<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR349366_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Weesp 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Weesp</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Weesp 20125</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z.42854/D.20603</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>huisvesting onderwijs Weesp</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Weesp 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Weesp;</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders 11
                        november 2014;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en artikel
                        76m van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>gezien het advies van de commissie Welzijn;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        Weesp 2015.</al><al/><al>B E S L U I T :</al><al>1 De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Weesp 2015 en de
                        bijbehorende toelichting vast te stellen ;</al><al>2 Deze verordening op 1 januari 2015 in werking te laten treden;</al><al>3 De voorgaande ‘Verordening huisvesting onderwijs Gemeente Weesp 2012’ met
                        ingang van de dag waarop deze verordening in werking treedt in te
                        trekken.</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2014,</al><al/><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>Mw. M. Walrave BJ. van Bochove</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:- aanvraag: verzoek om het
                            bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van een
                            voorbereidingskrediet;- aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag
                            indient;- advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld
                            in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel
                            93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76f,
                            negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;- bevoegd gezag:
                            bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op
                            de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde
                            openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is
                            in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;-
                            college: burgemeester en wethouders van de Gemeente Weesp;- dislocatie:
                            een deel van een school, – in een ander gebouw en op een andere locatie
                            dan het hoofd- gebouw – waarmee feitelijk ruimtegebrek in het
                            hoofdgebouw van de school wordt opgevangen.- gemeenteraad: gemeenteraad
                            van de Gemeente Weesp; - lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt
                            is voor het bewegingsonderwijs;- minister: minister van Onderwijs,
                            Cultuur en Wetenschap;- nevenvestiging: deel van een school dat door de
                            minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de
                            artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 16,
                            tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                            bekostiging in aanmerking is gebracht;- overzicht: overzicht als bedoeld
                            in artikel 96 Wet op het primair onderwijs, artikel 94 Wet op de
                            expertisecentra en artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;-
                            permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard
                            van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als volwaardige
                            huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;- programma: programma
                            als bedoeld in artikel 95 Wet op het primair onderwijs, artikel 93 Wet
                            op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;- school:</al><lijst><li nr="1."><al>school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor
                                    basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het
                                    primair onderwijs;</al></li><li nr="2."><al>school voor speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs
                                    of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een
                                    instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als
                                    bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een
                                    school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel
                                    1 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="3."><al>school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap
                                    voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                                    middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                    beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de
                                    artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst><al>- tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze
                            van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 15
                            jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;-
                            tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in
                            artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; -
                            verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                            onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of
                            recreatieve doeleinden;- voor blijvend gebruik bestemde voorziening:
                            voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is;- voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de
                            prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15 jaar noodzakelijk is;-
                            voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2;
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>a</lidnr><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende
                                voorzieningen onderscheiden:voor blijvend of voor tijdelijk gebruik
                                bestemde voorzieningen, bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk
                                        voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om
                                        een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of
                                        gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde
                                        locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                        gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand
                                        gebouw voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen
                                        voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="5."><al> terrein voor zover nodig voor het realiseren van een
                                        voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                        hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk
                                        of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door
                                        het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                        dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal
                                        bewegingsonderwijs;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw
                                veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                                gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                                onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                                wanprestatie;</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen, of meubilair ingeval van
                                bijzondere omstandigheden;</al></lid><lid><lidnr>d</lidnr><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd
                                gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs
                                in lichamelijke oefening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 en 2,
                            kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen
                            van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststellen vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 6°,
                                7° en 8° en artikel 2 onderdeel b en c, wordt de vergoeding
                                vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen
                                normbedragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                3 wordt vastgesteld op 8 procent van het genormeerde
                                investeringsbedrag bij projecten tot een bruto vloeroppervlakte van
                                2500 m² of 5 procent bij projecten met een groter omvang dan 2500
                                m²</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van voorzieningen
                                zoals bedoeld in artikel 2 onder b worden de kosten van technische
                                ondersteuning vergoed op basis van de feitelijke door het college
                                goedgekeurde kosten tot een maximum van 8 procent van de
                                uitvoeringskosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij
                            wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                            formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma
                                    wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet
                                    uiterlijk 31 januari van het jaar waarin van het betreffende
                                    programma wordt vastgesteld zijn ontvangen. Hierbij wordt
                                    gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college
                                    niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is, het
                                            gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening, bestaande uit:</al><al>1°. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                    school voor basisonderwijs, de speciale school voor
                                    basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs of de school
                                    voor voortgezet onderwijs, als het betreft een aanvraag voor een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°,
                                    3°, 4, 5, 6°, 7° of 8 onder de voorwaarde dat de prognose
                                    overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het
                                    college, al dan niet in samenwerking met de bevoegde
                                    gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een actuele
                                    prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt
                                    onderschreven;2°. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel
                                    of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een
                                    gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, of
                                    herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel b, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen
                                    NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan
                                    worden vastgesteld;3°. als de aanvraag betrekking heeft op het
                                    bekostigen van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                    vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de
                                    noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening of,
                                    als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een
                                    voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een
                                    kostenbegroting.</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening,
                                    en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding van de
                                    gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd
                                </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid
                                    ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de hersteldatum) de
                                    gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet
                                    gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is
                                    gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1
                                    oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is
                                    de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren
                                    in de Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering
                                    Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de
                                    gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit
                                    schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de
                                    gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van
                                    ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog
                                    binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag
                                    niet in behandeling</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft
                                daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader
                                    toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2 maanden na de
                                    hersteldatum , als bedoeld in artikel 7, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                    vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel
                                    is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet
                                    worden aangepast.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in
                                    paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                            aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het
                                            overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte
                                            van het geraamde bedrag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 november van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma
                                    betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                    kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar
                                    maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                    overleg van deze zienswijzen in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De
                                    overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de
                                    reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag.
                                    Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad
                                    verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma.
                                    Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient
                                    betrekking te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud
                                    van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het
                                    verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden
                                    opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het
                                    beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in
                                    het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of
                                    meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college
                                    bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd
                                    voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het
                                    college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de
                                    Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het
                                    toezenden van het afschrift van het advies</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen
                                    2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde
                                    gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een
                                    verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde
                                    lid.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                    overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan
                                    onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per
                                    voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december voorafgaande aan het jaar waarop het programma
                                    betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond,
                                    het programma en het overzicht worden door het college binnen 2
                                    weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt
                                    door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de
                                    aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde
                                    gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen
                                    besluiten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage
                                    gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Binnen 8 weken nadat het programma is vastgesteld treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op
                                    het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit
                                    overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het
                                    uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van
                                    toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op
                                            het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de
                                            expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de
                                            aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de
                                            toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting
                                            toetst, en of het naar het oordeel van het college
                                            noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de
                                            begroting rekening te houden met feiten en
                                            omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het
                                            moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het
                                            eerder genomen besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            het besteden van de beschikbaar te stellen
                                            middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt, waarbij op
                                            opdrachten onder het Europese drempelbedrag de
                                            richtlijnen zoals vastgelegd in het Inkoop en
                                            Aanbestedingsbeleid van de gemeente Weesp van toepassing
                                            zijn;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van
                                            het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen
                                            voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 5
                                            procent of 8 procent van het normeerde
                                            investeringsbedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast
                                    in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken
                                    na het overleg. Als de aanvrager niet binnen 2 weken nadat het
                                    verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk
                                    van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht
                                    overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college
                                    binnen 6 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing
                                    over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde
                                    in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het
                                    college dit binnen 6 weken nadat het verslag is vastgesteld
                                    schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat
                                    het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt
                                    opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overleggen offertes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is
                                    bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de
                                    voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten,
                                    de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag
                                    houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken,
                                    bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het
                                    bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten.
                                    Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting
                                    voordat een bouwopdracht wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn
                                    ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en
                                    het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder
                                    mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met
                                    3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt
                                    geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de
                                    begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager
                                    aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen 2
                                    weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht
                                    wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                                    vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige
                                    inschrijving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de
                                bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden.
                                Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig
                                tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het
                                programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking
                                    heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een
                                    koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor
                                    15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op
                                    bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt
                                    voldaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn
                                            onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk
                                            en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                            waarbinnen het werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van
                                            inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                            overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden
                                    van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt
                                    door:</al><al>a. bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe
                                    te rekenen, en</al><al>b. de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd
                                    verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het
                                    college.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot het
                                    verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt
                                    in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt
                                    verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met een spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de
                                voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2
                                weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college.
                                Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de
                                    gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden
                                    waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum
                                    waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als
                                    gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager
                                    heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te
                                    vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet
                                    in behandeling.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordele aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de aanvraag is
                                    ontvangen of, binnen 6 weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden
                                    gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk
                                    mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                    beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Uitvoeren beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19
                                    eerste lid waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                    college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de
                                    wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de
                                    artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met vierde lid, is
                                    daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
                                    eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen 3 maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld
                                    in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit
                                    hij een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt
                                    hij binnen een termijn van 2 weken een afschrift aan het
                                    college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze
                                    verplichtingen wordt voldaan.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een
                                voor een school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III,
                                        deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het
                                        bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de
                                        artikelen 6 of 17 heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                        andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="d."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        van een school, of</al></li><li nr="e."><al>een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet
                                        volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de
                                        school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs
                                        gebruiken </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als
                                    overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de
                                    vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de
                                    vastgestelde ruimtebehoefte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                            basisonderwijs, speciaal basisonderwijs of speciaal
                                            onderwijs, en de som van het aantal klokuren gebruik dat
                                            door het college is vastgesteld minder is dan 26
                                            klokuren;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                            voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage
                                            III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het
                                            lokaal minder dan 26 lesuren wordt gebruikt, tenzij het
                                            bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de
                                            lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar
                                            aantoont dat dit niet het geval is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                            basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal
                                            onderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de
                                            berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan
                                            40 klokuren.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Nalaten vorderen</titel></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de
                                leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet
                                plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of
                                scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat
                                gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare
                                huisvestingscapaciteit</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de
                                    betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld
                                    in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo
                                    spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1
                                    week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het
                                    college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk
                                    mede dat gevorderd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor
                                            wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor
                                            gevorderd wordt of, als het betreft het
                                            bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt
                                genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als het
                                overleg niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding
                                gebaseerd op het bedrag voor elke groep bij meer dan zes groepen dat
                                door het ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                                groepsafhankelijke programma’s van eisen zoals jaarlijks
                                gepubliceerd door het ministerie van OCW.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve
                                doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder
                                            van het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang
                                            kan nemen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd
                                    gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat
                                    gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken,
                                    worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als
                                    het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan
                                    bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten
                                    waarover geen overeenstemming was bereikt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om
                                    toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet
                                    op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op
                                    de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt
                                    gesloten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de
                                    bestemming van de te verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat
                                    voor de verhuur een huur is verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            de bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs, Wet op de expertisecentra of de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten behoeve van de
                                    verhuur.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al><al>De wijze waarop dit plaatsvindt is vastgelegd in een gezamenlijk met
                                de schoolbesturen opgesteld protocol overdracht schoolgebouw van
                                schoolbestuur naar de gemeente Weesp</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat
                                van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                opgemaakt in opdracht van het college</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel
                                hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd
                                gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of
                                dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het
                                college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en
                            speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit,
                                inroosteren en gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                                april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de
                                voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al><al>a. de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een
                                aantal klokuren; </al><al>b. de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                gebruik wordt gewenst; </al><al>c. de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek
                                wordt gewenst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 17, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de </al><al>gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26
                                klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht: </al><al>a. de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik
                                van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B; </al><al>b. het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
                                school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de
                                betreffende school het eerste ingeroosterd voor die gymnastiekruimte; </al><al>c. het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs de volgende </al><al>gegevens: </al><al>a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een
                                gymnastiekruimte;</al><al>b. aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende
                                welke het onderwijsgebruik plaatsvindt; </al><al>c. een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte plaatsvindt; </al><al>d. voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal
                                klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte
                                voor basisonderwijs en speciaal onderwijs voor bekostiging door de
                                gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor
                                rekening komen van het bevoegd gezag van de school. Het college
                                neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts op
                                in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit
                                beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                                klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                                komt.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd
                                voor een overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen
                                twee weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid
                                gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college
                                over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de
                                onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende
                                schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in
                                de zin van artikel 19, derde lid en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 26, derde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van
                            prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De ‘Verordening huisvesting onderwijs Gemeente Weesp 2012’ wordt
                            ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                huisvesting onderwijs Weesp 2015.</al><al/><al/></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december
                        2014 .</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mw. M. Walrave B.J. van Bochove</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Deel A - Lesgebouwen</al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met
                    één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter
                    beoordeling van het college plaatsvinden.</al><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><al>a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt;</al><al>b. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                    gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                    gedurende ten minste 4 jaar kunnen wor¬den verwacht, en</al><al>c. binnen 2000 meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt, dat
                    geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school,
                    en</al><al>d. het binnen 2000 meter hemelsbreed onmogelijk is om door medegebruik een
                    passende huis¬vesting voor de school te realiseren.</al><al>A.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><al>a. op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage
                    wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden tot de gewenste
                    levensduurverlenging van tenminste 20 jaar;</al><al>b. dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al><al>c. dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen
                    gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen
                    gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en</al><al>e. binnen 2000 meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt
                    is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en</al><al>f. het binnen 2000 meter hemelsbreed onmogelijk is om door medegebruik een
                    passende huis-vesting voor de school te realiseren.</al><al>A.3 Uitbreiding</al><al>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><al>a. de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een
                    schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                    basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs
                    kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                    ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor
                    een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, of een
                    school voor speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of groter is
                    dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en</al><al>b. daarnaast:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen
                    gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, </al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen
                    gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of</al><al>3°. de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de
                    aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten
                    hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest,
                    en</al><al>c. binnen 2000 meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt
                    is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en</al><al>d. het binnen 2000 meter hemelsbreed onmogelijk is om door medegebruik een
                    passende (extra) huis¬vesting voor de school te realiseren.</al><al>A.3.2 Uitbreiding met een speellokaal school voor basisonderwijs en school voor
                    speciaal onderwijs</al><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:</al><al>a. tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen jonger
                    dan zes jaar of tot een school of afdeling van een school voor speciaal
                    onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;</al><al>b. de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont
                    dat de school minstens vijftien jaar zal blijven bestaan;</al><al>c. in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al><al>d. medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300 meter
                    hemelsbreed onmogelijk is, en</al><al>e. het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten
                    inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een bestaand
                    verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit
                    en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte</al><al>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><al>a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of
                    uitgebreid;</al><al>b. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                    gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                    gedurende minstens vier jaar kunnen wor¬den verwacht, en</al><al>c. binnen 2000 meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt
                    is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school;</al><al>d. het binnen 2000 meter hemelsbreed onmogelijk is om door medegebruik een
                    passende huis¬vesting voor de school te realiseren, en</al><al>e. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college
                    in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervan¬gende bouw of
                    uitbreiding.</al><al>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:</al><al>a. er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een
                    beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;</al><al>b. binnen 2000 meter hemelsbreed geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt
                    is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; </al><al>c. het binnen 2000 meter hemelsbreed onmogelijk is om door medegebruik een
                    passende huis¬vesting voor de school te realiseren, en</al><al>d. de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke
                    verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voor¬ziening voor
                    hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.</al><al>A.6 Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in
                    artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het
                    bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De
                    oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                    bijlage III, deel D.</al><al>A.7 Eerste inrichting </al><al>1. De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of
                    leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die
                    uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft
                    en deze niet voor 1 januari 2015 is bekostigd.</al><al>2. De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van
                    een speellokaal is aanwezig als een speciale school voor basisonderwijs of een
                    speciale school wordt uitgebreid met een speellokaal.</al><al>3. Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van
                    onderwijsleerpakket, meubilair of leer en hulpmiddelen toegekend als het aantal
                    leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de
                    afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.</al><al>A.8 Medegebruik</al><al>1. De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs , een speciale
                    school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of een school
                    voor voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig
                    bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III,
                    deel B, vastgestelde ruimtebehoefte:</al><al>a. gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C,
                    en</al><al>b. een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de
                    overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte
                    noodzakelijk is.</al><al>2. Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte
                    voor medegebruik is een afstand van ten hoogste 2000 meter hemelsbreed.</al><al>A.9 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden.</al><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als
                    door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                    gebouw wordt gehinderd.</al><al>Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs</al><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming.</al><al>De noodzaak van:</al><al>a. nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het eerst
                    voor bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b. vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN 2767
                    opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen
                    niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van ten minste 20 jaar of
                    dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al><al>c. uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de oppervlakte
                    van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het effectief gebruik van het
                    lokaal daardoor belemmerd wordt, of</al><al>d. het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><al>1°. de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                    brengt;</al><al>2°. het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in aanmerking
                    komt; of</al><al>3°. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college
                    in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervan¬gende bouw, en </al><al>e. het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen bewegingsonderwijs
                    of van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende lokalen
                    bewegingsonderwijs voor:</al><al>1°. een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij noodzakelijk
                    gebruik van:</al><al>a. ten minste 20 klokuren binnen 1000 meter hemelsbreed of;</al><al>b. ten minste 15 klokuren binnen 3500 meter hemelsbreed, of</al><al>c. ten minste 5 klokuren binnen 7500 meter hemelsbreed of</al><al>2°. een school voor speciaal onderwijs, bij noodzakelijk gebruik van:</al><al>a. ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1000 meter hemelsbreed;</al><al>b. ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3500 meter hemelsbreed,
                    of</al><al>c. ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7500 meter hemelsbreed,
                    of</al><al>3°. een school voor voortgezet onderwijs binnen 2000 meter hemelsbreed, en </al><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten
                    minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen
                    worden.</al><al>B.2 Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of
                    onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>B.3 Eerste inrichting </al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><al>a. nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal bewegingsonderwijs
                    voor de school is goedgekeurd, en </al><al>b. voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs, speciaal
                    basisonderwijs of speciaal onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste
                    inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen
                    van het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                    bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs</al><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster
                    buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld
                    en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is.</al><al>B.5 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde
                    aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat
                    moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><al>B.6 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden.</al><al>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden
                    bijzondere omstan¬digheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Prognosecriteria</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>Bijlage II – Prognosecriteria</al><al>A. Algemeen</al><al>1. Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor
                    basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor
                    speciaal onderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode
                    van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de
                    bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).</al><al>2. De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de
                    analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen
                    van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud. Als basis voor de
                    prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie voor het
                    basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal Bureau voor de
                    Statistiek of het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al><al>3. Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de
                    relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode, een
                    beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van de aannames
                    waarop de prognose is gebaseerd.</al><al>B. Voedingsgebied</al><al>1. Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote deel
                    van de leerlingen afkomstig is of zal zijn. </al><al>2. De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs en
                    een school voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. </al><al>3.Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt
                    beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn
                    toegepast.</al><al>C. Prognose school voor basisonderwijs</al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te
                    verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening
                    wordt gehouden met:</al><al>a. het voedingsgebied;</al><al>b. de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                    leeftijdsgroepen;</al><al>c. de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele wijziging
                    van het voedingsgebied;</al><al>d. veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de
                    leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al><al>e. veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                    woningvoorraad;</al><al>f. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                    basisschool, en</al><al>g. het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al>D. Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal
                    onderwijs </al><al>De prognose van een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                    speciaal onderwijs moet inzicht geven in:</al><al>a. het voedingsgebied;</al><al>b. de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven;</al><al>c. de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en</al><al>d. als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de
                    handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is.</al><al>E. Prognose school voor voortgezet onderwijs</al><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in:</al><al>a. de gemeente van herkomst van de leerlingen</al><al>b. het voedingsgebied;</al><al>c. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                    basisschool;</al><al>d. de basisgeneratie 13 t/m 16-jarigen + 70 procent van de 12-jarigen (voor het
                    LWOO, BLW, GLW, praktijkonderwijs en MAVO) of de basisgeneratie 13 t/m
                    18-jarigen + 70 procent van de 12-jarigen (HAVO en VWO), en</al><al>e. de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoeft en aanvullende ruimtebehoefte</label><nr>3</nr><titel/></kop><al>Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                    ruimtebehoefte</al><al>Deel A – Vaststellen capaciteit</al><al>A.1 Uitgangspunten</al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                    vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een
                    school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) of recreatieve doeleinden. Als een deel van een gebouw is
                    gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt
                    genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel
                    wordt wel geregistreerd.</al><al>A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school
                    voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs</al><al>1. De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een
                    speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, of
                    voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het
                    gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder
                    gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><al>2. Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                    onderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de
                    capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de
                    noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder
                    A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter in
                    mindering gebracht.</al><al>3. De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante meter
                    als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een
                    peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het college voor deze
                    verhuur vooraf toestemming heeft verleend.</al><al>4. De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet onderwijs
                    wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de lokalen
                    bewegingsonderwijs.</al><al>5. Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de
                    oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de
                    capaciteitsbepaling.</al><al>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E,
                    vastgesteld.</al><al>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of
                    dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk
                    gebouw wordt afgestoten.</al><al>A.1.4 Terrein</al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het
                    schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de
                    grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het
                    met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>A.1.5 Inventaris</al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen
                    voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet
                    onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en
                    meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is
                    de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al>A.1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs
                    gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd.</al><al>A.1.6.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</al><al>B.1 Lesgebouwen</al><al>B.1.1 School voor basisonderwijs</al><al>1. De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de
                    hand van het aantal leerlingen en is inclusief een speellokaal. De
                    ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor
                    elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt
                    voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school.
                    De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al>2. De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al>B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op
                    hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>3. De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele
                    vierkante meter.</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><al>1°. bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle gewichten
                    van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>2°. verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte van 6
                    procent van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet
                    kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt afgerond op een geheel getal;</al><al>3°. als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent van het
                    aantal ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 procent
                    van het aantal ingeschreven leerlingen.</al><al>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs</al><al>1. De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald
                    aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor
                    elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen
                    vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de
                    ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte wordt
                    berekend met de formule:</al><al>R = 250 + 7,35 * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele
                    vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    vierkante meter.</al><al>B.1.3 School voor speciaal onderwijs</al><al>1. De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs wordt bepaald aan
                    de hand van de onderwijssoort, de categorie (speciaal), het type vestiging en
                    het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>R = V + f * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele
                    vierkante meter.</al><al>V = Vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte welke is voor:</al><al>- de hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten, uitgezonderd VSO-ZMLK, 370
                    vierkante meter, en</al><al>- de hoofdvestiging VSO-ZMLK, 250 vierkante meter.</al><al>Voor nevenvestigingen geldt geen vaste voet.</al><al>f = Factor (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling) overeenkomstig
                    tabel 1, waarin is opgenomen een overzicht van f (vierkante meter bruto
                    vloeroppervlakte per leerling), per onderwijssoort.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    vierkante meter.</al><al>Tabel 1 – Ruimtebehoefte so</al><al>Onderwijssoort </al><al>SO</al><al>Slechthorende kinderen (SH)</al><al>Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot dove of
                    slechthorende kinderen (ES)</al><al>Visueel gehandicapten (VISG)</al><al>Langdurig zieke kinderen (LZ)</al><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten (PI)</al><al/><al/><al>8,8</al><al>Dove kinderen (DO)</al><al>Lichamelijk gehandicapte kinderen LG)</al><al>Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)</al><al>13,8</al><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al><al>8,8</al><al>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</al><al>1. De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan
                    de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte van een instelling
                    voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten:</al><al>a. een leerlinggebonden component, en</al><al>b. een vaste voet.</al><al>2. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a opgenomen
                    bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De
                    leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, de leerweg of
                    de sector die de leerling volgt.</al><al>3. De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de hoofdvestiging
                    van de instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een
                    nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt
                    voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een
                    afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een
                    tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de
                    vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de
                    vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt
                    aangeboden. </al><al>4. De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is de som
                    van:</al><al>a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per
                    onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten;</al><al>b. de vaste voet per instelling;</al><al>c. als dit van toepassing is, een vaste voet per sector, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meter en</al><al>d. als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling
                    praktijkonderwijs.</al><al>5. De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som van:</al><al>a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per
                    onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten, en;</al><al>b. de vaste voet voor praktijkonderwijs.</al><al>6. Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan
                    op basis van deze normering de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen
                    afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum.</al><al>Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs</al><al>Onderwijssoort Leerweg Ruimtetype BVO/leerling</al><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) - Algemeen 6,18</al><al>Bovenbouw AVO/VWO - Algemeen 5,85</al><al>Bovenbouw theoretische leerweg TLW Algemeen 6,41</al><al>- LWOO Algemeen 7,07</al><al>Bovenbouw techniek GLW Algemeen 5,98</al><al>- - Specifiek 5,47</al><al>- BLW Algemeen 4,69</al><al>- - Specifiek 8,99</al><al>- LWOO Algemeen 4,44</al><al>- - Specifiek 12,72</al><al>Bovenbouw economie GLW Algemeen 5,95</al><al>- - Specifiek 0,89</al><al>- BLW Algemeen 5,56</al><al>- - Specifiek 2,25</al><al>- LWOO Algemeen 5,85</al><al>Specifiek 3,06</al><al>Bovenbouw zorg/welzijn GLW Algemeen 5,33</al><al>Specifiek 2,10</al><al>BLW Algemeen 4,71</al><al>Specifiek 4,22</al><al>LWOO Algemeen 4,85</al><al>Specifiek 5,53</al><al>Bovenbouw landbouw GLW Algemeen 5,94</al><al>Specifiek 0,78</al><al>BLW Algemeen 5,37</al><al>Specifiek 2,34</al><al>LWOO Algemeen 5,03</al><al>Specifiek 4,69</al><al>Praktijkonderwijs Algemeen 4,41</al><al>Specifiek 7,72</al><al>Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de
                    ruimtebehoefte</al><al>voortgezet onderwijs</al><al>Onderwijssoort Ruimtetype Vaste voet</al><al>Hoofdvestiging Algemeen 980</al><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak Algemeen 550</al><al>Tijdelijke nevenvestiging 0</al><al>VMBO-techniek BLW Specifiek 299</al><al>VMBO-economie BLW Specifiek 196</al><al>VMBO-zorg/welzijn BLW Specifiek 168</al><al>VMBO-landbouw BLW Specifiek 117</al><al>Praktijkonderwijs Algemeen 306</al><al>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs </al><al>1. De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld:</al><al>a. voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week per groep
                    leerlingen 6 jaar en ouder;</al><al>b. voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal
                    onderwijs, op 2,25 klokuur per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder,
                    en</al><al>c. als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuur per
                    week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al><al>2. Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op
                    basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum
                    het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is
                    berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante
                    meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460. Voor het
                    leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                    bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.</al><al>Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal bewegingsonderwijs
                    voortgezet onderwijs</al><al>Onderwijssoort Leerweg BVO per leerling</al><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) - 1,66</al><al>Bovenbouw AVO/VWO - 0,78</al><al>Bovenbouw theoretische leerweg TLW 1,11</al><al>- LWOO 1,26</al><al>Bovenbouw techniek GLW 1,11</al><al>- BLW 1,38</al><al>- LWOO 1,57</al><al>Bovenbouw economie GLW 1,11</al><al>- BLW 1,38</al><al>- LWOO 1,57</al><al>Bovenbouw zorg/welzijn GLW 1,11</al><al>- BLW 1,38</al><al>- LWOO 1,57</al><al>Bovenbouw landbouw GLW 1,11</al><al>- BLW 1,38</al><al>- LWOO 1,57</al><al>Praktijkonderwijs - 1,99</al><al>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</al><al>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig
                    deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft
                    bestaan.</al><al>C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.</al><al>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>1. Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                    ingebruikneming of medegebruik wordt voor een:</al><al>a. school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs
                    vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde
                    capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of
                    groter is dan de drempelwaarde van:</al><al>1°. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening
                    basisonderwijs;</al><al>2°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal
                    basisonderwijs;</al><al>3°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening voor een
                    school voor speciaal onderwijs;</al><al>b. school voor voortgezet onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de
                    overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B
                    vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de
                    bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante meter. Medegebruik wordt
                    vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde
                    ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met
                    10 procent.</al><al>2. Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal
                    onderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling
                    op het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoelt in het eerste lid, 90
                    vierkante meter.</al><al>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op
                    dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor
                    minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen
                    van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het
                    verschil:</al><al>a. bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs of speciaal
                    onderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en</al><al>b. bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder
                    C.1.2, eerste lid, onder b.</al><al>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><al>a. voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
                    uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                    terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij
                    of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de
                    minimumnormen, bedoeld in deel D.</al><al>b. eerste aanschaf van:</al><al>1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs, een
                    speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs,
                    en</al><al>2°. leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet
                    onderwijs,</al><al>is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.</al><al>c. tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor
                    een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige aanpassing
                    waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of
                    werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste
                    inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van
                    de te creëren ruimte.</al><al>d. herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                    onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn
                    voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>1. De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en
                    uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt:</al><al>a. voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs
                    of een school voor speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de
                    overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en het
                    overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte, en </al><al>b. voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de overeenkomstig
                    B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als de uitbreiding groter of gelijk
                    is dan tien procent van de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.</al><al>2. De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal
                    bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs
                    of speciaal onderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende
                    vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D,
                    onder D.3. </al><al>3. De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van het
                    terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de uitbreiding van het lokaal
                    te realiseren. </al><al>4. De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste aanschaf
                    van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal
                    bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor
                    het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid.</al><al>5. De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en
                    het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen</al><al>D.1 Terreinoppervlakte </al><al>Voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of
                    een school voor speciaal onderwijs geldt voor het verharde gedeelte
                    (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante meter per leerling,
                    met een minimum van 300 vierkant meter netto. Vanaf 200 leerlingen kan worden
                    volstaan met 600 vierkante meter netto.</al><al>D.2 Speellokaal </al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto.</al><al>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs </al><al>1. De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens 252
                    vierkante meter netto en de hoogte minstens 5 meter.</al><al>2. Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een was-
                    of douchegelegenheid.</al><al>Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van
                    schoolgebouwen</al><al>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen</al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN
                    2580.</al><al>E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen</al><al>E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs </al><al>1. De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                    buitenaf bereikbaar</al><al>zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</al><al>2. De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen
                    bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw.</al><al>3. Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen
                    bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                    scheidingsconstructie.</al><al>E.2.2 Voortgezet onderwijs </al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto
                    vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte
                    behoren eveneens: </al><al>a. de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                    vloerniveau, en </al><al>b. de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5
                    vierkante meter.</al><al>E.2.3 Uitzonderingen</al><al>1. De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten
                    ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de
                    vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in ieder geval luifels,
                    dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen,
                    fietsenstallingen. </al><al>2. Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de
                    bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend. </al><al>3. Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Normbedragen voor vergoeding en indexering onderwijshuisvesting</label><nr>4</nr><titel/></kop></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde
                    voorziening</al><al>1. Algemeen</al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde
                    bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in
                    aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis
                    van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen
                    waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna
                    wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is
                    en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die
                    niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><al>2. Onderscheid voorzieningen</al><al>1. Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                    voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al><al>a. om capaciteitstekorten op te heffen, en</al><al>b. om een adequaat niveau te handhaven.</al><al>2. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder
                    hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><al>a. nieuwbouw, inclusief terrein;</al><al>b. uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al><al>c. in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief
                    terrein;</al><al>d. verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al><al>e. eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of leer- en
                    hulpmiddelen;</al><al>f. uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair of leer-
                    en hulpmiddelen, en</al><al>g. medegebruik.</al><al>3. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                    hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><al>a. vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein;</al><al>b. herstel van een constructiefout, en</al><al>c. herstel en vervanging in verband met schade.</al><al>4. De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw valt
                    onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening gecombineerd wordt
                    met een uitbreiding van de capaciteit en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk
                    is omdat wordt voldaan aan het criterium genoemd onder in bijlage I, deel A,
                    onder A.2.</al><al>3. Hoofd- en subprioriteit</al><al>1. Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een onderverdeling
                    gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al><al>2. Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste lid,
                    onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig
                    bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als de
                    lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>3. Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet
                    worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het programma
                    te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de
                    sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten
                    gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het
                    programma in aanmerking komen:</al><al>a. als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                    schoolgebouwen;</al><al>b. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                    schoolgebouwen, en</al><al>c. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen
                    opheft.</al><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Weesp 2015</titel></kop><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al/><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde
                    gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de
                    gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging,
                    dislocatie).</al><al/><al>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet
                    op het primair onderwijs (WPO), Wet op de expertisecentra (WEC) en Wet op het
                    voortgezet onderwijs (WVO) door het bevoegd gezag bij het college kunnen worden
                    aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Dit betekent dat het college
                    deze niet kan inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de
                    lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs worden
                    aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in de
                    onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in de onderwijshuisvesting
                    zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening. Dit gaat om voorzieningen
                    waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de minister van OCW ontvangt via
                    de rijksvergoeding materiële instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen,
                    vervangen cv-ketel, meubilair). Het college wijst een dergelijk aangevraagde
                    voorziening af op grond van artikel 100, eerste lid, onder a, van de WPO,
                    artikel 98, onder a, van de WEC, artikel 76k, onder a, van de WVO.</al><al/><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende
                    voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen
                    doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond van de
                    wet (artikel 6 van de WPO en WEC en artikel 77 van de WVO). Voor het bekostigen
                    van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de voorzieningen
                    onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis worden
                    vastgesteld. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de verordening
                    materiële financiële gelijkstelling.</al><al/><al>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al><al>2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de
                    school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in aanmerking
                    als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de
                    voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage
                    III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al><al>3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de
                    voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het college
                    een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om
                    een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft,
                    maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een
                    onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of
                    geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een
                    schoolgebouw van een school voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch
                    geschikt voor het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in
                    gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie
                    8°.</al><al>4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van
                    het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke
                    huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</al><al>5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk
                    zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en
                    uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de
                    voorgenomen investering en de oppervlakte van het terrein.</al><al>6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en hulpmiddelen wordt in
                    principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening)
                    en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt
                    toegekend. Een uitzondering is de situatie dat het college een school heeft
                    gehuisvest in een schoolgebouw dat een grotere capaciteit heeft dan de
                    ruimtebehoefte en de toekenning van de eerste inrichting is gebaseerd op het
                    werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school. In die situatie heeft
                    het bevoegd gezag nog aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename
                    van het aantal leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in
                    bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting
                    toegekend omdat het bevoegd gezag in het verleden al bekostiging voor de eerste
                    inrichting heeft ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel
                    C.</al><al>8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal
                    bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig
                    heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend
                    mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen
                    drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is
                    ingeroosterd.</al><al/><al>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een
                    ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is
                    gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan
                    voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.)
                    worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het
                    onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere
                    procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het
                    programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen
                    het door het college vastgestelde bekostigingsplafond.</al><al/><al>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip
                    ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet
                    verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met
                    schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de
                    aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het
                    onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college
                    kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering
                    afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college.</al><al/><al>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet
                    onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder
                    B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs
                    aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportterrein voor
                    buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over
                    een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke
                    middelen gerealiseerd sportterrein.</al><al/><al>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de
                    investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de
                    feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het bevoegd
                    gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan.
                    Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt
                    dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het
                    indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het
                    eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het voorbereidingskrediet stelt het
                    bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te
                    ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden. Uitsluitend als de
                    investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis
                    van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding
                    opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande aan het vaststellen van het
                    programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het
                    vragen van offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te
                    werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden
                    bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit
                    van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal
                    vastgestelde investeringskrediet.</al><al/><al>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden
                    bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van
                    feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis
                    daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B.</al><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag aanspraak
                    op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag, onafhankelijk van de
                    werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger of lager zijn
                    dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in de ene situatie het
                    schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de andere situatie een
                    financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het schoolbestuur de
                    beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is verstrekt:
                    investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.</al><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                    vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook
                    artikel 13, eerste lid).</al><al/><al>Artikel 5. Informatieverstrekking</al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te
                    verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de
                    WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de WVO). Deze informatie staat
                    los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor het
                    bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals:</al><al>- gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en secretaris en
                    bankrekeningnummer);</al><al>- gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school,
                    telefoonnummer);</al><al>- bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al><al>- naam contactpersoon;</al><al>- medegebruik/verhuur.</al><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen stelt het college een
                    formulier vast. Dit formulier wordt aan de bevoegde gezagsorganen toegezonden.
                    Het college kan in dit formulier opnemen de gegevens die al bij het college
                    bekend zijn. Het bevoegd gezag kan zich dan beperken tot het vermelden van de
                    wijzigingen. Beschikt het college over digitale informatievoorziening, dan kan
                    van deze digitale informatievoorziening gebruik worden gemaakt.</al><al/><al>Artikel 6. Indienen aanvraag</al><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door
                    middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Door te werken
                    met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het
                    beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze
                    ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het
                    overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden
                    opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar niet worden
                    gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en 76c van de WVO en
                    toelichting bij artikel 13).</al><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde gezagsorganen
                    een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft
                    vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De
                    reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet bevoegd
                    gezag van een openbare school (= integraal bestuur) dan gelden dezelfde
                    procedures en termijnen als voor een bestuur van een bijzondere school. In de
                    bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een college bij het eigen
                    orgaan een verzoek indient (voor het realiseren van een gemeentelijk project -
                    bijv. stadhuis - moet het college bij zichzelf een verzoek om een bouwvergunning
                    indienen). Dit betekent dat het college altijd moet kunnen aantonen dat men de
                    ‘eigen’ aanvragen ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten
                    opzichte van de andere aanvragen.</al><al/><al>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen
                    onvolledige aanvraag</al><al>Lid 1</al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college
                    de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en
                    school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een
                    bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag
                    een leerlingenprognose indient. Het college en het bevoegd gezag kunnen
                    overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt voor alle
                    basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend is als onderbouwing van
                    de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs kan dan afzien
                    van het laten opstellen van een leerlingenprognose.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen,
                    als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de
                    in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de
                    hersteldatum niet volledig dan besluit het college de aanvraag niet in
                    behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare
                    beslissing.</al><al>Lid 3</al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende)
                    nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens
                    aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de ingediende
                    aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de
                    aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal
                    leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig beschikken
                    over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van
                    1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld.
                    Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder
                    aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I
                    tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens
                    ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid opgenomen termijn is een
                    fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn
                    ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is
                    een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al/><al>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</al><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht
                    beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben
                    alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit het
                    bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of
                    niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat
                    vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.</al><al/><al>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</al><al>Lid 1</al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven
                    is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te
                    bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg
                    (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk
                    overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                    aanvragen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke
                    kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het
                    beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een
                    of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met
                    het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                    kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het
                    kader van het vast te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de
                    beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag
                    dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd.</al><al/><al>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</al><al>Lid 1-4</al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld,
                    overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In
                    afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen
                    van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de
                    WPO,artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen ‘op
                    overeenstemming gericht overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg
                    plaatsvindt met alle bevoegde gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle
                    bevoegde gezagsorganen kan het college besluiten het overleg in te richten per
                    onderwijssector (primair, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs). Het
                    overleg over de voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in
                    een breder gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid,
                    de zgn. lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het
                    overleg deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken.
                    Degenen die wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg
                    op de hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in
                    het overleg eventueel op kunnen reageren.</al><al/><al>Lid 5-8</al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO, artikel 100,
                    zesde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Zowel een bevoegd gezag als het
                    college kan de Onderwijsraad advies vragen over het voornemen tot het
                    vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs. De leden 5
                    t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het vragen van dit
                    advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de relatie tussen het
                    voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma voorzieningen
                    huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting en vrijheid van
                    inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht het verzoek om advies in
                    te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast
                    moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor
                    de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De
                    Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van 4
                    weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de stukken die
                    hij relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt
                    gevraagd is het van belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor
                    de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</al><al>De Onderwijsraad brengt binnen 4 weken, nadat de Onderwijsraad alle
                    noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het
                    advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde
                    gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk
                    overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van
                    toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in
                    de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid,
                    artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede
                    lid, het college het programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen
                    als de Onderwijsraad het advies niet binnen 4 weken nadat de adviesaanvraag
                    volledig is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan
                    niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig
                    heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies
                    van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen
                    daarvan vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan
                    het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de
                    inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat
                    iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij
                    een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat
                    uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van het
                    college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners
                    daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten
                    schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn
                    oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt
                    ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de
                    stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.</al><al/><al>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht</al><al>Lid 1</al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het
                    honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van
                    het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde
                    vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van het programma
                    en overzicht. Het bekostigingsplafond staat los van het totaal van het
                    investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het bekostigingsplafond is
                    uitsluitend bepalend voor de vraag of alle aangevraagde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs ook kunnen worden gehonoreerd. Het college kan een
                    bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening vaststellen.
                    Achtergrond van deze mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één
                    bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor
                    andere gewenste investeringen niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen
                    van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van
                    voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering
                    van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van
                    een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan.</al><al>Lid 2</al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk
                    is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van het lopende
                    kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Wordt het
                    programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent dit niet
                    dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking
                    komen. Op grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het
                    college niet tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze
                    situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. De overschrijding van de
                    termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor het college.</al><al/><al>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht</al><al>Artikel 95 van de WPO , 93 van de WEC en 76f van de WVO vermelden de criteria
                    die het college moet hanteren bij het vaststellen van het programma voorziening
                    huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het overzicht voorziening
                    huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96 van de WPO , 94 van de WEC en
                    76g van de WVO. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het besluit tot het
                    vaststellen van het programma en overzicht aan de bevoegde gezagsorganen wordt
                    bekendgemaakt.</al><al>Lid 1</al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers
                    ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van 2 weken nadat het programma
                    en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de
                    onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen 4
                    weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de
                    voorziening moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 van de
                    Awb moet het college het besluit meedelen aan degenen die bij de voorbereiding
                    van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Omdat het programma
                    en overzicht onderdeel uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan
                    het vaststellen van het programma is in de modelverordening opgenomen dat het
                    besluit aan alle schoolbesturen wordt verzonden.</al><al>Lid 2</al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het
                    overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als overzicht
                    ter inzage wordt gelegd.</al><al/><al>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot
                    het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de voorziening die op
                    het programma is opgenomen. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan
                    de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en
                    misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><al>Lid 1</al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO, artikel 93, achtste lid , van de WEC en
                    artikel 76n van de WVO is opgenomen dat het college binnen 4 weken met het
                    betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de uitvoering van het programma.
                    De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in een verslag worden vastgelegd. De
                    passage ‘voor zover van toepassing’ betekent dat niet alle onderwerpen die in
                    dit lid zijn opgenomen betrekking hebben op alle voorzieningen die op het
                    programma zijn opgenomen (voor bijv. de voorziening eerste inrichting is geen
                    bouwplan noodzakelijk) en het college daarnaast van mening is dat het indienen
                    van het bouwplan en de desbetreffende begroting voor een op het programma
                    opgenomen voorziening achterwege kan blijven. De onderwerpen die besproken
                    moeten worden zijn o.a.:</al><al>- het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het bevoegd gezag
                    optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste lid , van de
                    WPO, artikel 101, eerste lid , van de WEC en artikel 76n, eerste lid, van de
                    WVO). Het alternatief is dat het college de voorziening tot stand brengt
                    (artikel 103, tweede lid, van de WPO, artikel 101, tweede lid, van de WEC en
                    artikel 76n, tweede lid, van de WVO). In het overleg moet worden vastgesteld of
                    van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de
                    mogelijkheid dat de bouw van een multifunctionele accommodatie wordt
                    gerealiseerd door een derde partij;</al><al>- het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die op het
                    vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante meter bruto
                    vloeroppervlakte);</al><al>- het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het moment van
                    het vaststellen van het programma en het aanvragen van de goedkeuring van het
                    bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich nieuwe feiten en omstandigheden
                    hebben voorgedaan of voordoen, waardoor het eerder genomen besluit moet worden
                    herzien. In het overleg wordt vastgelegd of het college gebruik maakt van deze
                    mogelijkheid, zodat het college, na ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan
                    en de kostenbegroting kan besluiten om de toegekende vergoeding te herzien; </al><al>- de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de
                    besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van verantwoording is
                    grotendeels afhankelijk van de omvang het project (zie ook toelichting artikel
                    15);</al><al>- de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende voorzieningen is
                    de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure te volgen. Wordt de
                    voorziening bekostigd op basis van de genormeerde vergoeding dan is de uitkomst
                    van de aanbesteding voor het college feitelijk niet relevant, omdat het bevoegd
                    gezag aanspraak maakt op het normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op basis
                    van de feitelijke kosten dan is de uitkomst van de aanbesteding wel relevant
                    voor het bepalen voor de hoogte van het definitieve investeringsbedrag.
                    Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012
                    en in relevante Europese regelgeving. Daarnaast is van toepassing wat de
                    gemeenteraad heeft vastgesteld in het gemeentelijk aanbestedingsbeleid over het
                    opvragen van offertes als er geen Europese regelgeving van toepassing is.</al><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar datgene dat in het
                    gemeentelijke aanbestedingsbeleid is opgenomen voor het opvragen van offertes en
                    wat is opgenomen in de Europese richtlijnen. Bij aanbestedingen van opdrachten
                    onder het Europese drempelbedrag kan het college op verzoek van het bevoegd
                    gezag besluiten van het bepaalde in de tabel af te wijken.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al>Type opdracht Uitgangspunten aanbestedingsprocedure (genoemde bedragen zijn
                    exclusief BTW)</al><al>Nationaal Europees</al><al>Onderhandse procedures</al><al>(offerte-traject) Openbare procedure of </al><al>niet-openbare procedure met voorafgaande selectie Europees verplichte
                    procedures</al><al>Enkelvoudig Meervoudig </al><al>Werken t/m € […] vanaf € […] t/m € […] vanaf € […] tot de Europese drempel vanaf
                    € 5.186.000,00</al><al>Leveringen t/m € […] vanaf € […] tot de Europese drempel vanaf € 207.000,00</al><al>A-diensten t/m € […] vanaf € […] tot de Europese drempel vanaf € 207.000,00</al><al>B-diensten t/m € […] vanaf € […] tot de Europese drempel alléén indien de
                    opdracht grensoverschrijdend is</al><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de
                    overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden
                    voorgelegd.</al><al>Lid 2</al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                    afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald dat
                    de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager
                    worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend,
                    dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag,
                    dan is nader overleg noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te
                    bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de
                    uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide partijen
                    vastgelegd.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een
                    bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing aan
                    wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden. Over het
                    algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium al een offerte
                    is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergt. Heeft het
                    overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen 4 weken
                    bericht over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt.</al><al>Lid 4</al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag is
                    opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit neemt. Dit
                    besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het besluit zijn
                    opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de aanvrager
                    gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit
                    in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep openstaat.</al><al/><al>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging;
                    toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen
                    offertes</al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat het
                    college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan
                    naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet vereist is
                    kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan de procedure
                    van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid).</al><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit het
                    college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis
                    voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.</al><al>Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet ontvangen dan kan in het overleg
                    deze mogelijkheid alsnog worden besproken.</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO, artikel 101
                    van de WEC en artikel 76n van de WVO en heeft een relatie met artikel 13, eerste
                    en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de
                    kostenbegroting ingediend. Het college toetst, voordat het bouwplan wordt
                    goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe ontwikkelingen en stelt het bedrag van de
                    bekostiging vast.</al><al>- Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld staat
                    los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van de bouwverordening, dus het
                    verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt het bouwplan
                    getoetst aan de afgegeven beschikking (toegekend investeringsbedrag bij
                    feitelijke kosten en toegekende bvo).</al><al>- De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is afhankelijk
                    van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd. Maakt het bevoegd gezag
                    aanspraak op:</al><al>- de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal getoetst, omdat het
                    bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag en het college geen hoger bedrag
                    dan het normbedrag beschikbaar stelt;</al><al>- de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een inhoudelijke
                    toetsing van de begroting plaats om het definitieve bedrag van de vergoeding te
                    kunnen vaststellen. De kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor
                    het programma was namelijk een raming van de kosten. Deze begroting had toen als
                    functie te komen tot het vaststellen van een bedrag als onderdeel voor het
                    vaststellen van het programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het ontvangen
                    van de aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het programma kan het
                    definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting die is ontvangen
                    als onderdeel van de ingediende aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering
                    van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de
                    offertes de rol over van de begroting. </al><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk moment
                    het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de
                    bekostiging.</al><al>Lid 2</al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college niet
                    binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te
                    zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals
                    door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna de procedure voor het
                    aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is noodzakelijk
                    met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de
                    duidelijkheid richting aanvrager. Gelijktijdig met het goedkeuren van het
                    bouwplan en begroting stelt het college het tijdstip vast waarop de bekostiging
                    een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO,
                    artikel 97, eerste lid, van de WEC en artikel 76j van de WVO.</al><al>Lid 3 </al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste
                    prijs maar de economisch meest voordelige inschrijving bepalend is. Dit is
                    conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet 2012. Het college kan hiervan
                    gemotiveerd afwijken.</al><al/><al>Artikel 15. Aanvang bekostiging</al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO, artikel
                    100, vierde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Het geeft het college de
                    vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze het bedrag van de
                    bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk afhankelijk van de
                    concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte van het
                    investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn financiële
                    verplichtingen moet kunnen voldoen. Dit betekent bijvoorbeeld dat wordt
                    overeengekomen dat de:</al><al> vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt uitbetaald;</al><al> vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden uitbetaald,
                    waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan de aannemer op basis van
                    de door de aannemer ingediende termijnstaat (automatische verwerking met
                    valutadata in financiële administratie), en</al><al> vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de nota’s van het
                    bevoegd gezag.</al><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever,
                    tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de
                    vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt verstrekt.
                    Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie tussen
                    college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat het
                    college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag
                    aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook verantwoording van
                    de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan worden aan een gespecificeerde
                    verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op het project betrekking
                    hebben, of een accountantsverklaring.</al><al/><al>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</al><al>Lid 1</al><al>De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op het moment dat de
                    gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het
                    noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in het
                    jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de
                    realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld
                    dat realisatie niet mogelijk is: </al><al>- in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend begrotingsjaar, dan
                    blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd, en</al><al>- ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar
                    gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat de
                    aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet worden aangevraagd.</al><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor
                    het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting van de
                    aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat, als het
                    college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op
                    bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een
                    voorziening.</al><al>Lid 3</al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan
                    voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse
                    omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><al>- planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al><al>- procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al><al>- vervuilde grond.</al><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om de
                    gestelde termijnen te verlengen.</al><al>Lid 4</al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het
                    verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden gekozen
                    dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het eerste lid
                    genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als het college dus
                    niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid genoemde datum
                    niet haalbaar.</al><al/><al>Artikelen 17-20. Aanvragen met spoedeisend karakter</al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs
                    wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                    aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs indienen.
                    Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte termijn moet
                    worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het
                    spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van
                    aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><al>- brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere
                    accommodatie moet plaatsvinden;</al><al>- herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen asbest),
                    of</al><al>- overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’
                    voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><al>- dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van de
                    verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma, of</al><al>- dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst wegens het
                    toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het bekostigingsplafond niet
                    toereikend is.</al><al/><al>Artikel 17. Indienen aanvraag</al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden
                    ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat
                    bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden gemeld en
                    de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de melding moet de
                    aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen.</al><al/><al>Artikel 18. Inhoud aanvraag</al><al>Lid 1</al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op
                    grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd gezag
                    verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag
                    moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calamiteit
                    die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel
                    kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al>Lid 2</al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het
                    aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al/><al>Artikel 19. Tijdstip beslissing</al><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                    beslistermijn een korte periode aangehouden.</al><al/><al>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                    aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I
                    tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere
                    procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond
                    hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en
                    artikel 100, eerste lid, van de WPO, artikel 96, tweede lid, van de WEC en
                    artikel 98, eerste lid, van de WEC en artikel 76i, tweede lid, van de WVO en
                    artikel 76k, eerste lid, van de WVO.</al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van
                    toepassing.</al><al/><al>Artikelen 21-27. Medegebruik en verhuur</al><al>De artikelen 21-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO,
                    artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de
                    gemeenteraad bij verordening een procedure vaststellen voor het medegebruik en
                    de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van
                    lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de eigen
                    school.</al><al>De artikelen 21 t/m 26 worden door het college toegepast als het college een
                    aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening
                    huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de
                    aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van
                    medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><al/><al>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</al><al>Onderdelen a en c</al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op
                    het moment dat het college op grond van artikel 6 of 17 een aanvraag voor het
                    bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende
                    nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het college moet twee
                    zaken vaststellen, te weten dat:</al><al>- de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort aan
                    capaciteit heeft, en</al><al>- er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik
                    door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte
                    voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met de
                    bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk zijn.</al><al>Onderdeel b</al><al>Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet onderwijs)
                    is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet educatie en
                    beroepsonderwijs.</al><al/><al>Artikel 22. Omschrijving leegstand</al><al>Lid 1</al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De
                    leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde
                    capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III,
                    deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening gehouden met
                    de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in leegstand
                    bij een school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs. Dit
                    betekent dat het college kan besluiten leegstand die wordt vastgesteld in een
                    school voor basisonderwijs toe te wijzen aan een school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en
                    huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting
                    onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan
                    ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een
                    andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven.
                    Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft
                    gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al>Lid 2</al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                    bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs,
                    een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs
                    kan op basis van het lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden
                    ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen buiten hun reguliere
                    lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal
                    bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is. </al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren uitgegaan
                    van minimaal 32 lesuren en maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet
                    onderwijs het aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden voor het
                    voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent dat als in een lokaal
                    bewegingsonderwijs:</al><al>- voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs
                    of een school voor speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd
                    medegebruik mogelijk is door een andere school voor basisonderwijs, een speciale
                    school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs voor het
                    verschil tussen 26 klokuren en het aantal ingeroosterde klokuren;</al><al>- voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs
                    of een school voor speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn
                    ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet onderwijs
                    voor de resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren;</al><al>- voor een school voortgezet minder dan 40 klokuren ingeroosterd zijn
                    medegebruik mogelijk is door:</al><al>- een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een
                    school voor speciaal onderwijs mogelijk als de klokuren medegebruik passen
                    binnen de 26 klokuren, en</al><al>- een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de resterende klokuren tot
                    een maximum van 40 lesuren.</al><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                    onderwijssector geldende reële schooltijden.</al><al/><al>Artikel 23. Nalaten vorderen</al><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg
                    medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling
                    hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te doorkruisen, tenzij
                    het college heeft vastgesteld dat de school die medegebruiker is in de eigen
                    accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als
                    bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet het college
                    hiervan in kennis worden gesteld. Het college moet vaststellen of door het
                    medegebruik de (meest) optimale situatie is gecreëerd.</al><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt in
                    onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.
                    Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college zelfstandig in welk
                    schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al/><al>Artikel 24. Overleg en mededeling</al><al>Lid 1</al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het vorderen
                    voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van bijv. een
                    aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het vorderen voor
                    medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg over het
                    programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het
                    voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de
                    mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt
                    niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk besluit van het
                    college.</al><al>Lid 2</al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een
                    voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het
                    overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat
                    een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier
                    het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de
                    nodige maatregelen te treffen.</al><al>Lid 3</al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid hebben
                    tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn
                    waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk
                    gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft genomen heeft over
                    dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag.
                    Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de gelegenheid geweest om
                    zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al>Lid 4</al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om
                    deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking
                    worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke
                    de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv. worden
                    gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in
                    het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het vorderen voor
                    medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school
                    noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de
                    verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.</al><al/><al>Artikel 25. Vergoeding</al><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te maken
                    met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde gezagsorganen
                    moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik overeenkomen.
                    Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden vergoedt. Dit is
                    redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de
                    eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke kosten
                    zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het
                    schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet doorberekend, dan is
                    sprake van een indirecte subsidiëring van de medegebruiker en zet het bevoegd
                    gezag dat een gedeelte van de school in medegebruik heeft geven de ontvangen
                    rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte
                    van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de
                    activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen.</al><al>Als tussen de betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan moeten de
                    partijen vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te komen tot het
                    vaststellen van het bedrag van de vergoeding. Overeengekomen kan worden dat de
                    vergoeding wordt gebaseerd op het bedrag voor elke groep bij meer dan zes
                    groepen dat door het ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                    groepsafhankelijke programma’s van eisen zoals jaarlijks gepubliceerd door het
                    ministerie van OCW.</al><al/><al>Artikel 26. Overleg en mededeling</al><al>Artikel 26 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel
                    tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in
                    overeenstemming zijn met de bestemming van het schoolgebouw (eisen
                    bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat
                    is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de
                    bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet
                    eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van het bestemmingsplan is
                    vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de
                    school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het overleg met het
                    college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik
                    naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag kan daarbij de vrijheid van
                    richting en inrichting een rol spelen.</al><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd gezag
                    minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet
                    onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het instemt
                    met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden zich een
                    oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                    activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg
                    en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                    noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige maatregelen
                    te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 25 (bedrag van de vergoeding
                    ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd gezag vrij om
                    een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te sluiten bij de
                    systematiek die is opgenomen in artikel 25.</al><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in het
                    overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het college.
                    Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet
                    deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de medegebruiker moeten
                    voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal (praktische)
                    afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het
                    besluit tot vordering door college.</al><al>Lid 3</al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat
                    door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                    worden.</al><al/><al>Artikel 27. Verzoek toestemming college</al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden door
                    de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw waarvan het
                    bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor verhuur. De afweging
                    om een ruimte te verhuren is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                    gezag. Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil
                    verhuren, vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder
                    toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus
                    nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd
                    gezag het college inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de
                    activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur
                    en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast
                    betrekt het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten
                    ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                    toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag
                    wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toets het college het
                    verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van de
                    WPO, artikel 106, eerste lid, van de WEC en artikel 76s van de WVO is het niet
                    toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als:</al><al>- woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en 1624,
                    tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al><al>- de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.</al><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                    voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor het
                    onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat de
                    risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het
                    voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het
                    college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd
                    gezag.</al><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs bepaald
                    worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                    exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                    investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van de
                    component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw) vast.
                    In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan de
                    toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur een huur
                    is verschuldigd, waarvan de hoogte door het college wordt vastgesteld. Dit lid
                    is een aanvulling op wat in de onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding
                    is wat anders dan de gebruiksvergoeding waarvan de hoogte door het bevoegd gezag
                    wordt vastgesteld en waar het bevoegd gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent
                    moet worden afgedragen aan het college als bijdrage in de investeringslasten van
                    het schoolgebouw. De Raad van State heeft vastgesteld dat het college een
                    huurvergoeding kan vragen onder de volgende voorwaarden:</al><al>1. het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van de huur de
                    gemeente een financieel nadeel leidt;</al><al>2. de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het verlies aan
                    inkomsten door de gemeente en</al><al>3. de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan
                    onderwijshuisvesting.</al><al/><al>Artikel 28. Staat van onderhoud</al><al>In artikel 110 van de WPO, artikel 108 van de WEC en artikel 76u van de WVO is
                    geregeld in welke situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht van een
                    (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein aan het college. Over het algemeen
                    is de overdracht van het hele schoolgebouw en -terrein gekoppeld aan het
                    beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs) of het opheffen van de
                    school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW. Overdracht door het
                    bevoegd gezag van een schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend
                    plaats als het bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of verzelfstandigd openbaar
                    onderwijs in bijv. een stichting) juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is
                    de gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw en -terrein dan vindt geen
                    overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein plaats. Een
                    overdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere locatie
                    is gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door het college en bevoegd
                    gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte opgenomen een termijn waarin
                    het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het einde van het gebruik wordt
                    geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties, omdat dit
                    onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen
                    moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet
                    worden.</al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen van
                    het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een gebouw door
                    het bevoegd gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft het opmaken van
                    een staat onderhoud achterwege. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van
                    het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële zin gekozen worden voor een
                    gelijke handelwijze.</al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd gezag,
                    met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet
                    om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten
                    gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht
                    plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld aan
                    wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat van
                    onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van overdracht.</al><al>Lid 3</al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin een
                    beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt
                    van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig
                    adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het college overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de instantie
                    die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige
                    discussies c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en
                    over de keuze van de uitvoerder. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde
                    inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden (bijv. beschikbaar stellen
                    meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is
                    uitgevoerd).</al><al>Lid 5</al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken van
                    de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd gezag met
                    deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen worden dat het
                    bevoegd gezag:</al><al>- alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke onderhoud,
                    of</al><al>- het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het college
                    betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.</al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van de
                    rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er
                    kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen
                    afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Alternatief is dat
                    het college zich wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het
                    bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan
                    de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te
                    onderhouden.</al><al>Lid 6</al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is om
                    te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een vermoeden
                    over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als het voornemen
                    bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te
                    verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><al/><al>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroosteren
                    en gebruik</al><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en kunnen
                    juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een derde. In het
                    kader van de ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs is het de
                    verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast te stellen voor het
                    vaststellen van de ruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. Deze
                    criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B. Daarnaast is het de
                    verantwoordelijkheid van het college om een rooster bewegingsonderwijs vast te
                    stellen. De omvang van het gebruik door een school voor basisonderwijs, een
                    speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs van
                    lokalen bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal
                    klokuren is afhankelijk is van het aantal gymgroepen. Omdat het aantal
                    gymgroepen afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen en het aantal
                    formatieplaatsen afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is
                    ingeschreven fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in
                    het aantal leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties is de
                    jaarlijkse procedure tot aanvragen in het kader van het programma en de
                    spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar en te
                    omslachtig voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties in het gebruik van de
                    lokalen bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal klokuren
                    binnen de bestaande capaciteit kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een
                    uitbreiding of nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 29 een afzonderlijke procedure opgenomen.
                    Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis van het aantal
                    ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen en
                    daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en op basis van het
                    aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het
                    college vast dat er te weinig capaciteit is, of dat een lokaal
                    bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het college de procedure voor
                    het aanvragen van bekostiging van een huisvestingsvoorziening starten. Door deze
                    procedure heeft het college, als lokale overheid, tijdig zicht heeft op:</al><al>- de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs, inclusief de
                    accommodaties die op grond van de onderwijswijswetgeving behoren tot de zgn.
                    ‘eigendomsscholen’;</al><al>- de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al><al>- het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school geeft
                    bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al><al>- de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs gebruikt
                    wordt, en</al><al>- het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd gebruik is
                    of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk gebruik.</al><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer klokuren
                    bewegingsonderwijs aan te vragen dan door het college genormeerd is vastgesteld.
                    Het college kan dit verzoek honoreren als binnen de bestaande accommodaties
                    daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag worden dan de kosten van
                    deze extra klokuren doorberekend.</al><al/><al>Artikel 31. Indexering</al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten jaarlijks
                    worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV integraal onderdeel
                    is van de verordening moet op grond van de onderwijswetten een wijziging van de
                    verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om deze zware procedure
                    voor uitsluitend het aanpassen van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit
                    artikel dat het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan
                    het college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV,
                    deel A. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een
                    wijziging van de verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het
                    toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de
                    mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al/><al>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</al><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het vaststellen
                    van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is onderverdeeld in
                    deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen bewegingsonderwijs.</al><al/><al>Deel A –Lesgebouwen</al><al>Algemeen</al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen van
                    de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven.</al><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De
                    dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de
                    hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Is
                    het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de
                    hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten.
                    Ontvangt het college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor
                    een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze aanvraag te
                    honoreren, vast of:</al><al>- de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende huisvesting
                    voor de school noodzakelijk is;</al><al>- dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te huisvesten,
                    eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al><al>- dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar is.</al><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is op
                    basis van het voorgaande een financiële afweging van het college.</al><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het college
                    beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><al>- het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat ingeschreven;</al><al>- het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al><al>- het verschil tussen de bestaande capaciteit (= brutovloeroppervlakte) van het
                    gebouw of de gebouwen die door de school worden gebruikt en de gewenste
                    ruimtebehoefte, en</al><al>- zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                    noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de (aanvullende)
                    voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode noodzakelijk, dan wordt
                    gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de periode waarvoor de voorziening
                    noodzakelijk is beschikbaar is. De periode waarvoor de voorziening noodzakelijk
                    is wordt herleid uit de leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord
                    op de vraag of het aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum
                    waarop de aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de
                    uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de
                    aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende jaren
                    aanwezig is en noodzakelijk is voor een periode van:</al><al>- drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend omdat
                    wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor deze beperkte
                    periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen als wordt vastgesteld dat
                    dit onmogelijk is, wordt een andere voorziening goedgekeurd;</al><al>- minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening toegekend en</al><al>- minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het
                    bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en
                    vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden.</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt,
                    onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een rol de
                    mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand gebouw.</al><al/><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Nieuwbouw is noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut of een
                    nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een onderwijsvoorziening die nog niet
                    in de gemeente is gevestigd en voor deze nieuwe voorziening ook geen bestaande
                    accommodatie beschikbaar is.</al><al/><al>A.2 Vervangende bouw</al><al>Vervangende nieuwbouw kan het gevolg zijn van een tweetal situaties. Ten eerste
                    vanwege de slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw. Voor het
                    vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en om verschillen in de
                    bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een volgorde te kunnen
                    plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis gesteld een rapportage op
                    grond van NEN 2767. Uitgangspunt van deze methode is dat de onderhoudsscenario's
                    op basis van verschillende keuzes en bevindingen worden doorgerekend en bij het
                    bepalen van de keuzes een afweging plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en
                    risico's. Bij het maken van keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in de
                    aanwezige en de te bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten)
                    essentieel. Uitgangspunt van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor
                    alle bouwkundige elementen een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen van
                    de condities wordt ook rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud
                    binnen een vooraf vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord
                    op de vraag of activiteiten binnen de periode van 3 jaar voor het onderhoud in
                    aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en de intensiteit van het gebrek
                    vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een score, de zgn.
                    'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van het
                    totale schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de
                    volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende
                    veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5
                    kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige
                    staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is.</al><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het
                    schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de
                    minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor
                    activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus
                    (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent dat als sprake is van een
                    bouwkundige rapportage met of conditie 5 of 6 moet worden vastgesteld of in de
                    afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is
                    het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag voor
                    vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en
                    bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het
                    schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt over het bekostigen van de
                    totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen
                    ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te zetten.</al><al>Vervangende nieuwbouw kan ten tweede het gevolg zijn een herschikkingsoperatie.
                    Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:</al><al>- bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen omdat
                    is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen
                    beschikbaar is, maar dat het ene schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft
                    en het andere schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door onderlinge ruil,
                    eventueel met een beperkte bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij een
                    bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende nieuwbouw voor een bestaand
                    schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden
                    gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten;</al><al>- fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een herschikkingsoperatie omdat
                    een fusie op schoolniveau ook gevolgen heeft voor de leerlingenstromen, waardoor
                    mogelijk door een beperkte uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene
                    schoolgebouw het andere schoolgebouw kan worden afgestoten;</al><al>- vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                    ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het herinrichten van een
                    wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het bestaande schoolgebouw of de
                    bestaande schoolgebouwen vervangen wordt/worden.</al><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan is
                    dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt
                    en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is, dus voor de
                    gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan
                    uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de vervangende nieuwbouw
                    kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop van de bestaande
                    (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat hierover overeenstemming is
                    bereikt met het aanvragende schoolbestuur, gelden die het bevoegd gezag van het
                    rijk ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het onderhoud, en de
                    aanpassingen schoolbestuur als medefinanciering worden ingezet.</al><al/><al>A.3 Uitbreiding</al><al>Uitbreiding wordt toegekend als de bestaande capaciteit van het schoolgebouw of
                    de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van het aantal
                    leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan groter dan
                    de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is aan het
                    college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit beschikbaar
                    wordt gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden met de eventueel
                    beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat mogelijk is in
                    plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv. medegebruik
                    toekennen.</al><al/><al>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al><al>In gebruik nemen van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is afhankelijk
                    van de volgende factoren:</al><al>- het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand alleen een
                    rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een bestaande hoofdvestiging;
                    is het gebouw noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuwe school dan is de
                    ligging niet relevant;</al><al>- de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo ja welke
                    in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen voor voldoende
                    capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen.</al><al>- de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van belang om
                    vast te stellen welke bouwkundige investeringen noodzakelijk zijn om het gebouw
                    bouwkundig en onderwijskundig geschikt te maken als kwalitatief geschikte
                    huisvesting. Het college kan besluiten tot het bekostigen van vervangende
                    nieuwbouw als de investeringskosten om het gebouw voor het onderwijs geschikt te
                    maken, zoals aanpassing, uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met (eventuele)
                    kosten van verwerving hoger zijn dan de kosten van volledige nieuwbouw.</al><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><al>- als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en ingebruikgeving per
                    saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al><al>- bij een herschikkingsoperatie;</al><al>- als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al><al>- als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is.</al><al/><al>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en
                    nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk
                    gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen
                    en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op dit punt kan het
                    college een afweging maken tussen het verplaatsen en het bekostigen van een
                    nieuwe voorziening.</al><al/><al>A.6 Terrein</al><al>Terrein is een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch wordt
                    toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het schoolgebouw kan bijv.
                    op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het realiseren van
                    de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele
                    toestemming voor de huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden, deze
                    voorziening wordt opgenomen op het programma.</al><al/><al>A.7 Eerste inrichting </al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een
                    school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school
                    voor speciaal onderwijs. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd
                    aan een school voor voortgezet onderwijs. Voor alle onderwijssectoren is de
                    bekostiging van de eerste inrichting gekoppeld aan het aantal m2 bruto
                    vloeroppervlakte waarvoor de voorziening nieuwbouw of uitbreiding wordt
                    toegekend.</al><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één school.
                    In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor
                    zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent dat bij fusie
                    van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op bekostiging van
                    eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen minder
                    of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie afzonderlijke
                    scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie
                    met uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor de gefuseerde
                    school geregistreerd de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de
                    voorheen aan de afzonderlijke scholen is toegekend.</al><al/><al>A.8 Medegebruik</al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van het
                    doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van middelen. </al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht te
                    hebben:</al><al>- in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van de
                    leerlingenprognose), en</al><al>- de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is
                    vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal leerlingen
                    verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol is).</al><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij
                    medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening bij
                    medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die in
                    aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand. In de verordening
                    is als verwijsafstand opgenomen het criterium ‘’hemelsbreed’.</al><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw van
                    scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt vastgesteld op
                    basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit (bruto
                    vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de school
                    vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de berekende
                    genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik
                    wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><al>- Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs een speciale school
                    voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs en een school voor
                    voortgezet onderwijs is per definitie geschikt voor medegebruik.</al><al>- Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd, maar
                    waarvoor het college een vergoeding verstrekt (zogenaamde eigendoms- en
                    huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen huisvesting onderwijs en
                    komen in aanmerking voor medegebruik.</al><al>- Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd
                    en waarvoor geen vergoeding van de overheid is ontvangen kunnen niet in
                    medegebruik worden gegeven omdat deze ruimte geen onderdeel uitmaken van de voor
                    het schoolgebouw vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).</al><al/><al>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe bewoner</al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en
                    medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen moeten
                    worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de
                    nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen voor rekening
                    van de gemeente.</al><al/><al>A.9 Herstel van constructiefouten</al><al>Herstel van constructiefouten is een voorziening huisvesting onderwijs. Voordat
                    bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is het van belang vast te
                    stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en wie
                    verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout. Als sprake is van
                    een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout aansprakelijk
                    worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het moment waarop
                    bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In dit verband
                    heeft de Raad van State uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het
                    schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als een
                    constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet worden
                    gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en het aanvragen
                    van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van oordeel
                    dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn van een
                    constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud. Het herstel van een
                    constructiefout is eveneens geen voorziening huisvesting onderwijs en komt voor
                    rekening van het bevoegd gezag als de constructiefout het gevolg is van
                    nalatigheid van het bevoegd gezag (artikel 100, tweede lid, van de WPO, artikel
                    98, tweede lid, van de WEC en artikel 76k, tweede lid, van de WVO.)</al><al/><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere
                    omstandigheden is van toepassing als het bevoegd gezag geconfronteerd wordt met
                    schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand etc. en
                    deze schade niet is te verhalen op een derde (daderaansprakelijkheid). Bij het
                    bepalen van de omvang van de bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie
                    van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande
                    school worden vervangen door een schoolgebouw met minder bruto vloeroppervlakte
                    als de leerlingenprognose daartoe aanleiding geeft. Ook kan het college in
                    plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens
                    dat als de schade veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag
                    (bijv. inbraak was mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor
                    rekening van het bevoegd gezag komen.</al><al>Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening</al><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het
                    traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het
                    gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan
                    juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een derde.</al><al/><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikgeving</al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen is
                    een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de
                    afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik
                    moet maken.</al><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de
                    gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in plaats
                    van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te vergoeden.
                    Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het college overleg met het
                    bevoegd gezag. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de verordening
                    materiële financiële gelijkstelling onderwijs.</al><al>B.3 Eerste inrichting </al><al>Aanvullend meubilair voor het inrichten van het lokaal bewegingsonderwijs kan
                    als eerste inrichting worden verstrekt als een bestaand lokaal:</al><al>- met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal wordt
                    vergroot, of</al><al>- vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal
                    bewegingsonderwijs.</al><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de toen
                    gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting naar
                    verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze vernieuwde
                    lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging eerste
                    inrichting verstrekt.</al><al/><al>B.5 Medegebruik</al><al>De mogelijkheid van medegebruik in een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                    vastgesteld op basis van het rooster bewegingsonderwijs dat het college heeft
                    vastgesteld voor de scholen voor primair en speciaal onderwijs en het rooster
                    bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school voor het voortgezet
                    onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor voortgezet onderwijs.</al><al/><al>Bijlage II – Prognosecriteria </al><al>Op grond van de artikelen 7 en 18, eerste lid, is het bevoegd gezag verplicht
                    een leerlingenprognose te overleggen als een aanvraag voor het bekostigen van
                    een voorziening huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding
                    gebouw, eerste inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik
                    wordt ingediend. De leerlingenprognose is de basis voor het beoordelen van de
                    noodzaak van de door de bevoegde gezagsorganen aangevraagde voorziening en van
                    belang voor het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting
                    onderwijs noodzakelijk is.</al><al/><al>Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                    ruimtebehoefte</al><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening
                    huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren
                    wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die wordt
                    geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m2 bruto vloeroppervlakte die
                    een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft gerealiseerd, waar dus geen
                    (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze capaciteit wordt wel
                    geregistreerd.</al><al/><al>Deel A – Vaststellen capaciteit</al><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m2 bruto
                    vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden beoordeeld
                    of het (school)gebouw:</al><al>a. te maken heeft met leegstand, of</al><al>b. moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is (aanvullende
                    ruimtebehoefte, deel C).</al><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college opgenomen
                    in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk belang is
                    voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw,
                    vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van artikel 5 van de
                    verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college worden doorgegeven.
                    Door het vastleggen van deze mutaties in de gemeentelijke administratie beschikt
                    het college over de meest actuele bruto vloeroppervlakte van de
                    (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan
                    de hand van deel E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg van
                    de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet volledig
                    geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het schoolgebouw is dan
                    ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige indeling van het
                    schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd gezag het college vragen om de
                    capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt over dit verzoek een
                    besluit. Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag te voldoen,
                    dan registreert het college zowel de totale bruto vloeroppervlakte van het
                    schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte die geschikt is als op minder
                    onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college een aanvraag voor het
                    bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw ontvangt stelt het college vast
                    of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig te
                    realiseren waardoor de ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt
                    verminderd.</al><al/><al>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van huisvesting
                    in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal leerlingen
                    zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is het
                    in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit te nemen over de locatie
                    die buiten gebruik wordt gesteld en wordt overgedragen aan het college, tenzij
                    een van de locaties een gebouw is waarvoor het college een huurvergoeding
                    betaalt. Een schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding betaalt wordt
                    als eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het buiten
                    gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg
                    plaats tussen het bevoegd gezag en het college.</al><al/><al>A.1.4 Terrein </al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte van
                    het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de
                    kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als een geheel
                    is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al>A.1.5 Inventaris </al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is
                    bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het
                    bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het
                    schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                    uitbreiding met het aantal m2 bruto vloeroppervlakte. Uitgangspunt is dat op 1
                    januari 2015 de eerste inrichting is bekostigd waarop het bevoegd gezag tot die
                    datum aanspraak maakte.</al><al/><al>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs </al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van
                    belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor
                    basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                    speciaal onderwijs, of het aantal lesuren voor een school voor voortgezet kan
                    worden ingeroosterd.</al><al/><al>A.1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan de grootte
                    van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de
                    terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt
                    geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal bewegingsonderwijs.
                    Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><al>- inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit van de
                    terreinoppervlakte van het schoolgebouw; </al><al>- als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is gerealiseerd
                    op het terrein van het bevoegd gezag wordt het afzonderlijk geregistreerd;</al><al>- ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk geregistreerd;</al><al>- onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt op
                    hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk
                    geregistreerd.</al><al/><al>A.1.6.3 Inventaris</al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is wordt
                    geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het
                    bewegingsonderwijs.</al><al/><al>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</al><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen dat
                    op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag op de
                    school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto
                    vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst van de
                    leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze ruimtebehoefte
                    noodzakelijk is.</al><al/><al>B.1 Lesgebouwen</al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                    basisonderwijs een school voor speciaal onderwijs en een school voor voortgezet
                    onderwijs wordt gebaseerd op het aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m2
                    bruto vloeroppervlakte per leerling. Een school voor voortgezet onderwijs maakt
                    daarnaast aanspraak op een vaste voet, die afhankelijk is van:</al><al>- de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging met
                    spreidingsnoodzaak, en</al><al>- de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al><al/><al>B.1.1 School voor basisonderwijs </al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de
                    basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte
                    bestaat uit de vaste voet (200 m2) en de som van het aantal ongewogen leerlingen
                    dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven vermenigvuldigd met 5,03 m2
                    per leerling. Op aanvullende ruimtebehoefte bestaat aanspraak als op de school
                    ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven. De aanvullende ruimtebehoefte is
                    afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som van de basisruimtebehoefte en de
                    aanvullende ruimtebehoefte is de totale ruimtebehoefte. Onderdeel hiervan is een
                    speellokaal.</al><al>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs </al><al>De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet (250 m2) en de som van het
                    aantal leerlingen dat op de speciale school voor basisonderwijs is ingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 7,35 m2 per leerling. Heeft de speciale school voor
                    basisonderwijs aanspraak op een speellokaal, dan wordt de ruimtebehoefte
                    verhoogd met 90 m2.</al><al/><al>B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor speciaal onderwijs bestaat uit een vaste
                    voet en de som van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven
                    vermenigvuldigd met een m2 bruto vloeroppervlakte per leerling. Zowel de vaste
                    voet als de m2 bruto vloeroppervlakte per leerling zijn afhankelijk van de
                    onderwijssoort. Bij het vaststellen van de ruimtebehoefte wordt onderscheid
                    gemaakt in een:</al><al>– school voor speciaal onderwijs (so);</al><al>– school voor voortgezet speciaal onderwijs (vso);</al><al>– school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (sovso);</al><al>– school voor speciaal onderwijs met een of meer afdelingen, en</al><al>– school voor voortgezet speciaal onderwijs met een of meer afdelingen.</al><al>De ruimtebehoefte bij een school voor speciaal onderwijs wordt vastgesteld op
                    eenmaal de vaste voet, verhoogd met de uitkomst van de afzonderlijk berekende
                    bruto vloeroppervlakte voor het aantal leerlingen van de so- en de vso-component
                    en van de afdelingen. Is sprake van een of meer afdelingen, dan wordt het aantal
                    leerlingen van een of meer afdelingen bij het aantal leerlingen van de
                    so-component opgeteld.</al><al>Heeft de school voor speciaal onderwijs aanspraak op een speellokaal, dan wordt
                    de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m2.</al><al>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de basisruimtebehoefte. De
                    basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet, vermeerderd met de som van het
                    aantal leerlingen vermenigvuldigd met de m2 bruto vloeroppervlakte per leerling,
                    die geldt voor de onderwijsrichting waarop de leerling staat ingeschreven. De
                    vaste voet wordt toegekend voor de hoofdvestiging van de school voor voortgezet
                    onderwijs en de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt een vaste
                    voet toegekend voor de afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of sprake is van een
                    nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op basis van de door de
                    minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven beschikking.</al><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school voor
                    voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de beroepsgerichte
                    leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan uitsluitend worden aangeboden
                    als de minister van OCW hiervoor toestemming heeft verleend. De school voor
                    voortgezet onderwijs beschikt dan over de betreffende licenties.</al><al/><al>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het
                    totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is
                    ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs, speciale
                    school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs is afhankelijk
                    van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de school voor
                    basisonderwijs is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Om het aantal
                    formatieplaatsen te bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die het college
                    hanteert bij het vaststellen van de materiële vergoeding. Beschikt de school
                    voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs of school voor speciaal
                    onderwijs niet over een speellokaal, dan bestaat aanspraak op gebruik van een
                    lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van 4 en 5 jaar.
                    Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor basisonderwijs binnen de
                    genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal heeft gerealiseerd.</al><al/><al>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</al><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><al>- stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al><al>- stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al><al>- stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit –
                    vastgestelde ruimtebehoefte</al><al>- stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de
                    drempelwaarde </al><al>- stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al><al>- lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen
                    voorziening,</al><al>- gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het bekostigen
                    van een voorziening op basis van de uitkomst van stap 3.</al><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto
                    vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is
                    geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft de
                    school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen
                    speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een lokaal
                    bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van een
                    speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een lokaal
                    bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het college
                    hiervoor toestemming verleend, binnen het lokaal bewegingsonderwijs de
                    noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is een
                    huurvergoeding te betalen. Een speciale school voor basisonderwijs en een school
                    voor speciaal onderwijs maken aanspraak op extra bruto vloeroppervlakte voor een
                    speellokaal als deze scholen worden bezocht door leerlingen in de leeftijd tot
                    zes jaar.</al><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting
                    uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de
                    capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke bruto
                    vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft deze
                    situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het vaststellen van
                    het aantal m2 uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het verschil tussen de
                    feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde capaciteit kan worden
                    opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich voor, dan geldt als
                    uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de toegekende uitbreiding
                    in eerste instantie moet leiden tot het verminderen van de zgn.
                    verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het toekennen van een interne aanpassing
                    of beperkte uitbreiding in combinatie met een interne aanpassing van het
                    schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de investeringskosten die
                    moeten blijken uit een vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend
                    de aanpassing en de investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een
                    eventuele (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de
                    investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten van
                    een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw uit te
                    breiden.</al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de
                    voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte
                    minimaal tien procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte van de bestaande
                    capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk
                    van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de voorziening uitbreiding wordt
                    onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening’. Wordt toegekend:</al><al>- de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend de totaal
                    berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen rekening gehouden met de
                    drempel van 10 procent;</al><al>- de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend het aantal
                    m2 dat de 10 procent overschrijdt, de aanvullende ruimtebehoefte tot 10 procent
                    moet het schoolbestuur binnen de bestaande capaciteit opvangen .</al><al/><al>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen.
                    De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk van de verwachte
                    periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode van:</al><al> korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al><al> 4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik bestemde
                    huisvesting;</al><al> langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde
                    huisvesting.</al><al/><al>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde
                    ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw. Afhankelijk
                    van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in
                    gebruik worden gegeven.</al><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand in
                    het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand
                    tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan worden
                    gerealiseerd.</al><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het
                    schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke
                    oppervlakte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                    basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs is opgenomen in deel D. Tot
                    het terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen, of de
                    ruimte voor een kiss-en-ride-strook.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding is
                    gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze
                    voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving,
                    medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze voorziening.</al><al/><al>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die
                    betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen
                    die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor
                    schoolgebouwen.</al><al/><al>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen</al><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het
                    bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen. Daarbij
                    moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.</al><al/><al>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</al><al>Algemeen</al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO, artikel 100, derde lid, van de WEC en
                    artikel 76m, derde lid, van de WVO verplichten de gemeenteraad normen vast te
                    stellen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs die
                    worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze bijlage
                    heeft een relatie met artikel 4 van de verordening, waarin is opgenomen welke
                    voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen</al><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is de
                    gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak belasting
                    (artikel 133 van de WPO, artikel 127 van de WEC en artikel 96c.1 van de WVO).
                    Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet bekostigen is gelijk aan het bedrag
                    van de opgelegde aanslag.</al><al/><al>Deel A – Indexering</al><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende
                    prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het
                    normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het
                    MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt
                    gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad
                    gedelegeerd aan het college (artikel 31 van de verordening).</al><al/><al>Deel B – Normbedragen</al><al/><al>Vergoeding voorbereidingskrediet</al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid opgenomen om
                    een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het
                    voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een [percentage]van het normbedrag
                    zoals opgenomen in deze bijlage, of op [percentage] van het geraamde bedrag van
                    de feitelijke kosten. Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is
                    vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al
                    beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag
                    van de vastgestelde bekostiging.</al><al/><al>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele
                    kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en zijn
                    incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><al>- een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een
                    school voor speciaal onderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto vloeroppervlakte en</al><al>2) bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, welk bedrag voor een school voor
                    speciaal onderwijs afhankelijk is van de onderwijssector.</al><al>- een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met spreidingsnoodzaak)</al><al>2) bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de toegekende bruto
                    vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort (lokaal specifiek en sectie
                    specifiek).</al><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    als volgt vastgesteld:</al><al>a. per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit bruto
                    vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto vloeroppervlakte;</al><al>b. per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a vastgestelde
                    verschil in capaciteit, en</al><al>c. vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor
                    voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten
                    worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto
                    vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van
                    de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend voor
                    bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal
                    en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen,
                    aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk kunnen variëren.</al><al>A.2 Kosten voor terreinen</al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle
                    kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen
                    riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de
                    gemeente komen</al><al/><al>C. Tijdelijke voorziening</al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of door
                    middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een
                    tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent gebouw).
                    De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is afhankelijk van
                    aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en
                    multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:</al><al>- als eerste voorziening (nieuwbouw);</al><al>- voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al><al>- voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het
                    realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een
                    vergelijking tussen de kosten van:</al><al>- tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente
                    voorziening, en</al><al>- aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur van
                    tijdelijke huisvesting,</al><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten van
                    het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te
                    kopen lokalen.</al><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat gelet op
                    de:</al><al>- kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten van de
                    permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente bouw wordt toegekend
                    (dit speelt vooral als de tijdelijke huisvesting naar verwachting voor lange
                    termijn noodzakelijk is);</al><al>- korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een huurvergoeding wordt
                    toegekend, of</al><al>- periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot koop van
                    een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan huur.</al><al/><al>D. Eerste inrichting</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs, een
                    speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. Bij een school voor speciaal
                    onderwijs wordt zowel bij het basisbedrag als het bedrag per m2 onderscheid
                    gemaakt naar onderwijssoort.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag van
                    de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet onderwijs
                    aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van vergoeding
                    bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging eerste inrichting
                    leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen noodzakelijk:</al><al>- als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen voor dure
                    ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte) wordt het verschil in
                    inventariskosten gecompenseerd;</al><al>- als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot algemene ruimte
                    ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt de school gekort op het
                    bedrag voor inventaris. Als deze situatie zich voordoet wordt vastgesteld dat de
                    school een hoger bedrag aan bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens
                    de verordening aanspraak maakt. Dit verschil wordt geregistreerd.</al><al/><al>. Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in
                    bedragen voor:</al><al>- nieuwbouw;</al><al>- uitbreiding, en</al><al>- eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al><al>Daarnaast hebben de scholen voor speciaal onderwijs voor LG- en MG-leerlingen
                    aanspraak op een aanvullende bekostiging voor het vergroten van de entree en de
                    was- en kleedruimte als deze lokalen bewegingsonderwijs niet toegankelijk
                    zijn.</al><al/><al>F. Vergoeding feitelijke kosten</al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                    onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de
                    voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de kostenbegroting van de
                    eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten van de architect en het
                    bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen
                    offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of andere schade.
                    Ook bij het vaststellen van deze niet genormeerde kosten moet rekening worden
                    gehouden met de kosten van technische advisering.</al><al/><al>G. Huur sportvelden</al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van het
                    college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat
                    uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met gemeentelijke
                    middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de investeringskosten. Naast de
                    vergoeding voor de investeringskosten die voor rekening van de gemeente komt kan
                    de verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in rekening brengen een
                    vergoeding voor de exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt
                    vastgesteld door degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen
                    volledig voor rekening van het bevoegd gezag.</al><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en wordt
                    alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet
                    onderwijs van het sportveld gebruik maakt.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>