<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348834_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 Gemeente Harlingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-08-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2015, 574</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 gemeente Harlingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, 10a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 60b van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8b van de Participatiewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening ouderen gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 34, eerste lid onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 34, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 Gemeente Harlingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober
                        2014</al><al/><al>gelet op </al><al>artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, </al><al>artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers en </al><al>artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, 10a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en </al><al>de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36,
                        eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werknemers en </al><al>de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36,
                        eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen werknemers; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 60b van de
                        Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 8b van de Participatiewet, </al><al>artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening ouderen gedeeltelijke
                        arbeidsongeschikte werknemers en </al><al>artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                        Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, van de
                        Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet, </al><al>artikel 34, eerste lid onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en </al><al>artikel 34, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</al><al/><al>gezien het advies van de Gezamenlijke commissie Mens &amp; Bestuur en
                        Omgeving</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de bestrijding van het ten onrechte
                        ontvangen van bijstand en inkomensvoorzieningen, alsmede van misbruik en
                        oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ bij
                        verordening te regelen;</al><al/><al>dat het van belang wordt geacht om aan personen van 21 jaar of ouder doch
                        jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen
                        hebben gehad, die geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in
                        artikel 34 bezitten, die geen uitzicht hebben op inkomensverbetering en die
                        tevens woonachtig zijn in de gemeente Harlingen financieel te
                        ondersteunen;</al><al/><al>dat het van belang wordt geacht om aan personen van 18 jaar of ouder, die
                        recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 of een
                        tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wtos, die geen in aanmerking
                        te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 bezit en waarvan is vastgesteld
                        dat die persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van
                        het wettelijk minimumloon doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                        heeft financieel te ondersteunen;</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: college van burgemeester en wethouders gemeente
                                        Harlingen, tenzij een bevoegdheid van het college bij
                                        gemeenschappelijke regeling is gedelegeerd aan het dagelijks
                                        bestuur van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                        Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van
                                        de Participatiewet, en de algemene bijstand;</al></li><li nr="c."><al>peildatum: datum waarop een persoon individuele
                                        inkomenstoeslag aanvraagt; </al></li><li nr="d."><al>referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de
                                        peildatum.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>De aanvraag en de voorwaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
                            Participatiewet, wordt ingediend door middel van een door het dagelijks
                            bestuur vastgesteld aanvraagformulierformulier en onder overlegging van
                            de op het aanvraagformulier genoemde bescheiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                            eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het
                            in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan <vet>110%</vet> van de
                            toepasselijke bijstandsnorm.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 237,00 voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>€ 305,00 voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>€ 339,00 voor gehuwden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                                Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd
                                overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex
                                volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden
                                naar boven afgerond op hele euro’s.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan in die gevallen waarin deze verordening niet
                            voorziet op grond van individuele bijzondere omstandigheden afwijkend
                            beslissen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            inkomenstoeslag Participatiewet 2015 gemeente Harlingen. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Toelichting </vet><vet>Algemeen </vet></al><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter </al><al>voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van
                    een </al><al>component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie
                    van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen
                    te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door
                    inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van
                    de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het
                    leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag
                    gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een
                    bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015
                    vervangt de </al><al>individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen
                    van de </al><al>toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit </al><al>betekent dat het college van burgemeester en wethouders, (hierna college) een
                    individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de
                    voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen
                    niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen
                    personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                    gedacht aan personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd
                    wegens een schending van een arbeidsverplichting of een
                    re-integratieverplichting of aan personen die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs volgen.</al><al/><al><cursief>Vast te leggen regels in verordening</cursief></al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een </al><al>inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag
                    inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen <vet>hoger dan 105%</vet> van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast
                    moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald
                    worden. Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer
                    sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van
                    artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden
                    vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen
                    uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de
                    omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet
                    is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><al> - de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al><al> - de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
                    komen.</al><al/><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder </al><al>verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet
                    voorziet in </al><al>algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet
                    als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de
                    Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en
                    voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum.
                    Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een
                    dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening.
                    Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag op een datum gelegen op
                    of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel
                    36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden.</al><al/><al><cursief>Wijziging leefvorm</cursief></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan
                    ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor
                    individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel
                    gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al/><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet of Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al/><al/><al><cursief>Inkomen</cursief></al><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                    Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                    beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                    genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                    worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                    bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte </al><al>individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de
                    vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder
                    verstrekte individuele inkomens-toeslag in aanmerking te nemen als inkomen,
                    omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in
                    de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                    verstrekte </al><al>langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1 januari
                    2015.</al><al/><al><cursief>Peildatum</cursief></al><al>De peildatum is de datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen
                    heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de
                    omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De
                    peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en
                    de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><al/><al><cursief>Referteperiode</cursief></al><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode
                    van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel
                    3 onder ‘Langdurig’.</al><al><vet>Artikel 2. Indienen verzoek</vet></al><al/><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet
                    dusdanig</al><al>gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
                    inkomenstoeslag kan</al><al>indienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op aanvraag verkrijgbaar.
                    Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al/><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet.</al><al><vet>Artikel 3. Langdurig laag inkomen </vet></al><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.</al><al/><al><cursief>Langdurig </cursief></al><al>De door het algemeen bestuur vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peil-datum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 van deze verordening.</al><al/><al><cursief>Laag inkomen</cursief></al><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan <vet>105% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm</vet>.</al><al/><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 105% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    zal niet al te rigide </al><al>mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet
                    worden genegeerd.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> Gaat het inkomen van een persoon
                    gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm
                    maandelijks met een gering bedrag te boven, dan is geen sprake meer van een
                    marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een
                    individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een
                    incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen
                    bedragen van enkele eurocenten.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn2"><sup>[2]</sup><sup/></extref> In nadere regelgeving wordt het begrip
                    een gering bedrag nader omschreven.</al><al><vet>Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag </vet></al><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een</al><al>alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. </al><al/><al><cursief>Gehuwden</cursief></al><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele
                        inkomenstoeslag.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn3"><sup>[3]</sup><sup/></extref></al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de </al><al>Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een
                    individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in
                    artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen
                    recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele
                    inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een
                    individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of
                    alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.</al><al/><al><cursief>Indexering</cursief></al><al>In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt
                    dat de </al><al>verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de
                    bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk te
                    communiceren.</al><al><vet>Artikel 5. Onvoorziene gevallen </vet></al><al>In deze verordening zijn de hoofdlijnen voor de inkomenstoeslag vastgelegd. Er
                    kunnen zich echter concrete situaties voordoen waarin deze verordening niet
                    voorziet. Dit artikel bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist in
                    afwijking van deze verordening. </al><al>Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de
                    geest van de wet en de verordening gehandeld te worden.</al><al><vet>Artikel 6. Inwerkingtreding </vet></al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in </al><al>artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de </al><al>gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening vast te stellen over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag.</al><al><vet>Artikel 7. Citeertitel </vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1">[1]</extref> CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a.,
                    ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en CRvB 15-02-2011, nr. 08/5141 WWB,
                    ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532.</al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref2">[2]</extref> (CRvB 27-03-2012, nr. 10/2488 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en
                    CRvB 31-07-2012, nr. 12/1825 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178.</al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref3">[3]</extref> CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB,
                    ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>