<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348798_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Gemeente Harlingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-08-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeenteblad 2015, 264</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie 2015 gemeente Harlingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, 10a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 60b van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8b van de Participatiewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening ouderen gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 34, eerste lid onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 34, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Gemeente Harlingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober
                        2014</al><al/><al>gelet op </al><al>artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, </al><al>artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers en </al><al>artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al/><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, 10a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en </al><al>de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36,
                        eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werknemers en </al><al>de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36,
                        eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen werknemers; </al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 60b van de
                        Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 8b van de Participatiewet, </al><al>artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening ouderen gedeeltelijke
                        arbeidsongeschikte werknemers en </al><al>artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                        Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, van de
                        Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet, </al><al>artikel 34, eerste lid onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en </al><al>artikel 34, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</al><al/><al>gezien het advies van de Gezamenlijke commissie Mens &amp; Bestuur en
                        Omgeving</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de bestrijding van het ten onrechte
                        ontvangen van bijstand en inkomensvoorzieningen, alsmede van misbruik en
                        oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ bij
                        verordening te regelen;</al><al/><al>dat het van belang wordt geacht om aan personen van 21 jaar of ouder doch
                        jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen
                        hebben gehad, die geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in
                        artikel 34 bezitten, die geen uitzicht hebben op inkomensverbetering en die
                        tevens woonachtig zijn in de gemeente Harlingen financieel te
                        ondersteunen;</al><al/><al>dat het van belang wordt geacht om aan personen van 18 jaar of ouder, die
                        recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 of een
                        tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wtos, die geen in aanmerking
                        te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 bezit en waarvan is vastgesteld
                        dat die persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van
                        het wettelijk minimumloon doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                        heeft financieel te ondersteunen;</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Begripsbepalingen </label></kop><al>1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                            Participatiewet, de Wet inkomens-voorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelf-standigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al/><al>2. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. college: college van burgemeester en wethouders gemeente Harlingen,
                            tenzij een bevoegdheid van het college bij gemeenschappelijke regeling
                            is gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de dienst Sociale Zaken en
                            Werkgelegenheid Noardwest Fryslân</al><al>b. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is
                            redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al><al>c. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en ltelijk </al><al> arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al><al>d. IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk </al><al>arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>e. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is
                            redelijker mogelijk binnen één jaar;</al><al>f. mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                            hulpverlenend </al><al>beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens
                            directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                            sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                            overstijgt.</al><al>g. Tegenprestatie: het verrichten van naar vermogen door hes
                            dagelijk</al><al>bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaam-heden,
                            die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere </al><al>arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt;</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2. Beleid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2. Verslag over beleid </label></kop><al>Het college zendt periodiek, gelijktijdig met de beleidscyclus aan de
                            gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3. De tegenprestatie naar vermogen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie </label></kop><al/><al>1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden:</al><al>a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                            arbeidsmarkt;</al><al>b. niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;</al><al>c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                            organisatie waarin ze worden verricht; en </al><al>d. niet leiden tot verdringing.</al><al/><al>2. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                            beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                            werkzaamheden het dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden en de
                            voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening
                            geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie </label></kop><al>1. Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                            arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al><al/><al/><al>2. Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere
                            omstandigheden dat recht-vaardigen.</al><al/><al>3. In afwijking van het eerste lid draagt het college geen
                            tegenprestatie op aan:</al><al>a. de belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar
                            aard en</al><al>omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in
                            deze </al><al>verordening;</al><al>b. de belanghebbende die aantoonbaar mantelzorg verricht voor zover het
                            verrichten</al><al> van die mantelzorg naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                            redelijkerwijs </al><al> noodzakelijk is.</al><al/><al>4. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                            met de volgende factoren: </al><al>a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een
                            belang hebbende;</al><al>b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                            belanghebbend</al><al> worden in aanmerking genomen;</al><al>c. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende worden
                            in</al><al> overweging genomen;</al><al>d. als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht,
                            anders dan bedoeld in het derde lid, wordt daarmee rekening
                            gehouden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Duur en omvang van een tegenprestatie </label></kop><al/><al>1. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van maximaal twaalf
                            maanden.</al><al>2. Na de periode als genoemd in het eerste lid wordt de duur verlengd
                            met 12 maanden </al><al>nadat het college heeft beoordeeld of de omstandigheden en situatie van
                            de </al><al>belanghebbende verder onveranderd zijn gebleven.</al><al>3. De tegenprestatie wordt opgedragen voor gemiddeld acht uren per
                            week.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Geen werkzaamheden voorhanden </label></kop><al>1. Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. </al><al/><al>2. Het college kan werkzaamheden als tegenprestatie opdragen die zowel
                            binnen als buiten de gemeentegrenzen verricht worden.</al><al/><al>3. Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen
                            werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het dagelijks bestuur binnen
                            zes maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die
                            kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7. Inwerkingtreding </label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Citeertitel </label></kop><al/><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie 2015
                            gemeente Harlingen </al><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr>1</nr><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen (hierna:
                    college) is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeids-inschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioen-gerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit
                    de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de</al><al>voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke <onderstreept>tegenprestatie
                    </onderstreept>van hem verwacht wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant </al><al>25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een </al><al>alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in
                    artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de afstemmingsverordening.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar </al><al>vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven </al><al>participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk, arbeidsritme en
                    regelmaat te </al><al>behouden. Dit zijn volgens de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de
                    kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p.
                    29).</al><al/><al/><al><cursief>Tegenprestatie is geen
                            re-<onderstreept>integratie-instrument</onderstreept></cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te </al><al>bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn
                    aard niet gericht op </al><al>toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument.
                    Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet </al><al>belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk boven uitkering.</al><al/><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstands-uitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordenings-opdracht is neergelegd in
                    artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de </al><al>gemeente om de duur, omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). </al><al/><al><cursief>Ontwikkelen beleid c.q. beleidsregels door het college </cursief></al><al>Het dagelijks bestuur heeft de opdracht beleid c.q. beleidsregels te ontwikkelen
                    ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan
                    overeenkomstig de </al><al>verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al/><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn </al><al>vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                    'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor
                    deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de
                    mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van
                    deze verordening.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                    'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    wordt verstaan dat een </al><al>persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de mogelijkheid tot het
                    opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van deze
                    verordening.</al><al/><al><cursief>Mantelzorg </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begrips-bepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke </al><al>ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het
                    kader van een hulpverlenend </al><al>beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe
                    omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie
                    en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip
                    'mantelzorg' is van belang omdat artikel 4 van deze verordening bepaalt dat het
                    college geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg
                    verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het
                    college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in
                    de Wet </al><al>maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken van
                    mantelzorg zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener; </al></li><li nr="2."><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;</al></li><li nr="3."><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al></li><li nr="4."><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al/><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                    169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr. C. </al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                    Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of
                    sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke
                    zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het
                    protocol </al><al>Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat Protocol als volgt
                    omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende
                    kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een
                    gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                    verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Verslag over beleid </vet></al><al>Het college zendt periodiek (bijvoorbeeld gelijktijdig met de beleidscyclus) aan
                    de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid inzake het
                    opdragen van een tegenprestatie.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie </vet></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het dagelijks </al><al>bestuur de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 3 van
                    deze </al><al>verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie.
                    Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een
                    tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden
                    van belanghebbende, waaronder</al><al>leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke
                    omstandigheden. De </al><al>werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang
                    dat </al><al>belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank
                    Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een </al><al>duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een </al><al>belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenpresatie van hem wordt verwacht
                    (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al/><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    </cursief>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                    tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige </al><al>werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                    onderscheiden van </al><al>werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het
                    onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder
                    meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het
                    bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p.
                    30). </al><al/><al><cursief>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </cursief></al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                    additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                    werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze verordening
                    genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                    werkzaamheid: </al><al>a. naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;</al><al>b. niet is bedoeld als <onderstreept>re-integratie-instrument;</onderstreept></al><al>c. wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie
                    waarin deze</al><al> worden verricht; en </al><al> d. niet leidt tot verdringing.</al><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                    tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                    32 815, nr. 3, p. 14). </al><al>In beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval
                    als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van
                    deze verordening gestelde </al><al>voorwaarden.</al><al>Omdat de werkzaamheden additioneel zijn en niet mogen leiden tot verdringing op
                    de </al><al>arbeidsmarkt, kunnen veel werkzaamheden niet als tegenprestatie worden ingezet. </al><al/><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties: </cursief>De dienst kan
                    voor het werven van </al><al>maatschappelijk nuttige werkzaamheden samenwerken met maatschappelijke
                    organisaties zoals: welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties,
                    buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor te zorgen dat voldoende
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, is het van belang dat
                    contacten worden onderhouden met maatschappelijke organisaties. Een
                    vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een belangrijk
                    hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                    bepalen. </al><al/><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegen-prestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als
                        re<onderstreept>-integratie-instrument</onderstreept>. Het betreffen
                    werkzaamheden die worden </al><al>verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot
                    verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als
                    tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende
                    arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk
                    boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32
                    815, nr. 3, p. 14).</al><al/><al><vet>Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie </vet></al><al/><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                    Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep
                    worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). </al><al>In artikel 4, eerste en tweede lid, van deze verordening is neergelegd dat het
                    college in beginsel uitsluitend aan personen met een lange afstand tot de
                    arbeidsmarkt een tegenprestatie opdraagt. Aan personen met een korte afstand tot
                    de arbeidsmarkt kan uitsluitend een tegenprestatie worden opgedragen indien
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Personen met een korte afstand tot
                    de arbeidsmarkt dienen zich immers volledig te richten op re-integratie. Het is
                    denkbaar dat het wenselijk is dat ook aan personen met een korte afstand tot de
                    arbeidsmarkt een tegenprestatie op te dragen. </al><al/><al><cursief>Tegenprestatie opdragen aan personen met lange afstand tot arbeidsmarkt
                    </cursief></al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het college een
                    tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een belanghebbende die
                    een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit impliceert dat aan
                    belanghebbenden die een korte </al><al>afstand tot de arbeidsmarkt hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen, tenzij
                    sprake is van bijzondere omstandigheden. Zie artikel 1 van deze verordening voor
                    de begrippen korte en grote afstand tot de arbeidsmarkt. </al><al>De gemeenteraad heeft hiervoor gekozen opdat personen met een korte zich
                    volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het
                    naar vermogen algemeen </al><al>geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met een korte afstand tot de
                    arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat hun inspanningen eerder
                    zullen leiden tot uitstroom. </al><al>Daarom wordt in beginsel aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    geen</al><al>tegenprestatie opgedragen. De tegenprestatie mag immers het accepteren van
                    passende </al><al>arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren aangezien werk boven
                    uitkering als uitgangspunt geldt. Aan personen met een lange afstand tot de
                    arbeidsmarkt kan het college wel een tegenprestatie opdragen. </al><al/><al><cursief>Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het college een
                    belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie kan
                    opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen
                    re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het verrichten
                    van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden
                    verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie op te leggen.</al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). </al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing
                    op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld
                    in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet) De </al><al>verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande
                    ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste
                    lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al>In het derde lid is bepaald dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een
                    belang-hebbende vrijwilligerswerk of mantelzorg verricht en het college het
                    verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze
                    mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot
                    de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van
                    mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals
                    neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende
                    mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg </al><al>volgens het dagelijks bestuur redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het
                    college een belanghebbende geen tegenprestatie op.</al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college kan ook
                    besluiten vrijwilligerswerk aan te merken als tegenprestatie. Hierbij moet wel
                    rekening worden gehouden met de minimale en maximale duur van de tegenprestatie
                    zoals neergelegd in artikel 5 van deze verordening. De aard van het
                    vrijwilligerswerk speelt hierbij een rol. </al><al>Onder vrijwilligerswerk wordt in het algemeen verstaan: werk dat in enig verband
                    onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving
                    (vergelijk TK 2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2). </al><al/><al><cursief>Weigering tegenprestatie </cursief></al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te </al><al>verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te
                    leggen </al><al>maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al/><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>In artikel 4, vierde lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren
                    het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze
                    factoren worden hierna toegelicht.</al><al><cursief><onderstreept>‘tegenprestatie 'naar
                    vermogen'</onderstreept></cursief>
          De werkzaamheden die als
                    tegenprestatie ingezet </al><al>worden, moeten naar vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De
                    term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een
                    belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan
                    elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al><cursief>‘<onderstreept>persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                            belanghebbende’</onderstreept></cursief>Bij het opdragen van de
                    tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke situatie en </al><al>individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding
                    en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en </al><al>psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen van de
                    tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts wordt bij opdragen
                    van een </al><al>tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd, </al><al>beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke
                    activiteiten verricht. </al><al><onderstreept>‘<cursief>persoonlijke wensen en kwaliteiten
                            belanghebbende’</cursief></onderstreept>
          Bij het opdragen van
                    de </al><al>verplichting tot tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke
                    wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De regering vindt het immers
                    belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). </al><al>Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te
                    verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een </al><al>belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige
                    activiteit </al><al>kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door belanghebbende
                    zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van belanghebbende over
                    te nemen en die werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. </al><al>Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens
                    artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het
                    college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar
                    moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen ideeën aan,
                    dan legt het college belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende
                    geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college
                    een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet aan een
                    belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende.</al><al><cursief><onderstreept>‘maatschappelijke activiteiten door
                            belanghebbende’</onderstreept></cursief>
          Het college houdt er
                    bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het eventuele
                    gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33
                    801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit
                    verricht, kan het college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke
                    activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een
                    belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee
                    rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de
                    duur en de omvang van de tegenprestatie. Een voorbeeld van maatschappelijke
                    activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het college
                    beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij rekening met de
                    duur en omvang. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Duur en omvang van een tegenprestatie </vet></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 5 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en
                    omvang van de tegenprestatie.</al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een </al><al>belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                    betekent dat steeds een afweging wordt gemaakt op basis van de situatie in welke
                    mate een tegenprestatie </al><al>verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30). </al><al/><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in dagen </cursief></al><al>Artikel 5, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximale duur van twaalf maanden. Uit het onderzoeksrapport "Voor wat hoort wat"
                    blijkt dat bij ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie
                    uitvoeren de gemiddelde duur korter is dan een half jaar en bij iets minder dan
                    de helft is de gemiddelde duur meer dan een half jaar. Het is van belang dat de
                    duur beperkt is. Het opdragen van de tegenprestatie tot aan het einde van de
                    uitkering is in ieder geval niet beperkt in duur en in omvang. </al><al>Het tweede lid, regelt dat de duur van het opdragen van een tegenprestatie na
                    een periode van twaalf maanden nogmaals met een periode van twaalf maanden
                    verlengd kan worden.</al><al/><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in uren </cursief></al><al>Artikel 5, derde lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximaal aantal uren van gemiddeld 8 uren per week.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Geen werkzaamheden voorhanden </vet></al><al>De Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een
                    tegenprestatie te laten verrichten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51).
                    Desondanks kan het </al><al>voorkomen dat werkzaamheden, die als een tegenprestatie kunnen worden
                    voorgedragen, zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen voorhanden zijn.</al><al/><al>Indien het college geen tegenprestatie oplegt omdat er zowel binnen als buiten
                    de eigen gemeentegrenzen geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    voorhanden zijn, wordt binnen zes maanden een heronderzoek uitgevoerd om te
                    beoordelen of op dat moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de
                    eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. Dit is geregeld in artikel 6, tweede lid,
                    van deze verordening. Ter uitvoering hiervan dient te worden samengewerkt met </al><al>omliggende gemeenten. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Inwerkingtreding </vet></al><al>
          
          eze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
                    Vanaf die datum is in </al><al>artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Citeertitel </vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>