<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348599_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 14-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>toevoeging artikel 20</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb 2015-12.07</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2015</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wat zijn de verantwoordelijkheden van de gemeente en waar mogen de burgers de gemeente op aanspreken op het gebied van maatschappelijke ondersteuning?</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE ZWOLLE 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>aanbieder: </cursief>natuurlijke persoon of rechtspersoon
                                die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een
                                maatwerkvoorziening te leveren<cursief>;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>algemeen gebruikelijke voorziening</cursief>: voorziening
                                die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die
                                algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan
                                vergelijkbare producten;</al></li><li nr="-"><al><cursief>algemene voorziening: </cursief>aanbod van diensten of
                                activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften,
                                persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk
                                is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning<cursief>;
                                </cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>andere voorziening</cursief>: voorziening anders dan in het
                                kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al><cursief>begeleiding: </cursief>activiteiten gericht op het
                                bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat
                                hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;</al></li><li nr="-"><al><cursief>beschermd wonen:</cursief> wonen in een accommodatie van
                                een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding,
                                gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het
                                psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een
                                psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of
                                maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt
                                of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale
                                problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven
                                in de samenleving; </al></li><li nr="-"><al><cursief>bijdrage</cursief>: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4,
                                eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>cliënt: </cursief>persoon die gebruik maakt van een
                                algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of
                                persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een
                                melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; </al></li><li nr="-"><al><cursief>cli</cursief><cursief>ё</cursief><cursief>nt</cursief><cursief>ondersteuning:
                                </cursief>onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en
                                algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                                zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo
                                integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van
                                maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp,
                                onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; </al></li><li nr="-"><al><cursief>gebruikelijke hulp: </cursief>hulp die naar algemeen
                                aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de
                                echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; </al></li><li nr="-"><al><cursief>gesprek: </cursief>het gesprek in het kader van het
                                onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid van de wet na
                                een melding waarin het college met degene die maatschappelijke
                                ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien
                                van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                                met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal
                                netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen,
                                algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of
                                maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te
                                verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd
                                wonen of opvang.</al></li><li nr="-"><al><cursief>hulpvraag</cursief>: behoefte aan maatschappelijke
                                ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>huiselijk geweld:</cursief> lichamelijk, geestelijk of
                                seksueel geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke
                                kring;</al></li><li nr="-"><al><cursief>huiselijke kring:</cursief> een familielid, een huisgenoot
                                of een mantelzorger; </al></li><li nr="-"><al><cursief>maatschappelijke ondersteuning: </cursief></al></li></lijst><al>1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk,
                        de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met
                        een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede
                        voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, </al><al><cursief>- </cursief><cursief>maatwerkvoorziening</cursief>: op de
                        behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd
                        geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                        maatregelen:</al><al>1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf
                        in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor
                        noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                        maatregelen,</al><al>2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor
                        noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,</al><al>3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; </al><al><cursief>- </cursief><cursief>mantelzorg</cursief>: hulp ten behoeve van
                        zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het
                        opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld
                        in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                        personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van
                        een hulpverlenend beroep;</al><al>2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met
                        een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen
                        zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,</al><al>3°. bieden van beschermd wonen en opvang; </al><lijst><li nr="-"><al><cursief>melding: </cursief>melding aan het college als bedoeld in
                                artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>opvang:</cursief> onderdak en begeleiding voor personen die
                                de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met
                                risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en
                                niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de
                                samenleving; </al></li><li nr="-"><al><cursief>participatie: </cursief>deelnemen aan het maatschappelijke
                                verkeer; </al></li><li nr="-"><al><cursief>persoonsgebonden budget: </cursief>bedrag waaruit namens
                                het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen,
                                woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een
                                maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft
                                betrokken;</al></li><li nr="-"><al><cursief>persoonlijk plan</cursief>: plan waarin cliënt de
                                omstandigheden , bedoeld in 2.3.2., vierde lid onderdelen a t/m g
                                van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke
                                ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is; </al></li><li nr="-"><al><cursief>sociaal netwerk: </cursief>personen uit de huiselijke kring
                                of andere personen met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt;
                            </al></li><li nr="-"><al><cursief>vertegenwoordiger: </cursief>persoon of rechtspersoon die
                                een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot
                                een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;</al></li><li nr="-"><al><cursief>voorziening: </cursief>algemene voorziening of
                                    maatwerkvoorziening<cursief>; </cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>voorliggende voorziening</cursief>: algemene voorziening of
                                andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt
                                tegemoetgekomen;</al></li><li nr="-"><al><cursief>wet</cursief>: Wet maatschappelijke ondersteuning
                                2015;</al></li><li nr="-"><al><cursief>zelfredzaamheid</cursief>: in staat zijn tot het uitvoeren
                                van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het
                                voeren van een gestructureerd huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een ingezetene van Zwolle bij het
                            college worden gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van de melding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft
                            het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening
                            in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vooronderzoek: indienen persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2,
                            eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over
                            de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een
                            afspraak voor een gesprek. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaft de ingezetene het college alle overige
                            gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het
                            onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                            krijgen. De inwoner verstrekt in ieder geval een identificatiedocument
                            als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter
                            inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de ingezetene genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college
                            in overeenstemming met de ingezetene afzien van een vooronderzoek als
                            bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een
                            persoonlijk plan overhandigen waarin hij zijn omstandigheden beschrijft
                            en aangeeft welke (maatwerk)voorziening naar zijn mening het meest is
                            aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de
                            hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in
                            artikel 2 lid 1, in de gelegenheid het plan te overhandigen. De cliënt
                            kiest zelf op welke wijze hij zijn persoonlijk plan wil vormgeven, met
                            inachtneming van het voorgaande.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek met de ingezetene of namens wie de
                            melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met
                            de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig
                            mogelijk en voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                    inwoner;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of
                                    algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of
                                    zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen
                                    dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; </al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen
                                    uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn
                                    zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij
                                    een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                    mantelzorger van de inwoner;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                    voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in
                                    artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van
                                    maatschappelijk activiteiten te komen tot verbetering van zijn
                                    zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij
                                    een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen
                                    of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld
                                    in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van
                                    publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk
                                    en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                                    ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de inwoner met toepassing van het
                                    bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd
                                    zal zijn, en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb,
                                    waarbij de inwoner in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht
                                    over de gevolgen van die keuze. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de ingezetene een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 3, vierde
                            lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij
                            het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de ingezetene over de gang van zaken bij het
                            gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de
                            ingezetene toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt, afzien
                            van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt na het gesprek voor een schriftelijk verslag waarin de
                            afspraken die met de cliënt of diens vertegenwoordiger gemaakt zijn,
                            worden vastgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt
                            een afschrift van het verslag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag
                            toegevoegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de cliënt twijfelt aan de juistheid van ondersteuning en/of
                            advies dat naar aanleiding van het gesprek met het sociale wijkteam in
                            zijn wijk wordt gegeven, dan kan kosteloos een second opinion worden
                            gegeven vanuit een door de cliënt zelf aan te wijzen sociaal wijkteam
                            elders in de gemeente Zwolle.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ingezetene of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag
                            om een maatwerkvoorziening indienen bij het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het ondertekende schriftelijke verslag kan worden aangemerkt als
                            aanvraag van de ingezetene </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>.Het College neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van
                            een aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt
                            het college geen maatwerkvoorziening voor zover de aanvraag betrekking
                            heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van
                            de aanvraag heeft gemaakt </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alle mogelijkheden van de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke
                            hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale
                            netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen
                            zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te regelen dat hij
                            geen behoefte meer heeft aan maatwerkvoorzieningen, worden in het
                            onderzoek eerst beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op
                            de voorgaande leden de volgende criteria:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>er is geen aanspraak op een adequate andere voorziening op grond van een
                            andere regeling ;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>er is geen sprake van normale maatschappelijke kosten of van een
                            algemeen gebruikelijke voorziening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er is geen sprake van voorzieningen die de aanvrager zelf heeft
                            aangebracht of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>er is aan de zijde van de aanvrager geen sprake van aantoonbare
                            meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden
                            van beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>er is sprake van een noodzaak tot het treffen van een
                            maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen
                            of opvang;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>het college kent in beginsel de goedkoopst adequate voorziening
                            toe;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de voorziening voorzienbaar was maar van de cliënt redelijkerwijs niet
                            verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag
                            overbodig had gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>het college vergoedt of verstrekt geen voorziening als de normale
                            afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige
                            voorziening nog niet is verstreken of deze technisch nog niet is
                            afgeschreven, tenzij deze voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                            omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>.Het college stelt nadere regels inzake de aard, inhoud en omvang van de
                            te verstrekken maatwerkvoorzieningen en de toegang daartoe als bedoeld
                            in dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Aanvullende criteria voor begeleiding en huishoudelijke hulp</titel></kop><al>Met inachtneming van artikel 7.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor
                        begeleiding of huishoudelijke hulp als</al><lijst><li nr="a."><al>bij cliënt sprake is van een complexe ondersteuningsvraag, blijkend
                                uit de noodzaak tot inzet van ondersteuning, of</al></li><li nr="b."><al>er bij het functioneren van de cliënt sprake is van risico voor
                                hemzelf of diens omgeving, of</al></li><li nr="c."><al>toezicht op de cliënt mogelijk nodig is, of</al></li><li nr="d."><al>aantoonbare beperkingen bij het voeren van een huishouden
                                ondervindt, of</al></li><li nr="e."><al>problemen zich voordoen bij de gebruikelijke hulp en
                                mantelzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Aanvullende criteria voor kortdurend verblijf</titel></kop><al>Met inachtneming van artikel 7.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor
                        kortdurend verblijf als</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt is aangewezen op ondersteuning met permanent toezicht,
                                en</al></li><li nr="b."><al>de mantelzorger door het overstijgen van het gebruikelijke,
                                redelijkerwijs van hem te verwachten toezicht, overbelast dreigt te
                                worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van artikel 7.1 kan een cliënt in aanmerking komen
                                voor opvang als</al></li><li nr="a."><al>hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat zijn zich
                                op eigen kracht te handhaven in de samenleving; </al></li><li nr="b."><al>hij de situatie van dakloosheid en het niet in staat zijn zich op
                                eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht,
                                met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                                personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                                algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op
                                het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende
                                mate kan verminderen of wegnemen.</al></li><li nr="c."><al>opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan
                                het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren,
                                voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het
                                afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en de behoefte van de
                                cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt
                                in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te
                                handhaven in de samenleving.</al></li><li nr="2."><al>Met inachtneming van artikel 7.1.kan een cliënt (alsmede eventuele
                                kinderen van deze cliënt) in aanmerking komen voor opvang als</al></li><li nr="a."><al>deze de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor
                                de veiligheid van deze cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt)
                                als gevolg van huiselijk geweld, en de cliënt niet in staat is zich
                                op eigen kracht te handhaven in de samenleving; </al></li><li nr="b."><al>deze de situatie - waarbij de cliënt de thuissituatie heeft
                                verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van de cliënt
                                (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld
                                - , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of
                                met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere
                                maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie
                                en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of
                                wegnemen.</al></li><li nr="c."><al>opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan
                                het afwenden van gevaar voor de cliënt (en/of de kinderen van deze
                                cliënt), voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren,
                                voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de
                                behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie
                                waarin de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) in staat wordt
                                gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige
                                situatie zich te handhaven in de samenleving.</al></li><li nr="3."><al>Met inachtneming van artikel 7.1. kan een cliënt in aanmerking komen
                                voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 als </al></li><li nr="a."><al>hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is
                                zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en</al></li><li nr="b."><al>hij de situatie van psychische of psychosociale problemen - met als
                                gevolg het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in
                                de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                                mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
                                dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of
                                maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie
                                en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan
                                verminderen of wegnemen.</al></li><li nr="c."><al>beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan
                                het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch
                                en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch
                                ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke
                                overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en
                                daarbij voorziet in de behoefte van de cliënt met als doel het
                                realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld
                                zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                                samenleving.</al></li></lijst><al>4 In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond
                        opvang of beschermd wonen nodig is, al dan niet in verband met risico’s voor
                        de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld beslist het college na een
                        melding als bedoeld in artikel 2 van deze verordening onverwijld tot
                        verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd
                        wonen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in
                        artikel 2.3.2 van de wet en de en de aanvraag van de cliënt</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van artikel 7.1. kan een cliënt in aanmerking komen
                            voor een woonvoorziening als hij</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning,
                            en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het redelijke heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft
                            met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen
                            afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met
                            beperkingen tot rust kan komen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen
                            wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of
                            niet de goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt zijn
                            hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                            voorziening wordt getroffen, dan wel voor het logeerbaar maken van een
                            andere woonruimte indien de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf
                            heeft in een erkende zorginstelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van artikel 7.1. kan een cliënt in aanmerking komen
                            voor collectief vervoer als de cliënt niet of onvoldoende gebruik kan
                            maken van het openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt kan eerst in aanmerking komen voor een individuele
                            vervoersvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief
                            vervoer niet afdoende is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                            vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                            uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon-
                            en leefomgeving van cliënt en in elk geval binnen de gemeente Zwolle en
                            de regio in het kader van het leven van alledag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het derde lid kan een vervoersvoorziening worden
                            verstrekt als zich een situatie voordoet waarbij het gaat om een
                            bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de persoon met beperkingen
                            zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de persoon met
                            beperkingen noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Aanvullende criteria voor rolstoelvoorziening</titel></kop><al>Met inachtneming van artikel 7.1. kan een cliënt binnen de kaders van de
                        wet, het door de raad vastgestelde plan en deze verordening in aanmerking
                        komen voor een rolstoelvoorziening als het voor hem noodzakelijk is om zich
                        regelmatig zittend te verplaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Financiële tegemoetkoming meerkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in
                            2.1.2. van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of
                            chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband
                            houdende aannemelijke meerkosten hebben en die een inkomen hebben, lager
                            dan 130 % van de toepasselijke bijstandsnorm en vermogen beneden de
                            vermogensgrens uit de participatiewet, een tegemoetkoming verstrekken
                            ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een financiële tegemoetkoming kan in ieder geval worden verstrekt voor
                            de hierna volgende meerkosten in verband met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>gebruik van de eigen auto </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een rolstoelvoorziening voor sportbeoefening</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels over de gevallen waarin een
                            tegemoetkoming kan worden verstrekt, de berekening van de hoogte en de
                            wijze van verstrekking van de tegemoetkoming<vet>.</vet></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tegemoetkoming kan inkomensafhankelijk zijn op basis van door het
                            college te stellen nadere regels. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Criteria persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent met inachtneming van artikel 7.1.een persoonsgebonden
                            budget toe als naar het oordeel van het college is vastgesteld dat:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>cliënt, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk of zijn
                            vertegenwoordiger, in staat is tot een redelijke waardering van zijn
                            belangen ter zake dan wel in staat is te achten om de aan een
                            persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te
                            voeren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gemotiveerd is dat een cliënt een persoonsgebonden budget wenst;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>gewaarborgd is dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                            andere maatregelen die met het persoonsgebonden budget betaald moeten
                            worden, veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent geen persoonsgebonden budget toe als</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in de drie jaren, voorafgaand aan de datum van het onderzoek, toepassing
                            is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de
                            wet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het bieden van een keuze voor het persoonsgebonden budget negatieve
                            gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van het systeem van de
                            desbetreffende maatwerkvoorzieningen in natura;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld
                            in artikel 2.3.3 van de wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding in het
                            buitenland, tenzij voldaan is aan door het college te stellen nadere
                            voorwaarden;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voor zover deze is bedoeld voor ondersteunings- of administratiekosten
                            in verband met het persoonsgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget bedraagt maximaal de kosten van de
                            maatwerkvoorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm
                            van dienstverlening uit het sociale netwerk, bedraagt maximaal een door
                            het college vast te stellen percentage van de kostprijs van de
                            maatwerkvoorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan
                            diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder
                            de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het
                            sociaal netwerk:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende
                            kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt de
                            persoon over de desbetreffende kwalificatie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>deze persoon heeft niet aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt
                            hem te zwaar valt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                            persoonsgebonden budget worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>.Het college stelt nadere regels over de wijze waarop de hoogte van een
                            persoonsgebonden budget wordt vastgesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening bepaalt of
                            de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura of pgb wordt
                            in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>wat het beoogde resultaat en de omvang van de voorziening
                                    is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>onder welke voorwaarden de voorziening wordt verstrekt;</al></li><li nr="d."><al>de wijze van verantwoording.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                            algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor het gebruik dan wel bezit van een maatwerkvoorziening dan wel een
                            persoonsgebonden budget gedurende de periode waarvoor het
                            persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de hoogte van de bijdrage is
                            afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot
                            overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wet maatschappelijke
                            ondersteuning; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor het gebruik dan wel bezit van een algemene voorziening, niet zijnde
                            cliëntondersteuning, de hoogte van de bijdrage wordt per soort algemene
                            voorziening bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs
                            van deze voorziening. Het college kan daarbij korting geven op de
                            bijdrage voor een algemene voorziening voor personen, behorende tot de
                            door het college omschreven groepen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanbieder van een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden
                            budget kan aan de cliënt een vergoeding voor algemeen gebruikelijke
                            kosten vragen voor zover at tussen het college en de aanbieder is
                            afgesproken en dit door het college is vastgesteld. Het gaat hierbij in
                            ieder geval om een vergoeding voor:</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>het gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer berekend op basis
                            van tarieven openbaar vervoer;</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>het gebruik van consumpties en maaltijden op basis van kostprijs.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kostprijs van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening en
                            persoonsgebonden budget wordt bepaald: door een aanbesteding, na een
                            consultatie in de markt of in overleg met de aanbieder. Het totaal van
                            de bijdragen voor een algemene voorziening, maatwerkvoorziening dan wel
                            een persoonsgebonden budget gaat de kostprijs niet te boven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden
                            budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor
                            de gemeente geïnd door het CAK.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor opvang worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of
                            persoonsgebonden budget door de aanbieder van de voorziening vastgesteld
                            en geïnd. Het college draagt er zorg voor dat aan het CAK mededeling
                            wordt gedaan van de bijdragen die door de bedoelde instantie zijn
                            vastgesteld, voor zover niet betrekking hebbende op personen die de
                            thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun
                            veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget
                            ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is
                            verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige
                            ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek
                            1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene
                            die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een
                            inwoner.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Als een persoon over een periode voor meerdere voorzieningen een
                            bijdrage is verschuldigd, dan komt de betaalde bijdrage allereerst ten
                            goede van de voorziening die eenmalig is verstrekt en waarvoor het
                            college geen huur verschuldigd is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                            betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen,
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van
                                    de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden
                                    in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                    overeenstemming met de professionele standaard;</al></li><li nr="d."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten op de hoogte zijn van en
                                    rekening houden met de wensen, mogelijkheden en beperkingen van
                                    de informele zorg die wordt verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden
                            gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders,
                            een jaarlijks inwoner-ervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met
                            de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                            geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                            aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich
                            heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan
                            de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en
                            geweldsincidenten. Hij adviseert het college over het voorkomen van
                            verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
                            omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                            aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld
                            in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing
                            als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel
                            intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                    beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                    pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de inwoner de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                    ander doel gebruikt<cursief>.</cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                            blijkt dat het pgb binnen een redelijke termijnna uitbetaling niet
                            is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                            verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid en/of derde
                            lid heeft ingetrokken geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van
                            de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten
                            pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde
                            zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                        personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                        werkoverleg;</al></li><li nr="d."><al>kosten voor bijscholing van het personeel, en</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening
                                        van de leverancier worden gevraagd, zoals:</al></li></lijst></li></lijst><al>1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
                        2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de voorziening;
                        3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening, en</al><al>4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociale
                        wijkteams).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college behandelt klachten van cliënten die betrekking hebben op de
                            wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze
                            verordening, overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet
                            bestuursrecht en volgens de door het college vastgestelde
                            Procedureregeling Klachtbehandeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten
                            van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen die in het kader van
                            deze verordening worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                            overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                            inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                            gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen die in het
                            kader van deze verordening worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                            periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                            geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het
                            beleid betreffende maatschappelijk ondersteuning, overeenkomstig de
                            Inspraakverordening van de gemeente Zwolle en de ‘verordening
                            participatieraad gemeente Zwolle’. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen
                            voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen,
                            advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
                            beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en
                            voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                            vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en
                            derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Right to Challenge</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst de ingezetenen op de mogelijkheid initiatieven te
                            ontplooien die het uitvoeren van taken van het college op grond van de
                            wet betreffen, zoals vastgelegd in artikel 2.6.7 van de wet; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent de in lid 1 beschreven
                            mogelijkheid om initiatieven te ontplooien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter uitvoering van lid 1 regelt het college bij de inkoop/subsidie van
                            maatschappelijke ondersteuning dat minimaal eenmaal per jaar ingezetenen
                            en maatschappelijke initiatieven de mogelijkheid tot intekening op en de
                            uitvoering van de genoemde taken hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20. </nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr=""><al>Burgemeester en wethouders kunnen in uitzonderlijke gevallen
                                afwijken van de artikelen van deze verordening, voor zover
                                toepassing van de verordening gelet op het belang van de aanvrager
                                tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Zwolle 2011 wordt ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                            van de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Zwolle 2011 totdat het college een nieuw besluit
                            heeft genomen, waarbij het besluit waarmee deze voorziening is
                            verstrekt, wordt ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening individuele
                            voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2011, en
                            waarop nog niet is beslist bij het inwerkingtreden van deze verordening,
                            worden afgehandeld krachtens de Verordening individuele voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2011. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                            individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle
                            2011, wordt beslist met inachtneming van die verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Zwolle 2015”. </al></lid></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE ZWOLLE
                        2015</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met
                    toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van
                    een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Deze taken
                    worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’
                    Wet maatschappelijke ondersteuning. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht
                    mag worden van de inwoner en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de
                    gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een
                    algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening
                    waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan
                    het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. </al><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de
                    hulpvraag van de inwoner, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te
                    krijgen, om te achterhalen wat de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke
                    hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het
                    verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                    zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo
                    nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat
                    een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere
                    voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en
                    deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want
                    waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige,
                    tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die
                    bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten
                    leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de inwoner van mening
                    is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de
                    maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of
                    participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden,
                    kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in
                    beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de
                    gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek
                    naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de
                    ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie
                    waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en
                    zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.</al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De
                    uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in
                    mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders.
                    Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze
                    bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten
                    op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de
                    wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de inwoner
                    echter alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van
                    ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor
                    mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van
                    rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.</al><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per
                    verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de
                    uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot
                    maatschappelijke ondersteuning. In de verordening
                        <onderstreept>dient</onderstreept> overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede
                    tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in
                    ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                            inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief
                            eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; </al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                            klachten van inwoners vereist is;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
                            inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                            gebruikers van belang zijn vereist is; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder inwoners of hun vertegenwoordigers,
                            worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid
                            kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning
                            en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;
                            en</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                            waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente.</al></li></lijst><al>Ook <onderstreept>dient</onderstreept> de gemeente overeenkomstig de artikelen
                    2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels
                    te stellen: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                            maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of
                            oneigenlijk gebruik van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                            voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de
                            Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te
                            worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden.</al></li></lijst><al>Daarnaast <onderstreept>kan</onderstreept> de gemeente op grond van de artikelen
                    2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van
                    de Wmo 2015:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                            cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd
                            zullen zijn;</al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                            voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met
                            een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.
                            Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt
                            gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en
                            dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de
                            cliënt en zijn echtgenoot;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere
                            instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de
                            eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens
                            onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met
                            de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of
                            psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning
                            van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de
                            toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële
                            draagkracht;</al></li><li nr="-"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan
                            wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan
                            inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></li></lijst><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking
                    tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. </al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>In de wet (in artikel 1.1.1) zijn al veel definities opgenomen die ook bindend
                    zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke
                    wettelijke definities ook nog eens expliciet in de begripsbepalingen van deze
                    verordening opgenomen. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een
                    aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                    ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): <cursief>een verzoek van een belanghebbende
                        om een besluit te nemen</cursief>, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). </al><tussenkop>Artikel 2. Melding hulpvraag </tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze
                    een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                    wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een
                    behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding
                    onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college
                    een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de
                    wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar
                    aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                    uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.</al><al>Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is
                    vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het
                    college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het
                    college. </al><al>In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer
                    per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat
                    deze weg geopend is. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan.
                    Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens
                    vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere
                    betrokkene de melding doen. In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1
                    gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met
                    een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct
                    en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de
                    Zorgverzekeringswet, de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Zie ook de
                    tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid.</al><al>In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel
                    2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het
                    bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat
                    kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling
                    of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. Aangezien het
                    onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2,
                    eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding
                    ook in het kader van deze termijn van belang.</al><al>In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering
                    vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht
                    in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te
                    verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de
                    melding.</al><tussenkop>Artikel 3. Vooronderzoek: indienen persoonlijk plan</tussenkop><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het
                    eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de
                    melding waarbij in samenspraak met de inwoner bekende gegevens in kaart worden
                    gebracht en inwoners niet worden belast met vragen over zaken die bij de
                    gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de
                    melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de
                    belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens
                    het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen
                    worden gesteld of aan de inwoner worden verzocht om nog een aantal stukken over
                    te leggen. De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het
                    tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet.
                    In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet
                    in ieder geval verplicht om de identiteit van de inwoner vast te stellen aan de
                    hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                    identificatieplicht en is de inwoner die een aanvraag doet voor een
                    maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de
                    gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van
                    de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden. Op grond van
                    het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige
                    herhaling van zetten zou betekenen. In het vierde lid is overeenkomstig artikel
                    2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om
                    informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de inwoner om een
                    persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook
                    artikel 5, tweede lid. </al><tussenkop>Artikel 4. Gesprek</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die
                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en
                    de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. De
                    onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2
                    van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding
                    “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of
                    namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of
                    mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op
                    deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt
                    dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van
                    persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene,
                    aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie
                    verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet
                    plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.
                    In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de inwoner wordt
                    gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij
                    deinwoner thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat
                    zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende
                    oplossingen te vinden. In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste
                    resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat
                    in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke
                    ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de
                    inwoner zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft
                    bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het
                    wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”. In het
                    tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat
                    het college een door of namens de inwoner ingediend persoonlijk plan betrekt bij
                    het onderzoek. </al><al>Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet
                    nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een inwoner gaan die al
                    bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. </al><tussenkop>Artikel 5. Verslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de
                    wet opgenomen. </al><al>Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze
                    verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van
                    de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3,
                    p. 32-33) staat dat de gemeente aan de inwoner een weergave van de uitkomsten
                    van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor
                    een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave
                    maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te
                    nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de
                    inwoner. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren
                    met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek
                    bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de inwoner van mening is goed geholpen
                    te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening
                    noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere
                    weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave
                    van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de inwoner
                    overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid
                    en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit
                    voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de
                    inwoner dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt
                    dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.</al><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog
                    moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Het kan overigens
                    ook zijn dat na een gesprek de inwoner bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in
                    zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om
                    boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is
                    een paar dagen tijd na het gesprek nuttig.</al><tussenkop>Artikel 6. Aanvraag</tussenkop><al>Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede
                    lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na
                    de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede
                    lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening
                    wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag
                    tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan
                    dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij
                    wettelijk voorschrift anders is bepaald. </al><al>In het eerste lid is aangegeven dat naast de inwoner alleen een daartoe door hem
                    gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is
                    minder ruim dan de kring van personen rond de inwoner die een melding kan doen.
                    Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de
                    formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis
                    van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. </al><al>Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier
                    hoeft niet in behandeling genomen te worden.</al><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de
                    mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag
                    aan te merken.</al><tussenkop>Artikel 7.Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134)
                    wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op
                    maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van
                    inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur
                    per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in
                    iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                    verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden
                    verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria
                    meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. </al><al>Artikel 7.1 geldt in alle gevallen, en per specifieke voorziening worden daar
                    passende criteria aan toegevoegd waar dat nodig is.In dit artikel is verwoord
                    dat, alvorens wordt overgegaan tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening,
                    eerst wordt gekeken naar andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn
                    beperkingen. Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende
                    voorziening, het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, kortdurende
                    ondersteuning door het sociaal wijkteam, en een verwijzing naar een algemene
                    voorziening. De maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk. Als het college
                    vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen
                    voor de goedkoopst adequate voorziening. Voorop staat dat de voorziening
                    adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er
                    echter meerdere varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste
                    variant. Als er al eerder een maatwerkvoorziening (of individuele voorziening,
                    zoals dat heette onder de oude Wet maatschappelijke voorziening) is verstrekt en
                    deze voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch
                    afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een
                    maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig.</al><tussenkop>Artikel 8. Regels voor pgb </tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te
                    vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 103).</al><al>Het persoonsgebonden budget is een alternatief voor zorg in natura. Het
                    persoonsgebonden budget krijgt een ander karakter door de manier waarop het
                    wordt verstrekt. Niet langer wordt er geld overgemaakt op de rekening van de
                    budgethouder. Als een budget is toegekend, kan het na facturering van de
                    uitgevoerde zorg aan de betrokken ondersteuner/zorgverlener uitbetaald door de
                    Sociale Verzekeringsbank. </al><al>De gemeente weigert een cliënt een pgb als de gemeente in de drie jaar
                    voorafgaand aan de aanvraag een beslissing om een maatwerkvoorziening of een pgb
                    te verstrekken heeft herzien of ingetrokken omdat de cliënt toen onjuiste of
                    onvolledige gegevens heeft verstrekt (artikel 2.3.10, onderdeel a), niet voldeed
                    aan de gestelde voorwaarden (artikel 2.3.10, onderdeel d) of de
                    maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikte (artikel
                    2.3.10, onderdeel e). Daarnaast is toegevoegd de bepaling in het tweede lid
                    onder b; dit ziet op de situatie</al><al>van bijvoorbeeld het collectief vervoer. De financiering daarvan, zo is in
                    rechtspraak ook geaccepteerd, zou zodanig duur worden als voor deze voorziening
                    ook een pgb mogelijk was, dat het openstellen van die mogelijkheid een
                    onaanvaardbaar financieel risico voor de gemeente oplevert. De zware bewijslast
                    voor een beroep op deze weigeringsgrond ligt bij de gemeente. Daarom wordt dit
                    criterium in de verordening verankerd. Mocht zich deze situatie in de praktijk
                    gaan voor doen, dan zal er een heroverweging moeten plaatsvinden ten aanzien van
                    het verstrekken van PGB’s voor vervoer en de collectieve aanbesteding van
                    vervoer.</al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief>Een pgb is gemiddeld genomen
                    ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden
                    meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de
                    kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college
                    ingekochte maatwerkvoorziening in natura. </al><al>Ten aanzien van het vijfde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                    aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is
                    de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval
                    beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                    overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
                    betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten
                    (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook
                    hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een
                    pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                    de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                    lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                    artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid
                    geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt
                    (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</al><al>Hiervoor is het nodig dat de inwoner die een beroep doet op een persoonsgebonden
                    budget schriftelijk aantoont welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                    andere maatregelen de cliënt wenst in te zetten om te voorzien in de
                    geconstateerde noodzaak. Ook dient de inwoner die een persoonsgebonden budget
                    wenst in te zetten om de inzet van iemand vanuit het sociale netwerk mogelijk te
                    maken voor intensievere vormen van maatschappelijke ondersteuning als beschermd
                    wonen schriftelijk aan te tonen of de persoon die de ondersteuning zal gaan
                    leveren voldoende gekwalificeerd is hiervoor, rekening houdend met landelijk
                    geldende kwaliteitscriteria en daarmee samenhangende minimaal gewenste
                    opleiding.</al><tussenkop>Artikel 9. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de inwoner een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Indien gewenst door de inwoner bestaat echter de mogelijkheid van het
                    toekennen van een budget. </al><al>Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op
                    artikel 5, eerste lid, onder b. Tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder
                    ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is
                    afgeschreven.</al><tussenkop>Artikel 10. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                    voorzieningen </tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde
                    en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.</al><al>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota
                    naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz.
                    95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de
                    mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een
                    cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze
                    beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee
                    omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal
                    sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene
                    voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere
                    maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</al><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een
                    bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de wet) en in een AMVB worden regels vastgesteld met betrekking
                    tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in
                    de verordening moeten passen binnen de kaders die de AMVB (zoals bedoeld in
                    2.1.4). stelt. . Voor de eigen bijdragen van maatwerkvoorzieningen geldt de
                    wettelijke verplichting dat het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de hoogte
                    van de bijdrage berekent en het bedrag int. </al><al>De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een
                    maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde lid, tweede zin). Dat kan op drie
                    manieren en deze zijn vastgelegd in de drie onderdelen van het derde lid. </al><al>De aanbieder van een maatwerkvoorziening kan aan de cliënt een vergoeding voor
                    algemeen gebruikelijke kosten als dat tussen het college en de aanbieder is
                    afgesproken en door het college is vastgesteld. Het gaat hierbij in ieder geval
                    om een vergoeding voor het gebruik van vervoer, consumpties en maaltijden.</al><tussenkop>Artikel 11. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al><al>In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek
                    is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 12. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 12 dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. </al><tussenkop>Artikel 13. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering </tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet<cursief>.</cursief></al><al>Het eerste en tweede lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van
                    de wet is opgenomen (artikel 2.3.8 en 2.3.10). Met opname van deze wettekst in
                    de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de
                    bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een
                    pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.</al><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt<cursief>.’
                    </cursief>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen
                    die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in
                    bruikleen verstrekte voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 14. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van inwoners in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><tussenkop>Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief>Om te voorkomen dat alleen
                    gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een
                    aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van
                    tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat
                    een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door
                    aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig
                    personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste
                    vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste
                    activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg
                    voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende
                    arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 16. Klachtregeling</tussenkop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
                    In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht.
                    Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen in
                    het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten
                    van cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de
                    Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook
                    het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman
                    te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de
                    eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan. </al><al>De VNG-modelbepaling van het eerste lid is bewerkt en aangepast aan de wijze
                    waarop nu de klachtbehandeling binnen de gemeente Zwolle plaatsvindt. Deze
                    klachtbehandeling is gebaseerd op de bepalingen uit hoofdstuk 9 van de Awb. Ter
                    uitwerking daarvan heeft het college in 2005 een Procedureregeling
                    Klachtbehandeling vastgesteld. De klachtbehandeling vindt decentraal plaats, dat
                    wil zeggen dat er per eenheid een interne klachtencoordinator is aangewezen die
                    de klachten behandelt die op die eenheid betrekking hebben. Is de klager het
                    niet eens met de klachtafhandeling dan kan hij zich wenden tot de Ombudsman
                    Overijssel. </al><al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald datin de
                    verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een
                    regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder
                    is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                    klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In
                    de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58)
                    staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet
                    aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden
                    zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze
                    waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die
                    zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende
                    aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de
                    klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de
                    afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen
                    van de klacht open.</al><tussenkop>Artikel 17. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald datin ieder geval moet worden bepaald ten aanzien
                    van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over
                    voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn,
                    vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten
                    tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet
                    klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz)
                    gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds
                    verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels
                    geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te
                    bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.
                    De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen
                    verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid,
                    onder b, van de wet). In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het
                    college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door
                    aanbieders goed wordt uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 18. Betrekken van ingezetenen bij het beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In het
                    eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. </al><tussenkop>Artikel 19. Right to Challenge</tussenkop><al>Artikel 2.6.7 lid 1 Wmo 2015 maakt het mogelijk dat ingezetenen en
                    maatschappelijke initiatieven in aanmerking komen voor het uitvoeren van taken
                    op grond van de Wmo 2015. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
                    welke eisen gelden voor het door ingezetenen en maatschappelijke initiatieven
                    laten uitvoeren van taken van het college en op welke wijze en aan de hand van
                    welke criteria de effecten worden geëvalueerd. Hiermee wordt het, naar Brits
                    voorbeeld, mogelijk dat een ‘right to challenge’ wordt toegepast. Het College
                    hecht veel waarde aan initiatieven van inwoners en wil graag dat deze
                    initiatieven ook tot uiting komen. Daarom moeten inwoners de gemeente kunnen
                    uitdagen om (een deel van) de maatschappelijke ondersteuning, beter uit te
                    voeren dan de gemeente dat doet. of de door de gemeente gecontracteerde
                    maatschappelijke partners. Door deze mogelijkheid ook in de verordening om te
                    nemen onderstreept het College het belang van inwoners die initiatief nemen. </al><tussenkop>Artikel 20. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 20 bepaalt dat het college in uitzonderlijke gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Hierbij wordt advies ingewonnen. Dit
                    afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokkenen.
                    Verder is met nadruk gemeld: in uitzonderlijke gevallen. Het gebruik maken van
                    de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 21. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die
                    voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop
                    bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de
                    nieuwe verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald
                    dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. Daarnaast bevat de wet nog
                    overgangsrecht voor AWBZ cliënten die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep
                    beschermd wonen (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de wet).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>