<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR349198_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerenveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerenveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-83664.html">gmb-2014-83664</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8b">Participatiewet, art. 8b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=20a">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 20a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=20a">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 20a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0011708&amp;artikel=2">Boetebesluit socialezekerheidswetten, art. 2 en 2a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.1:CVDR348483_0">Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen, art. 5, derde lid, 6, eerste len tweede lid en 9, tweede lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      
            
              Beleidsregels 
              handhaving Participatiewet
                                
              I
              O
              AW
              en
                                I
              O
              AZ
              g
              e
              meente
                                
              H
              e
              e
              r
              e
              n
              v
              e
              e
              n
                                2015
            
          
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            
              Beleidsregels 
              handhaving Participatiewet
                                
              I
              O
              AW
              en
                                I
              O
              AZ
              g
              e
              meente
                                
              H
              e
              e
              r
              e
              n
              v
              e
              e
              n
                                2015
            
          </al>
          <al>Burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen;</al>
          <al/>
          <al>Overwegende, dat het in het belang van de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref>
                        noodzakelijk wordt geacht om nadere regels te stellen ten aanzien van de
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref>, en de <extref doc="1.1:CVDR348483_0" struct="CVDR">Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
                            gemeente Heerenveen 2015</extref>,</al>
          <al/>
          <al>Gelet op artikel 8b van de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8b" struct="BWB">Participatiewet</extref>,</al>
          <al/>
          <al>Gelet op artikel <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=20a" struct="BWB">20a, vierde en zevende lid van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers</extref>,</al>
          <al/>
          <al>Gelet op <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=20a" struct="BWB">artikel 20a, vierde en zevende lid van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen</extref>,</al>
          <al/>
          <al>Gelet op <extref doc="1.0:v:BWBR0011708&amp;artikel=2" struct="BWB">artikel 2</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0011708&amp;artikel=2a" struct="BWB">2a van het
                            Boetebesluit sociale zekerheidswetten</extref>,</al>
          <al/>
          <al>Gelet op artikel 5, derde lid, 6, eerste en tweede lid en 9, tweede lid van
                        de <extref doc="1.1:CVDRCVDR348483_0" struct="CVDR">Handhavingsverordening
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2015</extref>,</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>BESLUIT</vet>
            <vet>:</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>Vast te stellen de navolgende <vet>regels</vet><vet> handhaving
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ</vet><vet> gemeente Heerenveen
                        2015</vet>.</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Aangesloten wordt bij de begripsbepalingen in artikel 1 van
                                    de<extref doc="1.1:CVDR348483_0" struct="CVDR">Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2013
                                    gemeente Heerenveen</extref> en artikel 1, tweede lid van
                                    <extref doc="1.1:CVDR348532_0" struct="CVDR">Verordening
                                    verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Heerenveen
                                    2015</extref>.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor het overige worden begrippen in deze beleidsregels gebruikt in
                                dezelfde betekenis als in de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref> en de <extref doc="1.0:v:BWBR0005537" struct="BWB">Algemene wet
                                    bestuursrecht (Awb)</extref>.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Waar wordt gesproken over “fraude” wordt bedoeld “schending van de
                                inlichtingenplicht”.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Hoogwaardig handhaven</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Vroegtijdig informeren</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college informeert belanghebbenden en overige burgers voldoende
                                en tijdig.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De informatie wordt mondeling tijdens de contacten met de
                                belanghebbende, schriftelijk, digitaal en/of in individuele
                                besluiten verstrekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De gemeente kan bij het geven van voorlichting gebruik maken van de
                                media en foldermateriaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college kan voorlichting geven over de ontwikkeling van de
                                fraudebestrijding en de uitvoering van het fraudebeleid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het college geeft aan welke gegevens nodig zijn voor de verlening of
                                voortzettingvan de uitkering en wanneer en op welke manier die
                                gegevens door belanghebbende moeten worden aangeleverd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Het niet verstrekken van de onder punt artikel 2, vijfde lid,
                                genoemde gegevens kan consequenties hebben voor de verlening of
                                voortzetting van de uitkering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Het college is bevoegd om onderzoek in te (laten) stellen naar de
                                juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en kan de
                                verstrekte documenten of bewijsstukken zowel bij aanvang als tijdens
                                de lopende uitkering, verifiëren bij externe instanties.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8.</lidnr>
              <al>Verificatie vindt plaats met inachtneming van de wettelijke
                                voorschriften die vastgelegd zijn in de <extref doc="1.0:v:BWBR0011468" struct="BWB">Wet bescherming
                                    persoonsgegevens </extref>en het college verifieert uitsluitend
                                datgene wat nodig is voor de vaststelling van het recht op een
                                uitkering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>9.</lidnr>
              <al>Niet, onjuist of onvolledige verstrekking van voor de bepaling van
                                het recht op uitkering relevante gegevens die aan de belanghebbende
                                te wijten is, wordt gezien als onvoldoende medewerking verlenen en
                                kan aanleiding geven tot een vermoeden van fraude.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>10.</lidnr>
              <al>In geval van het vorige artikel kan het college het recht op
                                uitkering voor wat betreft de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref> voor de duur van ten
                                hoogste acht weken opschorten (artikel 54, eerste en tweede lid van
                                de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=54" struct="BWB">Participatiewet</extref>). Ook de <extref doc="1.0:v:BWBR0004044" struct="BWB">IOAW</extref> en de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0004163" struct="BWB">IOAZ</extref>
                                kennen het college als artikel 2, negende lid, van toepassing is de
                                bevoegdheid toe om de uitkering op te schorten op grond van artikel
                                17 lid, eerste en tweede lid van zowel de <extref doc="1.0:v:BWBR0004044" struct="BWB">IOAW</extref> als de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel 17" struct="BWB">IOAZ</extref>.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>11.</lidnr>
              <al>Bij het vermoeden van fraude stelt het college een nader onderzoek
                                in en onderneemt actie naar gelang de uitkomst van het
                                onderzoek.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>12.</lidnr>
              <al>Het college kan in de contracten die met aanbieders van
                                (re-integratie) diensten worden afgesloten, afspraken vastleggen
                                over de wijze waarop deze moeten omgaan met fraude- en
                                verzuimsignalen, zowel in de richting van de belanghebbende als naar
                                de gemeente.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Optimalisering dienstverlening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college biedt belanghebbenden voldoende zekerheid en
                                duidelijkheid door middel van vroegtijdige informatie in
                                begrijpelijk taalgebruik.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college geeft helder en duidelijk alle aspecten, rechten en
                                plichten die in relatie staan tot de uitvoering van de wetten
                                aan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Die verstrekte informatie heeft zowel betrekking op organisatorische
                                als inhoudelijke zaken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college draagt zorg voor een duidelijk, consequent,
                                doeltreffend, klantgericht, toegankelijk beleid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het college maakt gebruik van transparante werkprocessen,
                                werkinstructies en formulieren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Het college stelt de belanghebbende in de gelegenheid om tijdig
                                (binnen 14 dagen) wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op (de
                                hoogte van) de uitkering, te melden door middel van het
                                mutatieformulier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Het college wijst de belanghebbende op de gevolgen van het niet, te
                                laat, onjuist of onvolledig invullen van het mutatieformulier.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Vroegtijdige detectie</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>4.1</lidnr>
              <al>Controle op maat</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college stelt bij het constateren van een fraudesignaal
                                        een onderzoek in.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het college stelt controleprotocollen op voor het te voeren
                                        onderzoek, waarbij op basis van objectieve criteria de in te
                                        zetten middelen van licht naar zwaar kunnen oplopen.</al></li>
                <li nr="3."><al>De bevoegdheid om deze middelen in te zetten ontleent het
                                        college aan de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB">artikelen 17</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">53a
                                            Participatiewet</extref>, respectievelijk de artikelen
                                            <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=13" struct="BWB">13</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=14" struct="BWB">14</extref> van zowel de IOAW als de
                                            <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=13" struct="BWB">IOAZ</extref>.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het college zet een strafrechtelijk traject in indien het
                                        benadelingsbedrag hoger is dan bruto € 50.000,- of als het
                                        vermoeden bestaat dat het benadelingsbedrag € 50.000,- of
                                        meer zal bedragen. Het vermoeden dient redelijk en gebaseerd
                                        te zijn op concrete feiten of omstandigheden.</al></li>
                <li nr="5."><al>Benadelingsbedragen van minder dan € 50.000,- worden in
                                        beginsel bestuursrechtelijk afgedaan, tenzij:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>strafrechtelijk dwangmiddelen zijn toegepast;</al></li>
                    <li nr="b."><al>toepassing van strafrechtelijke dwangmiddelen
                                                wenselijk is;</al></li>
                    <li nr="c."><al>er sprake is van samenloop met andere strafbare
                                                feiten;</al></li>
                    <li nr="d."><al>de status van de verdachte of diens voorbeeldfunctie
                                                aanleiding zijn tot een strafrechtelijke
                                                afdoening;</al></li>
                    <li nr="e."><al>het recidive betreft met een totaal fraudebedrag
                                                boven de € 50.000,-;</al></li>
                    <li nr="f."><al>er fraude met medeweten van uitvoerende ambtenaren
                                                heeft plaatsgehad;</al></li>
                    <li nr="g."><al>het gaat om fraude in georganiseerd verband;</al></li>
                    <li nr="h."><al>feiten en omstandigheden rond de verdachte daartoe
                                                aanleiding geven.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="6."><al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit het opleggen van
                                        een boete ingevolge <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18a" struct="BWB">artikel 18a van de
                                        Participatiewet</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=20a" struct="BWB">20a van de IOAW</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=20a" struct="BWB">artikel 20a van de IOAZ</extref> uit indien
                                        het Openbaar Ministerie is overgegaan tot vervolging en het
                                        onderzoek ter terechtzitting is begonnen, de zaak is
                                        afgedaan middels een strafbeschikking of als een transactie
                                        is overeengekomen met de belanghebbende.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.2</lidnr>
              <al> Signaalsturing</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college besluit om een belanghebbende te controleren als
                                        fraudesignalen zich voordoen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het college stelt controleprotocollen op voor de diverse
                                        signalen en soorten fraude.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.3</lidnr>
              <al> Risicosturing</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college kan door middel van risicoanalyse vooraf bepalen
                                        welke groepen een verhoogd risico op fraude hebben.</al></li>
                <li nr="2."><al>Er dient sprake te zijn van een objectief vast te stellen
                                        situatie van verhoogd risico.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het college stelt vooraf een onderzoeksprotocol
                                        (risicoprofiel) op waarin wordt aangegeven wanneer controle
                                        plaats vindt gericht op een specifieke risico.</al></li>
                <li nr="4."><al>Dit onderzoeksprofiel voldoet aan de minimale eisen:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>omschrijving van het doel dat met de inzet van
                                                risicoprofielen moet worden bereikt;</al></li>
                    <li nr="b."><al>het moet administratief traceerbaar zijn;</al></li>
                    <li nr="c."><al>niet gebaseerd zijn op etniciteit en mag niet
                                                stigmatiserend zijn.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="5."><al>Het college voert een beperkte steekproef met het
                                        risicoprofiel uit alvorens het risicoprofiel breed toe te
                                        passen.</al></li>
                <li nr="6."><al>Uitleg van risicoprofielen is onderdeel van het vroegtijdig
                                        informeren.</al></li>
                <li nr="7."><al>De risicoscorekaart maakt onderdeel uit van
                                        risicosturing.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.4</lidnr>
              <al> Themacontroles</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college kan beslissen om themacontroles uit te
                                        voeren.</al></li>
                <li nr="2."><al>De controles gebeuren op basis van een objectief thema en
                                        kunnen worden onderverdeeld in een administratief en een
                                        feitelijk onderzoek.</al></li>
                <li nr="3."><al>Themacontroles zijn aan een bepaalde tijdsduur
                                        gebonden.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Daadwerkelijk sanctioneren</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De gedragingen waarbij en de wijze waarop een sanctie kan worden
                                opgelegd is geregeld in de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref>, de <extref doc="1.0:v:BWBR0004044" struct="BWB">IOAW</extref>, de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0004163" struct="BWB">IOAZ</extref>
                                en de <extref doc="1.0:v:BWBR0032087" struct="BWB">Wet
                                    aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving</extref>,
                                alsmede de daaruit voortvloeiende gemeentelijke verordeningen.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Terugvordering</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Herziening en intrekken toekenningsbesluit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheid om een
                                besluit inzake de toekenning of weigering van bijstand te herzien of
                                in te trekken met toepassing van <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=54" struct="BWB">art.
                                    54, derde en vierde lid van de Participatiewet</extref>,
                                respectievelijk artikel 17, derde en vierde lid van zowel de <extref doc="1.0:v:BWBR0004044" struct="BWB">IOAW</extref> als
                                    de<extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=17" struct="BWB"> IOAZ</extref>.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Onterecht of te hoog bedrag verleend</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Onterecht verleende bijstand wordt teruggevorderd in de gevallen en
                                op de wijze zoals genoemd in de artikelen <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">58 tot en met 60 van
                                    de Participatiewet</extref>. In geval van een onterecht
                                verleende uitkering wordt het voorgaande gebaseerd op de <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=25" struct="BWB">artikelen 25 tot en met 31 van de IOAW</extref> dan wel de
                                artikelen <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=25" struct="BWB">25 tot en met 31 van de IOAZ</extref>.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Afzien van het nemen van een terugvorderingbesluit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college ziet af van het nemen van een terugvorderingsbesluit
                                indien hiertoe een dringende reden aanwezig is.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Bruto of netto terugvorderen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Terugvordering van de teveel verstrekte bedragen geschiedt:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>bruto indien en voor zover de belasting en premies niet
                                        verrekend kunnen worden met de belastingdienst en
                                        uitvoeringsinstellingen;</al></li>
                <li nr="b."><al>netto in alle overige gevallen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Invordering</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Betalingsverplichting en -capaciteit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit
                                geldt als een opgelegde betalingsverplichting.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden bedraagt op grond
                                van <extref doc="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:87" struct="BWB">art. 4:87 van de Awb</extref> zes weken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft wordt de
                                betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De wijze van onderzoek en de controle op mogelijke mutaties worden
                                nader beschreven in werkinstructies.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Voor zover de schuldenaar beschikt over activa, die nauw samenhangen
                                met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten
                                laste van deze activa.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Elk voorstel van de belanghebbende, waarbij het totaal bedrag van de
                                nieuwe vorderingen in beginsel binnen een termijn van 36 maanden
                                wordt betaald, wordt geaccepteerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Deze regel wordt alleen toegepast bij belanghebbenden waarvan de
                                uitkering is beëindigd en er verder geen bestaande vorderingen
                                aanwezig zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8.</lidnr>
              <al>Vervolgens wordt zoveel mogelijk ineens teruggevorderd ten laste van
                                het vermogen, waaronder wordt verstaan alle aan de belanghebbende in
                                eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en
                                vermogensrechten, voor zover deze na aftrek van alle schulden,
                                uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,-
                                te boven gaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>9.</lidnr>
              <al>Algemeen gebruikelijke huisraad wordt aan de belanghebbende
                                gelaten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>10.</lidnr>
              <al>De betalingscapaciteit in het toepasselijke inkomen is gelijk aan
                                het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet (als basis
                                daarvoor geldt: 90 % van de toepasselijke bijstandsnorm met
                                eventuele gemeentelijke toeslag (inclusief vakantietoeslag))
                                overschrijdt. In de praktijk kunnen zich verfijningen voordoen. Deze
                                worden in een werkinstructie nader uitgewerkt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>11.</lidnr>
              <al>De hoogte van de betalingsverplichting wordt mede bepaald door de
                                ontstaansgrond van de vordering. Zo geldt bij fraudevorderingen dat
                                van de belanghebbende een zo groot mogelijke inzet van het aanwezige
                                inkomen en vermogen dient te worden gevergd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>12.</lidnr>
              <al>Indien en voor zover geïndiceerd wordt de beslagvrije voet conform
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=475d" struct="BWB">artikel 475d, vijfde lid Rv</extref> verhoogd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>13.</lidnr>
              <al>Met betrekking tot zowel fraudevorderingen als
                                niet-fraudevorderingen wordt de betalingscapaciteit volledig in
                                aanmerking genomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>14.</lidnr>
              <al>Bij de vaststelling van de betalingscapaciteit in het inkomen wordt
                                rekening gehouden met de bijzondere, financiële en persoonlijke
                                omstandigheden van de belanghebbende.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>15.</lidnr>
              <al>Het toerekenen van de betalingen gebeurt in een vaste volgorde: de
                                invorderingskosten (inclusief rente), de boete, oudste
                                fraudevordering en jongste vordering (twee laatstgenoemde
                                vorderingen inclusief rente).</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>16.</lidnr>
              <al>Het college kan de aflossing op een vordering die niet het gevolg is
                                van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, zoals
                                neergelegd in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17, eerste lid van de
                                    Participatiewet</extref>, respectievelijk <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=13" struct="BWB">artikel 13, eerste lid van zowel de IOAW</extref> als de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=13" struct="BWB">IOAZ</extref> opschorten, als het college van
                                oordeel is dat dit noodzakelijk is voor het welslagen van een
                                eventueel participatietraject van de belanghebbende.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Verrekening, beslaglegging en eventuele rente en kosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een
                                minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde
                                betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het
                                invorderingsbesluit ten uit voer gelegd door middel van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>verrekening met de maandelijks verleende bijstand op grond
                                        van <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=60" struct="BWB">artikel 60, derde lid, van de
                                            Participatiewet</extref> dan wel verrekening met de
                                        maandelijkse uitkering op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=28" struct="BWB">artikel 28, tweede lid van zowel de
                                            IOAW</extref> als de I<extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=28" struct="BWB">OAZ</extref>; of</al></li>
                <li nr="b."><al>bij het ontbreken van deze mogelijkheid en nadat een
                                        dwangbevel is verzonden een executoriaal beslag
                                        overeenkomstig de artikelen <extref doc="1.0:v:BWBR0001827&amp;artikel=479b" struct="BWB">479b tot en met 479g, behoudens artikel
                                            479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke
                                            Rechtsvordering</extref>; of</al></li>
                <li nr="c."><al>beslag in de zin van het <extref doc="1.0:v:BWBR0005289&amp;artikel=6:96" struct="BWB">Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke
                                            rechtsvordering</extref>.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien de belanghebbende in gebreke is met tijdige betaling en de
                                vordering in de beslagfase verkeert, wordt de vordering verhoogd
                                conform artikel <extref doc="1.0:v:BWBR0005289&amp;artikel=96" struct="BWB">6:96, tweede lid van het Burgerlijk
                                    Wetboek</extref>.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Kwijtschelding</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college besluit bij niet-fraudevorderingen tot gehele of
                                gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of de
                                uitkering indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de belanghebbende in een bedreigende, problematische
                                        schuldsituatie in redelijkheid niet zal kunnen voortgaan met
                                        het betalen van zijn schulden; of</al></li>
                <li nr="b."><al>het voortbestaan van de schulden en/of het niet voldoen van
                                        de schulden vormt een ernstige bedreiging voor de
                                        geestelijke en lichamelijke gezondheid of het
                                        maatschappelijk functioneren van de belanghebbende en zijn
                                        gezin, waaronder ook de deelname aan het arbeidsproces;
                                        of</al></li>
                <li nr="c."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met
                                        betrekking tot alle vorderingen, behoudens
                                        niet-fraudevorderingen met dekking zoals beschreven onder
                                        artikel 13, derde lid, van de overige schuldeisers zonder
                                        een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en</al></li>
                <li nr="d."><al>de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand
                                        ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de
                                        vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Afzien van kwijtschelding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Van kwijtschelding in de zin van dit hoofdstuk wordt afgezien
                                indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de terugvordering van bijstand is gerelateerd aan frauduleus
                                        gedrag van de belanghebbende;</al></li>
                <li nr="b."><al>in afwijking van het hiervoor gestelde is kwijtschelding
                                        toch mogelijk indien er sprake is van dringende
                                        redenen;</al></li>
                <li nr="c."><al>de niet-fraudevordering wordt gedekt door pand of hypotheek
                                        op een goed of goederen, voor zover de vordering in
                                        redelijkheid op die goederen verhaald kan worden.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college besluit niet tot het gedeeltelijk afzien van
                                terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere
                                terugvordering (lees: invordering) bij niet- fraudevorderingen
                                wegens schuldenproblematiek, voordat een minnelijk traject tot stand
                                is gekomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>In afwijking van artikel 13, tweede lid, besluit het college tot het
                                gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk
                                afzien van verdere terugvordering (lees: invordering) bij
                                niet-fraudevorderingen wegens schuldenproblematiek, zonder
                                totstandkoming van een minnelijk traject indien één of meer
                                schuldeisers daaraan niet willen meewerken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot
                                het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering (lees:
                                invordering) bij niet-fraudevorderingen wordt ingetrokken of ten
                                nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is
                                        bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen;</al></li>
                <li nr="b."><al>de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet
                                        overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of</al></li>
                <li nr="c."><al>onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
                                        verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander
                                        besluit zou hebben geleid.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Kwijtschelding na het (deels) voldoen aan de
                                betalingsverplichting</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college besluit om van terugvordering of van verdere
                                terugvordering (lees: invordering) bij niet-fraudevorderingen af te
                                zien, indien de belanghebbende:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>gedurende drie jaar volledig aan zijn
                                        betalingsverplichtingen heeft voldaan en de terugvordering
                                        niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen
                                        van de verplichting, zoals neergelegd in<extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB"> artikel 17, eerste lid van de
                                            Participatiewet</extref>, dan wel <extref doc="1.0:v:BWBR0004044" struct="BWB">artikel 13,
                                            eerste lid van zowel de IOAW</extref> als de <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=13" struct="BWB">IOAZ</extref>; of</al></li>
                <li nr="b."><al>gedurende drie jaar niet volledig aan zijn
                                        betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
                                        achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de
                                        daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de
                                        invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald
                                        en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet
                                        behoorlijk nakomen van de verplichting, zoals neergelegd in
                                            <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17, eerste lid van de
                                            Participatiewet</extref>, dan wel <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=13" struct="BWB">artikel 13, eerste lid van zowel de
                                            IOAW</extref> als de <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=13" struct="BWB">IOAZ</extref>; of</al></li>
                <li nr="c."><al>gedurende drie jaar geen betalingen heeft verricht en niet
                                        aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan
                                        verrichten en de terugvordering niet het gevolg is van het
                                        niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, zoals
                                        neergelegd in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17, eerste lid van de
                                            Participatiewet</extref>, dan wel <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=13" struct="BWB">artikel 13, eerste lid van zowel de
                                            IOAW</extref> als de <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=13" struct="BWB">IOAZ</extref>; of</al></li>
                <li nr="d."><al>een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom
                                        in één keer aflost en de terugvordering niet het gevolg is
                                        van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
                                        zoals neergelegd in<extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB"> artikel 17, eerste lid van de
                                            Participatiewet</extref>, dan wel <extref doc="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=13" struct="BWB">artikel 13, eerste lid van zowel de
                                            IOAW</extref> als de <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=13" struct="BWB">IOAZ</extref>.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college besluit om van terugvordering of van verdere
                                terugvordering (lees: invordering) bij fraudevorderingen af te zien,
                                indien de belanghebbende gedurende tien jaar geen betalingen heeft
                                verricht, niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan
                                verrichten en de terugvordering het gevolg is van het niet of niet
                                behoorlijk nakomen van de verplichting, zoals neergelegd in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17, eerste lid van de Participatiewet</extref>, dan wel
                                artikel 13, eerste lid zowel de IOAW als de <extref doc="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=13" struct="BWB">IOAZ</extref> en het uit doelmatigheidsoverwegingen wenselijk
                                is deze vordering kwijt te schelden.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Verhaal</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>Verhaal</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheden tot verhaal
                                op grond van de Participatiewet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Verhaal is slechts mogelijk op basis van in de limitatief door de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref> genoemde gronden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Er wordt ongeacht de draagkracht van belanghebbende een
                                betaalverplichting opgelegd; deze kan ook nihil zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Er vindt heronderzoek verhaal plaats als de verhaalbijdrage op nihil
                                is gesteld in verband met schulden. Dit heronderzoek wordt ingepland
                                op het moment dat de schulden in redelijkheid voldaan kunnen zijn.
                                De verhaalbijdrage wordt bij een heronderzoek naar de draagkracht
                                niet gewijzigd als deze in vergelijking met het vorig onderzoek niet
                                hoger is dan € 25,- per maand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het college besluit indien nodig tot verhaal in rechte.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>De gemeente kan afzien van verhaal op onderhoudsplichtigen van
                                jongmeerderjarigen (18 tot 21 jaar).</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Bij het bestaan van dringende redenen kan worden afgezien van
                                verhaal.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Bestuurlijke boete</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>Geen benadelingsbedrag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In geval van schending van de inlichtingenplicht zonder dat dit tot
                                een benadelingsbedrag heeft geleid volstaat het college met het
                                geven van een schriftelijke waarschuwing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Bij recidive van de gedraging als bedoeld in artikel 17, eerste lid,
                                legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het
                                bedrag van de tweede categorie als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0001854&amp;artikel=23" struct="BWB">artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht</extref>,
                                met een minimum van € 150,-.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien sprake is van een al eerder toegekende uitkering op grond van
                                de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref> of <extref doc="1.0:v:BWBR0004044" struct="BWB">IOAW</extref> of
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0004163" struct="BWB">IOAZ</extref>
                                is sprake van een schending inlichtingenplicht als sprake is van een
                                overschrijding van een hersteltermijn, die is gegeven in verband met
                                het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de voor de
                                verlening van bijstand of uitkering van belang zijnde gegevens of
                                gevorderde bewijsstukken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college dient bij de bestuurlijke boete rekening te houden met
                                verminderde verwijtbaarheid. <extref doc="1.0:v:BWBR0011708&amp;artikel=2a" struct="BWB">Artikel 2a Boetebesluit sociale zekerheidswetten</extref> geeft
                                een niet limitatieve opsomming van gevallen waarin in ieder geval
                                sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het college kiest er in
                                het kader van maatwerk voor het begrip verminderde verwijtbaarheid
                                in deze beleidsregels, behoudens hetgeen is geregeld in artikel 17,
                                vijfde lid, niet nader in te perken en dit per geval te
                                bekijken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0011708&amp;artikel=2a" struct="BWB">artikel 2a, tweede lid, onder c van het
                                    Boetebesluit socialezekerheidswetten</extref>, stelt het college
                                de boete vast aan de hand van de hoogte van het benadelingsbedrag en
                                de duur van de overtreding.</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>Indien het benadelingsbedrag lager dan € 5.000 is en de
                                        overtreding door belanghebbende zelf gemeld wordt voordat
                                        deze meer dan een jaar heeft voortgeduurd, verlaagt het
                                        college de boete in ieder geval met 75%.</al></li>
                <li nr="b."><al>Indien het benadelingsbedrag lager dan € 5.000 is maar de
                                        overtreding door belanghebbende zelf gemeld wordt nadat deze
                                        meer dan een jaar heeft voortgeduurd, verlaagt het college
                                        de boete in ieder geval met 50%.</al></li>
                <li nr="c."><al>Indien het benadelingsbedrag gelijk aan of hoger dan € 5.000
                                        is en de overtreding door belanghebbende zelf gemeld wordt
                                        voordat deze meer dan een jaar heeft voortgeduurd, verlaagt
                                        het college de boete in ieder geval met 50%.</al></li>
                <li nr="d."><al>Indien het benadelingsbedrag gelijk aan of hoger dan € 5.000
                                        is en de overtreding door belanghebbende zelf gemeld wordt
                                        nadat deze meer dan een jaar heeft voortgeduurd, verlaagt
                                        het college de boete in ieder geval met 25%.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Indien er sprake is van een bewindvoerder wordt een schending
                                inlichtingenplicht beoordeeld als ware zij begaan door de
                                belanghebbende zelf.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Overige bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2015 onder
                                gelijktijdige intrekking van de beleidsregels “<extref doc="1.1:CVDR317476_1" struct="CVDR">Beleidsregels handhaving
                                    WWB, IOAW en IOAZ 2013 gemeente Heerenveen</extref>”</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Op gedragingen, anders dan bedoeld in artikel 18, tweede lid, die
                                plaatsvonden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze
                                beleidsregels, zijn de op het moment van de gedraging geldende
                                beleidsregels van toepassing, tenzij de huidige beleidsregels de
                                belanghebbende in een voordeligere positie brengen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels handhaving
                                Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2015”.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en
                        wethouders d.d. 16 december 2014.</al>
          <al/>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
          Burgemeester en wethouders van Heerenveen.
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          De gemeentesecretaris,
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          de heer F.H. Perdok
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          De burgemeester, 
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          de heer T.J. van der Zwan
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting op de Beleidsregels handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ
                        gemeente Heerenveen 2015</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop>
        <al>De gemeenteraad van Heerenveen heeft vastgesteld de verordeningen “Verordening
                    verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Heerenveen 2015”,</al>
        <al>“Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2015”
                    en “Handhavingsverordening Participatiewet IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen
                    2015”. Uit deze verordeningen, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet
                    aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, die op 1 januari 2013 in
                    werking is getreden, vloeit de bevoegdheid van het college voort diverse
                    beleidsregels vast te stellen.</al>
        <al>Met het vaststellen van de Beleidsregels handhaving Participatiewet, IOAW en
                    IOAZ gemeente Heerenveen 2015 geeft het college invulling aan haar bovengenoemde
                    bevoegdheid. Vanuit overwegingen van helderheid en eenduidigheid is ervoor
                    gekozen de diverse beleidsregels bijeen te brengen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Hoofdstuk 1</tussenkop>
        <al>De bepalingen uit dit hoofdstuk behoeven geen nadere toelichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 2</tussenkop>
        <al>Dit hoofdstuk geeft invulling aan artikel 5, derde lid van de</al>
        <al>“Handhavingsverordening Participatiewet IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2015”.
                    Hieronder worden enkele artikelen er uitgelicht. De overige artikelen behoeven
                    geen toelichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4.1, derde lid</tussenkop>
        <al>Het college maakt gebruik van de in artikel 53a van de Participatiewet
                    neergelegde bevoegdheid. De werkwijze is nader vastgelegd in het Protocol
                    Huisbezoek.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 3, 4, 5 en 6</tussenkop>
        <al>Deze hoofdstukken geven uitvoering aan artikel 6, tweede lid van de</al>
        <al>“Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeenteHeerenveen 2015”.
                    Hieronder worden enkele artikelen er uitgelicht. De overige artikelen behoeven
                    geen toelichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 8, eerste lid</tussenkop>
        <al>De in dit artikel genoemde “dringende redenen” zullen in de maatwerkgedachte per
                    gevalworden bekeken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 9, eerste lid</tussenkop>
        <al>In de praktijk levert het bruto bedrag terugvorderen onbegrip bijbelanghebbenden
                    op. De belanghebbende moet namelijk meer terugbetalen dan hij heeft ontvangen en
                    moet via de belastingdienst de betaalde premies en belastingen zien terug te
                    krijgen. Er wordt daarom gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af te zien van
                    de brutering</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 10, eerste lid en elfde lid</tussenkop>
        <al>Het is een verplichting om het aflossingsbedrag te voldoen. We hebben dan ook
                    temaken met een betalingsverplichting. Om er geen misverstand over te laten
                    bestaan dat het een verplichting betreft, wordt hier bepaald dat een
                    aflossingsbedrag dat is opgenomen in een terug- of betalingsbesluit geldt als
                    aflossingsverplichting. De ontstaansgrond van de vordering bepaalt mede de
                    hoogte van de betalingsverplichting. Zo zal van de belanghebbende een grotere
                    inzet van het aanwezige inkomen en vermogen worden gevergd bij
                    fraudevorderingen. Onder een fraudevordering wordt verstaan het ten onrechte
                    geheel of gedeeltelijk ontvangen van een uitkering door het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen aan het college.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 10, tiende lid</tussenkop>
        <al>De aflossingscapaciteit, bestaande uit het verschil tussen netto inkomen en de
                    beslagvrije voet, kan onder invloed van bijzondere, individuele omstandigheden
                    van</al>
        <al>financiële, sociale of persoonlijke aard worden bijgesteld. De uitwerking
                    hiervan wordt</al>
        <al>nader uitgewerkt in een werkinstructie.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 10, vijftiende lid</tussenkop>
        <al>Bij zogenaamde “robuuste incasso” moet op de boete worden afgelost. Daarna is er
                    niets</al>
        <al>voorgeschreven. Het college heeft gekozen in de beleidsregels eerst af te lossen
                    op de terugvordering en daarna op de boete. Hiermee wordt voorkomen, dat het
                    reeds</al>
        <al>afgeloste deel in een lopend boekjaar wordt gebruteerd en de vordering daardoor
                    hoger wordt. Er wordt bij sommige gemeenten voor gekozen eerst af te lossen op
                    de boete, omdat deze, indien er geen lopende bijstandsuitkering is, geen
                    preferente positie heeft ten opzichte van andere schuldeisers. Dit betekent dat
                    er dan geen voorrangpositie is om de vordering terugbetaald te krijgen.
                    Kanttekening bij dit artikel is, dat de gemaakte keuze niet geldt als de
                    belanghebbende aangeeft, dat hij/zij eerst op de andere vordering wil aflossen.
                    Maatregelen zijn in dit artikel niet benoemd. Deze worden direct opgelegd en
                    verrekend. Dit heeft echter wel invloed op de betalingscapaciteit over de
                    betreffende maanden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 10, zestiende lid</tussenkop>
        <al>De consulent krijgt de ruimte om maatwerk aan de belanghebbende ten aanzien van
                    het ingezette instrument te bieden. Als extra motivatie of stimulans kan
                    deterugbetalingsverplichting van een niet-fraudevordering gedurende een
                    bepaaldeaaneengesloten periode van werk (dus uitkeringsonafhankelijkheid) worden
                    opgeschort. Indien de belanghebbende binnen de afgesproken termijn, door eigen
                    toedoen,terugkeert in de uitkering dan zal de belanghebbende (weer) moeten
                    aanvangen metaflossing op de vordering. Over het voorgaande dienen vooraf
                    heldere afspraken met belanghebbende te worden gemaakt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 5</tussenkop>
        <al>In hoofdstuk 5 wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen
                    en niet-fraudevorderingen. Sinds 1 januari 2013 is de beleidsvrijheid van
                    gemeenten tenaanzien van fraudevorderingen op het gebied van terugvordering en
                    daarmeekwijtschelding ingeperkt. Terugvordering is verplicht. Na 10 jaar is er
                    weer sprake van beleidsvrijheid. Deze vrijheid wordt ingevuld in artikel 15,
                    tweede lid. De vrijheid geldt</al>
        <al>niet voor de boete. Daar is kwijtschelding niet mogelijk. Voor wat betreft niet-
                    fraudevorderingen is er meer ruimte voor de gemeente. Hieraan wordt in deze
                    beleidsregels invulling gegeven.</al>
        <al>Het onderscheid tussen fraude en niet-fraude is door de wetgever in het kader
                    van het meewerken aan schuldregelingen (beleidsvrijheid) ingeperkt in geval van
                    verwijtbare vorderingen (“fraude”). In dat geval is kwijtschelding aan het einde
                    van een schuldhulpverleningstraject niet toegestaan. Dit geldt zowel voor
                    openstaande vorderingen, als boetes. Gezien de opzet en structuur van de Wet
                    aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is een minnelijke
                    schuldregeling vanuit de gemeente pas mogelijk als de boete en vordering
                    volledig zijn afgelost. Wel is het mogelijk onder bepaalde voorwaarden voor de
                    Wet schuldsanering natuurlijke personen(WSNP) in aanmerking te komen. Het is op
                    dit moment nog onduidelijk hoe de “WSNPrechter” om zal gaan met het verbod tot
                    minnelijke schuldregeling.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 15, eerste lid</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt wanneer sprake is van kwijtschelding bij (deels) voldoen aan
                    de betalingsverplichtingen bij niet-fraudevorderingen. De Participatiewet heeft
                    een zelfde soort regeling voor fraudevorderingen opgenomen (artikel 58, zevende
                    en achtste lid). In de IOAW is dit geregeld in artikel 25, zesde en zevende
                    lid).</al>
        <al>In de Participatiewet en IOAW is een termijn van 10 jaar opgenomen. Artikel 15,
                    eerste lid kent een termijn van 3 jaar. In de vorige beleidsregels werd geen
                    onderscheid gemaakttussen fraude en niet-fraude en stond een termijn van 5 jaar.
                    Door de scheiding in fraudeen niet-fraude vinden wij een termijn van 3 jaar voor
                    niet-fraude redelijk.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 6</tussenkop>
        <al>Dit hoofdstuk wordt nader uitgewerkt in een werkinstructie.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 7</tussenkop>
        <al>Dit hoofdstuk ziet specifiek op de bestuurlijke boete, die voortvloeit uit de
                    Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving en de
                    “Verordening</al>
        <al>verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Heerenveen 2015”.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 17, eerste lid</tussenkop>
        <al>Op grond van artikel 18a, vierde lid Participatiewet, artikel 20a, vierde lid
                    IOAW en artikel 20a, vierde lid IOAZ is het college bevoegd bij een eerste
                    overtreding van de inlichtingenplicht, waarbij geen sprake is van een
                    benadelingsbedrag, af te zien van hetopleggen van een bestuurlijke boete en mag
                    volstaan met een waarschuwing. Indien wordt volstaan met een waarschuwing zal
                    dat besluit bij beschikking worden medegedeeld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 17, tweede lid</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt, dat het college bij recidive zonder benadelingsbedrag na de
                    waarschuwing, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, een boete van € 150,-
                    oplegt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 17, derde lid</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt de mogelijkheid van het geven van een hersteltermijn (termijn
                    van orde) gebaseerd op artikel 54 Participatiewet, artikel 17 IOAW en artikel 17
                    IOAZ. Indien binnende gestelde termijn wordt voldaan aan de inlichtingenplicht
                    is geen sprake van een schending daarvan. Wordt niet voldaan, dan is er sprake
                    van schending inlichtingenplicht en zal (afhankelijk van de omstandigheden) een
                    boete of waarschuwing moeten worden bekeken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 17, vierde lid</tussenkop>
        <al>Behoudens hetgeen is geregeld in de artikel 17, vijfde lid is dit artikel
                    bedoeld om binnen de gegeven wettelijke kaders maatwerk mogelijk te maken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 17, vijfde lid</tussenkop>
        <al>Artikel 2a tweede lid onder c Boetebesluit sociale zekerheidswetten betreft
                    eveneens verminderde verwijtbaarheid. Hierbij gaat het om het alsnog spontaan
                    melden of alsnog juist melden door de belanghebbende. De tijdsduur en daarmee
                    het benadelingsbedrag liggen binnen de invloedsfeer van de belanghebbende en
                    kunnen dus afgebakend worden om de mate van de verwijtbaarheid te bepalen. De
                    toevoeging “in ieder geval” maakt verder maatwerk en daarmee verdere matiging
                    per individueel geval mogelijk op basis van verminderde verwijtbaarheid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 17, zesde lid</tussenkop>
        <al>In sommige gevallen kan er bij een belanghebbende sprake zijn van een
                    bewindvoerder. In de beleidsregels kan worden opgenomen hoe met deze situatie om
                    te gaan. In dit artikel is er feitelijk voor gekozen de bewindvoerder gelijk te
                    schakelen met de belanghebbende.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 8</tussenkop>
        <al>De bepalingen uit dit hoofdstuk behoeven geen nadere toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>