<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR349081_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Jeugdhulp Weesp 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Weesp</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Jeugdhulp 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z.41902</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Jeugdhulp 2015</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING JEUGDHULP WEESP 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De gemeenteraad van de gemeente Weesp</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23
                        september 2014;</al><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 [en 8.1.1, vierde lid,] van de
                        Jeugdwet;</al><al>gezien het advies van [commissie MZ];</al><al>overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van
                        goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                        uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig
                        opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en
                        dat het </al><al>noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te
                        verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking
                        tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de
                        afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze waarop de
                        toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd
                        met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden
                        budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
                        van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede
                        misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter waarborging van
                        een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de
                        uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de
                        eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;</al><al>overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden
                        degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan
                        betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;</al><al>besluit</al><al>vast te stellen de </al><al>Verordening Jeugdhulp Weesp 2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><al>• andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet,
                        op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en
                        inkomen;</al><al>• familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de
                        ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale
                        omgeving van de jeugdige behoren.</al><al>• hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in
                        verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en
                        stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;</al><al>• hulpverleningsplan: plan betreffende de verlening van jeugdhulp als
                        bedoeld in artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6;</al><al>• individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden
                        voorziening als bedoeld in artikel 2, derde lid;</al><al>• jeugdhulpaanbieder: </al><al>-natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de
                        rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder
                        verantwoordelijkheid van het college;</al><al>-solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het
                        college;</al><al>• jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp
                        verleent;</al><al>• overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede
                        lid;</al><al>• pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet,
                        zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn
                        ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele
                        voorziening behoort van derden te betrekken;</al><al>• save-team: op wijkniveau georganiseerd team gericht op jeugdzorg.</al><al>• wet: Jeugdwet (2015)</al><al>• wijkteam: op wijkniveau georganiseerd generalistisch team dat de hulpvraag
                        van jeugdigen en/of hun ouders afhandelt;</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>VORMEN VAN JEUGDHULP</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college is verantwoordelijk voor het verstrekken van jeugdhulp in de
                            vorm van algemene voorzieningen, overige voorzieningen en individuele
                            voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Algemene voorzieningen</al><al>Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen waar
                            jeugdigen en ouders gebruik van kunnen maken en die bijdragen aan de
                            eigen kracht, zoals preventie, het verstrekken van informatie en advies,
                            signalering .</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Overige voorzieningen</al><al>Overige voorzieningen zijn voorzieningen gericht op lichte
                            ondersteuning, zoals participatie, signaleren, kortdurende ondersteuning
                            jeugdhulp en coördinatie van zorg.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Individuele voorzieningen zijn voorzieningen gericht op intensieve,
                            specialistische en/of excluderende ondersteuning, zoals specialistische
                            ondersteuning, residentieel, crisisopvang, gezinsvervanging, AM(h)K,
                            jeugdbescherming, jeugdreclassering, basis jeugd GGZ, specialistische
                            jeugd GGZ, dagbesteding, individuele begeleiding, kortdurend verblijf,
                            jeugdzorg plus.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college stelt bij uitvoeringsregels vast:</al><lijst><li nr="a."><al>welke overige en individuele voorzieningen op basis van het
                                    derde en vierde lid beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>wat de voorwaarden van toekenning zijn, de wijze van beoordeling
                                    van en de afwegingsfactoren bij individuele voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>waar en op welke wijze ouders van jeugdigen informatie over de
                                    toegang tot jeugdhulp kunnen verkrijgen;</al></li><li nr="d."><al>de procedureregels voor de toegang tot jeugdhulp. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>TOEKENNING JEUGDHULP VIA DE HUISARTS, MEDISCH SPECIALIST OF
                            JEUGDARTS</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing
                            door de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts naar een
                            jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van
                            oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college legt het verlenen van een individuele voorziening vast in
                            een beschikking als bedoeld in artikel 5.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college legt het afwijzen van een individuele voorziening vast in
                            een beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>TOEGANG JEUGDHULP VIA DE GEMEENTE</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                            passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging
                            gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp en geeft daarbij aan op
                            welke wijze hij jeugdigen en ouders informeert over de mogelijkheid en
                            het belang om in bepaalde gevallen een beroep op jeugdhulp te doen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college legt het verlenen van een individuele voorziening vast in
                            een beschikking als bedoeld in artikel 5.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college legt het afwijzen van een individuele voorziening vast in
                            een beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>INHOUD BESCHIKKING</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt
                            in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt
                            verstrekt en worden de gemaakte afspraken met de jeugdige en/of zijn
                            ouders vastgelegd</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in
                            de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                    resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een ondertekend ondersteuningsplan/familiegroepsplan kan als
                            beschikking dienen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien sprake is van een te betalen ouderbijdrage wordt dit genoemd in
                            de beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>REGELS VOOR PGB</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van
                            de wet;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het tarief voor een pgb;</al><lijst><li nr="a."><al>is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld
                                    plan over hoe zij het pgb gaan besteden;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te
                                    kopen, en</al></li><li nr="c."><al>bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende
                                    situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in
                                    natura.</al></li><li nr="d."><al>De hoogte van een pgb kan zijn opgebouwd uit verschillende
                                    kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie,
                                    verzekeringen, reiskosten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan uitvoeringsregels stellen over de wijze waarop de hoogte
                            van een pgb wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college bepaalt in uitvoeringsregels onder welke voorwaarden de
                            persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van
                            een persoon die behoort tot een sociaal netwerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN, HERZIENING, INTREKKING OF
                            TERUGVORDERING</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders
                            op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling
                            van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk
                            moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                            beslissing aangaande een individuele voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing
                            aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het
                            college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                    hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                    gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                    voorziening of op het pgb zijn aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van
                                    de individuele voorziening of het pgb, of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb
                                    niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is
                                    bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                            gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene
                            die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel
                            of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                            individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken voor
                            zover blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                            aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening
                            heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde
                            zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT AANBIEDERS JEUGDHULP EN UITVOERDERS
                            KINDERBESCHERMINGSMAATREGELEN EN JEUGDRECLASSERING</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                            jeugdreclassering, rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg;</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel;</al></li><li nr="f."><al>branche afhankelijk kwaliteitskeurmerk;</al></li><li nr="g."><al>onvoorziene maar wel relevante (ter beoordeling van het college)
                                    kosten;</al></li><li nr="h."><al>gebruik meldcode kindermishandeling incl. scholing personeel
                                    hiervoor.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>VERTROUWENSPERSOON</titel></kop><al>Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep
                        kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon en dat hij in de
                        gelegenheid wordt gesteld zijn taken uit te voeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>KLACHTREGELING</titel></kop><al>Voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en ouders die betrekking
                        hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in
                        deze verordening, is de gemeentelijke regeling voor klachtafhandeling van
                        toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>INSPRAAK EN MEDEZEGGENSCHAP</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding
                            van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel
                            150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze
                            waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen
                            vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende
                            jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet
                            hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college stelt uitvoeringsregels vast ter uitvoering van het tweede
                            en derde lid, die tenminste inhouden:</al><lijst><li nr="a."><al>dat jongeren zelf in staat worden gesteld cliëntmedezeggenschap
                                    uit te oefenen zo mogelijk in de instelling war zij jeugdhulp
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>ouders in staat worden gesteld oudermedezeggenschap uit te
                                    oefenen in de instelling waar hun kind jeugdhulp krijgt;</al></li><li nr="c."><al>specifiek onderscheid wordt gemaakt in medezeggenschap door
                                    jongeren en die van de ouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>EVALUATIE</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd.
                        Het college zendt hiertoe om het jaar, startend één jaar na de
                        inwerkingtreding van deze verordening aan de gemeenteraad een verslag over
                        de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>HARDHEIDSCLAUSULE</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In gevallen betreffende de uitvoering van deze verordening waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op het in artikel 2 lid 5 bepaalde met
                            betrekking tot de uitvoering van deze verordening uitvoeringsregels
                            vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of
                            zijn ouders/verzorgers afwijken van de bepalingen van deze verordening
                            indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al>2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Weesp
                        2015.</al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus geamendeerd vastgesteld in de raadsvergadering d.d. 6 november 2014 </ondertekening><ondertekening>(A 2014/22a en A 2014/25a)</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mw. M. Walrave, B.J. van Bochove,</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>TOELICHTING JEUGDHULP 2015</titel></kop><al>TOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP WEESP 2015</al><al>ALGEMENE TOELICHTING</al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit
                    van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de
                    jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de
                    begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze
                    wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg
                    (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten
                    (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken
                    op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de
                    aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel
                    van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en
                    ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd
                    doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                    probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.</al><al>De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad
                    per verordening in ieder geval uitvoeringsregels opstelt:</al><al>• over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige
                    (jeugdhulp)voorzieningen; </al><al>• met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling
                    van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;</al><al>• over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele
                    voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg,
                    onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;</al><al>• over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget (PGB) wordt
                    vastgesteld;</al><al>• voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                    voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke
                    gebruik van de Jeugdwet; </al><al>• over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de
                    Jeugdwet, en</al><al>• ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en
                    de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien
                    daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</al><al>Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het
                    bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening
                    maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de
                    rechten en plichten van burgers en de gemeente. Daarnaast kan op grond van
                    artikel 8.1.1, vierde lid, bij verordening bepaald worden onder welke
                    voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstekt, de
                    jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale
                    netwerk.</al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met
                    betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van
                    kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.</al><al>De verordening sluit aan op de verordening Wmo, de beleidsnota transitie en
                    transformatie jeugdzorg SWW (“geen zorg om jeugdzorg”) en de nota Wmo 2015 en de
                    inrichting van het sociale domein SWW 2015.</al><al> </al><al>Toeleiding naar de jeugdhulp</al><al>De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.</al><al>Vrij toegankelijk</al><al>In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en
                    individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp
                    (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de
                    hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening.
                    Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor
                    een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn
                    ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de
                    jeugdhulpaanbieder wenden.</al><al>Toegang jeugdhulp via de gemeente</al><al>Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de
                    gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder
                    precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en
                    zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en
                    de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders
                    eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als
                    aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal
                    eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet
                    vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze
                    deskundige, namens het college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door
                    naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de
                    betreffende problematiek aan te pakken.</al><al>Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist</al><al>De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing
                    door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke
                    verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van
                    jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies
                    nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders
                    die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder
                    zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing
                    beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand
                    moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de
                    jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de
                    gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze
                    afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang
                    van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de
                    gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of
                    behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het
                    principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan
                    worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij
                    professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn.
                    Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de
                    gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van
                    de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente
                    toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol
                    speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist,
                    regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel
                    3). Artikel 9 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing.</al><al>Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar
                    ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële
                    jeugdinrichting</al><al>Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de
                    kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                    jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de
                    selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde
                    instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het
                    kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of
                    jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg
                    een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens
                    gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering
                    van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht
                    van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen
                    tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen
                    garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel
                    gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de
                    kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst
                    hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de
                    maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de
                    kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke
                    gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de
                    kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op
                    die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het
                    geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is
                    verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de
                    Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.</al><al>Toegang via de advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling
                    (AMHK)</al><al>Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK
                    geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en
                    kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er
                    sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van
                    jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al
                    in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze
                    verordening.</al><al/><al>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al><al/><al>ARTIKEL 2 VORMEN VAN JEUGDHULP</al><al>De wetgever geeft in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te
                    treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn
                    als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking
                    hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij
                    toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van
                    ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of
                    jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige
                    of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben.</al><al>Een voorziening kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning,
                    hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten
                    opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de
                    voorzieningen in het kader van jeugdhulp.</al><al>1. De volgende vormen van voorliggende voorzieningen zijn beschikbaar: </al><al>a. voorzieningen ter voorkoming van jeugdhulp:</al><al>1. voorlichting;</al><al>2. advies;</al><al>3. informatie.</al><al>b. participatie </al><al>c. signaleren van problemen</al><al>d. kortdurende ondersteuning jeugdhulp</al><al>e. coördinatie van zorg</al><al>2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: </al><al>a. de ondersteuning, hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun
                    ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan
                    met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen
                    of gedragsproblemen van de jeugdige, of opvoedingsproblemen;</al><al>b. het ondersteunen van jeugdigen met een beperking, een chronisch psychisch
                    probleem of een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en
                    bevorderen van het zelfstandig functioneren of hun deelname aan het
                    maatschappelijke verkeer; </al><al>c. persoonlijke verzorging, die voor jeugdigen tot 18 jaar naar de Wet op
                    jeugdzorg wordt gedecentraliseerd vanuit de AWBZ;</al><al>d. jeugdzorg plus;</al><al>e. jeugdbescherming en jeugdreclassering.</al><al> </al><al>ARTIKEL 3 EN 4 TOEGANG JEUGDHULP </al><al>Er is een laagdrempelige, herkenbare, integrale toegang voor jeugd en/of ouders
                    verzorgers georganiseerd, waar signalen, vragen over en verzoeken om hulp snel
                    en adequaat worden behandeld of worden doorgeleid. Zowel deskundigheid als
                    mandaten van de professionals is geregeld. Hiertoe behoort ook crisiszorg.</al><al>De toegang werkt volgens de principes van eigen kracht: eerst wordt, samen met
                    de jeugdige en ouder/verzorger bekeken wat zij zelf, dan wel met behulp van het
                    eigen netwerk kunnen doen. </al><al>Als dat niet mogelijk is, of niet voldoende oplevert, wordt met de jeugdige en
                    ouder/verzorger gekeken wat aanvullend nodig is om de eigen kracht te
                    versterken. Intensiteit en duur van de ondersteuning hangt samen met de
                    mogelijkheden, compenserende factoren, aard en ernst van de situatie. Zo licht
                    mogelijk waar kan en zwaarder waar nodig.</al><al>De ondersteuning gaat van preventief, algemeen en vrij toegankelijk tot
                    gespecialiseerd en niet vrij toegankelijk. Indien nodig kan de jeugdige
                    aanspraak maken op een individuele voorziening of een persoonsgebonden
                    budget.</al><al>Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts</al><al>In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast
                    de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe
                    verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar
                    de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke
                    (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele)
                    voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks
                    aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de
                    jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of
                    orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp
                    precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk
                    de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze
                    aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de
                    benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de
                    protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen
                    vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.</al><al>Toegang jeugdhulp via de gemeente </al><al>Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en is opgenomen om
                    een zorgvuldige procedure te waarborgen. Dit alles ter uitvoering van artikel
                    2.9, onder a, van de wet waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor
                    toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een
                    individuele voorziening.</al><al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt een in
                    uitvoeringsregels beschreven procedure. Het college is verantwoordelijk voor de
                    inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het
                    college is bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet.
                    In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp
                    niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in
                    deze verordening en in de wet waar staat “het college”, kan het college deze
                    bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op
                    grond van de algemene regels van de Awb.</al><al>Jeugdigen en ouders hebben onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg
                    en geen individuele aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht
                    voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op
                    een zorgvuldige procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit
                    moeten waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het
                    telkens om een uitvoerig, onnodig bureaucratische proces gaat. Dit is echter
                    geenszins de bedoeling.</al><al> </al><al>ARTIKEL 5. INHOUD BESCHIKKING</al><al>De beschikking voor een individuele voorziening wordt afgegeven door de
                    gemeente, of namens de gemeente. Aanbieders geven eens per twee maanden door aan
                    de gemeente hoeveel nieuwe cliënten en trajecten zij in deze periode gestart
                    zijn. In alle gevallen moet in elk geval het BSN nummer of identificatiedocument
                    worden opgenomen.</al><al/><al>ARTIKEL 7. NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN, HERZIENING, INTREKKING OF
                    TERUGVORDERING</al><al>Deze bepaling is een uitwerking van de bij nota van wijziging ( Kamerstukken II
                    2013/14 33 684, nr. 11, artikel D) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder d, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van
                    een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                    wet. Ook deze bepaling beoogt het standaardiseren met de regelgeving met
                    betrekking tot de aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en
                    maatschappelijke ondersteuning. Zie ook de toelichting onder artikel 10.</al><al>In de toelichting op de nota van wijziging is voorts vermeld dat het tot de
                    gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden voorzieningen
                    te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van
                    individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik
                    van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. De artikelen
                    8.1.2 tot en met 8.1.4 (oorspronkelijk genummerd: 8.1.1a tot en met 8.1.1c) zijn
                    eveneens bij nota van wijziging en ter standaardisering van de regelgeving aan
                    het wetsvoorstel toegevoegd.</al><al>Het eerste lid berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet. Ook de
                    overige onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven handen en
                    voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en zijn opgenomen
                    in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 is
                    veelal beperkt tot de pgb. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de
                    delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de wet, in de verordening
                    uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Hiervoor kan ook steun
                    gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is
                    vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als
                    uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele
                    voorziening of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat
                    ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te
                    stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het
                    daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin
                    opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de
                    individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld
                    aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of
                    op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan
                    heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan
                    gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere
                    stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen.</al><al>Het tweede lid is geënt op artikel 8.1.4 van de wet. Ook hier is de tot de pgb
                    beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de wet op grond van het bepaalde in
                    artikel 2.9, onder d, van de wet uitgebreid tot de individuele voorziening in
                    natura. </al><al> </al><al>ARTIKEL 8. VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT AANBIEDERS JEUGDHULP EN UITVOERDERS
                    KINDERBESCHERMINGSMAATREGELEN EN JEUGDRECLASSERING</al><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                    vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door
                    aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het
                    oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij
                    verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding
                    tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld
                    aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</al><al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële
                    kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><al/><al>ARTIKEL 10. KLACHTREGELING</al><al>Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is op grond van de
                    Awb verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke
                    klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar
                    verantwoordelijkheid werkzaam zijn.</al><al>Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige
                    regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om
                    na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman, in Weesp: de landelijke
                    ombudsman in Den Haag, te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze
                    verordening met een enkele bepaling worden volstaan.</al><al>In de regel zal de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van
                    behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel
                    4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet
                    logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de
                    gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>