<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348234_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelasting 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kapelle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kapelle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Scheldepost, 24 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikelen 220 t/m 220 h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/82d</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelasting 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Kapelle;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 november 2014,
                        nummer 2014/82d;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de navolgende:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2015 </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                    woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                    recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen:
                                    gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als
                                    gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven
                                    (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld,
                            tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
                            eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                            hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                            heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                            daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                            glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt
                            van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                            gebruiken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt
                            van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in
                            onderdeel a bedoelde grond;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                            eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                            levens beschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
                            Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden
                            genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928,
                            met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                            zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                            volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                            uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                            worden;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail,
                            een en ander met inbegrip van kunstwerken</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                            woning;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                            en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                            publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>werktuigen, die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                            zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                            toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te
                            merken;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de
                            publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige
                            onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                            onderwijs;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -
                            niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het
                            publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente,
                            zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                            fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn
                            of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                            die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen
                            van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de gebruikersbelasting 0,1735%;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de eigenarenbelasting</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1129%;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                            0,2128%;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor belastingbedragen tot € 10,-- vindt geen invordering plaats. Voor
                            de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één
                            aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                            onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de
                            eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand, volgend op de
                            maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de
                            tweede twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van
                            de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet
                            maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,00 doch
                            minder dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel
                            van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de
                            aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de
                            maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de
                            aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het
                            aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste
                            termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk
                            van de volgende termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014 van 17 december 2013
                                wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum
                                van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing
                                blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening
                                onroerende-zaakbelastingen 2015.</al></li></lijst><al/><al>Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Kapelle van
                        16 december 2014.</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>Mevrouw J.J.M.M. Chamalaun mr. A.B. Stapelkamp</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>