<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR34861_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het bewaren van houtopstanden Dinkelland 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">DinkellandVisie 23 december 2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Kapverordening gemeente Dinkelland 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 Gemeentewet, artikel 15 Boswet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-08-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aangepast in verband met de invoering van de Wabo per 1-10-10., bekendgemaakt in DinkellandVisie op 15 juli 2010</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule> Verordening op het bewaren van houtopstanden Dinkelland 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dinkelland; </al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 2 november 2004; </al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 15 van de Boswet; </al><al/><al><vet><cursief>besluit</cursief></vet></al><al/><al>Vast te stellen de volgende Verordening op het bewaren van houtopstanden
                        Dinkelland 2005</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een doorsnede van
                                    de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het
                                    maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede
                                    van de dikste stam. In het kader van een herplant- of
                                    instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en
                                    maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 10 cm
                                    dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld. </al></li><li nr="b."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al></li><li nr="c."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de
                                    stronk uitlopen;</al></li><li nr="d."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                    houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></li><li nr="f."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
                                    Moreau);</al></li><li nr="g."><al> iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                    multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip
                            van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of
                            ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen
                            hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te
                            vellen of te doen vellen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                            landbouw gronden, beide voorzover bestaande uit
                                            niet-geknotte populieren of wilgen;</al></li><li nr="b."><al> vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te
                                            dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het
                                            bijzonder bestemde terreinen; </al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                            geveld, mits tenminste een week voordat de dunning
                                            plaatsvindt kennis wordt gegeven aan het bevoegd
                                            gezag;</al></li><li nr="f."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                            Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen
                                            is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                            zelfstandige eenheid vormt die: </al><lijst><li nr="-"><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10
                                                  are;</al></li><li nr="-"><al>- ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer
                                                  dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal
                                                  rijen;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                            Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last
                                            van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde
                                            in artikel 8;</al></li><li nr="h."><al>vervallen</al></li><li nr="i."><al>houtopstand in tuinen of erven behorende bij woningen,
                                            van welke tuinen of erven het oppervlak niet groter is
                                            dan 250 m² en welke houtopstand niet zichtbaar is vanaf
                                            de openbare weg en niet voorkomt op de door het bevoegd
                                            gezag opgestelde lijst van waardevolle tuin- of
                                            erfbomen.</al></li><li nr="j."><al>houtopstand in tuinen of erven behorende bij woningen
                                            waarvan het oppervlak groter is dan 250 m2 en welke
                                            houtopstand niet zichtbaar is vanaf de openbare weg,
                                            mits van het voornemen tot het vellen van de houtopstand
                                            tenminste een week voordat het vellen plaatsvindt kennis
                                            wordt gegeven aan het bevoegd gezag;</al></li><li nr="k."><al>houtopstanden op campingterreinen, voorzover deze geen
                                            deel uitmaken van een het campingterrein afschermende
                                            groenstrook dan wel, bij het ontbreken daarvan,
                                            voorzover deze niet zijn gelegen binnen 10 meter afstand
                                            tot de perceelsgrens van het terrein;</al></li><li nr="l."><al>houtopstanden betreffende het afzetten van hakhout
                                            tussen 1 november en 15 april mits:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>van het voornemen om het hakhout af te zetten tenminste een week
                                    voordat het afzetten plaatsvindt kennis wordt gegeven aan het
                                    bevoegd gezag;</al></li><li nr="b."><al>geen hout op het hakhoutperceel wordt verbrand;</al></li><li nr="c."><al>het hakhoutperceel zodanig wordt afgerasterd of afgerasterd
                                    wordt gehouden dat beschadiging door weidend vee is
                                    uitgesloten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning moet schriftelijk en gemotiveerd, onder bijvoeging van een
                            situatieschets, worden aangevraagd door of namens dan wel met
                            toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die
                            krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de
                            houtopstand te beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het bureau LASER aan het college een afschrift heeft toegezonden
                            van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet,
                            beschouwt het college van het bevoegd gezag dit afschrift mede als een
                            vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vervallen</titel></kop><lid><lidnr/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning of kennisgeving kan in elk geval worden geweigerd op grond
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>natuur- en milieuwaarden van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>landschappelijke waarden;</al></li><li nr="c."><al>waarden van stads- en dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>cultuurhistorische waarden;</al></li><li nr="e."><al>waarde voor recreatie en leefbaarheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kunnen toestemming geven tot direct vellen, indien
                            sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend
                            belang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Openbaarmaking</titel></kop><al>Indien een vergunning wordt verleend, wordt deze beslissing openbaar gemaakt
                        in een lokaal dag- of nieuwsblad. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Standaardvoorwaarde van niet-gebruik</titel></kop><al>Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde dat van de
                        verleende vergunning geen gebruik mag worden gemaakt tot het moment van
                        definitief worden van vergunning, oftewel tot het moment dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de bezwaartermijn voor derden is verstreken (6 weken na bekendmaking
                                vergunning);</al></li><li nr="b."><al>beslist is op een verzoek om voorlopige voorziening.</al></li><li nr="c."><al>beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige
                                voorziening is gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vervaltermijn vergunning</titel></kop><al>De definitieve vergunning, zoals bedoeld in deze verordening vervalt, indien
                        daarvan niet binnen maximaal 1 jaar na afgifte gebruik is gemaakt. Indien
                        het een vergunning betreft voor meer dan 1 boom dan is de vergunning voor
                        alle bomen, geveld of niet, slechts voor 1 jaar geldig, ook als enkele bomen
                        reeds geveld zijn. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                            voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door
                            het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan
                            daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting
                            en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren aanwijzingen
                            ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en
                            fauna. Zo is verboden houtopstand te vellen of te doen vellen gedurende
                            het broedseizoen, dat loopt van 15 april tot en met 15 juli, tenzij er
                            sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                            verordening van toepassing is, zonder vergunning van burgemeester en
                            wethouders is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het
                            bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de
                            houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het
                            treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te
                            herbeplanten overeenkomstig de door zijn te geven aanwijzingen binnen
                            een door hen te stellen termijn.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan
                            daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op
                            welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                            verordening van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt
                            bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde
                            van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die
                            uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                            verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven
                            aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te
                            treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met
                            derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan
                            te voldoen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van
                        artikel 2, artikel 9 of artikel 10, schade lijdt of zal lijden, die
                        redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en
                        waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het bevoegd gezag
                        hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
                        toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het
                            oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor
                            verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
                            iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het
                            bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving
                            vast te stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                    zodanig te behandelen </al><al> dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van
                            geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4
                            cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het bevoegd
                            gezag kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Vervallen</label></kop><lid><lidnr/><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Monumentale bomen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een lijst opstellen met monumentale bomen en
                            houtopstanden, waarvoor in beginsel geen kapvergunning wordt afgegeven,
                            tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid,
                            noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde lijst kan drie categorieën van monumentale
                            bomen en houtopstanden bevatten, namelijk:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>nationale, geregistreerde</al></li><li nr="-"><al>lokale;</al></li><li nr="-"><al>toekomstige.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De regelmatig bijgewerkte lijst met monumentale bomen omvat in ieder
                            geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats,
                            het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en
                            de reden van registratie van iedere houtopstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente bezit een bijzondere onderhoudsplicht voor eigen monumentale
                            houtopstand zoals een goed beheerder betaamt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 5, eerste of
                            tweede lid, of in artikel 9, eerste of tweede lid, is gegeven,
                            onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in artikel 10 is
                            opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig
                            te handelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die handelt in strijd met artikel 2, eerste lid, dan wel een
                            voorschrift onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in het vorige
                            lid niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                            maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden
                            gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                        verordening zijn belast de bij besluit van het bevoegd gezag aan te wijzen
                        personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Aanvragen om een vergunning of ontheffing, als bedoeld in de artikelen 2 en
                        12 van deze veror-dening, die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van
                        deze wijziging van deze verordening, wor-den afgehandeld volgens het recht,
                        zoals dat gold voor het tijdstip, waarop artikel 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht in werking is getreden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Kapverordening gemeente
                            Dinkelland 2005.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet treedt
                            deze verordening in werking onder intrekking van de Kapverordening
                            Dinkelland 2003, op 1 januari 2005.</al><al/></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 16 december
                        2004. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Mr. O.J.R.J. Huitema Mr. F.P.M. Willeme</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Behoort bij raadsbesluit d.d. 16 december 2004, nr. 7a</vet></al><al/><tussenkop>Toelichting Kapverordening gemeente Dinkelland
                    2005</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>In deze verordening zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot het bewaren van
                    houtopstanden. Het doel van deze bepalingen is daarmee een ander doel dan de
                    wetgever met de Boswet heeft beoogd. De bepalingen van de Boswet richten zich
                    blijkens de memorie van toelichting voornamelijk op de instandhouding van het
                    Nederlandse bosareaal. De bepalingen in deze verordening hebben als doel het
                    behoud van waardevolle bomen. Het begrip waardevol is niet te definiëren, maar
                    van belang zijn de waarden uit een oogpunt van natuur- en milieu,
                    landschapsschoon, stads- en dorpsschoon, </al><al>cultuurhistorie en recreatie en leefbaarheid. </al><al>Centraal in de kapverordening staat het verbod houtopstand (voornamelijk bomen)
                    te vellen zonder vergunning van het college. Ter bescherming van de zo-even
                    genoemde waarden kan de vergunning worden geweigerd. Het behoud van waardevolle
                    bomen moet worden afgewogen tegen andere belangen, zoals het belang van degene
                    die tot velling wil overgaan. Worden waardevolle bomen illegaal gekapt of gaan
                    zij door andere oorzaken te gronde, dan kan een herplantplicht worden opgelegd.
                    Ook is het mogelijk een onderhoudsplicht op te leggen, als waardevolle bomen
                    ernstig in het voortbestaan worden bedreigd. Ook hier moet belangenafweging
                    plaatsvinden.</al><al>De voorschriften gelden voor bomen, houtwallen en hakhout binnen en buiten de
                    bebouwde kom van de gemeente. Op grond van de Boswet is de gemeentelijke
                    regelingsbevoegdheid uitgezonderd voor een aantal categorieën van bomen, o.a.
                    wilgen en populieren langs wegen en landbouwgronden, bomen van
                    bosbouwondernemingen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden. De
                    kapvoorschriften gelden ook niet voor struiken of heesters, al is het mogelijk
                    een lijst van te beschermen struiken op te nemen.</al><al>De Boswet bevat regels met betrekking tot de bewaring van bossen en andere
                    houtopstanden. In de wet is uitdrukkelijk aangegeven dat de aan andere openbare
                    lichamen toekomende bevoegdheden ten aanzien van deze onderwerpen slechts
                    beperkt wordt door hetgeen in de wet nadrukkelijk is bepaald.</al><al>Hoewel het bestemmingsplan het geijkte instrument is voor het stellen van
                    voorschriften met betrekking tot gebruik van gronden en opstallen, is er toch
                    aanleiding aparte voorschriften te stellen ter bescherming van houtopstanden.
                    Bij het opstellen van bestemmingsplannen wordt steeds vaker gestreefd naar een
                    globale opzet en dito voorschriften. Hoewel overwogen kan worden in bijzondere
                    gevallen, in het geval van zeer waardevolle bomen, voorschriften in het
                    bestemmingsplan op te nemen ter bescherming van houtopstand, lijken de
                    onderhavige bepalingen in het algemeen daartoe toch beter geschikt te zijn.</al><al>Het burenrecht kent de bepaling dat een nabuur verwijdering kan vorderen van
                    bomen, heesters en heggen die te dicht bij de erfgrens staan (artikel 5:42
                    Burgerlijk Wetboek). Op grond van jurisprudentie is voor tussenkomst van de
                    rechter tot handhaving van deze bepaling van het burenrecht slechts plaats
                    indien het kapverbod het gestelde belang niet kan dienen of indien onder de
                    gegeven omstandigheden moet worden aangenomen dat de gemeente bij afweging van
                    het overheidsbelang tegen het particulier belang in redelijkheid niet tot het
                    handhaven van het kapverbod heeft kunnen komen. Het kan immers niet zo zijn dat
                    het kapverbod wel van toepassing is op de eigenaar van een boom, maar niet op de
                    buurman die verwijdering van de boom vordert.</al><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, onderdeel a (boom)</tussenkop><al>De definitie van het begrip boom is toegevoegd vanwege de mogelijke discussie
                    over wat wel en geen boom is, vooral bij meerstammigheid, zeer jonge bomen en
                    boomachtige struiken. Gekozen is voor een precieze definitie met eenvoudig te
                    controleren voorwaarden, opdat zo min mogelijk twijfel kan ontstaan. Mocht deze
                    zich toch nog voordoen dan zou de vakliteratuur (boomflora’s e.d.)
                    doorslaggevend moeten zijn. De minimaal 10 cm doorsnede is gekozen, omdat deze
                    maat ook vaker gebruikt wordt bij het bepalen van het al dan niet gemakkelijk
                    verplaatsbaar zijn van bomen. </al><al>Vanzelfsprekend moet de minimum grootte niet gelden voor aanplant in het kader
                    van herplant- of instandhoudingsplicht. Door de 10 cm en de meerstammigheid
                    zullen zeer oude struiken nu juridisch ook een boom zijn. </al><al/><tussenkop>Eerste lid, onderdeel b (houtopstand)</tussenkop><al>Houtopstand is het algemene begrip dat de Boswet zelf ook hanteert. Gesproken
                    wordt van ‘bossen en andere houtopstanden’; ook de bossen worden dus tot de
                    houtopstanden gerekend. In de Boswet wordt geen begripsomschrijving gegeven van
                    houtopstand en ook niet van hakhout.</al><al>In artikel1, eerste lid, wordt ook een houtwal als houtopstand aangemerkt. In
                    het algemeen vallen onder houtwal alle lintvormige begroeiingen van enige
                    uitgestrektheid, bestaande uit bomen en/ of struiken. Het begrip omvat onder
                    andere houtsingels, houtkaden en de Limburgse graften, graven of steilranden.
                    Houtwallen zijn duidelijk omvangrijker dan heggen of hagen of de in het tweede
                    lid van artikel 2 bedoelde wegbeplantingen en eenrijige beplantingen langs
                    landbouwgronden. Solitaire struiken of heesters vallen niet onder de
                    vergunningplicht. </al><al>Als struik of heester wordt doorgaans beschouwd ieder houtachtig gewas dat zich
                    direct boven de grond vertakt, daardoor in tegenstelling tot een boom geen echte
                    stam heeft, en in de regel maximaal een hoogte van een paar meter (Van Dale:
                    manshoogte) bereikt.</al><al>Bij het opstellen van de bepalingen is allereerst gedacht aan het bewaren van
                    houtopstand van grote omvang, dat wil zeggen een of meer grote bomen. Immers,
                    vooral van een dergelijke houtopstand kan worden gezegd dat deze visuele of
                    natuurwaarde heeft. Indien de gemeente ook (grote) struiken of heesters wil
                    beschermen, dient dit expliciet in dit artikel te worden vastgelegd. De
                    moeilijkheid is echter dat van struiken niet scherp valt aan te geven welke
                    soorten groot kunnen worden en welke niet. Alleen van bomen staat vast dat zij
                    doorgaans fors uitgroeien. Het begrip houtopstand is dan ook in eerste instantie
                    beperkt tot bomen. Daaronder vallen ook bomen van (nog) onbetekenende omvang,
                    omdat anders jonge boompjes, aangeplant in het kader van een herplantplicht,
                    vrijelijk zouden kunnen worden omgehakt. Dit betekent dat een klein boompje wel
                    en een grote, boomachtige struik geen bescherming geniet. Indien dit als
                    ongewenst wordt beschouwd, kan dit worden opgelost door aan de omschrijving van
                    houtopstand een lijst toe te voegen van potentieel omvangrijke struiken, bij
                    voorbeeld: meidoorn, sleedoorn, braam, hulst, hazelaar, vlier e.d. Voorts valt
                    griendhout (Van Dale: (wilgen)hakhout dat groeit langs de rivieren, ook genoemd
                    in artikel 1, derde lid, van de Boswet) niet onder de bepalingen. Vermoedelijk
                    zullen maar enkele gemeenten behoefte hebben aan regels daarvoor.</al><al>Een dode boom is in juridische zin soms geen boom. De bepalingen in dit
                    hoofdstuk zijn echter in beginsel ook van toepassing op dode bomen. Een dode
                    boom kan bovendien van grote natuurwetenschappelijke of beeldbepalende waarde
                    zijn. Anderzijds kan een dode boom juist gevaar opleveren, bijvoorbeeld voor het
                    verkeer.</al><al/><tussenkop>Eerste lid, onderdeel d (dunning)</tussenkop><al>Het begrip ‘vellen’ zelf is niet omschreven. Voor de betekenis ervan kan worden
                    uitgegaan van het normale taalgebruik. Zo zal het omhakken of afzagen van een
                    boom zeker als vellen moeten worden beschouwd. De omschrijving van ‘dunning’
                    houdt in dat vellen waarmee de overblijvende bomen zijn gebaat, krachtens de
                    kapverordening is toegestaan.</al><al>Opgroeiende beplantingen worden immers na verloop van tijd vaak zo dicht, dat de
                    bomen elkaar in de weg gaan staan en verstikking dreigt. Gaat men echter een bos
                    of een groep bomen zodanig uitdunnen dat het verband of het karakter ervan
                    vergaand en blijvend verloren gaat, dan is er geen sprake van dunnen, maar van
                    verboden vellen. De resterende bomen zullen in zo’n geval immers een grotere
                    kans lopen bij storm om te waaien en voorts kan een aanzienlijke
                    bodemverwildering worden verwacht.</al><al>Ook van een handeling als snoeien (inkorten of wegnemen van takken) kan in het
                    algemeen worden gezegd dat deze is toegestaan, wanneer de te snoeien boom
                    daarmee gebaat is. Wordt echter - om maar een voorbeeld te noemen - de stam tot
                    op betrekkelijk grote hoogte ontdaan van takken, zodat van de kroon slechts een
                    klein deel overblijft, of wordt de top uit de boom gezaagd, dan kan er sprake
                    zijn van een handeling als bedoeld in het tweede lid. </al><al/><tussenkop>Eerste lid, onderdeel d (bebouwde kom)</tussenkop><al>Op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Boswet stelt de gemeenteraad bij
                    besluit vast, welke voor de toepassing van de Boswet de grenzen van de bebouwde
                    kom of kommen der gemeente zijn. Dit besluit behoeft de goedkeuring van
                    gedeputeerde staten. Gedeputeerde Staten kunnen voor een door hen te bepalen
                    termijn ontheffing van deze verplichting verlenen.</al><al/><tussenkop>Tweede lid (ernstig beschadigen)</tussenkop><al>De omschrijving van ‘vellen’ omvat ook ‘het verrichten van handelingen die de
                    dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben’. Deze
                    omschrijving komt overeen met die in de wet (artikel 1, tweede lid). Om
                    misverstanden uit te sluiten zijn toegevoegd ‘verplanten’ of ‘ernstig
                    ontsieren’.</al><al>De nadere omschrijving heeft alleen betrekking op (actieve) handelingen en niet
                    op het (passieve) nalaten van handelingen. Bijvoorbeeld het nalaten van
                    onderhoud, het niet nemen van maatregelen om ernstig bedreigde houtopstand
                    veilig te stellen, het lijdelijk toezien dat houtopstand - al dan niet door
                    toedoen van anderen - te gronde gaat. Het lijkt te ver te gaan om ook een
                    dergelijk ‘stilzitten’ onder het actieve begrip ‘vellen’ te brengen. </al><al>Tegen ernstige verwaarlozing kan echter wel worden opgetreden. In dit verband
                    wordt verwezen naar artikel 10 van de kapverordening en de toelichting
                    daarop.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Kapverbod</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Artikel 2 geeft de werkingssfeer van de regeling aan. De regeling geldt zowel
                    binnen als buiten de bebouwde kom.</al><al>De vraag of houtopstand binnen of buiten een bebouwde kom is gelegen, is met
                    name van belang wanneer het gaat om bossen van een bosbouwonderneming, bedoeld
                    in het tweede lid, onder g, van artikel 2.</al><al>Ligt houtopstand van een dergelijke onderneming buiten een bebouwde kom -
                    hetgeen waarschijnlijk meestal het geval is - dan is het kapverbod alleen van
                    toepassing wanneer het gaat om ‘kleine’ bossen;</al><al/><tussenkop>Eerste lid (kapvergunning)</tussenkop><al>Het eerste lid introduceert het vergunningenstelsel. In de Boswet wordt een
                    meldingsplicht (kennisgeving van voorgenomen velling) gehanteerd. Dat is te
                    verklaren uit het andere doel van de Boswet. Een eventuele kap van bos lost zich
                    op in de herplantplicht: de zaak is rond als (elders) weer een boom is geplant.
                    Het gaat niet zozeer om een bepaalde boom, maar om het totaal aantal bomen. </al><al>De kapverordening heeft voornamelijk ten doel juist een bepaalde boom of groep
                    van bomen uit oogpunt van behoud van natuurwaarde, landschappelijke waarde,
                    stads- en dorpsschoon of leefbaarheid te sparen. Met een herbeplanting is men
                    zelden gebaat. Het is dus zaak een maximale bescherming te scheppen. Deze geeft
                    het vergunningenstelsel in grotere mate dan het meldingssysteem. In deze
                    verordening wordt daarom een vergunningenstelsel gehanteerd, wat inhoudt dat er
                    een algemeen kapverbod geldt, behoudens daartoe verkregen vergunning.</al><al/><tussenkop>Tweede lid, onderdelen a tot en met d (uitzonderingen
                    krachtens de Boswet)</tussenkop><al>Het tweede lid geeft een groep uitzonderingen op het in het eerste lid gestelde
                    verbod. De onder a tot en met d vervatte uitzonderingen vloeien voort uit
                    artikel 15, tweede lid, van de Boswet, waarin de categorieën bomen of
                    houtopstanden worden genoemd, ter bewaring waarvan de gemeentelijke wetgever
                    geen regels mag stellen. Hiertoe behoren onder andere wegbeplantingen en
                    eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande
                    uit niet-geknotte populieren of wilgen.</al><al>Het begrip ‘vruchtboom’ is niet duidelijk. Onder vruchtboom wordt blijkens de
                    memorie van toelichting bij de Boswet ook een notenboom verstaan. Uit de
                    parlementaire discussie over artikel 15, tweede lid, van de Boswet kan worden
                    afgeleid dat is gedacht aan bomen die uit economische motieven worden geteeld,
                    dat wil zeggen bomen zoals die staan in boomgaarden oftewel fruitbomen. De Kroon
                    was echter van mening dat een solitaire vruchtboom ook onder de uitzondering
                    valt. Dit houdt in dat ten behoeve van het kappen van geen enkele vruchtboom een
                    kapvergunning vereist is. </al><al>Misschien is krachtens deze kapverordening bescherming mogelijk van de in
                    onderdeel a bedoelde populieren en wilgen en van de onder b bedoelde
                    vruchtbomen. Te denken valt bij voorbeeld aan oude (hoogstam)boomgaarden die nu
                    in gebruik zijn als tuin, park, kampeer- of recreatieterrein. Het motief tot
                    bescherming zou dan kunnen zijn behoud van recreatieve waarden of voorkoming van
                    aantasting van de leefbaarheid van een gebied. Dit moet dan wel in de
                    kapverordening worden vastgelegd. De Kroon nam geen genoegen met de weigering
                    van een kapvergunning op deze gronden, terwijl het motief van de van toepassing
                    zijnde kapverordening niet verder strekte dan behoud van natuur-, landschaps-,
                    dorps- of stadsschoon. </al><al/><tussenkop>Tweede lid, onderdeel e (uitzondering voor
                    dunning)</tussenkop><al>Geen vergunning is vereist voor het vellen van houtopstand bij wijze van
                    dunning. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 1, eerste lid, onderdeel
                    c.</al><al>Bij strafvervolging kunnen er twijfels rijzen over de vraag of de omstandigheid
                    dat de velling geschiedde ‘anders dan bij wijze van dunning’ bestanddeel is van
                    het strafbare feit, dat dus ten laste gelegd en bewezen moet worden. Om te
                    kunnen vaststellen dat sprake is van dunning dient er een voorafgaande
                    kennisgeving plaats te vinden.</al><al/><tussenkop>Tweede lid, onderdeel f (uitzondering voor
                    bosbouwondernemingen)</tussenkop><al>Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Boswet is de gemeenteraad niet bevoegd
                    regelen te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden die deel
                    uitmaken van bosbouwondernemingen, die als zodanig bij het Bosschap
                    geregistreerd staan en gelegen zijn buiten de bebouwde kom (tenzij het</al><al>een zelfstandige eenheid betreft van minder dan 10 are of een zelfstandige
                    rijbeplanting van minder dan 20 bomen).</al><al>Met het oog op het bestaan van verscheidene bebouwde kommen in de gemeente
                    worden - de woorden ‘gelegen buiten een bebouwde kom’ gebruikt. Wanneer
                    gedeputeerde staten ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet ontheffing
                    van de verplichting tot het vaststellen van bebouwde-komgrenzen hebben verleend,
                    kan de zinsnede ‘gelegen buiten een bebouwde kom’ vervallen.</al><al/><tussenkop>Tweede lid, onderdeel g (uitzondering voor o.a.
                    iepziektebestrijding)</tussenkop><al>Onderdeel g ziet op het geval dat bomen moeten worden geveld ter bestrijding van
                    de iepziekte of in het kader van een instandhoudingsplicht dan wel krachtens
                    (andere) bepalingen van de APV, bijvoorbeeld in verband met de
                    verkeersveiligheid.</al><al/><tussenkop>Tweede lid, onderdeel h (uitzondering indien een
                    aanlegvergunning is vereist)</tussenkop><al>Het kan zijn dat er in bepaalde gebieden op grond van het daar geldende
                    bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit reeds een
                    aanlegvergunningplicht geldt. In dat geval lijkt een extra uitzondering
                    gerechtvaardigd, omdat het te beschermen belang veelal ook hetzelfde is (natuur-
                    en landschapswaarden).</al><al/><tussenkop>Tweede lid, onderdeel i.</tussenkop><tussenkop>houtopstand in tuinen of erven behorende bij woningen, van welke tuinen
                    of erven het oppervlak niet groter is dan 250 m² en welke houtopstand niet
                    zichtbaar is vanaf de openbare weg en niet voorkomt op de door het college
                    opgestelde lijst van waardevolle tuin- of erfbomen.</tussenkop><al>De Boswet kent in artikel 1, vierde lid, een uitzondering voor bomen in tuinen
                    en op erven. </al><al>Achtergrond van de uitzondering in de Boswet is waarschijnlijk dat erf- of
                    tuinbomen als niet-productieve sierbomen worden beschouwd, die voor de Boswet
                    niet relevant zijn. </al><al>Die ‘sierwaarde’ kan echter wel belangrijk zijn voor het stads- of dorpsschoon
                    indien het gaat om houtopstand in tuinen en erven met een zekere beeldbepalende
                    omvang. </al><al/><tussenkop>Tweede lid, onderdeel j.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Tweede lid, onderdeel k. </tussenkop><al>Hierbij gaat het om het vellen van houtwallen waarvan het gebruikelijk is dat
                    deze bij gedeelten periodiek worden ‘afgezet’, dat wil zeggen, geveld om een
                    geleidelijke verjonging mogelijk te maken.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Aanvraag vergunning</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Een besluit op een aanvraag om kapvergunning dient op grond van de Algemene wet
                    bestuursrecht te worden voorbereid volgens afdeling 4.1.2. Tegen een besluit op
                    een aanvraag kan bezwaar worden ingediend bij het college. Tegen de beslissing
                    op bezwaarschrift kan vervolgens beroep ingesteld worden bij de sector
                    bestuursrecht van de bevoegde Rechtbank, waarna hoger beroep openstaat bij de
                    Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</al><al/><tussenkop>Eerste lid (aanvrager)</tussenkop><al>In dit artikel(-lid) wordt bepaald dat een aanvraag alleen kan worden ingediend
                    door een zakelijk gerechtigde. Een huurder of pachter kan een aanvraag indienen,
                    indien hij daartoe gemachtigd is door de eigenaar. </al><al>Voor die gemeenten waar zich kroondomeinen bevinden, kan achter ‘zakelijk recht’
                    worden ingevoegd ‘dan wel krachtens enig duurzaam persoonlijk recht’.</al><al>De woorden ‘of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid’ zijn in de bepaling
                    opgenomen in verband met gevallen waarin een overheidsorgaan, bijvoorbeeld een
                    provincie of een waterschap, bij wijze van bestuursdwang bomen wil vellen, die
                    in strijd met een verordening of een waterschapskeur geplant zijn. Deze
                    bestuursdwang zal slechts uitgeoefend kunnen worden, indien het college een
                    kapvergunning verleent. Het college zou echter geen kapvergunning kunnen
                    verlenen, wanneer de vergunning slechts door de zakelijk gerechtigde zou kunnen
                    worden aangevraagd. Eventueel kan ook worden bepaald dat de aanvraag kan worden
                    ingediend door de eigenaar of degene die daartoe uit anderen hoofde bevoegd
                    is.</al><al>Het eerste lid kan ook weggelaten worden. De aanvraag dient dan te geschieden
                    overeenkomstig het bepaalde in afdeling 4.1.1 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al/><tussenkop>Tweede lid (combinatie melding/aanvraag om
                    kapvergunning)</tussenkop><al>Bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom kunnen zowel onder de Boswet als
                    onder de kapbepalingen van de kapverordening vallen. Dit betekent dat in die
                    gevallen een voorgenomen velling moet worden gemeld aan het bureau LASER en dat
                    vergunning moet worden gevraagd aan het gemeentebestuur.</al><al>Artikel 3, tweede lid, stelt nu dat de wettelijk voorgeschreven kennisgeving aan
                    Staatsbosbeheer mede wordt beschouwd als een vergunningaanvraag. Deze efficiënte
                    werkwijze is mogelijk geworden, doordat het bureau LASER van de bevestiging van
                    de ontvangst van de kennisgeving een afschrift zendt aan het desbetreffende
                    college van burgemeester en wethouders. </al><al>Aangezien dit afschrift alle gegevens bevat, die het college voor de beoordeling
                    van de aanvraag nodig heeft, is een belangrijke vereenvoudiging verkregen die
                    voor de belanghebbende boseigenaar vele van de bezwaren van het onderworpen zijn
                    aan tweeërlei gezag wegneemt.</al><tussenkop>Door de Algemene wet bestuursrecht hoeft geen artikel
                    over de beslistermijn opgenomen te zijn. </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 4 Weigering ex lege</tussenkop><al>In tegenstelling tot de Kapverordening 2003, die de vergunning ex lege als
                    uitgangspunt neemt, neemt deze verordening de weigering ex lege als
                    uitgangspunt. Hiermee wordt voorkomen dat de houtopstand geveld wordt ten
                    gevolge van traagheid of twijfel bij de gemeente. Een weigering ex lege doet
                    recht aan de rechten van derden/belanghebbenden. </al><al>Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. De
                    meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere
                    instanties moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de
                    beslistermijn biedt dan uitkomst. </al><al>Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit
                    verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk
                    is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Over de afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie ontstaan,
                    die in het algemeen positief uitwerkt voor het behoud van bomen. Onder meer
                    blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische belangen, zoals
                    het beter bewerkbaar zijn van akkers of het voorkomen van water- en
                    voedselonttrekking of schaduwwerking. </al><al>Niet alleen de visuele eigenschappen, maar ook andere kwaliteiten van een
                    houtopstand kunnen aanleiding geven tot het weigeren van een kapvergunning. In
                    de jurisprudentie worden als toetsingscriteria onder andere aangetroffen:</al><lijst><li nr="-"><al>natuur- en milieuwaarde</al></li><li nr="-"><al>landschappelijke waarde</al></li><li nr="-"><al>waarde voor stads- en dorpsschoon</al></li><li nr="-"><al>cultuurhistorische waarde</al></li><li nr="-"><al>waarde voor leefbaarheid</al></li></lijst><al>Aan de hand van deze criteria kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden
                    met:</al><al>-de recreatieve waarde van een op zichzelf lelijke klimboom, die bij de jeugd
                    als speelobject waardering’ ondervindt;</al><al>-de belevingswaarde van houtopstand vanuit cultuurhistorisch of planologisch
                    oogpunt of wegens ouderdom of situering;</al><al>-de natuurwetenschappelijke betekenis van houtopstand, bijvoorbeeld doordat
                    daarop zeldzame epifytische of terrestrische planten groeien, hetzij hogere
                    planten dan wel mossen of korstmossen;</al><al>-de luchtzuiverende kwaliteiten, de invloed op de bodemhuishouding en het
                    microklimaat en de nestel- of schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten.</al><al>Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn de (stam)
                    omvang van de boom, de plantwijze (alleenstaand of in groepen), de standplaats
                    (tussen de bebouwing of in het buitengebied), de soort (snelgroeiend of langzaam
                    groeiend. </al><al>Deze begrippen zijn niet nauwkeurig te omschrijven. De hier gegeven opsomming is
                    bovendien niet uitputtend. Wel zal elke keer weer een afweging moeten worden
                    gemaakt van alle betrokken belangen.</al><al>Een kapvergunning zal bijvoorbeeld in het algemeen moeten worden verleend,
                    wanneer:</al><lijst><li nr="-"><al>het gaat om het vellen van een waardevolle boom die een ernstig gevaar
                            vormt voor de openbare veiligheid, bij voorbeeld wegens het risico van
                            omwaaien of het belemmeren van het uitzicht voor het verkeer;</al></li><li nr="-"><al>de bezwaren, die de bewoners van woningen ondervinden wegens het
                            belemmeren van licht en lucht, de vochtigheid van de woning, het
                            verstopt raken van goten, enz., zwaarder wegen dan de waarde van de
                            houtopstand;</al></li></lijst><al>Verder moet gedacht worden aan een beleid op lange termijn. Het is beter
                    bepaalde houtopstanden geleidelijk te vernieuwen en te verjongen, dan op een
                    kwade dag voor het onontkoombare feit te staan dat die houtopstanden geheel
                    moeten worden ‘afgeschreven’. </al><al>Een al te starre toepassing van dit artikel kan fnuikend zijn voor de bereidheid
                    van de burger om uit eigen beweging bomen aan te planten: hij zou immers terecht
                    kunnen vrezen ’er voor eeuwig aan vast te zitten’.</al><tussenkop>In de aanhef staat “in elk geval“. De bovengenoemde
                    opsomming is dus niet limitatief bedoeld; er kunnen dus nog meer andere
                    weigeringsgronden zijn. Eén enkele weigeringsgrond kan voldoende zijn om geen
                    vergunning af te geven. </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 6 Openbaarmaking</tussenkop><tussenkop>Door publicatie in een lokaal nieuwsblad worden
                    derde-belanghebbenden in de gelegenheid gesteld eventueel bezwaar of beroep aan
                    te tekenen, conform de Algemene wet bestuursrecht. </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 7 Standaardvoorwaarde van
                    niet-gebruik</tussenkop><tussenkop>Dit artikel is om te vermijden dat de boom al feitelijk
                    gekapt is voordat derden bezwaar tegen de verleende kapvergunning hebben kunnen
                    aantekenen. Artikel 6:16 van de Awb geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om
                    af te wijken van de hoofdregel dat bezwaar of beroep de werking van een besluit
                    niet schorst. In het derde lid wordt hiervan gebruik gemaakt door te bepalen dat
                    een vergunning moet worden verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk
                    niet-gebruik tot het moment van definitief worden van de vergunning. Deze
                    bepaling is overgenomen uit de model-bomenverordening van de Bomenstichting
                    1996. </tussenkop><al>Door het opnemen van de standaardvoorwaarde van feitelijk niet-gebruik wordt
                    voorkomen dat de kap al wordt uitgevoerd voordat er een definitieve vergunning
                    is. Aangezien niets zo onomkeerbaar is als de feitelijk kap, is het opnemen van
                    deze bepaling van groot belang en ons inziens noodzakelijk. De opschortende
                    werking geldt niet voor het hoger beroep.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Vervaltermijn vergunning</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om uit een oogpunt van rechtszekerheid en te
                    voorkomen dat er in de toekomst een belangenconflict ontstaat omdat door het
                    tijdsverloop de omstandigheden in de directe omgeving van de houtopstand dan wel
                    de bestemming van de gronden waarop de houtopstand zich bevindt omgeving
                    veranderd kunnen zijn en daardoor het kappen ongewenst is geworden.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Bijzondere vergunningsvoorschriften</tussenkop><al>Ook zonder uitdrukkelijke bepaling kan, blijkens jurisprudentie, een
                    herplantplicht worden opgelegd en kunnen daarbij aanwijzingen worden gegeven of
                    een termijn gesteld.</al><al>Gezien het feit dat dit voorschrift ingrijpend kan zijn, is het toch wenselijk
                    ter zake een uitdrukkelijke bepaling op te nemen. Deze herplantplicht heeft een
                    andere strekking dan de herplantplicht krachtens</al><al>artikel 3 van de Boswet. Daar is zij gericht op het behoud van het bosareaal
                    (vandaar dat herplanten elders mogelijk is); bij de gemeente geschiedt een
                    eventuele herbeplanting om redenen van behoud van natuur- of landschapswaarden,
                    stads- en dorpsschoon of leefbaarheid, en zal zij vaak zoveel mogelijk ter
                    plaatse moeten gebeuren. </al><al>De wet geeft voor herbeplanten een termijn van drie jaar. De gemeenten behoeven
                    deze termijn in de kapverordening niet aan te houden. Behalve een termijn kan
                    het college ook aanwijzingen geven met betrekking tot de herplantplicht.
                    Denkbaar is dat een andere boomsoort wordt voorgeschreven (bij voorbeeld iepen
                    die beter bestand zijn tegen iepziekte). Bij vervanging van een grote boom kan
                    worden gedacht aan herplanting van een boom van vergelijkbare grootte of
                    aanplant van meer dan een boompje. Uiteraard dient herplant bosbouwkundig
                    verantwoord te zijn. Betreft het houtopstand buiten de bebouwde kom, behorende
                    bij een ‘klein’ bos van een geregistreerde bosbouwonderneming, dan moet rekening
                    worden gehouden met een eventueel bosbouw- of bosbeheerplan in het kader van de
                    Boswet.</al><al>Ook het tweede lid zou, strikt genomen, kunnen worden gemist. Immers, mislukt
                    een beplanting, aangebracht krachtens het eerste lid, dan is er sprake van het
                    teniet gaan van beplanting. Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan dan een
                    verplichting tot herbeplanting worden opgelegd. Het kan echter gewenst zijn ter
                    versnelling van het herstel de eventuele vervangingsverplichting gelijktijdig
                    met de herplantplicht op te leggen.</al><al/><tussenkop>Lid 3</tussenkop><tussenkop>Dit lid is toegevoegd uit natuurbeschermingsoogpunt voor
                    bijzondere flora en fauna in en rond een houtopstand. De procedure rond
                    kapvergunningaanvragen lijkt de goede mogelijkheid en een juist moment om
                    burgers meer natuurbewust te maken. Enkele gemeenten nemen reeds als
                    voorschrift, of aanbeveling bij de vergunning: niet vellen in het
                    broedseizoen.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 10 Herplant-/instandhoudingsplicht</tussenkop><tussenkop>Eerste lid (zelfstandige herplantplicht)</tussenkop><al>Blijkens de jurisprudentie mag een herplantplicht ook na strafrechtelijk
                    optreden nog worden opgelegd. Voorts mag een herplantplicht inhouden dat er meer
                    bomen of zelfs struiken worden geplant dan er eerst waren. Herstel in de vorige
                    toestand kan ook betekenen het laten uitvoeren van zodanige maatregelen dat de
                    vorige toestand zoveel mogelijk wordt benaderd en indien niet anders mogelijk
                    zelfs pas na verloop van tijd.</al><al>Wanneer een herplantplicht alleen maar als vergunningsvoorschrift zou kunnen
                    worden gesteld, dan zou dat betekenen dat iemand aan de oplegging van een
                    herplantplicht kan ontkomen door zonder vergunning te vellen.</al><al>De in artikel 10, eerste lid, opgenomen bepaling maakt het mogelijk in zulke
                    gevallen een zelfstandige herplantverplichting te scheppen.</al><al>Het in het eerste lid opgenomen ‘dan wel op andere wijze tenietgegaan’ maakt het
                    mogelijk dat het college ook een verplichting tot herplantplicht kan opleggen,
                    als de houtopstand teniet is gegaan door verwaarlozing of door een
                    calamiteit.</al><al>Oplegging van een herplantplicht is in beginsel ook denkbaar, als houtopstand
                    teniet is gegaan door een velling ingevolge de Plantenziektenwet of een velling
                    in het kader van een instandhoudingsplicht krachtens artikel 10, derde lid, dan
                    wel op grond van (andere) bepalingen van de APV, bij voorbeeld in verband met de
                    verkeersveiligheid. Gebleken is dat voor het uitvoeren van de herplantplicht
                    soms ook de medewerking van anderen dan de zakelijk gerechtigde noodzakelijk is.
                    Daarom is aansluiting gezocht bij de omschrijving van artikel 14, eerste lid,
                    van de Woningwet: aanschrijvingen kunnen worden gericht tot de eigenaar ‘of tot
                    degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is’.
                    Deze toevoeging is ook van belang voor gemeenten waar zich kroondomeinen
                    bevinden. De herplantplicht kan dan worden opgelegd aan degene die ‘krachtens
                    enig duurzaam persoonlijk recht’ tot het treffen van voorzieningen bevoegd
                    is.</al><al>Ook in de Boswet komt een herplantplicht voor. Artikel 3 van de Boswet verplicht
                    de eigenaar van grond, waarop een houtopstand anders dan bij wijze van dunning
                    is geveld of op andere wijze teniet gegaan, tot herbeplanting. Het Besluit
                    herbeplanting artikel 3 Boswet geeft daarvoor nadere regels. </al><al>De herplantplicht die in artikel 10 is neergelegd, verschilt van de
                    herplantplicht van de Boswet. De herplantplicht in deze bepaling geldt niet
                    zonder meer, maar pas wanneer het college daartoe besluit. De herplantplicht van
                    de Boswet bestaat uit kracht van de Boswet zelf. De herplantplicht heeft in deze
                    bepaling bovendien een andere strekking dan in de Boswet: in de wet is zij
                    gericht op het behoud van het bosareaal (vandaar dat herplanten elders mogelijk
                    is), terwijl herbeplanting krachtens de modelbepalingen geschiedt om redenen van
                    behoud van natuur- of landschapswaarde, stads- en dorpsschoon of beeldbepalende
                    waarde en daardoor vaak zoveel mogelijk ter plaatse moet gebeuren. Hieruit volgt
                    dat een herplantplicht slechts opgelegd kan worden, wanneer hieruit een herstel
                    van de verloren waarden kan voortkomen.</al><al/><tussenkop>Derde lid 3 (instandhoudingsplicht)</tussenkop><al>Het derde lid betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan
                    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd zal teniet
                    gaan.</al><al>De gemeente zou in dat geval kunnen wachten totdat de houtopstand geheel teniet
                    is gegaan om dan vervolgens op grond van het eerste lid van artikel 10 een
                    herplantplicht op te leggen. </al><al>Het kan echter voorkomen dat de strekking van de verordening beter gediend is
                    met het behoud van bestaande bomen dan met de vervanging daarvan. </al><al>Met name valt hierbij te denken aan grote bomen. Deze zijn immers niet of
                    slechts met grote kosten te vervangen, en wat bijvoorbeeld natuur- of
                    landschapswaarde, stads- en dorpsschoon of beeldbepalende waarde betreft, wegen
                    zij op tegen een veelheid van jonge boompjes. De gemeente zou in dat geval
                    kunnen wachten totdat de houtopstand geheel teniet is gegaan om dan vervolgens
                    op grond van het eerste lid van artikel 10 een herplantplicht op te leggen. </al><al>Het kan echter voorkomen dat de strekking van de verordening beter gediend is
                    met het behoud van bestaande bomen dan met de vervanging daarvan. Met name valt
                    hierbij te denken aan grote bomen. Deze zijn immers niet of slechts met grote
                    kosten te vervangen, en wat bijvoorbeeld natuur- of landschapswaarde, stads- en
                    dorpsschoon of beeldbepalende waarde betreft, wegen zij op tegen een veelheid
                    van jonge boompjes.</al><al>Krachtens het derde lid van artikel 10 kan de zakelijk gerechtigde worden
                    verplicht tot het in stand houden van dergelijke bomen. Deze verplichting kan
                    inhouden het ongedaan maken of voorkomen, voor zover mogelijk van (dreigende)
                    ernstige beschadiging of aantasting ten gevolge van weersomstandigheden,
                    ziekten, verwaarlozing, vraat door dieren, het weghalen van bosstrooisel, bouw-
                    en sloopwerkzaamheden, het aanleggen van terreinverhardingen, het storten van
                    afval, enz.</al><al>Op bouwterreinen is bij voorbeeld het volgende van belang:</al><lijst><li nr="1."><al>Verkeer, machines, (bouw)keten, materiaalopslag en het verbranden van
                            afval onder de kroon kunnen een boom ernstig beschadigen of in gevaar
                            brengen.</al></li><li nr="2."><al>Een hek, dat op tijd is geplaatst, houdt allerlei oorzaken van
                            beschadiging onder de kroon vandaan. Het hek moet ongeveer even ruim om
                            de boom staan als de kroon breed is.</al></li><li nr="3."><al>Het leggen van rijplaten gaat verdichting van de grond tegen.</al></li><li nr="4."><al>Afgraven van de bovenste decimeters van de grond ontneemt de boom het
                            meeste voedsel en ook een groot deel van de fijne wortels.</al></li><li nr="5."><al>Ophogen van de grond, vooral met klei, kan bomen doen verstikken.</al></li><li nr="6."><al>Bestraten of verharden onder de boom leidt tot een tekort aan lucht en
                            vocht, vooral biJ</al></li><li nr="7."><al>gebruik van beton of asfalt. Eventueel kan worden gewerkt met de minder
                            schadelijke ‘groensteen’.</al></li><li nr="8."><al>Een boom is geen paal. Kabelstroppen om stam of takken of het vast
                            spijkeren van latten geven grote wonden.</al></li><li nr="9."><al>Beschadigingen en wonden moeten op tijd worden behandeld. Inrotting
                            wordt voorkomen door plekken glad af te werken en met balsem te
                            bedekken.De verplichting tot instandhouding behoeft niet te betekenen
                            dat van een boomgroep alle bomen moeten blijven staan. Om besmetting met
                            ziekten te voorkomen kan zo nodig de verplichting worden opgelegd
                            bepaalde bomen te kappen en van het terrein te verwijderen. Bij een
                            sterk verouderd bomenbestand kan het aanbeveling verdienen het bestand
                            te kappen onder het opleggen van een herplantplicht.</al></li></lijst><al>De instandhoudingsverplichting krachtens artikel 10 mag uiteraard niet leiden
                    tot strijd met verplichtingen krachtens hogere regelingen, zoals bij voorbeeld
                    de Plantenziektenwet.</al><al>Tegen het opnemen van de gemeentelijke bevoegdheid tot het opleggen van een
                    instandhoudingsplicht kunnen bezwaren worden aangevoerd. Voor een uitgebreide
                    gelijke zaken geen naar inhoud en strekking vergelijkbare regeling kent. Zulk
                    een regeling werd indertijd in de Monumentenwet zelfs bewust achterwege gelaten.
                    De bepaling kan verstrekkende gevolgen hebben en een zware last leggen op de
                    grondeigenaren. Onderhoudsmaatregelen hoeven zich niet te beperken tot de boom
                    zelf, </al><al>maar zich ook kunnen uitstrekken tot de omgeving daarvan (weghalen puin of afval
                    bij voorbeeld). De bepaling sluit niet aan bij de Boswet en behoort, zo al
                    nodig, bij de wet in formele zin te worden vastgesteld.</al><al>Naar aanleiding van de bezwaren tegen een mogelijke onderhoudsverplichting
                    merken wij op dat er naar ons oordeel geen formeel-juridische noch inhoudelijke
                    bezwaren zijn tegen het opnemen in een gemeentelijke verordening van een
                    bevoegdheid voor het college tot het opleggen van een instandhoudingsplicht,
                    mits er sprake is van houtopstand die uit een oogpunt van bijvoorbeeld natuur-
                    of landschapswaarde, stads- en dorpsschoon of beeldbepalende waarde van grote
                    waarde is.</al><al>Weliswaar kent de Boswet geen onderhoudsverplichting, maar dat is gelegen in het
                    feit dat deze regeling betrekking heeft op situaties die anders zijn dan de
                    situatie waarvoor de onderhavige bepalingen zijn bedoeld. De Boswet heeft
                    namelijk betrekking op bomen die het bedrijfskapitaal van de bosbouw zijn.</al><al>De instandhoudingsplicht is bovendien gericht op bijzondere gevallen: het gaat
                    immers om bomen die als waardevol worden beschouwd en er zal ook rekening moeten
                    worden gehouden met de financiële mogelijkheden van betrokkene. De bepaling
                    wordt pas relevant als er sprake is van (dreigende) ernstige beschadiging of
                    aantasting ten gevolge van bij voorbeeld weersomstandigheden, verwaarlozing,
                    vraat door dieren, bouw- en sloopwerkzaamheden, het aanleggen van
                    terreinverhardingen. Helaas komt het voor dat waardevolle bomen verloren gaan
                    door het achterwege </al><al>blijven van maatregelen die zonder veel moeite en kosten hadden kunnen worden
                    uitgevoerd. </al><al>Met het opnemen van een mogelijke instandhoudingsplicht wordt voorts voorkomen
                    dat aan het opzettelijk - tot de dood toe - verwaarlozen van bomen eigenlijk
                    niets kan worden gedaan. Een herplant van juist zeer waardevolle bomen kan een
                    kostbare aangelegenheid zijn.</al><al>Uiteraard dient een bevoegdheid tot het voorschrijven van een
                    instandhoudingsplicht, evenals alle andere overheidsbevoegdheden, te worden
                    uitgeoefend met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur,
                    zoals deze bij voorbeeld worden aangeduid in de Algemene wet bestuursrecht. Bij
                    de afweging van belangen omtrent het opleggen van een herplantplicht kunnen ook
                    de financiële belangen van betrokkene een rol spelen. </al><al>De vraag is of dit betekent dat er ook een zelfstandige betalingsverplichting
                    ter uitvoering van de zelfstandige herplantplicht kan worden opgelegd. In de
                    jurisprudentie is deze vraag (nog) niet direct beantwoord. Naar onze inschatting
                    is dit niet mogelijk. Zelfstandige betalingsverplichtingen kunnen slechts worden
                    opgelegd middels een belastingverordening. Voor het totstandbrengen van
                    dergelijke verordeningen gelden bijzondere eisen.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Schadevergoeding</tussenkop><al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 17 van de Boswet dat voorschrijft dat de
                    gemeentelijke verordening een orgaan aanwijst, dat beslist op verzoeken om
                    schadevergoeding.</al><al>De jurisprudentie over schadevergoeding is nog schaars. Geen schadevergoeding is
                    toegekend in gevallen waarbij door een kapverbod of een weigering van een
                    kapvergunning de (nog niet verwezenlijkte) mogelijkheid werd ontnomen, om een
                    voordeel te behalen (bijvoorbeeld de winst uit verkoop van hout.</al><al>Deze bepaling blijft tamelijk abstract: van geval tot geval zal moeten worden
                    nagegaan of, en zo ja in hoeverre, er sprake is van schade; of, en zo ja, in
                    hoeverre deze al dan niet ten laste van betrokkene moet blijven; of, en zo ja in
                    hoeverre, een billijke schadevergoeding moet worden betaald. Een concrete,
                    gedetailleerde regeling die alle gevallen dekt, is niet mogelijk. Eventueel kan
                    worden toegevoegd een bepaling in de geest van artikel 49 van de Wet op de
                    ruimtelijke ordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Bestrijding iepziekte</tussenkop><al>Op 1 januari 1991 verviel de door het Ministerie van landbouw, natuurbeheer en
                    visserij gecoördineerde iepziektebestrijding. Het ministerie acht de ziekte
                    beheersbaar, omdat ten gevolge van de aanpak de infectiedruk op een laag niveau
                    is gebracht.</al><al>De iepziekte ontstaat doordat een schimmel de houtvaten, de stam en de takken
                    verstopt. Hierdoor wordt de sapstroom tussen de wortels en de boom verstoord en
                    krijgen de bladeren geen voedingsstoffen en water meer. De boom is dan ten dode
                    opgeschreven. Dit proces kan zich binnen enkele weken voltrekken. De schimmel
                    wordt overgebracht door de iepenspintkever. De kevers leggen hun eitjes onder de
                    schors van zieke of dode iepen. De jonge kevers vliegen naar gezonde bomen in de
                    buurt, die zodoende worden aangetast. Soms dragen de wortels zonder tussenkomst
                    van de kever, de schimmel aan elkaar over.</al><al>Verspreiding van de iepenspintkever is tegen te gaan door ziek of dood iepenhout
                    in de periode mei t/m augustus binnen één maand te vernietigen. Iepenhout
                    afkomstig van najaars- en voorjaarsstormen moet voor 1 mei zijn vernietigd. Om
                    de ziekte tegen te gaan is het noodzakelijk alle iepen, zowel op particuliere
                    terreinen als op publiekrechtelijk beheerde terreinen tweemaal per groeiseizoen
                    te controleren op de aanwezigheid van de ziekte.</al><al>In artikel 2, tweede lid, onder g is de opheffing van het kaperbod geregeld
                    indien sprake is van een aanschrijving die leidt tot het vellen van een
                    boom.</al><al>De op de bescherming van de flora en fauna betrekking hebbende bepalingen kunnen
                    als aanvullend worden beschouwd ten opzichte van het bepaalde in de
                    Natuurbeschermingswet.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Verhouding tussen kap- en
                    bouwvergunning</tussenkop><tussenkop>Dit artikel is ontworpen om problemen in de afstemming
                    tussen de verschillende vergunningen te voorkomen. De verhouding tussen een
                    kapvergunning en een aanlegvergunning is geregeld in artikel 2, lid 2 sub h van
                    deze verordening.</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Juist in het ontwerpstadium kunnen bouwplannen nog worden gewijzigd en aangepast
                    aan voorhanden en te behouden beplanting. Een standaard-inventarisatie van
                    aanwezige beplanting als vast onderdeel van iedere bouwaanvraag is raadzaam. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Door het tegelijkertijd afgeven van kap- en bouwvergunning wordt vermeden dat de
                    gemeente zich zelf in moeilijke situaties manouvreert, bijvoorbeeld het
                    redelijkerwijze niet meer of slechts gedeeltelijk aanvullend kunnen zijn van een
                    kapvergunning op de reeds afgegeven bouwvergunning. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit is een weergave van de vaste rechtspraak op dit gebied dat er niet
                    vroegtijdig gekapt mag worden als plannen nog niet definitief zijn. Definitief
                    in zowel juridische als financiële zin. Vgl. bijvoorbeeld: Vz ARRS 12 maart
                    1993, AB 324 (Madurodam), Vz ARRS 3 september 1993, AB 1994, 179 of Vz ARRS 28
                    augustus 1990, Gst 1990, 140.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Indien blijkt dat de aanwezigheid van waardevolle houtopstanden bewust of
                    opzettelijk verzwegen is, kan dit artikel zeker toepassing vinden. Wel dient op
                    de gemeentelijke plicht om een besluit zorgvuldig voor te bereiden te worden
                    gelet (art. 3:2 Awb).</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Monumentale bomen</tussenkop><al>Dit artikel geeft de gemeente een paar algemene richtlijnen waaraan een lokale
                    monumentale bomenlijst minimaal moet voldoen. Belangrijk is om de eigenaar en/of
                    zakelijk gerechtigde en het kadastraal perceelsnummer te kennen. </al><al/><tussenkop>Artikel 15 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 225 en
                    van de tweede categorie € 2250. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. </al><al/><tussenkop>Artikel 16 Toezichthouders</tussenkop><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr). De basis voor
                    deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. </al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de kapverordening plaatsvinden. </al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren. </al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid, van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld
                    bij de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131).
                    Deze regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die
                    in ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld
                    van een legitimatiebewijs.</al><al/><tussenkop>Bevoegdheden toezichthouder</tussenkop><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders
                    toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om aan een
                    toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand vaak al
                    duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet relevant zijn
                    of per definitie onevenredig. </al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    ‘Plaatsen’ is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen en woningen. Dat de Awb een uitzondering maakt voor
                    het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit voort uit
                    het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde ‘huisrecht’. </al><al>De meeste bepalingen van de kapverordening bevatten ge- en verboden. Op de
                    naleving hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden
                    opgetreden. Dit kan op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk – door onder
                    andere het toepassen van bestuursdwang dan wel het opleggen van een dwangsom –
                    en strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden
                    aangewezen met toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen
                    voor de aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in de
                    kapverordening. De opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en
                    142 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv). </al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende reactie. </al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. </al><al>Beide bevoegdheden kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt
                    dat de bevoegdheden die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die
                    samenhangen met de opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het
                    moment dat toezicht overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen
                    dat de waarborgen die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in
                    acht worden genomen. </al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende.</al><al>– Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot burgers
                    en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking. Opsporing dient
                    gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening. </al><al>– Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd door de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in het WvSv. </al><al>– personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving van
                    die verordening, een en ander voorzover het die feiten betreft en die personen
                    zijn beëdigd.</al><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht.
                    De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet. </al><al>De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen
                    als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de gemeentelijke
                    verordening te geschieden aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen
                    delegatie van de aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren
                    bijvoorbeeld milieu- en parkeerwachters, belast met het toezicht op de
                    desbetreffende autonome bepalingen in de kapverordening.</al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de gemeentelijke verordening niet mogelijk.
                    De aanwijzing als toezichthouders in de gemeentelijke verordening APV is de
                    grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar. De
                    opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot
                    die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. De personen die op grond van dit
                    artikel worden aangewezen, dienen op grond van het Besluit buitengewoon
                    opsporingsambtenaar aan de volgende voorwaarden te voldoen:</al><lijst><li nr="1."><al>zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en
                            betrouwbaarheid;</al></li><li nr="2."><al>zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs-Generaal
                            (volgens art. 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon
                            opsporingsambtenaar).</al></li></lijst><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                    buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                    opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van de
                    desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt. De akte
                    wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij worden verlengd, mits de
                    ambtenaar nog voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid. </al><al/><tussenkop>Artikel 17 Overgangsbepaling</tussenkop><tussenkop><cursief>Dit artikel is nieuw met het oog op de mogelijke
                        aanvragen die voor de vaststelling van deze verordening ingediend zijn.
                    </cursief></tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 18 Slotbepaling</tussenkop><al>Tot 1 januari 2002 traden alle verordeningen in werking op de achtste dag na
                    bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor was aangewezen (artikel 142
                    Gemeentewet). Hierin is verandering gekomen door de inwerkingtreding van de
                    Tijdelijke referendumwet (Trw) op 1 januari 2002. Deze wet maakt referenda
                    mogelijk over andere de vaststelling, wijziging en intrekking van verordeningen.
                    Wel zijn enkele verordeningen uitgezonderd, die hier niet van belang zijn. De
                    vaststelling, wijziging of intrekking van een kapverordening is een van de
                    besluiten waarover een referendum kan worden gehouden. Verordeningen waarover op
                    grond van de Trw een referendum kan worden gehouden treden in afwijking van
                    artikel 142 Gemeentewet, niet eerder in werking dan zes weken na de bekendmaking
                    van de verordening (artikel 22 Trw). De termijn van zes weken hangt ermee samen
                    dat na bekendmaking van de verordening en de mededeling dat over deze
                    verordening een referendum gehouden kan worden, een verzoek tot het houden van
                    een referendum kan worden ingediend. Wel kan gekozen worden voor een later
                    tijdstip van inwerkingtreding. </al><al>Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is bepaald en indien een inleidend
                    verzoek tot het houden van een referendum over de kapverordening onherroepelijk
                    is toegelaten, vervalt het tijdstip van inwerkingtreding van rechtswege (artikel
                    22, derde lid, Trw) en zal de raad, nadat vaststaat dat geen referendum wordt
                    gehouden of het referendum niet heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot
                    afwijzing (artikel 5), opnieuw in de inwerkingtreding moeten voorzien. Indien
                    een referendum wordt gehouden dat leidt tot een raadgevende uitspraak tot
                    afwijzing, moet de raad na het referendum de beslissing tot vaststelling of
                    wijziging van de kapverordening heroverwegen. Ook als de raad na heroverweging
                    alsnog besluit tot inwerkingtreding (in plaats van intrekking) van de
                    kapverordening zal de raad opnieuw in een tijdstip van inwerkingtreding moeten
                    voorzien. </al><al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                    verordening en de mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de
                    verordening een verzoek tot het houden van een referendum over de kapverordening
                    kan worden ingediend. Op grond van de Tijdelijke referendumwet is de gemeente
                    verplicht om een referendum te organiseren over een verordening indien voldoende
                    kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een referendum indienen. </al><al>De kapverordening is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan
                    straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt
                    als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende
                    voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Wel is van belang dat de
                    gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>