<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348905_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening jeugdhulp gemeente Marum 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Achtdorpennieuws, 1 oktober 2015 en elektronisch gemeenteblad van 26-09-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening jeugdhulp gemeente Marum 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, art. 2.9</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, art. 2.10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, art. 2.12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, art. 8.1.1, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, art. 12.4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-09-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-09-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-09-16</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging tarief informele hulp. Diverse inhoudelijke wijzigingen met toelichting (zie bijlage)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15.06.11</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening Jeugdhulp gemeente Marum 2015, vastgesteld op 17 december 2014</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening jeugdhulp gemeente Marum 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Nr. 11</al>
          <al/>
          <al>De raad van de gemeente Marum;</al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 september 2015,
                        nr. 15.06.11.;</al>
          <al/>
          <al>gezien het advies van de Wmo-adviesraad;</al>
          <al/>
          <al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12, 8.1.1 vierde lid en 12.4 van de
                        Jeugdwet;</al>
          <al/>
          <al>overwegende: </al>
          <al>dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en
                        toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                        uitgangspunt is dat de verantwoordelijk-heid voor het gezond en veilig
                        opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; </al>
          <al>dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college
                        te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met
                        betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling
                        van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze
                        waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt
                        afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een
                        persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten
                        onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden
                        budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter
                        waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van
                        jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of
                        jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                        daarvan;</al>
          <al/>
          <al>voorts overwegende dat het wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden
                        degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan
                        betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>besluit vast te stellen de navolgende </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE MARUM 2015</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="•"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                    ondersteuning of werk en inkomen;</al></li>
            <li nr="•"><al>gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 6 van deze
                                    verordening;</al></li>
            <li nr="•"><al>hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan
                                    jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen,
                                    psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3
                                    lid 1 van de wet;</al></li>
            <li nr="•"><al>individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders
                                    toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2 lid 2 van deze
                                    verordening;</al></li>
            <li nr="•"><al>jeugdige: een persoon die </al><lijst>
                <li nr="o"><al>de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;</al></li>
                <li nr="o"><al>de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en ten aanzien van
                                            wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van
                                            Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen
                                            77 g tot en met 77 gg van het Wetboek van Strafrecht,
                                            of</al></li>
                <li nr="o"><al>de leeftijd van 18 jaar doch niet de leeftijd van 23
                                            jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van
                                            jeugdhulp, die was aangevangen, of voor wie het college
                                            vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar heeft
                                            bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp
                                            is of voor wie, na beëindiging van jeugdhulp die was
                                            aangevangen voor het bereiken van de leeftijd van 18
                                            jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting
                                            van de jeugdhulp noodzakelijk is;</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="•"><al>melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4 lid
                                    1 van deze verordening;</al></li>
            <li nr="•"><al>ouder: ouder, stiefouder of een ander die de jeugdige als
                                    behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een
                                    pleegouder;</al></li>
            <li nr="•"><al>overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel
                                    2 lid 1 van deze verordening;</al></li>
            <li nr="•"><al>persoonsgebonden budget (PGB): PGB als bedoeld in artikel 8.1.1
                                    van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan de
                                    jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die
                                    tot de individuele voorziening behoort van derden te
                                    betrekken;</al></li>
            <li nr="•"><al>sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere
                                    personen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie
                                    onderhouden; </al></li>
            <li nr="•"><al>wet: Jeugdwet. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Vormen van jeugdhulp</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>De volgende overige voorzieningen zijn onder andere beschikbaar: </al><lijst>
                <li nr="a"><al>Versterken van de sociale omgeving:</al><lijst>
                    <li nr="1)"><al>algemene (ook digitale) informatieverstrekking
                                                  omtrent ontwikkelingsbehoeften jeugdigen en
                                                  opvoedingsvragen opvoeders;</al></li>
                    <li nr="2)"><al>activiteiten ter versterking van de sociale
                                                  omgeving, zoals stimuleren en faciliteren van
                                                  initiatieven vanuit de informele netwerken,
                                                  steuncontacten tussen ouders en jongeren en
                                                  intergenerationele contacten die een bijdrage
                                                  leveren aan een gezonde en veilige opgroei- en
                                                  opvoedomgeving, mogelijkheden voor
                                                  ouders/opvoeders om elkaar te ontmoeten;</al></li>
                    <li nr="3)"><al>laagdrempelige opvoedondersteuningsactiviteiten;
                                                </al></li>
                    <li nr="4)"><al>maatjesprojecten, vrijwilligersinzet,
                                                  zelforganisaties gericht op ondersteuning van
                                                  opgroeien en opvoeden;</al></li>
                    <li nr="5)"><al>mantelzorgondersteuning voor kinderen en
                                                  gezinnen.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b"><al>Basisondersteuning: </al><lijst>
                    <li nr="1)"><al>bieden van informatie, advies en consultatie bij
                                                  opgroei en opvoedvragen;</al></li>
                    <li nr="2)"><al>ondersteuning en lichte hulp voor jeugdigen
                                                  en/of ouders, waaronder vormen van vrij
                                                  toegankelijke hulp, gericht op het creëren van een
                                                  stabiele opvoed- en opgroeisituatie;</al></li>
                    <li nr="3)"><al>ondersteuning en lichte hulp aansluitend bij de
                                                  onderwijs/ opvangsetting, waarbij ondersteuning
                                                  voor opvoeders en jeugdigen geboden wordt. Het
                                                  betreft activiteiten die in een onderwijssetting
                                                  plaatsvinden waarbij de nadruk ligt op zorg;</al></li>
                    <li nr="4)"><al>regulier casemanagement: het systematisch
                                                  coördineren, afstemmen en volgen van de benodigde
                                                  hulpverlening aan jeugdigen en/of gezinnen,
                                                  waarbij meerdere hulpverleners betrokken
                                                  zijn.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2"><al>De volgende individuele voorzieningen zijn onder andere
                                    beschikbaar: </al><lijst>
                <li nr="1)"><al>Voorzieningen behorend bij flexibele ondersteuning,
                                            waaronder:</al></li>
                <li nr="2)"><al>specifieke jeugdhulptrajecten gericht op jeugdige en/of
                                            gezinssysteem; </al></li>
                <li nr="3)"><al>langdurige ‘leun en steun’ contacten;</al></li>
                <li nr="4)"><al>dag- of weekendopvang, respijtzorg;</al></li>
                <li nr="5)"><al>specifieke multidisciplinaire interventies gecoördineerd
                                            uitgevoerd door verschillende zorgaanbieders voor
                                            gezinnen met meervoudige problemen.</al></li>
              </lijst><lijst>
                <li nr="b"><al>Intensieve ondersteuning:</al><lijst>
                    <li nr="1)"><al>intensieve en meer langdurige interventies
                                                  gericht op behandeling, herstel en/of
                                                  rehabilitatie;</al></li>
                    <li nr="2)"><al>intensieve dagbehandeling op maat;</al></li>
                    <li nr="3)"><al>inzet van (tijdelijke) vervangende
                                                  opvoedsituatie, verblijf (op maat) van cliënten
                                                  buiten de gewone leef/gezinssituatie; </al></li>
                    <li nr="4)"><al>inzet van spoedzorg en crisisopvang (bij acute
                                                  onveiligheid en/of inzet van crisisplekken vanuit
                                                  verblijfsfuncties;</al></li>
                    <li nr="5)"><al>gedwongen jeugdhulp en dwang en
                                                  drangtrajecten;</al></li>
                    <li nr="6)"><al>specialistische diagnostiek.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Toegang jeugdhulp via huisarts, medisch specialist of
                                jeugdarts</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het college draagt zorg voor de inzet van (gecontracteerde)
                                    jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist
                                    en/of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover
                                    genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van
                                    jeugdhulp nodig is.</al></li>
            <li nr="2"><al>Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel
                                    het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in
                                    artikel 9 van deze verordening.</al><al/></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Toegang jeugdhulp via gemeente, melding</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Jeugdigen en ouders kunnen een melding doen bij het
                                    college.</al></li>
            <li nr="2"><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk
                                    dan wel mondeling. </al></li>
            <li nr="3"><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk
                                    een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een
                                    machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de
                                    wet.</al></li>
            <li nr="4"><al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een
                                    overige voorziening.</al><al/></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Vooronderzoek</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde
                                    en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en
                                    maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor
                                    een gesprek. Hierbij biedt het college de jeugdige en zijn
                                    ouders als eerste de mogelijkheid om binnen een redelijke
                                    termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom
                                    verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het
                                    opstellen van een familiegroepsplan.</al></li>
            <li nr="2"><al>Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het
                                    college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel
                                    van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij
                                    redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of
                                    zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument
                                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht
                                    ter inzage. </al></li>
            <li nr="3"><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien
                                    van een vooronderzoek als bedoeld in de leden 1 en 2.</al><al/></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Gesprek</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de
                                    jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover
                                    nodig:</al><lijst>
                <li nr="a"><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                            ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het
                                            probleem of de hulpvraag; </al></li>
                <li nr="b"><al>het gewenste resultaat van het verzoek om
                                            jeugdhulp;</al></li>
                <li nr="c"><al>het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of
                                            met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing
                                            voor de hulpvraag te vinden;</al></li>
                <li nr="d"><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                            voorziening;</al></li>
                <li nr="e"><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met
                                            gebruikmaking van een overige voorziening;</al></li>
                <li nr="f"><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te
                                            verstrekken; </al></li>
                <li nr="g"><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                            voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op
                                            het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                            ondersteuning of werk en inkomen;</al></li>
                <li nr="h"><al>hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                            gezindheid, de levensovertuiging en de culturele
                                            achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; en</al></li>
                <li nr="i"><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van
                                            een PGB, waarbij de jeugdige of zijn ouders worden
                                            ingelicht over de gevolgen van die keuze.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2"><al>In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet informeert
                                    het college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en
                                    hoe deze bijdrage wordt geïnd. </al></li>
            <li nr="3"><al>Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld
                                    in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college
                                    dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
                                </al></li>
            <li nr="4"><al>Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang
                                    van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                    vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun
                                    persoonsgegevens te verwerken. </al></li>
            <li nr="5"><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien
                                    van een gesprek. </al><al/></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Verslag</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het college zorgt indien nodig voor een schriftelijke
                                    verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van deze
                                    verordening.</al></li>
            <li nr="2"><al>Binnen tien werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan
                                    de jeugdige of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het
                                    onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen.</al></li>
            <li nr="3"><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn
                                    ouders worden aan het verslag toegevoegd. </al><al/></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Aanvraag</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Jeugdigen en ouders en professionals werkzaam binnen
                                    gecontracteerde instellingen kunnen een aanvraag om een
                                    individuele voorziening schriftelijk indienen bij het
                                    college.</al></li>
            <li nr="2"><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                    college vastgesteld formulier of op een andere door het college
                                    vastgestelde werkwijze. </al></li>
            <li nr="3"><al>Het college kan het ondertekend verslag van het gesprek
                                    aanmerken als een aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op
                                    het verslag hebben aangegeven. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Toekenning individuele voorzieningen (in natura)</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in
                                    het verslag of uit het gesprek zoals bedoeld in de artikelen 6
                                    en 7 van deze verordening wordt vastgesteld dat de
                                    jeugdige:</al><lijst>
                <li nr="a"><al>op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen
                                            uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn
                                            hulpvraag kan vinden;</al></li>
                <li nr="b"><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al
                                            dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige
                                            voorziening, of</al></li>
                <li nr="c"><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al
                                            dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere
                                            voorziening.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2"><al>Het college kent eveneens een individuele voorziening toe voor
                                    zover met betrekking tot de jeugdige een verwijzing zoals
                                    bedoeld in artikel 3 lid 1 van deze verordening, is afgegeven.
                                </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Toekenning individuele voorzieningen (PGB)</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het college verstrekt een persoonsgebonden budget (PGB) in
                                    overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet alleen:</al><lijst>
                <li nr="a"><al>als de jeugdige of zijn ouders, al dan niet met hulp uit
                                            hun sociale netwerk dan wel van een curator,
                                            bewindvoerder, mentor, of gemachtigde, in staat zijn de
                                            aan een PGB verbonden taken op verantwoorde wijze uit te
                                            voeren;</al></li>
                <li nr="b"><al>als de jeugdige of zijn ouders voldoende kunnen
                                            motiveren waarom zij de individuele voorziening in
                                            natura niet passend achten;</al></li>
                <li nr="c"><al>als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                                            de jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders willen
                                            betrekken van een aanbieder of een persoon die behoort
                                            tot het sociale netwerk, van goede kwaliteit is;</al></li>
                <li nr="d"><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die
                                            door de jeugdige of zijn ouders zijn aangegeven, waarvan
                                            na te gaan is of de voorziening noodzakelijk is en is
                                            aan te merken als goedkoopst adequaat;</al></li>
                <li nr="e"><al>als de jeugdige of zijn ouders de kosten die uitstijgen
                                            boven de kostprijs van de naar het oordeel van het
                                            college adequate individuele voorziening in natura, zelf
                                            willen bekostigen; </al></li>
                <li nr="f"><al>als het PGB niet gebruikt wordt voor de betaling van
                                            tussenpersonen of belangbehartigers;</al></li>
                <li nr="g"><al>als op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het
                                            PGB is uitgeoefend bij diens besluitvorming.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2"><al>De hoogte van een PGB bedraagt maximaal de kostprijs van de in
                                    de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele
                                    voorziening in natura.</al></li>
            <li nr="3"><al>Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de
                                    hoogte van een PGB wordt vastgesteld.</al></li>
            <li nr="4"><al>Degene aan wie een PGB wordt verstrekt kan de individuele
                                    voorziening uitsluitend betrekken van een persoon die behoort
                                    tot zijn sociale netwerk indien deze persoon:</al><lijst>
                <li nr="a"><al>voor zijn diensten niet meer betaald krijgt dan het door
                                            het college in het financieel besluit vastgestelde
                                            tarief voor informele ondersteuning;</al></li>
                <li nr="b"><al>niet heeft aangegeven dat de zorg aan de ontvanger van
                                            het PGB hem te zwaar valt;</al><al/></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Inhoud beschikking</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele
                                    voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in
                                    natura of als PGB wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe
                                    bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.</al></li>
            <li nr="2"><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                                    beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst>
                <li nr="a"><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het
                                            beoogde resultaat daarvan is;</al></li>
                <li nr="b"><al>wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking
                                            is;</al></li>
                <li nr="c"><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van
                                            toepassing;</al></li>
                <li nr="d"><al>welke andere voorziening relevant zijn of kunnen zijn,
                                            voor zover van toepassing.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3"><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een PGB
                                    wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst>
                <li nr="a"><al>voor welk resultaat het PGB kan worden aangewend;</al></li>
                <li nr="b"><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                            PGB;</al></li>
                <li nr="c"><al>wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is
                                            gekomen;</al></li>
                <li nr="d"><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het PGB is
                                            bedoeld, en</al></li>
                <li nr="e"><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                            PGB. </al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="4"><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de
                                    jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.
                                </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn
                                    ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het
                                    college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan
                                    hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding
                                    kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een
                                    individuele voorziening. </al></li>
            <li nr="2"><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een
                                    beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel
                                    intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst>
                <li nr="a"><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige
                                            gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste
                                            of volledige gegevens tot een andere beslissing zou
                                            hebben geleid:</al></li>
                <li nr="b"><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                            voorziening of het PGB zijn aangewezen; de individuele
                                            voorziening of het PGB niet meer toereikend is te
                                            achten;</al></li>
                <li nr="c"><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de
                                            voorwaarden van een individuele voorziening of het PGB,
                                            of</al></li>
                <li nr="d"><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of
                                            het PGB niet of voor een ander doel gebruiken dan wel
                                            hebben gebruikt dan waarvoor het is bestemd. </al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3"><al>Als het college een beslissing op grond van lid 2 sub a heeft
                                    ingetrokken, kan het college van degene die onjuiste of
                                    onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de
                                    geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele
                                    voorziening of het ten onrechte genoten PGB.</al></li>
            <li nr="4"><al>Een beslissing tot verlening van een PGB kan worden ingetrokken
                                    als blijkt dat het PGB binnen drie maanden na uitbetaling niet
                                    is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                    verlening heeft plaatsgevonden. </al></li>
            <li nr="5"><al>Het college onderzoekt uit oogpunt van kwaliteit van de
                                    geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen
                                    van de PGB’s. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13</nr>
            <titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                                kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel>
          </kop>
          <al>Het college kan in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen
                            jeugdreclassering rekening houden met:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li>
            <li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie;</al></li>
            <li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li>
            <li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg;</al></li>
            <li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel;</al></li>
            <li nr="f."><al>deskundigheidsbevordering voor werkers in de basisondersteuning
                                    en medewerkers in voorzieningen als onderwijs, kinderdagcentra
                                    en peuterspeelzalen, en</al></li>
            <li nr="g."><al>het gemeentelijk kwaliteitsbeleid.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14</nr>
            <titel>Vertrouwenspersoon</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het college zorgt er voor dat jeugdigen, ouders en pleegouders
                                    een beroep kunnen doen op een onafhankelijke
                                    vertrouwenspersoon.</al></li>
            <li nr="2"><al>Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich
                                    desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke
                                    vertrouwenspersoon. </al><al/></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15</nr>
            <titel>Klachtregeling</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>De gemeentelijke klachtregeling is ook van toepassing op de
                                    afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op
                                    de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld
                                    in deze verordening. </al></li>
            <li nr="2"><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                    cliënten ten aanzien van alle door hen verstrekte of te
                                    verstrekken voorzieningen.</al></li>
            <li nr="3"><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door
                                    periodieke overleggen met de aanbieders en indien nodig een
                                    periodiek cliënttevredenheidsonderzoek.</al><al/></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16</nr>
            <titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                    voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                    ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de
                                    besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen
                                    betreffende jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun
                                    rol effectief te kunnen vervullen.</al></li>
            <li nr="2"><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                    periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                    aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                    deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
                                </al></li>
            <li nr="3"><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het
                                    tweede en derde lid. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17</nr>
            <titel>Controle</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de
                                    verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve
                                    van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></li>
            <li nr="2"><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de
                                    controle op de besteding. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18</nr>
            <titel>Evaluatie</titel>
          </kop>
          <al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar
                            geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens tweejaarlijks na de
                            inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over
                            de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. </al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>19</nr>
            <titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend,
                                    waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></li>
            <li nr="2"><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van
                                    deze verordening.</al></li>
            <li nr="3"><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt
                                    afwijken van de bepalingen van deze verordening indien
                                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                                    aard leidt. </al><al/></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>20</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Deze verordening treedt in werking op 16 september 2015 onder
                                    gelijktijdige intrekking van de Verordening Jeugdhulp 2015 welke
                                    is vastgesteld op 17 december 2014.</al></li>
            <li nr="2"><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp
                                    gemeente Marum 2015. </al><al/></li>
          </lijst>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare </ondertekening>
        <ondertekening>vergadering van 16 september 2015,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
        <ondertekening> , voorzitter.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
        <ondertekening> , griffier.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label/>
          <nr/>
          <titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel>
        </kop>
        <al/>
        <al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt
                            onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar
                            gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk
                            beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van
                            jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een
                            stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een
                            stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten
                            (voorziening), op een wijze eerder is gebeurd met de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg
                            en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een
                            voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de
                            gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel
                            blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar
                            nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel er voor
                            te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                            probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. </al>
        <al/>
        <al>De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de
                            gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:</al>
        <lijst>
          <li nr="•"><al>over de door het college te verlenen individuele voorzieningen
                                    en overige (jeugdhulp)voorzieningen;</al></li>
          <li nr="•"><al>met betrekking tot de voorwaarden tot toekenning, de wijze van
                                    beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele
                                    voorziening;</al></li>
          <li nr="•"><al>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een
                                    individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen
                                    op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                    ondersteuning, werk en inkomen;</al></li>
          <li nr="•"><al>over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget
                                    wordt vastgesteld; </al></li>
          <li nr="•"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                                    individuele voorziening of persoonsgebonden budget, als mede van
                                    misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet;</al></li>
          <li nr="•"><al>over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de
                                    uitvoering van de Jeugdwet, en</al></li>
          <li nr="•"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                                    levering en de eisen die die worden gesteld aan de kwaliteit van
                                    jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering,
                                    waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de
                                    Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening
                                    worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en
                                    de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. </al><al/><al>Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met
                                    inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet
                                    nadere regels te stellen. </al><al/><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan,
                                    dat de raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens
                                    dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het
                                    gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot
                                    preventie en jeugdhulp, de uitvoering van
                                    kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Deze
                                    verordening is gebaseerd op de modelverordening Jeugdhulp van de
                                    VNG en de modelverordening Jeugdhulp, de model nadere regels van
                                    de drieëntwintig Groninger gemeenten en de Uitgangspuntennota,
                                    zoals die in het Westerkwartier is vastgesteld. Omdat het hier
                                    gaat om nieuwe verordening is er voor gekozen voor de
                                    duidelijkheid, bruikbaarheid en leesbaarheid van de gebruikers
                                    om ook de procestappen zoals het gesprek, het verslag en de
                                    aanvraag e.d. direct in de verordening op te nemen en niet neer
                                    te leggen in nadere regels. Daarmee komt deze verordening
                                    overeen met de Verordening maatschappelijke ondersteuning die
                                    dezelfde opbouw en structuur heeft. </al><al/><al>
              <vet>De inrichting van het Groninger jeugdstelsel</vet>
            </al><al>In het Groninger Functioneel Model wordt een inhoudelijk kader
                                    geschetst, dat als basis fungeert voor een gemeentelijk
                                    aangestuurd nieuw jeugdstelsel in de Groninger gemeenten.</al><al/><al>Met de herinrichting van het jeugdstelsel moet de jeugdhulp
                                    efficiënt en effectief dichtbij</al><al>kinderen en ouders of verzorgers worden geboden.</al><al/><al>
              <cursief>Belangrijke doelen en uitgangspunten van de
                                        stelselherziening jeugd </cursief>
            </al></li>
          <li nr="•"><al>Voorkomen van opgroei- en opvoedproblemen; de
                                    verantwoordelijkheid voor gezond en veilig opgroeien van
                                    jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en jeugdige zelf, daarin
                                    bijgestaan door familie, sociale netwerk en lokale
                                    voorzieningen. </al></li>
          <li nr="•"><al>Indien de eigen kracht en de mogelijkheden van de jeugdige,
                                    opvoeders en de directe omgeving ontoereikend zijn, kan er
                                    ondersteuning, zorg en/of behandeling geboden worden bij
                                    voorkeur zoveel als mogelijk in, met en rondom het gezin. De
                                    insteek hierbij is het vroegtijdig bieden van hulp op maat,
                                    voorkomen van escalatie van problemen en een te zwaar appèl op
                                    intensieve ondersteuning. </al></li>
          <li nr="•"><al>Komen tot een betere samenwerking van hulpverleners rond
                                    gezinnen; bieden van integrale hulp volgens het uitgangspunt
                                    “één gezin, één plan, één regisseur”. </al></li>
          <li nr="•"><al>Meer ruimte voor professionals om de juiste ondersteuning te
                                    bieden; professionals die in staat zijn de eigen kracht van de
                                    jeugdige, het gezinssysteem en de sociale netwerken te
                                    mobiliseren. </al></li>
          <li nr="•"><al>“Demedicaliseren”, “ontzorgen” en normaliseren, door onder meer
                                    het opvoedkundig klimaat in gezinnen te versterken evenals in
                                    wijken, scholen en lokale voorzieningen. </al><al/><al>
              <cursief>Het fundament</cursief>
            </al><al>Het fundament van het nieuwe jeugdstelsel is het gewone
                                    positieve opgroeien en opvoeden, in de pedagogische “civil
                                    society”. Het is een leefomgeving met goed functionerende en in
                                    voldoende mate aanwezige basisvoorzieningen (zoals scholen,
                                    speelvoorzieningen, beschikbaarheid van (opvoed)informatie,
                                    afgestemd op de specifieke kenmerken en behoeften van de wijk of
                                    gemeente. </al><al/><al>
              <cursief>De basisondersteuning </cursief>
            </al><al>De basis van het nieuwe stelsel wordt gevormd door de
                                    basisondersteuning, bestaande uit een team van generalisten met
                                    elkaar aanvullende specifieke kennis en vaardigheden. De
                                    samenstelling van deze teams kan variëren afhankelijk van de
                                    populatie van de betreffende wijk/gemeente. Zo kan de inzet van
                                    specifieke deskundigen in de basisondersteuning in bepaalde
                                    situaties gewenst zijn. De Jeugdgezondheidzorg valt ook binnen
                                    deze basisondersteuning, maar heeft een specifiek doel: het
                                    beschermen en bevorderen van de gezondheid van alle jeugdigen
                                    van 0-19 jaar. Het is preventieve gezondheidszorg die gericht is
                                    op het voorkomen van ziekten en het vroegtijdig opsporen van
                                    gezondheidsproblemen bij jeugdigen. </al><al>Beslissingen over de zorgtoeleiding (triage) en het uitvoeren
                                    van regulier casemanagement vinden plaats vanuit de
                                    basisondersteuning.</al><al/><al>
              <cursief>Regulier Casemanagement </cursief>
            </al><al>Efficiënte zorgtoeleiding wordt bewaakt en gerealiseerd door
                                    regulier casemanagement in de basisondersteuning. Regulier
                                    casemanagement is een taak die uitgevoerd wordt door hiertoe
                                    bekwame uitvoerende professionals uit de basisondersteuning. Het
                                    uitgangspunt is dat de (eerst) betrokken professional hiervoor
                                    verantwoordelijk is. Beslissingen over hulp worden altijd in
                                    dialoog, samen met de jeugdige en of ouders/opvoeders
                                    genomen.</al><al/><al>
              <cursief>Expertpool</cursief>
            </al><al>Bij meer complexe ondersteuningsvragen, die de eigen
                                    competenties overstijgen, of wanneer er zorgen zijn over de
                                    veiligheid van een jeugdige, kunnen medewerkers voor consultatie
                                    en advies een beroep doen op medewerkers uit de expertpool. De
                                    medewerkers uit deze pool bieden onafhankelijk advies, zij
                                    verlenen geen daadwerkelijke hulp aan de jeugdige of het gezin.
                                    Deze pool bestaat uit diverse deskundigen met uiteenlopende
                                    kennisgebieden, zoals specialistische casemanagers, medewerkers
                                    Algemeen Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (het
                                    AMHK), jeugdbescherming en jeugdreclassering. De meer complexe
                                    triage wordt met behulp van de expertpool uitgevoerd. Tevens
                                    wordt er geadviseerd over de inzet van meer of minder intensieve
                                    ondersteuning. </al><al>
              <cursief>Flexibele ondersteuning</cursief>
            </al><al>Indien een professional uit de basisondersteuning of een
                                    huisarts of jeugdarts aanvullende specifieke integrale
                                    ondersteuning van jeugdige en of gezinssysteem wenselijk vindt
                                    (in samenspraak met de betrokkenen), kan er gebruik gemaakt
                                    worden van inzet van uitvoerende professionals uit de flexibele
                                    ondersteuning. Deze professionals verlenen, in tegenstelling tot
                                    de medewerkers uit de expertpool, wel daadwerkelijke
                                    ondersteuning. Ook kunnen deze medewerkers handelingsgerichte
                                    diagnostiek verlenen. De flexibele ondersteuning fungeert dus
                                    als een ‘surplus’ van de basisondersteuning. Het aanbod is
                                    lokaal maar kan regionaal georganiseerd worden. Deze
                                    ondersteuning is niet vrij toegankelijk voor jeugdigen en/of
                                    ouders, maar is pas in te zetten na een professionele afweging
                                    van de hiertoe bevoegde professional in de basisondersteuning,
                                    de huisarts, jeugdarts. In die zin spreken we van een
                                    individuele voorziening. </al><al>
              <cursief>Intensieve ondersteuning</cursief>
            </al><al>Indien blijkt dat de problemen van de jeugdige en of het
                                    gezinssysteem dermate ernstig of complex is, kan de professional
                                    ook een vorm van intensieve ondersteuning inzetten. Dit zijn
                                    vormen als dagbehandeling, poliklinische trajecten, 24-uurszorg,
                                    pleegzorg en crisiszorg. Deze ondersteuning wordt veelal
                                    decentraal georganiseerd maar zoveel als mogelijk uitgevoerd in
                                    de natuurlijke leefomgeving van de jeugdige. Medewerkers van de
                                    intensieve ondersteuning kunnen ook specialistische diagnostiek
                                    verlenen. Vanuit de intensieve zorg wordt eveneens gewerkt aan
                                    de inzet van zorgtrajecten gericht op het voorkomen van
                                    plaatsing en het voorkomen van terugval. </al><al>Alle vormen van hulp die in de intensieve ondersteuning gegeven
                                    wordt, is niet vrij toegankelijk. Deze hulp is altijd een vorm
                                    van individuele voorziening. De intensieve ondersteuning kan pas
                                    worden ingezet na een afgewogen oordeel van de hiertoe bevoegde
                                    professional. </al><al>
              <vet>De toeleiding naar de jeugdhulp</vet>
            </al><al>De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren
                                    plaatsvinden:</al></li>
          <li nr="•"><al>Vrij toegankelijk In de verordening wordt onderscheid gemaakt
                                    tussen overige (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij
                                    toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor
                                    een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een
                                    vrij toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn
                                    ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing
                                    of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn
                                    ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot een
                                    jeugdhulpaanbieder wenden.</al></li>
          <li nr="•"><al>Toegang via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn
                                    ouders kan ook bij de gemeente binnenkomen. De beslissing door
                                    de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouders precies
                                    hebben, komt vervolgens tot stand in overleg met de jeugdige en
                                    zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente
                                    ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken
                                    worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met
                                    behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als
                                    aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp
                                    nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij
                                    toegankelijke voorziening is of een niet vrij toegankelijke
                                    voorziening. In het laatste geval neemt deze deskundige, namens
                                    het college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door naar
                                    de jeugdhulpaanbieder die vervolgens de deskundige de
                                    aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken.
                                </al></li>
          <li nr="•"><al>Toegang via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts De
                                    Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na
                                    een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de
                                    jeugdarts. Na een dergelijke verwijzing staat het echter nog
                                    niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (welke
                                    therapie) een jeugdige of zijn ouders precies nodig hebben. Een
                                    jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders
                                    die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de
                                    jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele
                                    autonomie na de verwijzing beoordeelt, welke voorziening precies
                                    nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de
                                    omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de
                                    jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij
                                    daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de
                                    contract-of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de
                                    gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het
                                    pakket. Deze afspraken zullen verder ingaan op hoe de artsen en
                                    de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van
                                    de doorverwijzing of behandeling van een jeugdige, zodat de
                                    integrale benadering rond de jeugdige en het principe van één
                                    gezin, één regisseur, één plan, met name bij multi problematiek,
                                    kan worden gewaarborgd en er geen nieuwe verkokering zal
                                    plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten
                                    dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de
                                    jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de
                                    gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt
                                    welk aanbod van de alleen via verwijzing of met een besluit van
                                    de gemeente toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de gemeente
                                    verder geen nadrukkelijke rol speelt in de toegang via de
                                    huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, regelt deze
                                    slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie
                                    artikel 3). </al></li>
          <li nr="•"><al>Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het
                                    openbaar ministerie en de directeur of selectiefunctionaris van
                                    de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp
                                    is via een gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een
                                    kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                                    jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de directeur of
                                    een selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De
                                    gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van
                                    de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter
                                    opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te
                                    overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een
                                    kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt
                                    vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen
                                    nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel
                                    of jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente
                                    vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen
                                    tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en
                                    rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de
                                    gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de
                                    jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter
                                    een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst
                                    hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling
                                    aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist
                                    omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift
                                    een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling
                                    de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de
                                    kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn
                                    verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de
                                    concrete omstandigheden van het geval het meest geschikt lijkt.
                                    De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met
                                    de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet
                                    zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.
                                </al></li>
          <li nr="•"><al>Toegang via het advies en het meldpunt huiselijk geweld en
                                    kindermishandeling (AMHK) Tenslotte vormt ook het AMHK een
                                    toegang onder andere jeugdhulp. Het AMHK geeft advies over
                                    vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en
                                    kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een
                                    melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo
                                    nodig ouders tot het accepteren van jeugdhulp en legt daartoe
                                    contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de
                                    Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet in deze
                                    verordening terug. </al><al/></li>
        </lijst>
      </nota-toelichting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel>
        </kop>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="•"><al>Andere voorziening: een voorziening die niet op grond van de
                                    Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke
                                    ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen.</al></li>
            <li nr="•"><al>Gesprek: is het mondelinge contact bij het onderzoek naar de
                                    hulpvraag waarin het college – in de</al></li>
            <li nr="•"><al>praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan
                                    deskundigen – met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele
                                    situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en
                                    de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen
                                    oplossingen.</al></li>
            <li nr="•"><al>Jeugdige: deze definitie komt uit de wet en is hier opgenomen om
                                    het lezen van deze verordening te vergemakkelijken.</al></li>
            <li nr="•"><al>Hulpvraag: het contact van jeugdigen en ouders met het college
                                    (lees: degene die namens het college optreedt) op basis waarvan
                                    zij toegang tot jeugdhulp vragen. </al></li>
            <li nr="•"><al>Melding: het eerste contact van jeugdigen en ouders met het
                                    college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp.
                                </al></li>
            <li nr="•"><al>Ouder: deze definitie komt uit de wet en is hier opgenomen om
                                    het lezen van deze verordening te vergemakkelijken. </al></li>
          </lijst>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Vormen van jeugdhulp</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte
                            delegatiebepaling van artikel 2.9 sub a van de wet, waarin is bepaald
                            dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te
                            verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen.
                            Uit de Memorie van Toelichting (TK 2012-2013, 33684, nr. 3) komt naar
                            voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod
                            van voorzieningen binnen de gemeente. In dit artikel zijn de afspraken
                            van de drieëntwintig Groninger gemeenten omtrent de vormen van jeugdhulp
                            vastgelegd. </al>
          <al/>
          <al>Het begrip voorziening is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt
                            zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de Memorie van
                            Toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een
                            algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele
                            voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op
                            meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij
                            toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen
                            van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, jeugdarts of
                            medisch specialist en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten
                            worden of de jeugdige en zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk
                            nodig hebben. Deze niet vrij toegankelijke voorzieningen veronderstellen
                            altijd een verleningsbeslissing op basis van een beoordeling door de
                            gemeente van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager. Het
                            college geeft daartoe (al dan niet op verzoek van de aanvrager) een
                            beschikking af met de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Daarmee is
                            tevens de rechtsbescherming van de burger gewaarborgd. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Toegang jeugdhulp via huisarts, medisch specialist of
                                jeugdarts</titel>
          </kop>
          <al>In artikel 2.6 lid 1 sub g van de wet is geregeld dat, naast de
                            gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe
                            verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en
                            jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor
                            de vrij toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij
                            toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing
                            kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de
                            praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater,
                            de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt
                            welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de
                            jeugdige of de ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en
                            duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast
                            wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde dient te zijn en hij
                            zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor
                            een professional de basis van zijn handelen vormen. </al>
          <al>Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen of in het uitzonderlijke geval
                            dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de
                            jeugdhulpaanbieder legt het college de te verlenen individuele
                            voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan
                            de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn
                            ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het
                            college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als
                            hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de
                            jeugdhulpaanbieder nodig hebben. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Toegang jeugdhulp via gemeente, melding hulpvraag</titel>
          </kop>
          <al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt
                            de in artikel 4 tot en met artikel 8 van deze verordening beschreven
                            procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde
                            hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 6 van deze verordening, in
                            een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden
                            bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige
                            jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van
                            een individuele voorziening. </al>
          <al>Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke
                            voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de
                            toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk
                            zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf
                            uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Ook andere plaatsen in deze
                            verordening en in de wet waar staat “het college” kan het college deze
                            bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten
                            op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
                            De jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een overige
                            voorziening kunnen hier direct naar toe zonder meldingsprocedure in de
                            zin van deze verordening. </al>
          <al/>
          <al>Jeugdigen en ouders hebben onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op
                            jeugdzorg en geen individuele aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een
                            voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht
                            van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige procedure. Deze verordening
                            bevat een aantal bepalingen die dat moeten waarborgen. Hiermee kan ten
                            onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om een uitvoerig
                            onnodig bureaucratisch proces gaat. Dit is echter niet de bedoeling. Zo
                            kan het vooronderzoek, afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of
                            minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in bepaalde
                            gevallen ook van het gesprek – in overleg met de jeugdige of zijn ouders
                            worden afgezien. Daartegenover staat dat er ook sprake kan zijn van
                            meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Als de jeugdige al bij de gemeente
                            bekend is zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept
                            hoeven te worden. Komen de jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de
                            gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de
                            jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een vooronderzoek en gesprek
                            zullen uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een
                            zorgvuldig te nemen besluit het van belang is dat alle feiten en
                            omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook andere
                            bepalingen zoals schriftelijke verslaglegging en schriftelijke indiening
                            van de aanvraag zijn opgenomen in deze verordening met het oog op een
                            zorgvuldige procedure en in het belang van een zorgvuldige
                            dossiervorming. </al>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Vooronderzoek</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Dit lid dient ter voorbereiding op van een gesprek waarbij voor
                                    het onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende
                                    gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten niet worden
                                    belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn
                                    en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere
                                    voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs,
                                    maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met
                                    betrekking tot de privacy van betrokkenen en
                                    gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de
                                    Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige
                                    toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen
                                    toegang heeft in verband met deze privacyregels, kan het college
                                    de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te
                                    vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de
                                    inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat
                                    ook de uitnodiging voor het gesprek. De tweede zin van het
                                    eerste lid vloeit voort uit het amendement Voordewind/Ypma
                                    (Kamerstukken II 2012/2013, 33684 nr. 83). De wet vraagt niet
                                    een regeling hierover op te stellen. De bepaling is toch in de
                                    verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening
                                    een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat
                                    jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd over hun rechten en
                                    plichten. De jeugdigen en ouders kunnen niet gedwongen worden om
                                    een familiegroepsplan op te stellen. Het college kan dit in de
                                    gevallen waar dit meerwaarde heeft wel stimuleren. De gemeente
                                    heeft de taak om haar beleid zo vorm te geven dat het gericht is
                                    op het tot stand brengen en uitvoeren van een familiegroepsplan
                                    (artikel 2.1 sub g van de wet). Daarnaast dient er ondersteuning
                                    te worden geboden bij het opstellen van een familiegroepsplan
                                    als daarom gevraagd wordt of wanneer dat zijn meerwaarde heeft.
                                    De jeugdigen en ouders kunnen niet gedwongen worden om deze
                                    ondersteuning te accepteren, maar de gemeente kan dit wel
                                    stimuleren. Het familiegroepsplan moet binnen een redelijke
                                    termijn worden opgesteld. Omdat het onderwerp zal zijn van het
                                    onderzoek ligt het voor de hand dit aan het begin van het
                                    onderzoek op te stellen. </al></li>
            <li nr="2"><al>Bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie
                                    voor het gesprek kunnen dan ook al de eerste concrete vragen
                                    worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht
                                    om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de
                                    rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de
                                    jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
                                    Tevens kan beoordeeld of sprake is van een voorliggende
                                    voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de
                                    wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze
                                    wet te treffen. </al></li>
            <li nr="3"><al>Dit lid is opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie.
                                </al></li>
          </lijst>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Gesprek</titel>
          </kop>
          <al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten
                            en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Het
                            ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en
                            zijn ouders het een en ander wordt besproken. De locatie van het gesprek
                            wordt in onderling overleg bepaald. Indien het nodig is voor het
                            onderzoek kunnen er ook meerdere (opeenvolgende) gesprekken
                            plaatsvinden. </al>
          <al/>
          <al>Opgenomen is dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het
                            hangt van de situatie af hoe snel dat kan of moet plaatsvinden. </al>
          <al>In sub a tot en met sub i zijn niet limitatief de onderwerpen van het
                            gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. In sub c
                            wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld
                            overeenkomstig het in de wet en de verordening vermelde uitgangspunt dat
                            de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van
                            jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te
                            verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van
                            probleemoplossend vermogen van de jeugdige en die van zijn naaste
                            omgeving te versterken. Bij sub g valt te denken aan een voorziening die
                            een jeugdige ontvangt op grond van AWBZ (2015 Wmo) of de Zvw
                            (Zorgverzekeringswet) of een voorziening op het gebied van passend
                            onderwijs. Het mag als vanzelfsprekend worden verondersteld dat de
                            jeugdige en/of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen uitleg krijgen.
                            Daarom is deze term niet specifiek in artikel 6 lid 1 sub i opgenomen. </al>
          <al/>
          <al>Lid 2 is opgenomen om de ouders te informeren. Het college neemt niet de
                            hoogte van de bijdrage in de kosten van de beschikking op. Dat loopt via
                            het door het college daartoe aangewezen bestuursorgaan (LBIO), evenals
                            de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. De ouderbijdrage geldt
                            op grond van artikel 8.2.1 van de wet alleen in situaties van jeugdhulp
                            buiten de thuissituatie. Lid 3 bevestigt de regeling van het
                            familiegroepsplan. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Verslag</titel>
          </kop>
          <al>De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden de
                            praktijk van de Wmo gevolgd worden. In de Memorie van Toelichting van de
                            Wmo (TK 2013-2014, 33841, nr. 3) staat hierover dat het college een
                            weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de cliënt in
                            staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat
                            moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de
                            gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag
                            en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Indien
                            duidelijk uit de melding blijkt dat er geen verdere stappen van het
                            college nodig zijn, kan worden afgezien van een schriftelijk verslag.
                            Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of
                            het herstellen van feitelijke onjuistheden aan het verslag is eveneens
                            vormvrij. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Aanvraag</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                            artikel 2.9 sub a van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij
                            verordening in ieder geval regels stelt met betrekking tot de
                            voorwaarden toekenning en de wijze van beoordeling van, en de
                            afwegingsfactoren voor een individuele voorziening. Een aanvraag is
                            nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te
                            verkrijgen. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze
                            verordening wijkt daar niet van af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb
                            wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk
                            ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te
                            beslissen (het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                            bepaald. In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op
                            een aanvraag. De regeling van de Awb geldt daarom onverkort. In artikel
                            4:13 Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen
                            een redelijke termijn van 8 weken na ontvangst van de aanvraag. Indien
                            een beschikking niet binnen 8 weken kan worden gegeven, dient het
                            bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en
                            daarbij een redelijke termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel
                            tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14 lid 3 Awb). </al>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Toekenning individuele voorziening (in natura)</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren
                                    het college hanteert bij toekenning van individuele
                                    voorzieningen. Hierbij is het voor het college van belang de
                                    mate van eigen kracht en het al of niet gedeeltelijk gebruik
                                    kunnen maken van een overige of andere voorziening goed te
                                    beoordelen. </al></li>
            <li nr="2"><al>Lid 2 heeft betrekking op de situatie dat een verwijzing op
                                    grond van artikel 3 lid 1 van deze verordening die door het
                                    college moet worden uitgevoerd aan de orde is. Er dient dan op
                                    verzoek van de jeugdige of zijn ouders een schriftelijke
                                    toekenning van de individuele voorziening plaats te vinden. </al><al/></li>
          </lijst>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Toekenning individuele voorzieningen (PGB)</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel zijn de specifieke bepalingen over PGB opgenomen. Hierin
                            wordt aangesloten op artikel 8.1.1 van de wet, dat voor het PGB is
                            aangepast aan de verwante regelgeving met betrekking tot de
                            maatschappelijke ondersteuning als geregeld in de Wmo. Zo is onder sub e
                            opgenomen dat het college het PGB slechts kan weigeren voor het gedeelte
                            dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het staat
                            jeugdigen en ouders vrij om dit verschil in prijs zelf bij te betalen.
                            In lid 4 zijn nadere regels opgenomen over het verstrekken van een PGB
                            bij het betrekken van jeugdhulp van een persoon die behoort tot het
                            sociale netwerk. Deze regels zijn bedoeld om te verhinderen dat een PGB
                            wordt verstrekt aan een jeugdige die hier onder druk van mensen uit zijn
                            omgeving om heeft verzocht en bij wie een werkelijke hulpbehoefte niet
                            aantoonbaar is of bij wie de hulpvraag ondergeschikt is aan financieel
                            gewin. </al>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Inhoud beschikking</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Dit lid is opgenomen om een zo compleet mogelijk beeld te geven
                                    van de rechten en plichten van burgers. Om die reden is aan het
                                    slot ook de zinsnede opgenomen met de informatieplicht van het
                                    college over de mogelijkheid om bezwaar en beroep in te dienen
                                    tegen de beschikking. In het geval dat de jeugdige of zijn
                                    ouders in bezwaar en beroep wil, heeft op grond van de Awb recht
                                    op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en
                                    beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering,
                                    of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger
                                    op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep. </al></li>
            <li nr="2"><al>Dit lid geeft aan welke elementen de beschikking voor een
                                    voorziening in natura dient te bevatten. </al></li>
            <li nr="3"><al>Dit lid vermeldt de inhoudseisen voor PGB-beschikkingen. </al></li>
            <li nr="4"><al>In dit lid wordt bepaald dat in de beschikking informatie wordt
                                    opgenomen over de wettelijk geldende regels ter zake van de
                                    eventuele verschuldigdheid van een ouderbijdrage.</al><al/></li>
          </lijst>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel>
          </kop>
          <al>Lid 1 berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de wet. Ook de overige
                            onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven handen en
                            voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en zijn
                            opgenomen in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en
                            met 8.1.4 is veelal beperkt tot het PGB. Waar mogelijk en zinvol is dit
                            ter uitwerking van de legatiebepaling in artikel 2.9 sub d van de wet in
                            de verordening uitgebreid tot de individuele voorziening in natura.
                            Hiervoor kan steun worden gevonden in de tekst van de toelichting op
                            artikel 8.1.2, waarbij is vermeld dat de in lid 1 geregelde
                            inlichtingenplicht als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn
                            ouders aan wie een individuele voorziening of een daaraan gekoppeld PGB
                            is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende gegevens en
                            inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te
                            beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan
                            gekoppeld PGB terecht kan is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn
                            ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten of
                            omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed
                            kunnen zijn op de toekenning van een individuele voorziening of het
                            daaraan gekoppeld PGB, dienen zij dit onverwijld aan het college te
                            melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek
                            van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft
                            dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan
                            gekoppelde PGB. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook
                            in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de
                            belanghebbende vragen.</al>
          <al/>
          <al>Lid 2 is geënt op artikel 81.4 van de wet. Ook hier is de tot de PGB
                            beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de wet op grond van het
                            bepaalde in artikel 2.9 sub d van de wet uitgebreid tot de individuele
                            voorziening in natura. </al>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13</nr>
            <titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                                kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel>
          </kop>
          <al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                            vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders,
                            door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 lid 1 Jeugdwet). Met het
                            oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                            kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moet bij
                            verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede
                            verhouding tussen de prijs voor de levering van de jeugdhulp of de
                            uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en de
                            eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12
                            Jeugdwet). Daarbij dient rekening te worden gehouden met de
                            deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden. </al>
          <al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor
                            de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd
                            waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs)
                            rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld
                            ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door de
                            aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder
                            kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de
                            vereiste vaardig-heden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de
                            vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit
                            biedt de waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij
                            de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. </al>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14</nr>
            <titel>Vertrouwenspersoon</titel>
          </kop>
          <al>In artikel 2.6 lid 1 sub f van de wet is bepaald dat het college er voor
                            verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders een beroep kunnen doen op
                            een vertrouwenspersoon. Met een vertrouwenspersoon wordt een
                            functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg.
                            Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke
                            factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze
                            functie. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15</nr>
            <titel>Klachtregeling</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>De toelichting op dit artikel is exact aan de toelichting op de
                                    klachtregeling van de Wmo. Er wordt dan ook verwezen naar
                                    artikelen uit de Wmo. De gemeente is op grond van de Awb in het
                                    algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van
                                    mondelinge en schriftelijke klachten over gedragen van personen
                                    en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam
                                    zijn. In lid 1 is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke
                                    klachtrecht.</al></li>
            <li nr="2"><al>In lid 2 is een bepaling over klachten ten aanzien van
                                    aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op
                                    grond van artikel 2.13 lid 2 sub e van de Wmo, waarin is bepaald
                                    dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien
                                    van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                                    klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                                    klachtregeling op te stellen (artikel 3.2 lid 1 sub a van de
                                    Wmo). In de Memorie van Toelichting (TK 2013-2014, 33841, nr. 3
                                    blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen
                                    over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich
                                    bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag
                                    van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een
                                    gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van
                                    de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit
                                    van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met
                                    de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of
                                    uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de
                                    aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich
                                    benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de
                                    desbetreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt
                                    en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet
                                    naar wens verloopt, staat de weg naar de gemeente voor het
                                    indienen van de klacht open. </al></li>
            <li nr="3"><al>In lid 3 zijn een aantal instrumenten voor het college
                                    aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot afhandeling van
                                    klachten door aanbieders goed wordt uitgevoerd. </al></li>
          </lijst>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16</nr>
            <titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 4.2.4 van de wet. </al>
          <al/>
          <al>In lid 1 wordt verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                            vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat
                            er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor Jeugdhulp-beleid als op andere
                            terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk
                            de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen
                            kan raken op ondersteuning. </al>
          <al>In lid 4 wordt aan het college overgelaten om de exacte invulling van de
                            medezeggenschap vorm te geven. </al>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17</nr>
            <titel>Controle</titel>
          </kop>
          <al>Het is verstandig dat er regels worden opgesteld over de bestrijding van
                            ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen of persoonsgebonden
                            budget alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
                            Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar
                            het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.
                        </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18</nr>
            <titel>Evaluatie</titel>
          </kop>
          <al>Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau
                            zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten.
                            In artikel 12.2 van de wet is opgenomen dat binnen drie jaar na de
                            inwerkingtreding een evaluatie moet plaatsvinden over de
                            doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk. </al>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>19</nr>
            <titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel>
          </kop>
          <al>Ondanks dat het bij jeugdwerk om maatwerk en een zeer persoonlijke
                            beoordeling gaat, zal het college zich steeds af moeten vragen of de
                            gekozen oplossing niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
                            Mocht dat in incidentele gevallen aan de orde zijn, dan is de
                            hardheidsclausule een vangnet. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één
                            onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid ter zake niet
                            aangepast zou moeten worden. </al>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>20</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al>
          <al/>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
      <bijlage>
        
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>