bijzondere
                                omstandigheden aanleiding bestaat.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Bepalingen inzake het salaris</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bepaling salarisschaal betrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zwaarte van een betrekking wordt vastgesteld met behulp van een
                                systeem van functiewaardering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met inachtneming van de resultaten van functiewaardering wordt voor
                                een betrekking door of vanwege het college een salarisschaalindeling
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in lid 1 en 2 kan door het college
                                voor nader te noemen betrekkingen een vaste salarisschaal worden
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de uitvoering van
                                functiewaardering en de hierbij te hanteren methode.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vaststelling salarisschaal/-bedrag medewerker</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van de zwaarte van de betrekking en het
                                functioneren van de medewerker, alsmede de interne
                                salarisverhoudingen, wordt de medewerker voor zijn salariëring
                                ingedeeld in een voor zijn betrekking toepasselijke
                                salarisschaal.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het salarisbedrag binnen een salarisschaal wordt vastgesteld op de
                                wijze zoals in deze regeling is omschreven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vaststelling aanvangssalaris</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij aanvaarding van een betrekking wordt het salaris van een
                                    medewerker bepaald op het minimumsalaris van de voor hem
                                    geldende salarisschaal.</al></li><li nr="2."><al>Door of vanwege het college kan van het bepaalde in het vorige
                                    lid worden afgeweken middels de toekenning van een hoger
                                    salarisbedrag, indien hiertoe aanleiding bestaat.</al></li><li nr="3."><al>Het salaris van een medewerker met een niet volledige werktijd
                                    wordt bepaald op een evenredig deel van het salaris bij een
                                    volledige werktijd.</al></li><li nr="4."><al>Wanneer de medewerker niet aan de functie-eisen voldoet of er
                                    nog geen juist beeld is van zijn wijze van functioneren, kan hij
                                    worden aangesteld in de salarisschaal gelegen direct onder de
                                    voor zijn betrekking toepasselijke salarisschaal.</al></li><li nr="5."><al>Het salaris van de medewerker als bedoeld in het vorige lid
                                    wordt bepaald conform de voor zijnbetrekking toepasselijke
                                    salarisschaal, zodra hij voldoet aan de functie-eisen en de
                                    functie volledig </al><al> en voldoende vervult.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijziging salarisbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij voldoende functioneren wordt het salaris van de medewerker
                                binnen de salarisschaal periodiek verhoogd tot het naast hogere
                                salarisbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze periodieke verhogingen worden toegekend op 1 januari van elk
                                jaar, voor zover de medewerker het maximumsalaris van de voor hem
                                geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de medewerker is aangesteld op of na 1 juli van enig jaar,
                                vindt de periodieke verhoging voor het eerst plaats op 1 januari van
                                het tweede jaar volgend op het jaar van aanstelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijziging salarisschaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer voor de medewerker een salarisschaal gaat gelden met een
                                hoger maximumsalaris, wordt het nieuwe salaris vastgesteld op het
                                naast hogere bedrag in de nieuwe salarisschaal plus een extra
                                periodiek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de medewerker die nog niet het maximum salarisbedrag van de
                                voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, wordt het bepaalde in
                                de vorige volzin eerst toegepast nadat rekening is gehouden met de
                                jaarlijkse periodieke verhoging als bedoeld in artikel 7.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In die specifieke gevallen waarbij bij een wijziging van de
                                salarisschaal het recht op een toelage komt te vervallen en dit
                                ertoe leidt dat het verschil tussen het nieuwe en het oude salaris
                                van de medewerker niet overeenkomt met het hiervoor gestelde, dan
                                behoudt de medewerker het recht op dat deel van de toelage waardoor
                                het verschil tussen het oude en nieuwe salaris wel overeenkomt met
                                de regels, zoals hiervoor gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bevriezing salarisbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij onvoldoende functioneren van de medewerker kan door of vanwege
                                het college worden bepaald dat een salarisverhoging als bedoeld in
                                artikel 7 achterwege wordt gelaten. Dit besluit kan slechts worden
                                genomen op basis van een formele personeelsbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een besluit tot toepassing van het eerste lid en van een besluit
                                tot voortzetting daarvan wordt de medewerker zo spoedig mogelijk en
                                in ieder geval één maand voor de datum waarop regulier de
                                salarisverhoging zou ingaan schriftelijk, onder opgaaf van redenen,
                                mededeling gedaan, doch niet dan nadat hij in de gelegenheid is
                                gesteld zijn visie ter zake kenbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zolang ten aanzien van de medewerker lid 1 toepassing vindt, wordt
                                jaarlijks opnieuw bezien in hoeverre er gerede aanleiding is deze
                                toepassing voort te zetten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Door of vanwege het college kan worden bepaald dat de
                                salarisverhoging, die met toepassing van lid 1 achterwege is
                                gelaten, al dan niet met terugwerkende kracht, alsnog worden
                                toegekend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Buitendagvensterarbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De medewerker op wie de standaardregeling van toepassing is, heeft
                                recht op een buitendagvenstervergoeding overeenkomstig artikel 3:8
                                van de CAR-UWO.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De medewerker met een voor zijn betrekking toepasselijke
                                salarisschaal van 11 of hoger heeft geen recht op een
                                buitendagvenstervergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Overwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De medewerker op wie de bijzondere regeling van toepassing is heeft
                                recht op een vergoeding voor overwerk overeenkomstig artikel 3:2:1
                                van de CAR-UWO.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding voor de medewerker met een voor zijn betrekking
                                toepasselijke salarisschaal van 11 of hoger bestaat uitsluitend uit
                                verlof gelijk aan het aantal uren/minuten van het overwerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Maaltijdvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De medewerker op wie de bijzondere regeling van toepassing is en die
                                een voor zijn betrekking toepasselijke salarisschaal lager dan 11
                                heeft, alsmede de medewerkers van de griffie hebben recht op een
                                maaltijdvergoeding, onder de navolgende voorwaarden. </al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het overwerk na bedrijfstijd op één dag ten minste 2
                                        uur bedraagt en het dienstbelang niet toelaat dat de
                                        werknemer zijn maaltijd op de hiervoor bestemde tijd en op
                                        de voor hem gebruikelijke plaats nuttigt;</al></li><li nr="b."><al>wanneer de medewerker aansluitend op een gewerkte middag
                                        voor de avondopenstelling door zijn leidinggevende is
                                        ingeroosterd en daarom tijdens de avondopenstelling moet
                                        werken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maaltijdvergoeding bij overwerk, bedoeld in lid 1 onder a van dit
                                artikel, of bij de avondopenstelling, bedoeld in lid 1 onder b,
                                bedraagt ten hoogste € 10,00. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de declaratie van de maaltijdvergoeding moet het
                                “declaratieformulier maaltijdvergoeding” worden gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De maaltijdvergoeding kan uitsluitend worden toegekend wanneer een
                                bewijs van betaling wordt overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dienstreizen binnenland worden in de regel per openbaar vervoer
                                    gemaakt, waaronder begrepen vervoer per trein, bus, tram, metro
                                    of treintaxi.</al></li><li nr="2."><al>Indien de dienstreis niet of niet doelmatig per openbaar vervoer
                                    kan worden gemaakt, kan de werknemer voor de dienstreis gebruik
                                    maken van de eigen auto.</al></li></lijst><al>3. a. Alle reiskosten die in verband met de dienstreis zijn gemaakt per
                            openbaar vervoerworden vergoed op basis van vervoer per 1e klasse.</al><lijst><li nr="b."><al>Voor het gebruik van de eigen auto ontvangt de medewerker een
                                    vergoeding conform hetdoor de Minister van Financiën
                                    vastgestelde maximale bedrag voor zakelijke reizen.</al></li><li nr="4."><al>De tijdens een dienstreis noodzakelijke verblijfkosten worden
                                    vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, lid 1 onder a
                                    t/m d en lid 2 van de door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                    Koninkrijksrelaties vastgestelde Reisregeling Binnenland, een en
                                    ander ter beoordeling van het college en onder overlegging van
                                    de vereiste bewijsstukken. De richtlijn die gehanteerd wordt
                                    zijn in overeenstemming met de bedragen zoals de minister in de
                                    Reisregeling heeft vastgelegd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Toelagen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onregelmatige werktijden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de medewerker op wie de bijzondere regeling van toepassing
                                    is, met een voor zijn betrekking toepasselijke salarisschaal van
                                    10a of lager en die, anders dan bij wijze van overwerk, geregeld
                                    of vrij geregeld volgens rooster arbeid verricht op andere
                                    tijden dan op de werkdagen maandag tot en met vrijdag tussen
                                    08:00 en 18:00 uur, wordt een toelage toegekend.</al></li><li nr="2."><al>De toelage als bedoeld in het eerste lid bedraagt per gewerkt
                                    uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris
                                    per uur en wel: </al><al>a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 06:00
                                    en 08:00 uur en tussen 18:00 en 22:00 uur; </al><al>b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 00:00
                                    en 06:00 uur en tussen 22:00 en 24:00 uur, alsmede op
                                    zaterdagen; c. 65% voor de uren op zondagen en daarmede
                                    ingevolge de CAR-UWO gelijkgestelde dagen,</al></li></lijst><al>met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten
                            hoogste een bedrag, gelijk aan het 1/156 deel van het salaris horende
                            bij het maximum van salarisschaal 7 van vermeld in de bijlagen van de
                            CAR. </al><lijst><li nr="3."><al>Voor de in het vorige lid onder a genoemde morgen- en avonduren
                                    wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is
                                    aangevangen voor 07:00 uur, respectievelijk is beëindigd nà
                                    19:00 uur.</al></li><li nr="4."><al>In bijzondere gevallen kan het college ten aanzien van bepaalde
                                    groepen van ambtenaren een regeling treffen welke het bepaalde
                                    in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt zonder dat aan het
                                    karakter van de toelage afbreuk wordt gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bezwarende werkomstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een betrekking een toelage verbinden, indien een
                                betrekking wordt verricht onder bezwarende werkomstandigheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage is een vast bedrag per maand en bedraagt 3% van het
                                maximum van salarisschaal 8.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Bereikbaarheid- en beschikbaarheiddienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar die zich ten behoeve van de storingsdienst en/of de
                                gladheidbestrijding bereikbaar en beschikbaar dient te houden, wordt
                                een toelage toegekend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage is een vast bruto bedrag, gerelateerd aan het maximum van
                                salarisschaal 8, en wel: </al><al>a. 7,5% per week beschikbaarheid voor de storingsdienst; </al><al>b. 3,0% per week beschikbaarheid voor de gladheidbestrijding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen die het
                                bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bedrijfshulpverlening en EHBO</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De medewerker, die door of namens het college is aangewezen als
                                bedrijfshulpverlener als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998
                                en naast zijn normale werkzaamheden de bedrijfshulpverleningstaken
                                naar behoren heeft vervuld, ontvangt - tot wederopzegging - een
                                toelage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in lid 1 bedoelde toelage is vastgesteld op € 18,33 bruto per
                                maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De medewerker die door of namens het college is aangewezen als
                                EHBO-er ontvangt eenzelfde toelage als bedoeld in lid 1<sup/>en lid
                                2.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de in lid 1 genoemde toelage komt niet in aanmerking de
                                medewerker in wiens functie bedrijfshulpverleningstaken zijn
                                begrepen en als zo nodig mede bepalend zijn geweest voor de
                                vaststelling van de salarisschaal.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Afbouw toelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de medewerker wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn
                                toedoen beëindigen of verminderen van de toelage als bedoeld in de
                                artikelen 14, 15 en 16, een blijvende verlaging ondergaat van
                                tenminste 3%, wordt een aflopende toelage toegekend, indien hij
                                eerstgenoemde toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van
                                vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste
                                twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de medewerker van 60 jaar of ouder wiens bezoldiging, als gevolg
                                van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de toelage
                                wegens onregelmatige dienst, een blijvende verlaging ondergaat,
                                wordt een blijvende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde
                                toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde
                                beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste tien jaren
                                zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de
                                medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor
                                de aanvang van die toelage, gedurende tenminste tien jaren zonder
                                wezenlijke onderbreking een toelage wegens onregelmatige werktijden
                                heeft genoten, over in een blijvende toelage, bedoeld in het vorige
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van de vorige leden wordt onder wezenlijke
                                onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ter bepaling van de duur en de omvang van de in dit artikel genoemde
                                toelagen wordt de toepassing gegeven aan de ter zake voor het
                                rijkspersoneel geldende voorschriften.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Instrumenten van flexibele beloning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Gratificatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de medewerker een zeer goede individuele prestatie heeft
                                geleverd, kan aan hem een gratificatie worden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de gratificatie bedraagt maximaal € 2.000,00 bruto
                                conform de criteria genoemd in bijlage 1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Groepsgratificatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een groep medewerkers die een zeer goede collectieve prestatie
                                heeft geleverd, kan een groepsgratificatie worden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de groepsgratificatie bedraagt per persoon maximaal €
                                2000,00 bruto conform de criteria genoemd in bijlage 1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Extra periodieke verhoging van het salaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de medewerker die het maximum van de voor hem geldende
                                salarisschaal nog niet heeft bereikt, kan een extra periodieke
                                salarisverhoging tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, niet
                                uitgaande boven het maximumsalaris, worden toegekend op grond van
                                een zeer goede vervulling van de betrekking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de medewerker die het maximum van de voor hem geldende
                                salarisschaal nog niet heeft bereikt, kunnen twee extra periodieke
                                salarisverhogingen tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, niet
                                uitgaande boven het maximumsalaris, worden toegekend op grond van
                                een uitstekende vervulling van de betrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de toepassing van het vorige lid blijft het tijdstip waarop
                                ingevolge artikel 7, lid 2 een salarisverhoging wordt toegekend
                                onverlet, tenzij anders wordt bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Persoonlijke toelage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Behoudens het hiervoor bepaalde bij de artikelen 7 en 21 kan,
                                    met toepassing van artikel 3:7:8 van de CAR-UWO, een
                                    buitengewone salarisverhoging in de vorm van een persoonlijke
                                    toelage worden toegekend aan de medewerker die het maximum van
                                    de voor zijn functie geldende salarisniveau heeft bereikt en
                                    derhalve niet reeds heeft overschreden.</al></li><li nr="2."><al>De medewerker die het maximum van de voor hem geldende
                                    salarisschaal heeft bereikt, en die noch dit niveau heeft
                                    overschreden, noch aanspraak kan maken op enige (structurele)
                                    salarisverhoging en zonder dat taakaanpassing of (her)plaatsing
                                    in een functie van een hoger functieniveau aan de orde is, kan
                                    in aanmerking komen voor een persoonlijke toelage van maximaal 3
                                    extra periodieke salarisverhogingen.</al></li><li nr="3."><al>De eerste extra periodieke verhoging kan niet eerder worden
                                    toegekend dan nadat de medewerker 2 jaar op het maximum staat
                                    van het voor hem geldende salarisniveau en er sprake is van een
                                    ‘zeer goede’ functievervulling. Voor de medewerker van wie het
                                    salaris is vastgesteld overeenkomstig schaal 6 of lager dient
                                    sprake te zijn van een ‘goede’ functievervulling teneinde een
                                    extra periodieke verhoging toegekend te kunnen krijgen.</al><al/></li></lijst><al>De tweede extra periodieke verhoging kan eerst na een wachttijd van 2
                            jaar na de eerste extra periodieke verhoging worden toegekend en voor
                            zover er sprake is van een goede functievervulling.</al><al>De derde extra periodieke verhoging kan eerst na een wachttijd van 2
                            jaar na de tweede extra periodieke verhoging worden toegekend en voor
                            zover er sprake is van een normale functievervulling.</al><al/><lijst><li nr="4."><al>De in het vorige lid aangehaalde extra periodieke verhogingen
                                    bedragen maximaal driemaal een periodieke salarisverhoging in
                                    het naast hogere salarisniveau van de betrokken medewerker,
                                    waarbij het maximum salaris van dat naast hogere salarisniveau
                                    niet mag worden overschreden. Dit lid geldt niet voor de
                                    medewerker van wie het salaris is vastgesteld overeenkomstig
                                    schaal 6 of lager.</al></li><li nr="5."><al>Indien de medewerker in een functie wordt geplaatst met een
                                    hoger functieniveau, vervalt de in de oude functie toegekende
                                    persoonlijke toelage met ingang van de datum waarop het salaris
                                    in de nieuwe functie feitelijk gelijk is aan of hoger is dan het
                                    salaris plus de persoonlijke toelage in de oude functie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Persoonlijke schaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De persoonlijke schaal is uitsluitend bestemd voor de medewerker die
                                het maximum van de voor zijn betrekking toepasselijke salarisschaal
                                heeft bereikt en die blijk geeft de functie in alle opzichten
                                volledig te vervullen. Om hiervoor in aanmerking te komen moet
                                sprake zijn van bijzondere omstandigheden die niet in andere
                                artikelen worden genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de medewerker reeds een toelage ontvangt op grond van artikel
                                22, kan hij eveneens in aanmerking komen voor de toekenning van een
                                persoonlijke schaal, voor zover het totaal van het salaris en de
                                toelage niet uitgaan boven het maximum van de naast hogere volledige
                                schaal ten opzichte van de functionele schaal.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De persoonlijke schaal wordt bij uitzondering en slechts in
                                zwaarwegende gevallen toegekend, uitsluitend ter beoordeling aan de
                                algemeen directeur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de medewerker in een functie wordt geplaatst met een hoger
                                functieniveau, vervalt de in de oude functie toegekende persoonlijke
                                schaal met ingang van de datum waarop het salaris in de nieuwe
                                functie feitelijk gelijk is aan of hoger is dan het salaris plus de
                                persoonlijke schaal in de oude functie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>52-jarigen maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De medewerker, die op 1 januari van een bepaald jaar 52 jaar of
                                ouder is en voor zover hij niet reeds boven de voor zijn betrekking
                                toepasselijke salarisschaal bezoldigd wordt, kan in aanmerking komen
                                voor een persoonlijke toelage van maximaal 3 extra periodieke
                                salarisverhogingen en voor zover, op basis van een formele
                                personeelsbeoordeling, sprake is van een normale functievervulling.
                                Het bepaalde in artikel 22, lid 4, is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eerste periodieke verhoging kan niet eerder worden toegekend dan
                                nadat de ambtenaar 3 jaar op het maximum staat van het voor hem
                                geldende salarisniveau; de tweede en derde toe te kennen periodieke
                                salarisverhogingen kunnen eerst worden toegekend na tussenpozen van
                                12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het tweede lid genoemde periode van 3 jaar is niet van
                                toepassing indien het salaris van de medewerker aan wie een
                                periodieke salarisverhoging als bedoeld in lid 1 is toegekend wordt
                                gewijzigd op grond van artikel 8, lid 1.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Toekenning van de in dit artikel bedoelde toelage vindt steeds
                                plaats op het in artikel 7, lid 2 genoemde tijdstip en conform de
                                criteria als genoemd in bijlage 1.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De medewerker die het maximum van de voor zijn functie geldende
                                salarisniveau heeft bereikt en die tevens daarbij een door het
                                college toegekende persoonlijke toelage ontvangt, kan eveneens in
                                aanmerking komen voor de toekenning van de genoemde extra periodieke
                                verhogingen, voor zover het totaal van de persoonlijke toelage en de
                                extra toe te kennen periodieke verhogingen niet uitgaan boven het
                                verschil tussen het maximum van de voor zijn betrekking
                                toepasselijke salarisschaal en dat van de daaropvolgende
                                schaal.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Dit artikel is alleen van toepassing op de medewerker die op 1
                                januari 2010 in dienst is bij de gemeente Maassluis en op die datum
                                47 jaar of ouder is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een medewerker of een groep van medewerkers kan om redenen van
                                werving of behoud onder nader te bepalen voorwaarden hetzij een
                                toelage, hetzij een bindingspremie worden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend voor een
                                tevoren vastgestelde periode van maximaal 3 jaren. Deze periode kan
                                telkens voor maximaal 3 jaren worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toelage bedraagt per maand ten hoogste
                                10% van zijn salaris doch nooit meer dan het verschil tussen dit
                                salaris en het maximumsalaris dat hij zou hebben genoten in de naast
                                hogere salarisschaal. De toelage wordt in de regel maandelijks
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde bindingspremie wordt toegekend en
                                uitbetaald na een tevoren vastgestelde periode van tenminste 3
                                jaren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde bindingspremie bedraagt ten hoogste
                                10% van zijn salaris over de in het vierde lid bedoelde periode doch
                                nooit meer dan het verschil tussen dit salaris en het maximumsalaris
                                dat hij over die periode in de naast hogere salarisschaal zou hebben
                                genoten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat aan de medewerker die niet heeft kunnen
                                voldoen aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden door een niet
                                aan hemzelf te wijten oorzaak de toelage, onderscheidenlijk
                                bindingspremie gedeeltelijk wordt toegekend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels
                                vaststellen en bepalen welke groepen van medewerkers aan wie de in
                                het eerste lid bedoelde toelage en bindingspremie kan worden
                                toegekend nadat hierover overleg heeft plaatsgevonden met de
                                vakorganisaties van overheidspersoneel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Nadere regels instrumenten flexibele beloning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het toekennen van een flexibele beloning als bedoeld in de artikelen
                                21 tot en met 25 geschiedt op basis van een formele
                                personeelsbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent de toepassing van de
                                hoogte van instrumenten van flexibele beloning als bedoeld in de
                                artikelen 19 tot en met 25.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Geen afbouwregeling</titel></kop><al>Bij het beëindigen van de flexibele beloning als bedoeld in de artikelen
                            22, 24 en 25 wordt geen afbouwregeling toegepast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>12½-jarig jubileum</titel></kop><al>Aan de medewerker die gedurende 12½ jaar een betrekking bij de overheid
                            heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met een
                            kwart van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de medewerker
                            in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. Deze gratificatie wordt
                            bruto uitgekeerd. Voor de overige ambtsjubilea wordt de CAR-UWO gevolgd.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VII</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Hardheidsbepaling</titel></kop><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar redelijkheid
                            voorziet kan het college afwijkend beslissen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling kan worden aangehaald als "Bezoldigingsregeling
                                    gemeente Maassluis 2015" en treedt in werking op 1 januari 2015.
                                    Vanaf de inwerkingtredingdatum van deze regeling vervalt de
                                    ‘Bezoldigingsregeling gemeente Maassluis 2010’.</al></li><li nr="2."><al>Wijzigingen op deze regeling treden in werking op de eerste dag
                                    van de maand nadat het college deze heeft vastgesteld.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van
                        Maassluis,</ondertekening><ondertekening>de secretaris de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>mr. A.J.T. Korthout drs. J.A. Karssen </ondertekening><ondertekening>en de werkgeverscommissie van de gemeenteraad van Maassluis,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>S.B. Kuiper</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Artikel 25 Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie </tussenkop><al>Om kwalitatief goed en gemotiveerd personeel te hebben en te houden is het voor
                    de gemeente van belang zich als een aantrekkelijke werkgever op de arbeidsmarkt
                    te positioneren. Uit onderzoek blijkt dat de aantrekkelijkheid van de werkgever
                    bij de overheid in sterke mate wordt bepaald door de inhoud van het werk en de
                    loopbaanperspectieven. Ook het salaris en andere arbeidsvoorwaarden zijn
                    belangrijk. Soms zijn er specifieke voorzieningen nodig om de
                    arbeidsmarktpositie te verbeteren. </al><al>In de beloningssfeer kan daarbij worden gedacht aan de toekenning van een
                    arbeidsmarkttoelage of een bindingspremie. Zij kunnen worden gericht op
                    specifieke beroepsgroepen, voor de vervulling van functies die, gelet op de
                    schaarste op de arbeidsmarkt, moeilijk vervulbaar zijn en op het behoud van
                    gekwalificeerd personeel in dergelijke functies. De arbeidsmarkttoelage en de
                    bindingspremie zullen daarom doorgaans worden toegekend aan een groep van
                    medewerkers die door het college (lees: de directie) is aangewezen. Daarover
                    maken zij afspraken met de vakorganisaties in het Georganiseerd Overleg. Artikel
                    23 biedt daarnaast de ruimte voor individueel maatwerk. Ook aan een individuele
                    medewerker kan, als daartoe op grond van arbeidsmarktoverwegingen aanleiding
                    bestaat, een arbeidsmarkttoelage of een bindingspremie worden toegekend.</al><al>De arbeidsmarkttoelage wordt toegekend in aanvulling op het salaris en wordt dus
                    in de regel maandelijks betaald voor een tevoren bepaalde periode. De
                    bindingspremie is een eenmalige uitkering die wordt toegekend na afloop van een
                    vooraf bepaalde periode. Als</al><al>de betrokken medewerker korter blijft krijgt hij in beginsel niets. De periode
                    waarvoor de ambtenaar zich bindt moet, om in aanmerking te komen voor een
                    bindingspremie, tenminste 3 jaar zijn.</al><al>De bindingspremie is geen toelage en is dan ook geen onderdeel van de
                    bezoldiging. De arbeidsmarkttoelage is wel onderdeel van de bezoldiging. Zij kan
                    voor maximaal 3 jaar worden toegekend. Als de arbeidsmarkt daartoe aanleiding
                    geeft kan de toelage worden verlengd, telkens voor maximaal 3 jaar. De
                    arbeidsmarkttoelage bedraagt maximaal 10% van het salaris. Het salaris met de
                    toelage mag echter nooit uitkomen boven het maximum salaris van de naast hogere
                    salarisschaal. Een soortgelijke maximering geldt ook voor de
                    bindingspremie.</al><al>Aan de arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie kan het college nadere
                    voorwaarden verbinden. Daartoe kan het nadere regels vaststellen in overleg met
                    de vakorganisaties in het Georganiseerd Overleg. Gedacht kan worden aan gronden
                    voor intrekking van de toelage en premie, bijvoorbeeld bij aanvaarding van een
                    andere functie, aan een terugbetalingsplicht van de toelage bij tussentijds
                    vertrek of aan tijdelijke opschorting van de toelage bij langdurig verlof e.d.
                    Het zesde lid biedt ruimte om toch de toelage of premie gedeeltelijk te betalen,
                    als de medewerker buiten zijn schuld niet aan alle nadere</al><al>voorwaarden heeft kunnen voldoen. </al><lijst><li nr="1."><al>De arbeidsmarkttoelage die voor maximaal 3 jaren is toegekend eindigt na
                            het aflopen van de vastgestelde periode. Indien de medewerker verzoekt
                            om een verlenging van de betaling van de arbeidsmarkttoelage zal een
                            nieuwe inschatting moeten plaatsvinden op grond van de beschikbaarheid
                            van kwalitatief geschikte kandidaten voor de functie, en de hoogte van
                            de salarissen voor deze functionarissen in de markt .Deze inschatting
                            wordt gemaakt door de direct leidinggevende, na daartoe strekkend advies
                            door P&amp;O. Indien er geen onderbouwde reden meer is om de toelage te
                            continueren zal deze worden beëindigd zonder mogelijkheid tot afbouw.
                        </al></li><li nr="2."><al>De arbeidsmarkttoelage is zowel functiegebonden als persoonsgebonden.
                            Indien de medewerker met arbeidsmarkttoelage een andere functie binnen
                            de organisatie gaat uitoefenen vervalt de arbeidsmarkttoelage. </al></li><li nr="3."><al>Een eventuele nieuwe functionaris voor de functie waar een
                            arbeidsmarkttoelage voor was toegekend ontvangt niet automatisch ook een
                            toelage, omdat deze zowel functie- als persoonsgebonden is. </al></li><li nr="4."><al>Bij volledige arbeidsongeschiktheid van langer dan 6 maanden kan de
                            toelage opgeschort worden tot de medewerker weer (gedeeltelijk)
                            arbeidsgeschikt verklaard is. </al></li></lijst><al>Aan de medewerker kan om redenen van werving en behoud of een toelage (koop
                    en</al><al>behoud) of een uitkering ineens worden toegekend. </al><al>In het algemeen zal de uitkering (bindingspremie) eerst worden toegekend aan het
                    eind van een tijdvak dat tevoren is vastgesteld of nadat de betrokken medewerker
                    schriftelijk heeft verklaard zijn functie (nog) een bepaalde termijn te zullen
                    uitoefenen.</al><al>In het laatste geval wordt de uitkering eerst toegekend indien de medewerker
                    schriftelijk verklaart de uitkering te zullen terugbetalen indien hij voor de
                    gestelde termijn zijn functie beëindigt.</al><al>De toegekende premie draagt een sterk incidenteel karakter en maakt dan ook geen
                    deel uit van de voor medewerker geldende pensioengrondslag.</al><al>Aan het toekennen van een bindingspremie kunnen de volgende bepalingen en
                    voorwaarden worden verbonden:</al><lijst><li nr="-"><al>er moet sprake zijn van schaarste op de arbeidsmarkt in het vakgebied
                            waarvoor de medewerker wordt geworven, c.q. is aangesteld;</al></li><li nr="-"><al>aannemelijk is dat er niemand anders tegen de gebruikelijke honorering
                            voor de betreffende functie en op het gewenste niveau te krijgen
                            is;</al></li><li nr="-"><al>voor reeds in dienst zijnde medewerkers geldt daarnaast dat er sprake
                            moet zijn van goed functioneren en een reëel wegkooprisico;</al></li><li nr="-"><al>de uitkering kan het verschil tussen het maximum van de functieschaal en
                            de naast hogere schaal in beginsel niet te boven gaan;</al></li><li nr="-"><al>de totale bindingstermijn dient in het algemeen niet korter te zijn drie
                            jaar.</al></li></lijst><al/><al/><al><extref doc="/cvdr/images/Maassluis/i247192.pdf">Gemeenteblad 2014-74</extref></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>