<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348683_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet gemeente Moerdijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Moerdijkse Bode week 52, 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet gemeente Moerdijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333">artikel 8, eerste lid, onderdeel b, artikel 8 tweede lid en artikel 36 van de Participatiewe</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet gemeente Moerdijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Moerdijk;</al><al/><al>Gezien van voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september
                        2014;</al><al/><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, artikel 8 tweede lid en artikel
                        36 van de Participatiewet;</al><al/><al>Overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van een individuele
                        inkomenstoeslag aan personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de
                        pensioengerechtigde leeftijd bij verordening te regelen;</al><al/><al>B E S L U I T</al><al/><al/><al>Vast te stellen : <vet>de</vet><vet>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet gemeente
                            Moerdijk </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Participatiewet </al></li><li nr="b."><al>Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan
                                        de peildatum;</al></li><li nr="c."><al>Peildatum: de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag
                                        wordt aangevraagd voor zover deze dag niet ligt voor de dag
                                        waarop rechthebbende zich heeft gemeld om de individuele
                                        inkomenstoeslag aan te vragen;</al></li><li nr="d."><al>Inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet,
                                        met dien verstande dat voor de zinsnede “een periode
                                        waarover een beroep op bijstand wordt gedaan” moet worden
                                        gelezen “de referteperiode”. Een uitkering-Participatiewet
                                        wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de
                                        beoordeling van het recht op de individuele inkomenstoeslag
                                        als inkomen gezien;</al></li><li nr="e."><al>Rechthebbende: een alleenstaande, alleenstaande ouder of
                                        gehuwde met recht op een individuele inkomenstoeslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                                burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de
                                uitvoering van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze beleidsregels bevatten in ieder geval een richtsnoer voor de
                                beoordeling van de krachten en bekwaamheden van de rechthebbende,
                                alsmede de inspanningen die de rechthebbende heeft verricht om tot
                                inkomensverbetering te komen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Recht op individuele inkomenstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanvraagprocedure en informatieplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het recht op een individuele inkomenstoeslag
                                    op schriftelijke aanvraag vast.</al></li><li nr="2."><al>Voor de aanvraag maakt de aanvrager gebruik van een door het
                                    college verstrekt en daartoe bestemd aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>Indien het schriftelijk aanvragen zoals vermeld in het eerste
                                    lid niet mogelijk is, stelt het college de aanvraag ambtshalve vast. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Langdurig, laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van
                                het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende
                                de referteperiode het gemiddelde inkomen per maand niet uitkomt
                                boven 101% van de norm op basis van de Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van perioden waarin een rechthebbende is uitgesloten van
                                het recht op bijstand wordt een rechthebbende voor de toepassing van
                                het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte van
                                100% van de norm op basis van de Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van perioden waarin bij gehuwden één echtgenoot is
                                uitgesloten van het recht op uitkering Participatiewet worden zij
                                voor de toepassing van het eerste lid geacht tenminste een inkomen
                                te hebben ter hoogte van 100% van de gehuwdennorm, waarbij voor
                                “bijstandsnorm” gelezen moet worden “gehuwdennorm”.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen recht op de individuele inkomenstoeslag hebben personen die op
                                de peildatum of in de referteperiode een uitkering op grond van de
                                Wet op de Studiefinanciering of de Wet Tegemoetkoming
                                Onderwijsbijdrage en Schoolkosten hebben genoten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoogte van de individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor gehuwden € 530,00 (bedrag 2014);</al></li><li nr="b."><al>Voor een alleenstaande ouder € 475,00 (bedrag 2014);</al></li><li nr="c."><al>Voor een alleenstaande € 373,00 (bedrag 2014).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum
                                bepalend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het
                                recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel
                                13 lid 1 van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking
                                voor een toeslag naar de hoogte die voor hem/haar als alleenstaande
                                of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt elk jaar per 1 januari
                                aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele
                                verschil tussen de gehuwdennorm bedoeld in artikel 21 sub c van de
                                wet per 1 januari van dat jaar en de gehuwdennorm van het daaraan
                                voorafgaande jaar. De bedragen worden op hele euro’s naar boven
                                afgerond.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de “Verordening
                                Langdurigheidstoeslag 2012-A gemeente Moerdijk” ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “de Verordening Individuele
                            inkomenstoeslag Participatiewet gemeente Moerdijk” </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de raadsvergadering d.d. 30 oktober 2014,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>H.D. Tiekstra J.P.M. Klijs</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015
                        gemeente Moerdijk</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting:</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is net als
                    in de Wet Werk en bijstand in de Participatiewet een individuele inkomenstoeslag
                    in het leven geroepen. </al><al>De individuele inkomenstoeslag is een bijzondere vorm van bijzondere bijstand.
                    De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde belanghebbenden die langdurig
                    een laag inkomen hebben en daarbij geen vooruitzicht hebben op
                    inkomensverbetering. Deze voorziening staat in beginsel open voor iedereen met
                    een minimum inkomen, dus ook voor werkenden.</al><al>Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel b Participatiewet dient de gemeenteraad
                    bij verordening regels vast te leggen met betrekking tot het verlenen van een
                    individuele inkomenstoeslag . Deze regels dienen in ieder geval betrekking te
                    hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop
                    invulling wordt gegeven aan het begrip langdurig, laag inkomen, zoals die in
                    artikel 36 lid 1 Participatiewet worden gebruikt. Hiermee is beoogd te
                    bewerkstelligen, dat de individuele inkomenstoeslag zoveel mogelijk een
                    gemeentelijke verantwoordelijkheid wordt.</al><al>De voorwaarden om voor een individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen,
                    staan vermeld in artikel 36 van de Participatiewet.</al><al>Het college verleent de toeslag op aanvraag. Dit sluit de mogelijkheid voor
                    ambtshalve toekenning uit. Het kabinet geeft hierbij aan, dat het gaat om een
                    vorm van bijzondere bijstand, waarbij geldt dat voor elk individueel geval
                    beoordeeld moet worden of er een recht bestaat.</al><al>Door de zinsnede in de wet ”geen uitzicht heeft op inkomensverbetering” wordt
                    gewaarborgd dat bepaalde groepen met een goed arbeidsmarktperspectief, zoals
                    studenten, niet in aanmerking komen voor de inkomenstoeslag.</al><al>Verder is de ondergrens voor aanvragers bepaald op 21 jaar, omdat dit de
                    leeftijd is waarop de ouderlijke onderhoudsplicht vervalt. Hiermee blijft de
                    inkomenstoeslag aansluiten op het systeem van de wet ten aanzien van personen
                    jonger dan 21 jaar.</al><al>Personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, zijn uitgesloten
                    van het recht op een inkomenstoeslag. Als gevolg van de al gerealiseerde
                    inkomensverbetering voor deze categorie (hogere norm) blijft deze doelgroep
                    buiten het bereik van de regeling. </al><al>Wettelijk is bepaald, dat een persoon ten hoogste éénmaal binnen 12 maanden in
                    aanmerking komt voor deze inkomenstoeslag. </al><al>In deze verordening is verder gekozen voor invulling die rekening houdt met de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Voorts is gekozen voor een
                    invulling die zo veel mogelijk ongewenste armoedevaleffecten voorkomt.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting:</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die in de Participatiewet voorkomen hebben in deze verordening
                    dezelfde betekenis als in de Participatiewet. Ten aanzien van een aantal
                    begrippen die als zodanig niet in de Participatiewet zelf staan is een definitie
                    gegeven in deze verordening. </al><al>Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van de Participatiewet afwijkende
                    definitie opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht gegeven om in de
                    verordening regels te geven met betrekking tot het begrip ‘langdurig, laag
                    inkomen’, is de gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van
                    artikel 36 lid 1 Participatiewet nader te definiëren. Met de gebruikte definitie
                    wordt een uitkering ogv de Participatiewet ook als inkomen gezien.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Uitvoering</tussenkop><al>Omdat de uitvoering van het verstrekken van individuele inkomenstoeslag is
                    opgedragen aan het college, kunnen ten behoeve van de uitvoering nadere
                    beleidsregels worden vastgesteld. Strikt genomen dient dit niet in een
                    verordening te worden vastgelegd. Omwille van de leesbaarheid van deze
                    verordening is hier toch voor gekozen. Bovendien wordt vastgelegd welke
                    individuele omstandigheden in ieder geval in de beoordeling moeten worden
                    betrokken.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Aanvraagprocedure en informatieplicht</tussenkop><al>Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 4 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 Awb. Het gaat dan om een
                    schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de
                    aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Langdurig, laag inkomen</tussenkop><al>Nadat belanghebbenden 3 jaar op een minimum inkomen zijn aangewezen is er over
                    het algemeen niet veel reserveringsruimte over. Daarom wordt hier een termijn
                    van drie jaar aangehouden. Dit sluit ook aan bij de impliciet door de wetgever
                    gegeven termijn. De minimumleeftijd is immers door de wetgever eerder
                    teruggebracht van 23 naar 21 jaar. Een belanghebbende is immers (normaal
                    gesproken) vanaf zijn 18e voor de Participatiewet een zelfstandig
                    rechtssubject.</al><al>Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat
                    gemiddeld niet hoger is dan 101% van de Participatiewet-norm. Door hiervoor te
                    kiezen in plaats van voor 100% is duidelijk dat een belanghebbende met een
                    inkomen op minimumniveau krachtens een andere regeling dan de Participatiewet
                    toch in aanmerking kan komen voor het recht op individuele inkomenstoeslag ook
                    al zou ten gevolge van een iets andere berekeningssystematiek en/of
                    afrondingsverschillen er netto een iets hogere uitkering worden ontvangen dan de
                    Participatiewet- norm. Deze grens vangt dit soort kleine verschillen op. Als de
                    afwijkingen meer bedragen dan de vastgestelde inkomensgrens is het
                    ‘gladstrijken’ van de bedoelde geschillen niet meer aan de orde en zal een
                    aanvraag om individuele inkomenstoeslag moeten worden afgewezen.</al><al>De methode van het kijken naar het gemiddelde loon maakt dat iemand die wegens
                    werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad
                    niet zonder meer zijn recht op individuele inkomenstoeslag kwijt is. Een
                    dergelijk gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van
                    werk. Dat geldt temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid
                    heeft over de duur van dit werk. Het is evenwel niet de bedoeling dat een
                    belanghebbende perioden waarin hij een inkomen boven de norm heeft kan middelen
                    met perioden waarin hij vanwege de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond, zoals
                    bijvoorbeeld detentie, geen recht op bijstand had.</al><al>Dit geldt overeenkomstig voor gehuwden van wie één partner is uitgesloten van
                    het recht op individuele inkomenstoeslag . Daarom wordt in het tweede lid
                    bepaald dat dergelijke perioden voor het berekenen van het gemiddelde inkomen
                    meetellen als perioden waarin tenminste 100% van de norm is ontvangen. Het woord
                    ‘tenminste’ in deze leden, maakt, dat als er in bedoelde perioden in
                    werkelijkheid meer inkomen dan norm is geweest, dit hogere, werkelijke inkomen
                    moet meetellen.</al><al>Van studenten wordt per definitie gesteld dat zij arbeidsmarktperspectief en
                    uitzicht op inkomensverbetering hebben. Om te voorkomen dat degene met een baan
                    met een minimuminkomen, die zijn positie middels avondstudie probeert te
                    verbeteren, niet in aanmerking zou komen, is bepalend of de studerende in de
                    referteperiode studiefinanciering heeft genoten. Studiefinanciering is immers
                    alleen mogelijk bij een dagstudie en bij studenten beneden een bepaalde
                    leeftijd. Als het gaat om gehuwden of degenen die daarmee gelijk te stellen
                    zijn, waarvan één van beide een uitkering op grond van de Wet op de
                    Studiefinanciering heeft genoten in een periode waarin beiden niet als gehuwd
                    zijn aan te merken, komt het recht de ander toe, voor zover aan de overige
                    voorwaarden is voldaan.</al><al>Er is bewust niet voor gekozen om het recht op individuele inkomenstoeslag ook
                    toe kennen bij een inkomen ver boven bijstandsniveau. Van deze bevoegdheid wordt
                    om twee redenen geen gebruik gemaakt. </al><al>Ten eerste omdat dit ongewenste armoedevaleffecten in zich heeft. Ten tweede
                    omdat het in aanmerking laten komen van belanghebbenden met een inkomen van
                    bijvoorbeeld 110% van de bijstand niet valt te rijmen met de wettelijke
                    uitsluiting van belanghebbenden van de pensioengerechtigde leeftijd of ouder.
                    Zij zijn immers uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag , omdat
                    hun inkomen al voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor
                    belanghebbenden tot de pensioengerechtigde leeftijd. Het verschil is echter maar
                    ongeveer 5 tot 9 % (precieze percentage is afhankelijk van de vraag of iemand
                    een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde is). Het hanteren van een
                    grens van 110% zou daarom maken dat de uitsluiting van pensioengerechtigden in
                    dat geval strijdig is met het verbod op leeftijdsdiscriminatie zoals dat is
                    vastgelegd in artikel 26 van Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en
                    Politieke Rechten. De feitelijke ruimte is dus beperkt tot een grens van
                    maximaal ongeveer 105 % van de norm. Door uit te gaan van een maximaal inkomen
                    van 101% van de norm wordt al voldoende gebruik gemaakt van deze ruimte.
                    Overigens dient op grond van jurisprudentie van de CRvB een marginale
                    overschrijding van deze inkomensgrens steeds per individueel geval beoordeeld te
                    worden. </al><tussenkop>Artikel 5 Hoogte van de individuele inkomenstoeslag </tussenkop><al>De hoogte is afhankelijk van de leef- of gezinssituatie op de peildatum. Hoewel
                    door het wetsvoorstel Hervorming kindregelingen de normen voor alleenstaande
                    ouders en alleenstaanden worden gelijkgesteld is gekozen voor een aparte toeslag
                    voor beiden. Het wetsvoorstel verandert namelijk niets aan de begripsbepalingen
                    in de Participatiewet.</al><al>Om niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte
                    jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de
                    bijstandsnormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de individuele
                    inkomenstoeslag maar eenmaal, wordt steeds vergelijking gemaakt met de
                    bijstandsnormen van per 1 januari van het voorafgaande jaar.</al><al>In het derde lid wordt een regeling overeenkomstig artikel 24 Participatiewet
                    gegeven voor situaties waarin bij gehuwden één van beide partners is uitgesloten
                    van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13
                    lid 1 Participatiewet. </al><al/><tussenkop>Artikel 6 Onvoorziene gevallen</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>