<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR349091_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Tegenprestatie Participatiewet, IOAW, IOAZ Weesp 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW, IOAZ Weesp 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet art. 8a, eerste lid, onderdeel b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z.43065/D.20637</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>tegenprestatie uitkering</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Tegenprestatie Participatiewet, IOAW, IOAZ Weesp 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Weesp;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november
                        2014;</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet;</al><al>overwegende dat in de Nota Participatiebeleid wordt gekozen voor het
                        inzetten van het instrument tegenprestatie;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening Tegenprestatie Participatiewet, IOAW
                        en IOAZ Weesp 2015.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke
                                zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></li><li nr="b."><al>vrijwilligerswerk: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald
                                wordt verricht, voor anderen of de samenleving;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inhoud van de tegenprestatie</titel></kop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                        additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                        werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                organisatie waarin ze worden verricht;</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan elke uitkeringsgerechtigde die een beroep doet op de
                            Participatiewet, IOAW of IOAZ een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie
                            op aan:</al><lijst><li nr="a."><al>a) de belanghebbende die binnen 6 maanden na instroom in de
                                    uitkering aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard
                                    en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als
                                    bedoeld in deze verordening</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende die mantelzorg verricht voor zover het
                                    verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college
                                    redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende met beschut werk</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende in een re-integratietraject</al></li><li nr="e."><al>de belanghebbende met sociaal-psychische of medische
                                    problematiek, vastgesteld na een onafhankelijke keuring</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met
                            de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijkheden en bekwaamheden van een belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                                    belanghebbende</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen van een belanghebbende</al></li><li nr="d."><al>re-integratieactiviteiten en trajecten naar werk, waarbij de
                                    tegenprestatie belemmerd kan werken op deze activiteiten en
                                    trajecten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Duur en omvang van de tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegenprestatie kan bestaan uit een eenmalige activiteit die door het
                            college wordt opgedragen of uit een door het college opgedragen
                            terugkerende activiteit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegenprestatie bij een terugkerende activiteit wordt opgedragen voor
                            minimaal 8 uur en maximaal 16 uren per week voor de periode van 6
                            maanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij voortdurend verblijf in de uitkering kan een jaar na afronden van de
                            tegenprestatie wederom een tegenprestatie worden opgedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen 6 maanden of op dat
                            moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als
                            tegenprestatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                        Participatiewet, IOAW en IOAZ Weesp 2015. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare
                        raadsvergadering van 17 december 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Algemene Toelichting</titel></kop><al>VERORDENING TEGENPRESTATIE PARTICIPATIEWET, IOAW en IOAZ WEESP 2015</al><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit
                    de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al>In de Nota Participatiebeleid is het beleid rond tegenprestaties nader
                    uitgewerkt. Kernpunt van dit beleid is dat de belanghebbende veel ruimte wordt
                    gelaten. Vrijwilligerswerk en mantelzorgtaken die de belanghebbende al uitvoert
                    leiden ertoe dat er formeel geen tegenprestatie wordt opgelegd. Een
                    tegenprestatie wordt pas opgelegd als een belanghebbende na daarvoor 6 maanden
                    in de gelegenheid te zijn gesteld, geen initiatieven onderneemt. </al><al>Individuele omstandigheden</al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Geen tegenprestatie</al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet).</al><al>Afstemmen</al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de formeel opgelegde tegenprestatie, dat de bijstand
                    kan worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke
                    afstemmingsverordening.</al><al>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie</al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument</al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie-instrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re-
                    integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering.</al><al>Verordeningsplicht</al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel
                    8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur,
                    omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    24, p. 6).</al><al>Ontwikkelen beleid door college</al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet. Het beleid is beschreven in de Nota Participatiebeleid,
                    november 2014</al><al/><al/><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING VERORDENING TEGENPRESTATIE PARTICIPATIEWET, IOAW en
                    IOAZ WEESP 2015</al><al/><al>Artikel 1. Begrippen</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al>Mantelzorg</al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan:</al><al>langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden
                    aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                    zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip
                    'mantelzorg' is van belang omdat artikel 4 van deze verordening bepaalt dat het
                    college geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg
                    verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het
                    college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken
                    van mantelzorg zijn:</al><al>a. - er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                    zorgverlener; </al><al>b. - mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al><al>c. - het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al><al>d. - het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. &#x2028;Deze kenmerken zijn
                    ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie "De
                    mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr. C. &#x2028;Voor mantelzorg is
                    vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                    overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                    hanteren gemeenten veelal het protocol Gebruikelijke Zorg van het Centrum
                    Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke zorg.
                    Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de
                    definitie van gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg.
                    Gebruikelijke zorg wordt in dat Protocol als volgt omschreven: de normale,
                    dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden
                    elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden
                    voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het
                    functioneren van dat huishouden. </al><al>Vrijwilligerswerk</al><al>Voorts wordt het begrip vrijwilligerswerk omschreven. Dit is een ruim begrip
                    waaronder alle activiteiten vallen die onbetaald worden verricht. Wederdiensten
                    tussen vrienden en familie zoals het op elkaars kinderen passen of helpen bij
                    een verhuizing vallen buiten deze omschrijving. </al><al/><al>Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie</al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.</al><al>Artikel 2 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van
                    de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van
                    een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring
                    en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers
                    opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in
                    staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171)</al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt
                    verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171)</al><al>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden</al><al>In artikel 2 van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn.
                    De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie
                    dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere
                    arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                    werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes
                    die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden
                    gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                    additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                    werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze verordening
                    genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                    werkzaamheid:</al><al>1. naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; </al><al>2. niet is bedoeld als re-integratieinstrument; </al><al>3. wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie
                    waarin deze worden verricht; en </al><al>4. niet leidt tot verdringing. </al><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                    tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                    32 815, nr. 3, p. 14).</al><al>Samenwerking met maatschappelijke organisaties</al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor
                    te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                    is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke
                    organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan
                    een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te bepalen. De gemeente kan ervoor kiezen uitsluitend
                    werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als tegenprestatie in te zetten of
                    werkzaamheden zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen in te zetten. Zie
                    hierover de toelichting bij artikel 6 van deze verordening.</al><al>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</al><al>De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Het
                    betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                    arbeid. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden
                    ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                    uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr.
                    3, p. 14).</al><al/><al>Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie</al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                    Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep
                    worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49).</al><al>Tegenprestatie opdragen aan iedereen.</al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het college een
                    tegenprestatie in beginsel kan opdragen aan iedere uitkeringsgerechtigde. De
                    tegenprestatie past in de visie van het gemeentebestuur, waarbij van iedere
                    inwoner een bijdrage wordt gevraagd aan een verantwoordelijke samenleving. Deze
                    visie is nader beschreven in de Nota Participatiebeleid.</al><al>Geen tegenprestatie</al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is
                    niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                    arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar
                    arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet) De verplichting
                    tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het
                    bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                    Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).</al><al>Mantelzorgers</al><al>Artikel 3, tweede lid sub b van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                    wordt opgedragen indien een belanghebbende al vrijwilligersactiviteiten of
                    mantelzorg verricht en het college het verrichten van de mantelzorg
                    redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid
                    uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet
                    maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van
                    mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals
                    neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende
                    mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg
                    volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een
                    belanghebbende geen tegenprestatie op.</al><al>Vrijwilligers</al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening
                    met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een
                    maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde gevallen
                    besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook
                    kan de omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit
                    verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen
                    van de tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. </al><al>Verricht een belanghebbende vrijwilligersactiviteiten waaraan gemiddeld 8 uur
                    per week of meer gedurende een periode van 6 maanden op jaarbasis wordt
                    verricht, dan legt het college de belanghebbende eveneens geen tegenprestatie
                    op.</al><al>Na instroom in de uitkering krijgt een belanghebbende een half jaar de tijd om
                    zelf een vrijwilligersactiviteit di te vinden.</al><al>Weigering tegenprestatie</al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                    verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te
                    leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al>Factoren opdragen tegenprestatie</al><al>In artikel 3, vierde lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren
                    het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze
                    factoren worden hierna toegelicht.</al><al>Factor: mogelijkheden en bekwaamheden van belanghebbenden</al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten aansluiten op de
                    mogelijkheden en bekwaamheden van een belanghebbende verricht kunnen worden..
                    Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden
                    opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p.
                    30).</al><al>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden belanghebbende</al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                    persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                    waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening
                    gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het
                    opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts
                    wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische
                    omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of
                    belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al>Factor: persoonlijke wensen belanghebbende</al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                    rekening met de persoonlijke wensen van belanghebbende. De regering vindt het
                    immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de keuze van de
                    activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende kan zelf
                    ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het
                    college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan
                    besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden
                    in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het
                    bepaalde bij of krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die
                    werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de
                    wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen.
                    Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een
                    lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                    voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen
                    keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan
                    het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan
                    belanghebbende.</al><al>Factor: re-integratie en trajecten naar werk</al><al>Het opleggen van een tegenprestatie mag het vinden van werk niet belemmeren.
                    Indien de belanghebbende een traject naar werk volgt, kan het college daar bij
                    de duur en omvang van de tegenprestatie rekening mee houden.</al><al/><al>Artikel 4. Duur en omvang van een tegenprestatie</al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 4 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en
                    omvang van de tegenprestatie.</al><al>Individuele omstandigheden</al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                    belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                    betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in
                    welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    30).</al><al>Maximale duur tegenprestatie in maanden</al><al>Artikel 4, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximale duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur van
                    6 maanden, met de mogelijkheid tot het opleggen van een nieuwe tegenprestatie
                    een jaar na het afronden van de tegenprestatie. </al><al>Maximale duur tegenprestatie in uren per week</al><al>Artikel 4, tweede lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximaal aantal uren. De tegenprestatie wordt opgedragen voor gemiddeld minimaal
                    8 uur en maximaal 16 uren per week.</al><al/><al>Artikel 5. Geen werkzaamheden voorhanden</al><al>Geen werkzaamheden voorhanden: Opdragen tegenprestatie binnen en buiten
                    gemeentegrenzen</al><al>Artikel 5 van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen
                    indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn.
                    Indien geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn binnen de
                    eigen gemeentegrenzen kan, rekening houdend met de individuele omstandigheden
                    van belanghebbenden, buiten de gemeentegrenzen gezocht worden naar
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Samenwerking met de gemeenten in SWW
                    verband is hiervoor de eerst aangewezen optie.</al><al>Indien het college besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat geen
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen 6
                    maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. Dit is geregeld in
                    artikel 6, tweede lid, van deze verordening.</al><al/><al>Hardheidsclausule</al><al>Bij het opleggen van een tegenprestatie betracht het college maatwerk, waarbij
                    op grond van deze verordening met alle denkbare omstandigheden van
                    belanghebbende rekening wordt gehouden. Dit maakt het overbodig om een
                    hardheidsclausule op te nemen.</al><al>Verordening Tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Weesp 2015</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>