<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348443_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80568.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAfgelopenMaand%26spd%3d20150105%26epd%3d20150105%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dZandvoort%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeentelijke Voorziening Officiele Publicaties, gemeenteblad Nr. 80568</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtpositie wethouders, raads- en commissieleden 2015.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=44&amp;g=2014-12-16">Gemeentewet, art. 44</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=95&amp;g=2014-12-16">Gemeentewet, art. 95</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=96&amp;g=2014-12-16">Gemeentewet, art. 96</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=97&amp;g=2014-12-16">Gemeentewet, art 97</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=98&amp;g=2014-12-16">Gemeentewet, art. 98</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=99&amp;g=2014-12-16">Gemeentewet, art. 99</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0006535&amp;artikel=4&amp;g=2014-12-16">Rechtpositiebesluit raads- en commissieleden, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0006536&amp;artikel=7a&amp;g=2014-12-16">Rechtpositiebesluit raads- en commissieleden, art. 7a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0006536&amp;artikel=10&amp;g=2014-12-16">Rechtpositiebesluit raads- en commissieleden, art. 10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0006536&amp;artikel=13&amp;g=2014-12-16">Rechtpositiebesluit raads- en commissieleden, art. 13</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0006535&amp;artikel=22&amp;g=2014-12-16">Rechtpositiebesluit wethouders, art. 22</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0006535&amp;artikel=23&amp;g=2014-12-16">Rechtspositiebesluit Wethouders, art. 23</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0006535&amp;artikel=27a&amp;g=2014-12-16">Rechtspositiebesluit Wethouders, artikel 27a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Zaaknummer Z2014-004205, registratienummer 2014/09/000295</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur en gemeentelijke dienstverlening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort: </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25
                        november 2014, nr. 2014/11/000504; </al><al>gelet op de overwegingen van de commissie van 9 december 2014; </al><al>gelet op de overwegingen van de raad van 16 december 2014; </al><al>overwegende dat:</al><al/><al><vet>VERORDENING RECHTSPOSITIE WETHOUDERS, RAADS- EN COMMISSIELEDEN 2015.
                        </vet></al><al/><al><vet>1 DE VERORDENING </vet></al><al/><al> De raad van de gemeente Zandvoort: gelezen het voorstel van het college van
                        burgemeester en wethouders van 25 november 2014, nr. 2014/11/000504; gelet
                        op de overwegingen van de commissie van 9 december 2014; gelet op de
                        overwegingen van de raad van 16 december 2014; overwegende dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de raad nadere regels kans stellen voor de voorzieningen waar
                                wethouders, raads- en commissieleden in de uitoefening van hun
                                functie recht hebben;</al></li><li nr="-"><al>de raad op 24 juni 2013 een besluit heeft genomen om vanaf het
                                begrotingsjaar 2015 weer middelen in de begroting en het
                                investeringsplan op te nemen voor computerapparatuur voor
                                raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>met ingang van 1 juli 2014 het rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden en het rechtspositiebesluit wethouders zijn
                                gewijzigd;</al></li></lijst><al> gelet op de artikelen van de ;</al><al> gelet op de artikelen 4, 7a, 10 en 13 van het Rechtspositiebesluit raads-
                        en commissieleden;</al><al> gelet op de artikelen 22, 23 en 27a van het Rechtspositiebesluit
                        wethouders;</al><al> gelet op het Besluit harmonisering en modernisering rechtspositie
                        decentrale politieke ambtsdragers van 20 juni 2014 en de Ministriële
                        circulaire van 27 juni 2014;</al><al> besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al><vet>VERORDENING RECHTSPOSITIE WETHOUDERS, RAADS- EN COMMISSIELEDEN 2015.
                        </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><nr>1.1</nr><label>BEGRIPSBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label> Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Het college:</vet> het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="b."><al><vet>De raad:</vet> de gemeenteraad van Zandvoort;</al></li><li nr="c."><al><vet>Raadslid: </vet>lid van de raad;</al></li><li nr="d."><al><vet>Buitengewoon lid: </vet>een door de fractie aangewezen
                                    ondersteunend lid en commissielid in de zin van de artikelen 82
                                    en 84 Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al><vet>Griffie</vet>r: de griffier, bedoeld in artikel 107
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="f."><al><vet>Gemeentesecretaris</vet>: de secretaris bedoeld in artikel
                                    102 Gemeentewet;</al></li><li nr="g."><al><vet>Commissie: </vet>een commissie als bedoeld in hoofdstuk V
                                    van de Gemeentewet;</al></li><li nr="h."><al><vet>Rechtspositiebesluit wethouders:</vet> het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 243, inclusief alle
                                    wijzigingen;</al></li><li nr="i."><al><vet>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</vet>: het
                                    Koninklijk Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244, inclusief alle
                                    wijzigingen; </al></li><li nr="j."><al><vet>Regeling rechtspositie wethouders</vet>: de regeling van
                                    het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van
                                    1 januari 2004, Stcrt. 41, als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders, inclusief alle
                                    wijzigingen;</al></li><li nr="k."><al><vet>Verplaatsingskostenregeling 1989</vet>: het besluit van de
                                    Minister van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, Stcrt. 212,
                                    inclusief alle wijzigingen;</al></li><li nr="l."><al><vet>Reisregeling binnenland</vet>: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, Stcrt. 56, inclusief
                                    alle wijzigingen;</al></li><li nr="m."><al><vet>Reisregeling buitenland</vet>: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, Stcrt. 181,
                                    inclusief alle wijzigingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>1.2</nr><label>VOORZIENINGEN VOOR RAADSLEDEN </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden</label></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste
                            lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan
                            het door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Berekening en betaling van vaste vergoedingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van een kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in artikel 2 van deze
                                verordening en artikel 2 lid 3 van het Rechtspositiebesluit raads-
                                en commissieleden, naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij
                                in dat jaar raadslid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen bedoeld in artikel 2 van deze
                                verordening en artikel 2 lid 3 van het Rechtspositiebesluit raads-
                                en commissieleden geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Reiskosten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de voor de gemeente gemaakte kosten voor
                                reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een
                                beslissing van het gemeentebestuur vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        (trein)taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 onderdeel b van de
                                        Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Verblijfkosten</label></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfkosten voor reizen
                            buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Scholing</label></kop><al>Het raadslid dat aan scholing als bedoeld in artikel 13 eerste lid van
                            het </al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden wil deelnemen, die niet
                            door of namens de gemeente wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe
                            vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier. De aanvraag gaat
                            vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie.
                            Aanvragen die niet overeenkomstig de bepalingen in deze verordening
                            worden ingediend, komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Computerapparatuur</label></kop><al>Op aanvraag kan, indien noodzakelijk, aan een raadslid eenmaal per
                            raadsperiode hetzij een computer in bruikleen worden gegeven, hetzij een
                            tegemoetkoming worden verstrekt voor de aanschaf van computerapparatuur,
                            tegen overlegging van een aankoopnota tot een maximum van € 600.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Werkkkostenregeling</label></kop><al>Gelet op de Wet loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31 lid 1 onder f van die
                            wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 13a van
                            het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>1.3</nr><label>VOORZIENINGEN VOOR WETHOUDERS</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9 Reiskosten woon-werkverkeer</label></kop><al>Aan de wethouder wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats
                            van tewerkstelling, indien de afstand daartussen meer dan tien kilometer
                            bedraagt, een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de Regeling rechtspositie
                            wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Zakelijke reiskosten</label></kop><al>Aan de wethouder wordt een vergoeding verleend voor gemaakte reizen voor
                            de gemeente, anders dan de reiskosten bedoeld in artikel 9. De
                            vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                    (trein)taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                    noodzakelijk gemaakte reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                    bedoeld in artikel 4 onderdeel b van de Regeling rechtspositie
                                    wethouders.</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                    verblijfskosten.</al></li><li nr="d."><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor zakelijke reizen van de
                                    wethouders gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor
                                    gemeentelijk personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de
                                    eerste volzin is vastgesteld, vindt op aanvraag saldering van de
                                    reiskosten voor de zakelijke reizen van de wethouder plaats
                                    overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling binnenland en
                                    artikel 2a van de Reisregeling buitenland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label> Artikel 11 Buitenlandse dienstreis </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt, worden de in redelijkheid noodzakelijk gemaakte
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Scholing </label></kop><al>De wethouder die aan scholing als bedoeld in artikel 28b tweede lid van
                            het Rechtspositiebesluit wethouders wil deelnemen, die niet door of
                            namens de gemeente wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe vooraf
                            een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag gaat vergezeld van
                            inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. Aanvragen die niet
                            overeenkomstig de bepalingen in deze verordening worden ingediend, komen
                            niet voor vergoeding in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Mobiele telefoon</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van zijn ambt een
                                mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele telefoon
                                voor privédoeleinden is gebruikt en dit gebruik de
                                bruikleenovereenkomst overschrijdt, vindt een verrekening van de
                                gesprekskosten plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</label></kop><al>De wethouder die bij de benoeming nog niet over woonruimte in de
                            gemeente beschikt, heeft ten laste van de gemeente aanspraak op
                            vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig artikel 1 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig artikel 2 van de Regeling rechtspositie
                                    wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Werkkostenregeling</label></kop><al>Gelet op de Wet loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31 lid 1 onder f van die
                            wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 28a van
                            het Rechtspositiebesluit wethouders.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>1.4</nr><label>VOORZIENINGEN VOOR COMMISSIELEDEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>uit hoofde van of als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid of van een functie
                                        bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt
                                        gesubsidieerd;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Conform het bepaalde in het vierde lid geldt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorzitter en de leden van de commissie voor de
                                        bezwaarschriften een vergoeding voor het bijwonen van
                                        vergaderingen ten bedrage van€ 195,79 respectievelijk €
                                        152,28 (2014); </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de voorzitter en de leden van de welstandscommissie een
                                        vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen ten bedrage
                                        van € 186,38 (2014).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De in lid 5 genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd aan de
                                hand van het indexcijfer in de begroting die voor dat jaar is
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Reis- en verblijfkosten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid als ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd, worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie vergoed.</al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        noodzakelijk gemaakte reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig artikel 4 onderdeel b van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                redelijkheid gemaakte noodzakelijke verblijfskosten voor reizen
                                binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                overeenkomstig artikel 4 onderdeel c van de Regeling rechtspositie
                                wethouders.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid betreft de vergoeding van de
                                reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie voor
                                de leden van de commissie bezwaarschriften , de welstandscommissie
                                en de Rekenkamer Zandvoort:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding de
                                        in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten ten
                                        bedrage van het maximaal fiscaal toegestane onbelaste bedrag
                                        per kilometer. Voor de kilometervergoeding wordt uitgegaan
                                        van de afstand tussen het woonadres van het commissielid tot
                                        de locatie waar de vergadering plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Buitenlandse excursie of reis</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Scholing</label></kop><al>Het commissielid dat aan scholing als bedoeld in artikel 13 eerste lid
                            van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden wil deelnemen, die
                            niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of verzorgd, dient
                            daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier. De aanvraag
                            gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie.
                            Aanvragen die niet overeenkomstig de bepalingen in deze </al><al>verordening worden ingediend, komen niet voor vergoeding in
                            aanmerking.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>1.5</nr><label>DE PROCEDURE VAN DE DECLARATIE</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 20 Betaling van kosten </label></kop><al> Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen, of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 Declaratie van vooruit betaalde kosten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Voor vergoeding van de kosten bedoeld in de artikelen 4, 5, 10, 11,
                                14 en 17 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier, indien
                                deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en
                                binnen 1 maand</al><lijst><li nr="-"><al>indien het een wethouder betreft ondertekend door de
                                        wethouder financiën;</al></li><li nr="-"><al>indien het de wethouder financiën betreft ondertekend door
                                        de burgemeester;</al></li><li nr="-"><al>indien het een raadslid of buitengewoon lid betreft
                                        ondertekend door de griffier en ingediend bij de afdeling
                                        Personeel &amp; Organisatie, onderdeel salarisadministratie,
                                        onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij twijfel over de juistheid van een declaratie wordt deze
                                voorgelegd aan de burgemeester of ter besluitvorming voorgelegd aan
                                het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label> Artikel 22 Rechtstreekse facturering bij de gemeente</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten bedoeld in de artikelen 6, 10, 11, 12, 14,
                                17, 18 en 19kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de
                                door het raadslid, wethouder of buitengewoon lid voor akkoord
                                ondertekende factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>1.6</nr><label>SLOTBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 23 Inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De “Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                                2014” vastgesteld bij raadsbesluit van wordt ingetrokken met ingang
                                van de in het tweede lid genoemde datum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening ”.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december
                            2014.</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><nr>2</nr><titel>TOELICHTING OP VERORDENING</titel></kop><tussenkop>2.1 ALGEMEEN </tussenkop><tussenkop><vet>Wettelijke regelingen </vet></tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB), ministeriële regeling (alleen wethouders)
                    en gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor wethouders in de Algemene
                    pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en het
                    pensioen geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van
                    de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden moet worden geregeld
                    bij AMvB. Dit zijn het Rechtspositiebesluit wethouders en het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Enkele vergoedingen voor
                    wethouders die gelijk zijn aan die voor rijksambtenaren, maar voor hen voorheen
                    in verschillende regelingen waren opgenomen waarnaar in het verleden werd
                    verwezen, zijn om pragmatische redenen sinds 1 januari 2004 opgenomen in een
                    ministeriële regeling: de Regeling rechtspositie wethouders. In deze wetten en
                    nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen
                    geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de
                    verschillende onkostenvergoedingen, is in de rechtspositiebesluiten overwegend
                    geregeld in dwingende bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals
                    bijvoorbeeld een uitkering bij aftreden als raadslid, geldt dat de gemeente de
                    vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen. </al><al/><al>De vergoedingen en regelingen voor wethouders, raads- en commissieleden die bij
                    of krachtens de wet (dus in de Gemeentewet, een rechtspositiebesluit of een
                    regeling) dwingend zijn geregeld, zijn niet meer opgenomen in deze verordening.
                    Dit betreft de vergoedingen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>de onkostenvergoedingen voor raadsleden en wethouders</al></li><li nr="2."><al>de toelage voor fractievoorzitters, leden van de vertrouwenscommissie en
                            leden van een onderzoekscommissie zoals bedoeld in artikel 155a lid 3
                            Gemeentewet</al></li><li nr="3."><al>de compensatiemaatregelen voor raads- en commissieleden als zij een
                            uitkering hebben op grond van de werkloosheidswet, het Besluit
                            werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel of op basis van
                            arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr="4."><al>de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval</al></li><li nr="5."><al>de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</al></li><li nr="6."><al>de voorziening bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of
                            ziekte</al></li><li nr="7."><al>de tegemoetkoming in de ziektekosten</al></li><li nr="8."><al>voorzieningen voor wethouders, raads- en commissieleden met een fysieke
                            beperking</al></li><li nr="9."><al>de bezoldiging van de wethouders</al></li></lijst><al>De onkostenvergoeding is opgebouwd op basis van onder andere de volgende
                    kostencomponenten: </al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </vet></tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies, voor zover die
                    niet dwingend zijn geregeld in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor
                    is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten. Buiten
                    hetgeen bij of krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders geen
                    inkomsten ten laste van de gemeente in welke vorm dan ook (artikel 44 van de
                    Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende
                    wethouders uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet, het
                    Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling rechtspositie wethouders en de
                    plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.
                    Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op een ontslaguitkering en pensioen
                    aan de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Een soortgelijke bepaling
                    als artikel 44 is voor raads- en commissieleden opgenomen in artikel 99 van de
                    Gemeentewet. Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij
                    gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in
                    de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor
                    is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist. De rechtspositionele
                    aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan ook uitsluitend te vinden in
                    respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden en de plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads-
                    en commissieleden.</al><al/><al>De verordening bevat bepalingen inzake: </al><lijst><li nr="-"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 16), waarbij is op te merken dat voor wethouders niets
                            is opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                            Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden,
                            waarbij voor wethouders een onderscheid is gemaakt tussen
                            woon-werkverkeer en zakelijkereizen (artikelen 4, 5, 9, 10, 11, 17 en
                            18);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige wethouder (artikel 14) </al></li><li nr="-"><al>faciliteiten in de vorm van deelname van wethouders, raads- en
                            commissieleden aan cursussen, congressen e.d (artikelen 6, 12 en
                            19);</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de beschikbaarstelling van computerapparatuur (artikel 7)</al></li><li nr="-"><al>de procedure van declareren (artikelen 20 t/m 22).</al></li></lijst><tussenkop><vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid
                    </vet></tussenkop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het
                    raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Omdat er geen dienstbetrekking met de
                    gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar
                    worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een
                    raadslid opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief
                    werknemerschap (zie hieronder). </al><al/><al>Wethouders zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare
                    dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet. Echter zijn de
                    bepalingen over het materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet niet van
                    toepassing op wethouders. Hun rechtspositie wordt beheerst door specifieke wet-
                    en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van
                    de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Wethouders vallen niet onder de
                    werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de </al><al>pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers (Appa). </al><tussenkop><vet>De loon- en inkomstenbelasting </vet></tussenkop><al>Vanaf 1 januari 2015 treedt een nieuwe fiscale regeling, de werkkostenregeling,
                    in werking. Deze datum van inwerkingtreding is meegedeeld in de Ministriële
                    circulaire van 15 juli 2013. De werkkostenregeling vloeit voort uit de Fiscale
                    verzamelwet 2010 en vervangt het huidige systeem van vergoedingen en
                    verstrekkingen. </al><al>Dit heeft invloed op de wijze waarop de vergoedingen worden uitgekeerd en de
                    wijze waarop hierover belasting wordt geheven. Het heeft geen financiële
                    gevolgen voor de raadsleden en wethouders, maar is fiscaaltechnisch van aard.
                    Voor de gemeente zijn er wel gevolgen, omdat de brutovergoedingen worden
                    gewijzigd in nettobedragen en de gemeente de loonbelasting hierover
                    betaalt.</al><tussenkop><vet>"Opting-in-regeling" </vet></tussenkop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de
                    ‘opting-in-regeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                    ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een
                    gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                    Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt
                    gekozen voor het </al><al>loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het
                    woord is, valt hij door het raadslidmaatschap niet onder de sociale
                    zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook geen
                    premies sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen </al><al>administratie bij te houden. </al><tussenkop><vet>Fiscale standaardpositie </vet></tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling
                    zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als onkostenvergoeding ontvangen
                    inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal
                    aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het
                    raadslidmaatschap.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. </al><al>Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek.</al><tussenkop><vet>Eenmalige keuze per zittingsperiode</vet></tussenkop><al>De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het raadslid
                    ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren
                    kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de
                    (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op
                    deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft
                    niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende de
                    zittingsperiode voor de resterende periode. </al><tussenkop><vet>De vergoedingssystematiek </vet></tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Voor functionele uitgaven verdient het aanbeveling terughoudend te zijn
                    met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen vooruit
                    betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen
                    moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft
                    het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                    mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven
                    bestaan. </al><tussenkop><vet>Controle en verantwoording </vet></tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven. </al><al>In hoofdstuk 1.5 is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven en declaratie
                    van vooruit betaalde kosten. Verder zijn er aanvullende administratieve
                    procedures beschreven over de afwikkeling van declaraties en facturen en de
                    daarbij te hanteren verdeling van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om
                    te gaan met interpretatie- of meningsverschillen.</al><tussenkop>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid
                    </vet></tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In
                    artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. </al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in
                    de verordening in algemene zin is aangegeven dat de raadsvergoeding gelijk is
                    aan het door de minister te bepalen.</al><tussenkop><vet>Artikelen 4, 5 en 17 Reis- en verblijfkosten raads- en
                        commissieleden </vet></tussenkop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor 'woon-werk-verkeer' voor </al><al>raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur. </al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                    echter wel een vergoeding worden gegeven voor de reis- en verblijfkosten in
                    verband met reizen binnen de gemeente. </al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is
                    niet nader ingevuld, omdat het een lokale aangelegenheid betreft. Omdat in het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen eigen vergoedingsregeling is
                    opgenomen, is in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, aansluiting gezocht bij
                    Regeling rechtspositie wethouders. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd. </al><tussenkop><vet>Artikelen 6 en 12 Scholing</vet></tussenkop><al>De kosten voor scholing komen rechtstreeks voor rekening van de gemeente en
                    vallen niet onder de vaste onkostenvergoeding. Een onderscheid is gemaakt tussen
                    cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de gemeente in het gemeentelijk
                    belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan het individuele
                    raadslid voor de vervulling van het raadslidmaatschap op eigen initiatief
                    deelneemt. Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente
                    worden gebracht. Om het algemeen belang van te benadrukken zijn er aanvullende
                    voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en
                    een kostenspecificatie). </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 7 Laptop en internetverbinding </tussenkop><al>Dit artikel geeft uitwerking aan artikel 7a lid 4 van het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden. Daarin staat onder andere dat de raad nadere regels
                    kan stellen over bruikleen van of een tegemoetkoming voor de aanschaf van
                    computervoorzieningen. </al><al>Vanaf 1 januari 2015 geldt het noodzakelijkheidscriterium. De mate van zakelijk
                    gebruik is dan niet langer relevant. Hiervoor in de plaats komt dan het
                    noodzakelijkheidscriterium waarbij de inhoudingsplichtige in beginsel bepaalt of
                    de aangeschafte computerapparatuur noodzakelijk is voor de behoorlijke
                    vervulling van de dienstbetrekking van een werknemer. Ten aanzien van
                    bestuurders geldt een verzwaring van de bewijslast. Het
                    noodzakelijkheidscriterium kan dan alleen worden toegepast als de
                    inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de voorziening gebruikelijk en tevens
                    noodzakelijk is voor deze groep functionarissen.</al><al>De nadere uitwerking is zo eenvoudig mogelijk gehouden met zo min mogelijk
                    administratie. </al><al>Het faciliteren van raadsleden kan via bruikleen of tegemoetkoming bij
                    aankoop.</al><al>Bij bruikleen verzorgt het college de voorzieningen en technische ondersteuning.
                    Daaronder valt niet, zoals in het verleden, het beschikbaar stellen van een
                    printer en het van gemeentewege verstrekken van papier. De digitaal beschikbaar
                    gestelde raadsinformatie kan op verzoek door de griffie op papier worden
                    verstrekt.</al><al>Bij een tegemoetkoming voor aanschaf van computerapparatuur moet via het
                    aankoopbewijs worden aangetoond dat het om een apparaat gaat dat voor het
                    raadswerk wordt benut. Het is raadzaam hierover vooraf met de griffier te
                    overleggen.</al><tussenkop><vet>Artikelen 8 en 15 Werkkosten regeling</vet></tussenkop><al>Door de werkkostenregeling worden een aantal netto-vergoedingen en
                    verstrekkingen door de gemeente aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Anders
                    worden deze door de belastingdienst als loon gezien en moet hierover belasting
                    worden ingehouden. Ook de vergoedingen en verstrekkingen die door de
                    belastingdienst worden gezien als gerichte vrijstellingen of voor nihil
                    waardering in aanmerking komen, moeten in eerste instantie wel worden
                    aangewezen. In een later stadium wordt dan (in de financiële administratie)
                    aangegeven dat dit gerichte vrijstellingen of nihil waarderingen betreft.</al><tussenkop><vet>Artikelen 9 en 10 Reiskosten woon-werk en zakelijke reiskosten
                    </vet></tussenkop><al>Voor wethouders is in artikel 9 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. </al><al>Ingevolge artikel 10 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                    gemaakt). Indien gemaakt met de eigen personenauto is de kilometervergoeding
                    overeenkomstig de Regeling rechtspositie wethouders. Onder openbaar vervoer
                    worden ook een veerboot of veerpont verstaan. Tol- en parkeerkosten worden niet
                    genoemd in de regeling en mogen daarom op grond van artikel 44 lid 3 Gemeentewet
                    niet worden vergoed.</al><al>Voor de bezwaarschriftencommissie, de welstandscommissie en de rekenkamer
                    bedraagt de vergoeding € 0,19 per kilometer. Vergoed worden de kilometers tussen
                    woning en vergaderplek (gemeentehuis Zandvoort). </al><tussenkop><vet>Artikelen 11 en 18 Buitenlandse dienstreis </vet></tussenkop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de gedragscode zijn nadere gedragsregels vastgesteld over
                    buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van derden. Het
                    college dient een expliciet besluit te nemen, ook als het gaat om bijvoorbeeld
                    de rekening en verantwoording achteraf (zowel inhoudelijk als financieel), het
                    meereizen van de partner en het combineren van een dienstreis met een (direct
                    voorafgaande of aansluitende) privé-reis. Ook gemeenteraden kunnen wel eens in
                    het gemeentelijk belang excursies of reizen naar het buitenland maken. Hiervoor
                    moet de gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt
                    in alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 13 Mobiele telefoon </tussenkop><al>De vergoedingen of verstrekkingen van een mobiele telefoon zijn geheel onbelast
                    als het zakelijk gebruik 10% of meer bedraagt. </al><al>Vanaf 1 januari 2015 geldt het noodzakelijkheidscriterium. De mate van zakelijk
                    gebruik is dan niet langer relevant. Hiervoor in de plaats komt dan het
                    noodzakelijkheidscriterium waarbij de inhoudingsplichtige in beginsel bepaalt of
                    de mobiele telefoon (= mobiel communicatiemiddel) noodzakelijk is voor de
                    behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking van een werknemer. </al><al>Ten aanzien van bestuurders geldt een verzwaring van de bewijslast. Het
                    noodzakelijkheidscriterium kan dan alleen worden toegepast als de
                    inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de voorziening gebruikelijk en tevens
                    noodzakelijk is voor deze groep functionarissen. </al><al>De abonnements- en (zakelijke) gesprekskosten komen voor rekening van de
                    gemeente. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die de
                    wethouder met de gemeente sluit. Het model van die overeenkomst is door het
                    college vastgesteld. </al><tussenkop>Artikel 14 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming </tussenkop><al>Ook personen van buiten de gemeenteraad kunnen tot wethouder worden benoemd. Dat
                    kunnen ook personen zijn die niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond
                    van de Gemeentewet verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder
                    zijn geworden. In artikel 14 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente
                    in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor
                    vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van de verhuizing volgens de
                    bepalingen in de artikelen 1 en 2 van de Regeling rechtspositie wethouders. De
                    vergoedingen zijn onbelast. </al><tussenkop>Artikel 16 vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen </tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Het gaat daarbij om commissies in de zin van de artikelen 82 en 84
                    Gemeentewet. Buitengewone leden die deelnemen aan commissievergaderingen kunnen
                    dus op basis van dit artikel presentiegeld ontvangen, mits zij de presentielijst
                    hebben getekend. </al><al>Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders, omdat hun vergoeding al
                    is geregeld in de rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening.
                    Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die
                    hoedanigheid deelnemen aan de vergaderingen. Uitgezonderd zijn tenslotte
                    vertegenwoordigers van belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in
                    belangrijke mate het gemeentelijk belang dient. De hoogte van het presentiegeld
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken
                    en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1 januari het maximum vast zoals dat
                    is herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. </al><al>In artikel 16, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                    bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager
                    bedrag vaststellen. </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                    mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                    gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                    bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 16, vierde lid, van de
                    verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is
                    ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse te kiezen. </al><al>Voor de leden van de welstandscommissie en de bezwaarschriftencommissie is in
                    2009 gekozen om het afwijkende bedrag vast te leggen in deze verordening. </al><tussenkop><vet>Artikelen 20 t/m 22 De procedure van declaratie </vet></tussenkop><al>In artikel 20 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. </al><tussenkop><vet>Declaratie van vooruitbetaalde kosten </vet></tussenkop><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten: </al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li></lijst><tussenkop><vet>Rechtstreekse facturering bij de gemeente </vet></tussenkop><al>Rekeningen kunnen rechtstreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen: </al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden
                            en wethouders</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders</al></li></lijst><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>