<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348782_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2014, 45</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 2.1.3., 2.1.4, lid 1, 3 en 7, 2.1.6. en 2.6.6, lid 1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-04-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB14.0104</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Verordening maatschappelijke ondersteuning 2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet
                                    speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die
                                    algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan
                                    vergelijkbare producten;</al></li><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van
                                    de wet;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                    wet;</al></li><li nr="-"><al>voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere
                                    voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;</al></li><li nr="-"><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Melding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het college kan een melding worden gedaan als bedoeld in artikel
                            2.3.2, lid 1 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk indien
                            uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.3.2, lid 1 van de
                            wet.3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3
                            van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke
                            maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het
                            onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                            kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt
                            uitgangspunt is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek,
                            bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid
                            gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2,
                            eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over
                            de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een
                            afspraak voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens
                            en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek
                            nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De
                            cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in
                            artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in
                            overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld
                            in het eerste en tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een
                            persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op
                            te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de
                            gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt zo nodig in een gesprek tussen deskundigen en
                            degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens
                            vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers
                            en desgewenst familie,:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                    cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of
                                    algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of
                                    zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen
                                    dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen
                                    uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn
                                    zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij
                                    een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                    mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                    voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in
                                    artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van
                                    maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering
                                    van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen
                                    dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen
                                    of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld
                                    in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van
                                    publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk
                                    en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                                    ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het
                                    bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd
                                    zal zijn, en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb,
                                    waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht
                                    over de gevolgen van die keuze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid,
                            aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het
                            onderzoek, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek,
                            diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt
                            toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien
                            van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ondersteuningsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gebruikt de uitkomsten van het onderzoek en voor zover
                            aanwezig het persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid,
                            van de wet voor zover er sprake is van een meervoudige hulpvraag voor
                            het daarvoor op te stellen ondersteuningsplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het ondersteuningsplan bevat de verschillende producten en voorzieningen
                            van ketenpartners en van het college zelf, die worden ingezet om de
                            cliënt en/of zijn/haar gezin te ondersteunen. Ook taken die de cliënt of
                            zijn/haar sociaal netwerk zelf moeten uitvoeren maken deel uit van dit
                            ondersteuningsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen 6 weken na melding verstrekt het college aan de cliënt het
                            ondersteuningsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De cliënt tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt
                            ervoor dat een getekend exemplaar binnen 5 werkdagen wordt geretourneerd
                            aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de
                            reden is waarom hij niet akkoord is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een
                            maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende
                                ondersteuningsplan<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al>Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een
                        maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de
                            beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de cliënt naar het oordeel van het college niet op eigen
                                    kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van
                                    andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                    gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of
                                    algemene voorzieningen in staat is tot zelfredzaamheid of
                                    participatie. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend
                                    met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een
                                    passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de
                                    cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of
                                    participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan
                                    blijven,en</al></li><li nr="b."><al>indien de cliënt naar het oordeel van het college niet in staat
                                    is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg
                                    of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel
                                    met gebruikmaking van algemene voorzieningen te handhaven in de
                                    samenleving en psychische of psychosociale problemen heeft dan
                                    wel de thuissituatie heeft verlaten. De maatwerkvoorziening
                                    levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5
                                    bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de
                                    behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het
                                    realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                                    gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven
                                    in de samenleving<cursief>.</cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                            eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                            verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                            afgeschreven,</al><lijst><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                    gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te
                                    rekenen;</al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                    veroorzaakte kosten, of</al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing
                                    biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke
                                    ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de
                            goedkoopst adequate voorziening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de criteria
                            voor een maatwerkvoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies
                        vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om
                        een maatwerkvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in
                            ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb
                            wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                            beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                    resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
                            wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de
                            beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van
                            de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt
                            het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten
                            die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft
                            gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening
                            noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tarief voor een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij
                                    het pgb gaat besteden;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te
                                    kopen, en</al></li><li nr="c."><al>bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende
                                    situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit
                            verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens
                            vakantie, verzekeringen en reiskosten</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van een pgbvoor een zaak wordt bepaald op ten
                            hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou
                            hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de
                            naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de
                            kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte
                            termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met
                            onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe
                            voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening
                            houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en
                            rekening houdend met onderhoud en verzekering.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden
                            betreffende het tarief, een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de
                            mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                            andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het
                            sociaal netwerk<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                            algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                    cliëntondersteuning, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                    maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                    waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning, en afhankelijk van het inkomen
                                    en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                    cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                    verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage
                                    is; en</al></li><li nr="c."><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve
                                    van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd
                                    door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                    tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                    Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan
                                    als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een
                                    cliënt.</al></li><li nr="d."><al>voor welke groep personen op de bijdrage voor een algemene
                                    voorziening een korting geldt; en</al></li><li nr="e."><al>wat de hoogte van de onder sub d genoemde korting is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb
                                    wordt bepaald, en</al></li><li nr="b."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen bedoeld
                                    in artikel 2.1.4, zevende lid, de bijdragen voor een
                                    maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                            betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen,
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van
                                    de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden
                                    in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                    overeenstemming met de professionele standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden
                            gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders,
                            een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met
                            de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
                            omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                            aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld
                            in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing
                            als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel
                            intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                    beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                    pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                    ander doel gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                            blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend
                            voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                            gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                            college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking
                            heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de
                            ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten
                            pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde
                            zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit het jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo juni 2012 wordt
                            ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van
                            de Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo juni 2012 totdat het
                            college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze
                            voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van het gestelde onder lid 2 hanteert het college een
                            overgangstermijn van 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning Wmo juni 2012 en waarop nog niet is beslist bij het in
                            werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                            verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                            maatschappelijke ondersteuning Wmo juni 2012, wordt beslist met
                            inachtneming van die verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan met betrekking tot de uitvoering van deze verordening nadere
                        regels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning 2015.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 20 oktober 2014. </ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling,voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman,griffier, </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en
                    financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene
                    Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het
                    takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke
                    ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al
                    was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de
                    cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in
                    aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene
                    voorziening of -als dat niet volstaat- een maatwerkvoorziening waarmee een
                    bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het
                    maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. </al><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de
                    hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te
                    krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                    hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het
                    verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                    zelfredzaamheid en participatie te handhaven of te verbeteren, om te bepalen of
                    zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of
                    dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of
                    andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo
                    2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen
                    vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet
                    maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een
                    zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke
                    procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist
                    eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. </al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende
                    bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd
                    wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend
                    bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn
                    bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de
                    voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene
                    op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage
                    levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                    leefomgeving kan blijven.</al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De
                    uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college (in mandaat) gedaan
                    worden door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar
                    in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze
                    bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten
                    op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de
                    wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter
                    alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de
                    toelichting onder artikel 1 van de wet. Deze beperking geldt alleen voor
                    mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van
                    rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.</al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, waarin het door
                    het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke
                    ondersteuning vastgelegd. </al><al/><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Een ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ is bijvoorbeeld een elektrische fiets.
                    ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet gedefinieerd en
                    is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt. </al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Wet maatschappelijke ondersteuning, de
                    Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening. </al><al/><tussenkop>Artikel 2 Melding </tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel bevat regels voor de verplichte
                    meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch,
                    mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene
                    toelichting over mandatering door het college. </al><al>De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden
                    opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger,
                    partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. </al><al>In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd. Een
                    elektronisch ingediende aanvraag wordt elektronisch bevestigd. Indien de melding
                    mondeling of telefonisch is gedaan, kan dit ook worden afgesproken. </al><al>Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie
                    artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging
                    van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.</al><al>In het derde lid is overeenkomstig de wet een uitzondering vervat voor
                    spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in
                    dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken
                    in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Cliëntondersteuning</tussenkop><al>Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college.
                    De bepaling uit de wet is in de verordening opgenomen vanwege het belang om in
                    de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te
                    geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de cliënt kosteloos
                    is. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de
                    hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste
                    lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding
                    waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht
                    en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al
                    bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer
                    of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende
                    afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek
                    kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld
                    of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. </al><al>In het kader van de rechtmatigheid is het in ieder geval verplicht om de
                    identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als
                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die
                    een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter
                    inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede
                    lid worden de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht
                    genomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Gesprek</tussenkop><al>Bij een onderzoek zal veelal sprake zijn van enige vorm van persoonlijk contact
                    met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, omdat daardoor een
                    adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden.
                    Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak
                    met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.</al><al>In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt
                    gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij
                    decliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat
                    zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende
                    oplossingen te vinden.</al><al>Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet
                    nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al
                    bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. </al><al/><tussenkop>Artikel 6 Ondersteuningsplan</tussenkop><al>De gemeente verstrekt aan de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten
                    van het onderzoek om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een
                    maatwerkvoorziening. Dit ondersteuningsplan maakt het voor de gemeente
                    inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan
                    een duidelijke communicatie met de cliënt. </al><al>In het met de cliënt overeengekomen ondersteuningsplan voor het bevorderen van
                    zijn zelfredzaamheid en participatie zijn de gemaakte afspraken en de
                    verplichtingen die daaruit voortvloeien, vastgelegd. Het is in dat geval passend
                    dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan
                    is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het
                    ondersteuningsplan. </al><al/><tussenkop>Artikel 7 Aanvraag</tussenkop><al>Aan de hand van het ondersteuningsplan kan de cliënt een aanvraag indienen bij
                    het college. </al><al>Naast de cliënt kan alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een
                    vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting
                    onder artikel 1 van de wet) een aanvraag indienen. Dit is minder ruim dan de
                    kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel
                    2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om
                    een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of
                    vertegenwoordiging gesteld. </al><al/><tussenkop>Artikel 8 Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is uitgewerkt in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening
                    kan krijgen. </al><al/><tussenkop>Artikel 9 Advisering</tussenkop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is. Wanneer dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig
                    onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. De
                    cliёnt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Inhoud beschikking</tussenkop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de mogelijkheid van het
                    toekennen van een budget. </al><al/><tussenkop>Artikel 11 Regels voor pgb </tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Van
                    belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd
                    vraagt aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan. Met de motivatie-eis
                    wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om
                    een pgb aan te vragen. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren. </al><al/><tussenkop>Artikel 12 Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                    voorzieningen </tussenkop><al>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. </al><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een
                    bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening en in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning worden regels vastgesteld met betrekking tot deze
                    bijdragen. De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders
                    die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Op grond van de wet wordt in de verordening aangegeven welke eisen worden
                    gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. </al><al>Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is wettelijk
                    verplicht. </al><al/><tussenkop>Artikel 14 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>De wet bepaalt dat in de verordening regels worden gesteld voor de bestrijding
                    van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede
                    van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft.
                    Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen
                    voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing
                    geheel of gedeeltelijk in te trekken. </al><al/><tussenkop>Artikel 15 Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>In de wet is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het
                    college zorg draagt voor een jaarlijks blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die
                    voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop
                    bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de
                    nieuwe verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald
                    dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. Daarnaast bevat de wet nog
                    overgangsrecht voor AWBZ cliënten die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep
                    beschermd wonen.</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Nadere regels</tussenkop><al>In gevallen waarin niet is voorzien dan wel voor een juiste uitvoering van de
                    verordening, kan het college beslissen nadere regels vast te stellen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>