<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348665_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-08-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2014, 82421</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 gemeente Harlingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, 10a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 60b van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8b van de Participatiewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening ouderen gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 34, eerste lid onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 34, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober
                        2014</al><al/><al>gelet op </al><al>artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, </al><al>artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers en </al><al>artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al/><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, 10a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en </al><al>de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36,
                        eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werknemers en </al><al>de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36,
                        eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen werknemers; </al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 60b van de
                        Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 8b van de Participatiewet, </al><al>artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening ouderen gedeeltelijke
                        arbeidsongeschikte werknemers en </al><al>artikel 35 lid 1 sub c van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                        Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, van de
                        Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet; </al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet, </al><al>artikel 34, eerste lid onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en </al><al>artikel 34, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</al><al/><al>gezien het advies van de Gezamenlijke commissie Mens &amp; Bestuur en
                        Omgeving</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de bestrijding van het ten onrechte
                        ontvangen van bijstand en inkomensvoorzieningen, alsmede van misbruik en
                        oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ bij
                        verordening te regelen;</al><al/><al>dat het van belang wordt geacht om aan personen van 21 jaar of ouder doch
                        jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen
                        hebben gehad, die geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in
                        artikel 34 bezitten, die geen uitzicht hebben op inkomensverbetering en die
                        tevens woonachtig zijn in de gemeente Harlingen financieel te
                        ondersteunen;</al><al/><al>dat het van belang wordt geacht om aan personen van 18 jaar of ouder, die
                        recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 of een
                        tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wtos, die geen in aanmerking
                        te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 bezit en waarvan is vastgesteld
                        dat die persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van
                        het wettelijk minimumloon doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                        heeft financieel te ondersteunen;</al><al/><al/><al/><al>besluit vast te stellen de </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                            Participatiewet, en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: college van burgemeester en wethouders gemeente Harlingen,
                            tenzij een bevoegdheid van het college bij gemeenschappelijke regeling
                            is gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de dienst Sociale Zaken en
                            Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienstbetrekking: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel
                            6, eerste lid, onderdeel f Participatiewet)</al></li><li nr="c."><al>doelgroep loonkostensubsidie: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van wie is
                            vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het
                            verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e,
                            Participatiewet);</al></li><li nr="d."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="e."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li><li nr="f."><al>loonwaarde: vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een
                            persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte
                            arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die
                            functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                            ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel
                            6, eerste lid, onderdeel g, Participatie wet);</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Loonwaarde en loonkostensubsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vaststelling doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel
                            7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk
                            minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan advies inwinnen over het oordeel of de aanvrager tot
                            de doelgroep loonkostensubsidie behoort. De adviseur neemt daarbij de in
                            het tweede lid neergelegde criteria in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gebruikt de in artikel 4 omschreven wijze om de
                            loonwaarde van een persoon vast te stellen</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan advies inwinnen over de vaststelling van de
                            loonwaarde van een persoon uit de doelgroep. Men neemt daarbij de in
                            artikel 4 omschreven methode in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Wijze bepalen loonwaarde</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college maakt gebruik van de loonwaarde-methode om de
                                    loonwaarde van een persoon te bepalen. Het college neemt het
                                    advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over
                                    het hanteren van een loonwaarde methode in overweging. </al></li><li nr="2."><al>De loonwaarde-methode is een objectieve meting van competenties
                                    gebaseerd op kennis van werknemers aan de onderkant van de
                                    arbeidsmarkt. De definitieve bepaling van de loonwaarde vindt
                                    eerst plaats na bedrijfsbezoek. De bepaling van loonwaarde wordt
                                    vastgelegd in een schriftelijk rapport met advies.</al></li><li nr="3."><al>Een loonwaarde wordt individueel bepaald als iemand aan 2
                                    criteria voldoet:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="b."><al>er is een werkgever die werk tegen een bepaald cao salaris
                            aanbiedt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het inkomen dat ter
                                    beschikking wordt gesteld op basis van de cao van de werkgever,
                                    afgezet tegen de prestatiemogelijkheid van de klant om een
                                    arbeidsprestatie te leveren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college bepaalt de loonkostensubsidie nadat de loonwaarde is
                                    vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>De loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% van het wettelijk
                                    minimum loon voor de werkgever voor het verschil tussen de
                                    loonwaarde en het wettelijk minimum loon gedurende de
                                    arbeidsperiode of zoveel korter als het college redelijk
                                    acht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening loonkostensubsidie
                            Participatiewet 2015 gemeente Harlingen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr>1</nr><titel>Toelichting</titel></kop><al>Algemeen </al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 6, tweede lid, van de
                    Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de
                    loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te bepalen:</al><al>- de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort, en</al><al>- de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al><al/><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen (hierna:
                    college) kan op verzoek of ambtshalve vaststellen wie tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie behoort (artikel 10c van de Participatiewet). Personen zoals
                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet die
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij
                    met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk
                    minimumloon, behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid,
                    onderdeel e, van de Participatiewet).</al><al/><al>Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een
                    dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de loonwaarde
                    van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor
                    is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in
                    een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële)
                    werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. Het is niet toegestaan om een
                    subsidieplafond in te stellen. In artikel 10d, vierde lid van de Participatiewet
                    is bepaald dat als een werkgever een dienstbetrekking aangaat met iemand uit de
                    doelgroep loonkostensubsidie, het college deze subsidie moet verstrekken.</al><al/><al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor
                    de door een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie verrichte arbeid in een
                    functie. De loonwaarde wordt vastgesteld naar evenredigheid van de
                    arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een
                    soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort (artikel 6, eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet)</al><al/><al>In deze verordening gaat het om een andere vorm van loonkostensubsidie dan de
                    vorm van loonkostensubsidie zoals werd verstrekt onder de Wet werk en bijstand
                    (WWB) De loonkostensubsidie zoals beschreven in deze verordening kan uitsluitend
                    worden ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de
                    Participatiewet: mensen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van
                    loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor
                    een langere periode worden ingezet. Met dit instrument worden werkgevers
                    gecompenseerd voor de verminderde productiviteit van de werknemer (zie
                    Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60).</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al>Artikel 1. Begripsbepalingen </al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet zijn vanzelfsprekend ook van
                    toepassing op deze verordening. Hiervan zijn in deze verordening daarom geen
                    begripsomschrijvingen opgenomen. Voor de duidelijkheid zijn een aantal
                    belangrijke wettelijke definities weergegeven: nl.: doelgroep
                    loonkostensubsidie, loonwaarde en dienstbetrekking.</al><al/><al>Artikel 2. Vaststelling doelgroep </al><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><al>- personen die algemene bijstand ontvangen;</al><al>- personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van de Wet
                    werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid
                    onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van
                    de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende
                    twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van
                    die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                    van de Participatiewet is verleend;</al><al>- personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;</al><al>- personen met een uitkering op grond van de IOAW;</al><al>- personen met een uitkering op grond van de IOAZ.</al><al/><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college i.c.
                    het dagelijks bestuur is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente
                    om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie
                    Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). In artikel 2, tweede lid, is
                    vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve
                    criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de
                    Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie
                    vastgelegd.</al><al/><al>Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie kan
                    het college zich laten adviseren door de een externe organisatie. Het college
                    draagt personen voor die zouden kunnen behoren tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie, de daartoe aangewezen externe organisatie adviseert en neemt
                    daarbij eveneens de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Op basis van
                    het advies beslist het college of iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort. Als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan
                    besloten worden het advies niet te volgen<onderstreept>.</onderstreept></al><al/><al>Artikel 3. Vaststellen loonwaarde </al><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                    van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De daartoe
                    aangewezen externe organisatie adviseert het </al><al>college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon
                    (tweede lid, van deze verordening). Het college stelt uiteindelijk de loonwaarde
                    van een persoon vast. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een
                    beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële)
                    werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al/><al>In artikel 4 wordt de methode die het college gebruikt om de loonwaarde van die
                    persoon te bepalen omschreven. Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent
                    het college loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d
                    van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 4. Wijze bepalen loonwaarde </al><al>De wijze van bepalen van de loonwaarde wordt in regionaal verband overlegd. </al><al>Het systeem van de loonwaardebepaling moet kennis hebben van uitstroom van
                    mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het systeem heeft een
                    wetenschappelijke basis waarmee voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt
                    een bijdrage wordt verzorgd aan effectieve en efficiënte re-integratie.</al><al/><al>Voor het bepalen van de loonwaarde wordt een betrouwbare methode gebruikt die de
                    competenties van de werknemer of potentiële werknemer meet. De beoordelaar dient
                    ervaring en kennis te hebben van functies en arbeidsomstandigheden aan de
                    onderkant van de arbeidsmarkt. De definitieve bepaling van de loonwaarde vindt
                    eerst plaats na bedrijfsbezoek. De theoretische meting wordt geverifieerd aan de
                    praktijk en/of beoogde werkplek.</al><al/><al>Artikel 5. Loonkostensubsidie </al><al>Het college bepaalt de loonkostensubsidie nadat de loonwaarde is vastgesteld. De
                    loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% van het wettelijk minimum loon voor de
                    werkgever gedurende de arbeidsperiode of zoveel korter als het dagelijks bestuur
                    redelijk acht.</al><al/><al>Artikel 6. Inwerkingtreding </al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. De nieuwe
                    verordening gaat onmiddellijk werken voor alle situaties. Vanaf die datum geldt
                    de verordeningsopdracht voor de gemeenteraad om regels in de verordening vast te
                    stellen over het bepalen van de loonwaarde.</al><al/><al>Artikel 7. Citeertitel </al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>