<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348323_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Gouda 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-78640.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAfgelopenMaand%26spd%3d20141122%26epd%3d20141222%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dGouda%26pnr%3d2%26rpp%3d10%26_page%3d1%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=2&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad, 2014, 78640</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Gouda 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a, lid 1.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35, lid 1.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35, lid 1.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>913147</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Gouda 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Gouda </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2014,
                        kenmerk 913147; </al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet en op
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel d van de IOAW en artikel 35, eerste lid,
                        onderdeel d, van de IOAZ;</al><al/><al>besluit vast te stellen de Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW
                        en IOAZ Gouda 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>- <cursief>grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname aan de
                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al><al><cursief>- korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname aan de
                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al><al><cursief>- mantelzorg: </cursief>hulp ten behoeve van zelfredzaamheid,
                            participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en
                            opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                            Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                            personen bestaande sociale relatie, en die niet wordt verleend in het
                            kader van een hulpverlenend beroep;</al><al><cursief>- vrijwilligerswerk:</cursief> werk dat in enig verband
                            onverplicht en onbetaald wordt verricht voor anderen of de samenleving.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden: </al><al>a) naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; </al><al>b) niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; </al><al>c) worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                            organisatie waarin ze worden verricht; en </al><al>d) niet leiden tot verdringing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid draagt het college geen
                                tegenprestatie op aan:</al><al>a. de belanghebbende die vrijwilligerswerk verricht van minimaal 4
                                uur per week;</al><al>b. de belanghebbende die mantelzorg verricht voor zover het
                                verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien
                                bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><al>a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door
                                een belanghebbende;</al><al>b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                                belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;</al><al>c. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                moeten in overweging worden genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 6
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 10 uren per
                                week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts
                                tweemaal worden opgedragen en omvat in die periode ten hoogste 26
                                dagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over
                                de doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een
                                tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van
                                de cliëntenadviesraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ Gouda 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 17 december 2014.</al><al/><al>De raad voornoemd. </al></slotformulering><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en
                        IOAZ Gouda 2015</titel></kop><al/><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en artikel 35, eerste lid,
                    onderdeel d van de IOAW en artikel 35, eerste lid, onderdeel d IOAZ. De
                    tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college
                    opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast
                    of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                    arbeidsmarkt. </al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet, artikel 37a, eerste lid, van de IOAW en artikel 37a, eerste
                    lid, van de IOAZ). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 38, eerste
                    lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ (artikel 9, zevende lid,
                    van de Participatiewet, artikel 37a, vierde lid, van de IOAW of artikel 37a,
                    vierde lid, van de IOAZ).</al><al/><al><cursief>Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de Afstemmingsverordening participatiewet, IOAW en IOAZ Gouda
                    2015. </al><al/><al><cursief>Weigering tegenprestatie </cursief></al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                    verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te
                    leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). </al><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </cursief>De bevoegdheid van het
                    college om een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te
                    verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De regering meent dat de
                    tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid is om te blijven
                    participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk, arbeidsritme en
                    regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook noodzakelijke
                    voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801,
                    nr. 3, p. 29). </al><al/><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument </cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering. </al><al/><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De verordeningsopdracht voor het opdragen van een tegenprestatie in de IOAW en
                    de IOAZ is tijdens het wetgevingstraject per ongeluk komen te vervallen. Met de
                    nota van wijziging Verzamelwet SZW 2015 is deze verordeningsopdracht opnieuw
                    opgenomen in de IOAW en de IOAZ: artikel 35, eerste lid, onderdeel d, van de
                    IOAW en artikel 35, eerste lid, onderdeel d, van de IOAZ (zie TK 2014-2015, 33
                    988, nr. 6, p. 57).</al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet, artikel 34, eerste lid, onderdeel b, van de IOAW en
                    artikel 34, eerste lid, onderdeel b, van de IOAZ.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet,
                        IOAW en IOAZ Gouda 2015</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                        Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                        gedefinieerd in deze verordening.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                        'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot de
                        arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar
                        geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in
                        verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie
                        hierover artikel 3 van deze verordening. </al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                        'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot de
                        arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één
                        jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang
                        in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie
                        hierover artikel 3 van deze verordening. </al><al/><al><cursief>Mantelzorg </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg.
                        Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (zie artikel 1.1.1.1 van de
                        Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Onder mantelzorg wordt verstaan: </al><al>hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang,
                        jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige
                        diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit
                        uit een tussen personen bestaande sociale relatie, en die niet wordt
                        verleend in het kader van een hulpverlenend beroep</al><al>Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 3, lid 2 van deze
                        verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een
                        belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg
                        naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al/><al><cursief>Verschil tussen mantelzorg en gebruikelijke zorg</cursief></al><al>In het begrip ‘mantelzorg’ is vastgelegd dat het gaat om hulp die
                        voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie. Bij het
                        verlenen van mantelzorg gaat het om het bieden van iets extra's dat qua duur
                        en qua intensiteit de normale gang van zaken overstijgt. Het gaat om hulp
                        die verder gaat dan de hulp die mensen geacht worden elkaar te geven op
                        basis van algemeen aanvaarde opvattingen over wat gebruikelijke hulp is.
                        Gebruikelijke zorg is in ieder geval niet indiceerbaar volgens de
                        indicatiestelling binnen de AWBZ, mantelzorg is dat in principe wel. Vaak is
                        er – in tegenstelling tot normale situaties in het huishouden – sprake van
                        een situatie die wordt gekenmerkt door het in de knel komen van
                        maatschappelijke verplichtingen en persoonlijke voorkeuren. (zie Nota naar
                        aanleiding van verslag wetsvoorstel maatregelenen WWB, p. 6 &amp; Memorie
                        van toelichting Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, p. 94)</al><al/><al><cursief>Vrijwilligerswerk </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie van vrijwilligerswerk
                        opgenomen. Deze begripsbepaling is de gebaseerd op kamerstuk <cursief>TK
                            2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2</cursief> en wordt overgenomen in het
                        Goudse beleidsplan– ‘Vrijwilligers hebben de toekomst’, vastgesteld op
                        28-5-2013.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Artikel 2 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                        inhoud van de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij
                        het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de
                        individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd,
                        opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De
                        werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van
                        belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten
                        (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                        ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                        duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet
                        voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem
                        wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                        ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al/><al><cursief>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </cursief></al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                        additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                        werkzaamheden voldoen aan de in artikel 2 van deze verordening genoemde
                        voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                        werkzaamheid: </al><al>a) naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; </al><al>b) niet is bedoeld als re-integratieinstrument; </al><al>c) wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                        organisatie waarin deze worden verricht; en </al><al>d) niet leidt tot verdringing. </al><al/><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                        tegenprestatie, dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                        Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815,
                        nr. 3, p. 14). </al><al/><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        </cursief></al><al>In artikel 2 van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie
                        onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel
                        van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de
                        tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de
                        reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en
                        onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren
                        en van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                        overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al/><al><cursief>Toets op verdringing</cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie.
                        De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar
                        de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het
                        betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op
                        reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de
                        arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie
                        worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of
                        van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                        uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                        van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                        32 815, nr. 3, p. 14).Het college zal bij het opdragen van een
                        tegenprestatie toetsen of deze niet tot verdringing op de arbeidsmarkt
                        leidt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                        college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                        opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan
                        bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). </al><al/><al><cursief>Belanghebbende met een grote afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het college
                        een tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een
                        belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit
                        impliceert dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                        hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen. De gemeenteraad heeft hiervoor
                        gekozen opdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt zich
                        volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals
                        het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met
                        een korte afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat
                        hun inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt in
                        beginsel aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt geen
                        tegenprestatie opgedragen. De tegenprestatie mag immers het accepteren van
                        passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet belemmeren aangezien
                        werk boven uitkering als uitgangspunt geldt Alleen als er sprake is van
                        bijzondere omstandigheden kan het college personen met een korte afstand tot
                        de arbeidsmarkt een tegenprestatie opleggen (zie hierover de toelichting bij
                        artikel 3, tweede lid, onder " Belanghebbende met een korte afstand tot de
                        arbeidsmarkt"). Zie artikel 1 van deze verordening voor de begrippen korte
                        en grote afstand tot de arbeidsmarkt. </al><al/><al><cursief>Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                        </cursief></al><al>Artikel 3, derde lid, van deze verordening bepaalt dat het college een
                        belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie
                        kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan
                        bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen
                        re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het
                        verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs
                        niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie
                        op te leggen. </al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                        college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht
                        tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                        Participatiewet, artikel 37a, eerste lid, van de IOAW en artikel 37a, eerste
                        lid, van de IOAZ). </al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van
                        toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
                        is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                        (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet) De verplichting tot
                        tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het
                        bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                        Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al><al>Artikel 3, tweede lid, van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                        wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het
                        college het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De
                        regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van
                        wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 24, p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria
                        van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze
                        verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze
                        verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college
                        redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen
                        tegenprestatie op (artikel 3, tweede lid, van deze verordening). </al><al/><al>Vrijwilligerswerk</al><al>Artikel 3, tweede lid, van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                        wordt opgedragen indien een belanghebbende vrijwilligerswerk verricht dat
                        naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als
                        bedoeld in deze verordening. Of hier sprake van is wordt getoetst aan de
                        criteria van het begrip vrijwilligerswerk zoals neergelegd in artikel 1 van
                        deze verordening. Verder moet het vrijwilligerswerk een omvang hebben van
                        tenminste 4 uur per week.</al><al/><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>In artikel 3, vierde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                        factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                        tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. </al><al/><al><cursief>Factor: tegenprestatie 'naar vermogen' </cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                        door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen'
                        heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om
                        deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke
                        uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al/><al><cursief>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                            belanghebbende </cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                        persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                        waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                        Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).
                        Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van
                        een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college
                        maatwerk te leveren. Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie
                        rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd,
                        beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke
                        activiteiten verricht. </al><al/><al><cursief>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende
                        </cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                        rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                        regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op
                        de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47).
                        Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te
                        verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer
                        een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk
                        nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de
                        door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel
                        van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                        tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij
                        of krachtens artikel 2 van deze verordening en moet die werkzaamheid
                        beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van
                        een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt
                        belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een
                        lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er
                        geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is
                        immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie
                        op te dragen aan belanghebbende. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Artikel 4 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                        duur en omvang van de tegenprestatie. </al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                        belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                        werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                        betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie
                        in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 30). </al><al/><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in </cursief><cursief>maanden</cursief></al><al>Artikel 4, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                        maximale duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur
                        van 6 maanden. </al><al/><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in uren </cursief></al><al>Artikel 4, tweede lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                        maximaal aantal uren. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 10
                        uren per week. Voor het minimaal aantal uren is gekozen om personen
                        werkzaamheden te laten verrichten van enige omvang. Voor het maximaal aantal
                        uren is gekozen om de tegenprestatie van relatief geringe omvang te laten
                        zijn. </al><al>Artikel 4, derde lid, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie binnen
                        een periode van twaalf maanden slechts tweemaal kan worden opgedragen en
                        omvat in die periode ten hoogste 26 dagen. Het gaat daarbij om een
                        aaneengesloten periode van twaalf maanden. Deze bepaling waarborgt dat de
                        tegenprestatie relatief gering wordt ingezet. De tegenprestatie dient immers
                        niet in de weg te staan aan de re-integratie van een belanghebbende.
                        Bovendien is het verstandig de tegenprestatie relatief gering in omvang en
                        duur in te zetten om aan de veilige kant van de internationale bepalingen
                        met betrekking tot het verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid te blijven
                        (artikel 4 EVRM). Het is volgens de gemeenteraad onwenselijk om een
                        belanghebbende vaker dan tweemaal per periode van twaalf maanden in te
                        zetten. Daarbij geldt bovendien dat de tegenprestatie in die periode in
                        totaal slechts voor ten hoogste 26 dagen kan worden ingezet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al><cursief>Geen werkzaamheden voorhanden </cursief></al><al>Artikel 5 van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                        opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        voorhanden zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                        datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel d, van de IOAW en artikel 35, eerste lid,
                        onderdeel d, van de IOAZ, de verordeningsopdracht voor de gemeenteraad
                        neergelegd om regels in de verordening vast te stellen over het opdragen van
                        een tegenprestatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>