<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348226_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almere</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Almere, nr. 124, 20-11-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikelen 2.1.3, 2.1.4, derde en zevende lid, 2.1.6, en 2.6.6, eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV-61/2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almere</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Almere;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en
                        wethouders;</al><al/><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4,derde enzevende
                        lid<cursief>, </cursief>2.1.6, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de Verordening maatschappelijke
                        ondersteuninggemeente Almere.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet
                                    speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die
                                    algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan
                                    vergelijkbare producten;</al></li><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van
                                    de wet;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                    wet;</al></li><li nr="-"><al>voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere
                                    voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;</al></li><li nr="-"><al>maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en
                                    mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten,
                                    hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, als
                                    bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; - wet: Wet maatschappelijke
                                    ondersteuning 2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met
                            2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met
                            de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening
                            voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in
                            aanmerking komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                        participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt
                                        deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op
                                        eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                                        hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel
                                        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen
                                        of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                        maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                        uitkomsten van het in artikel 2.3.2. van de wet bedoelde
                                        onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een
                                        situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot
                                        zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de
                                        eigen leefomgeving kan blijven,en</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in
                                        de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                                        problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten,
                                        al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als
                                        gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze
                                        problemen naar het oordeel van het college niet op eigen
                                        kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp
                                        van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                        gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of
                                        wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend
                                        met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2. van de wet
                                        bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien
                                        in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang
                                        en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in
                                        staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen
                                        kracht te handhaven in de
                                        samenleving<cursief>.</cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                                eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                                verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                                afgeschreven,</al><lijst><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan
                                        als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn
                                        toe te rekenen;</al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                        veroorzaakte kosten, of</al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een
                                        oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                        maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college
                                de goedkoopst adequate voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in
                                de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van
                                        toepassing, en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld, en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover
                                in de beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet
                                verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking
                                heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening
                                van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de
                                ingekochte voorziening noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze de hoogte van
                                een pgb wordt vastgesteld.3. Het college bepaalt bij
                                nadere regeling onder welke voorwaarden, betreffende het tarief, een
                                cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om
                                diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te
                                betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal
                                    netwerk<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van algemene
                                voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                cliëntenondersteuning, kan de cliënt een bijdrage in de kosten
                                verschuldigd zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                        bijdrage is;</al></li><li nr="c."><al>voor welke groep personen een korting geldt op de bijdrage
                                        voor een algemene voorziening, en</al></li><li nr="d."><al>hoe hoog de korting voor de vastgestelde groep personen is
                                        op de bijdrage voor een algemene voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zodra het college een maatwerkvoorziening in een algemene
                                voorziening wil omzetten zal het college daartoe aan de raad een
                                voorstel ter besluitvorming voorleggen. Dit raadsvoorstel zal
                                voorzien zijn van het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>wat voor deze voorziening de hoogte van de bijdrage is;
                                    </al></li><li nr="b."><al>voor welke groep personen een korting geldt op de bijdrage
                                        voor deze voorziening, en </al></li><li nr="c."><al>hoe hoog de korting voor de vastgestelde groep personen is
                                        op de bijdrage voor deze voorziening.”</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van
                                maatwerkvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor een maatwerkvoorziening of pgb is de cliënt een bijdrage in de
                                kosten verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van de eigen bijdrage, passend binnen de kaders
                                        van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, en afhankelijk van het
                                        inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot,</al></li><li nr="b."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en
                                        pgb wordt bepaald, en</al></li><li nr="c."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen
                                        bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de wet, de
                                        bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden
                                        vastgesteld en geïnd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van
                                een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd,
                                is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders,
                                daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1
                                van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene
                                die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over
                                een cliënt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen -eisen
                                met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen- door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie
                                        van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                        zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                        werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen
                                        handelen in overeenstemming met de professionele
                                        standaard;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                                        en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                        andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb
                                        is aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                        achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of
                                        het pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                        ander doel gebruikt.]</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn
                                medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                                vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten
                                onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van
                                pgb’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                                chronische problemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in
                                artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking
                                of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee
                                verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming
                                verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
                                participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al><lijst><li nr="a."><al>regels met betrekking tot inkomensgrens en draagkracht;</al></li><li nr="b."><al>hoe de hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder
                                    geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie
                                            tot de zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten; </al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van
                                            het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                            werkoverleg;</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren overige
                                    voorzieningen, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de
                                            voorziening van de leverancier worden gevraagd,
                                            zoals:</al><al>1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de
                                            voorziening; </al><al>2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de
                                            voorziening; </al><al>3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening, en</al><al>4°. verplichte deelname in bepaalde
                                            samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal wijkteams). </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                klachten van cliënten ten aanzien van de door de aanbieder
                                aangeboden voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                                overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap
                                van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                                gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door de aanbieder
                                aangeboden voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                                periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                ondersteuning te doen, gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen
                                bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen
                                betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van
                                ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening voorzieningen Wmo Almere en de Verordening eigen
                                bijdrage maatschappelijke opvang en vrouwenopvang centrumgemeente
                                Almere 2014 worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op
                                grond van de Verordening voorzieningen Wmo Almere, totdat het
                                college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee
                                deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen Wmo
                                Almere en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van
                                deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                                voorzieningen Wmo Almere wordt beslist met inachtneming van die
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning Almere 2015.</al></li></lijst><al/><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 oktober
                        2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>J.D. Pruim A. Jorritsma-Lebbink</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke
                            ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit
                            van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting –
                            financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de
                            Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden
                            toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’
                            Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd
                            op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                            redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal
                            netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem
                            in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als
                            dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt
                            geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk
                            verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. </al><al/><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden
                            om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten
                            helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met
                            gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan
                            wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan
                            doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren,
                            om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening
                            kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of
                            sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de
                            reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen
                            deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie
                            dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen
                            te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure
                            daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt
                            uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden;
                            ondersteuning waar ondersteuning nodig is. </al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                            maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende
                            bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of
                            beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen
                            vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen
                            de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente
                            zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar
                            de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of
                            de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een
                            situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of
                            participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan
                            blijven.</al><al/><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het
                            college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college
                            gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of
                            bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het
                            college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan
                            ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene
                            regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college
                            de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen
                            mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de
                            toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor
                            mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling
                            van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.</al><al/><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de
                            gemeenteraad per verordening de regels dient vast te stellen die
                            noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk
                            beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de
                            verordening <onderstreept>dient</onderstreept> overeenkomstig de
                            artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende
                            lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld
                                    of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                                    vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen,
                                    inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van
                                    beroepskrachten;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de
                                    afhandeling van klachten van cliënten vereist is;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor
                                    medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de
                                    aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn, vereist
                                    is;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun
                                    vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet,
                                    voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd
                                    advies kunnen uitbrengen over verordeningen en
                                    beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel
                                    kunnen nemen aan periodiek overleg;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt
                                    berekend; en</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk
                                    van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de
                                    gemeente.</al><al/></li></lijst><al>Ook <onderstreept>dient</onderstreept> de gemeente overeenkomstig de
                            artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per
                            verordening regels te stellen: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                                    maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van
                                    misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                                    levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                                    voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering
                                    van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient
                                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de
                                    beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</al><al/></li></lijst><al>Daarnaast <onderstreept>kan</onderstreept> de gemeente op grond van de
                            artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en
                            2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                                    cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage
                                    verschuldigd zullen zijn;</al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                                    voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf
                                    inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening
                                    verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat
                                    op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die
                                    behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage
                                    afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en
                                    zijn echtgenoot;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een
                                    andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf
                                    de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan
                                    diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als
                                    ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt
                                    uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische
                                    psychische of psychosociale problemen die daarmee verband
                                    houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming
                                    wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
                                    participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn
                                    met betrekking tot de financiële draagkracht;</al></li><li nr="-"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de
                                    persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de
                                    ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het
                                    sociale netwerk.</al><al/></li></lijst><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de
                            raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te
                            stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren
                            beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. </al><al/><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Een <onderstreept>algemeen gebruikelijke
                            voorziening</onderstreept>is bijvoorbeeld een elektrische fiets.
                            ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet
                            gedefinieerd en is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt.
                            Zie ook de wettelijke definitie hieronder.</al><al/><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in
                            artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn
                            voor deze verordening. </al><al/><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                            (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                            ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid) en ‘beschikking’ (artikel 1:2).
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning.</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening </titel></kop><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad
                            bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college
                            kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor
                            zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking
                            komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II
                            2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het
                            verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt.
                            Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per
                            gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per
                            gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in
                            iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in
                            de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen
                            zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte
                            en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in
                            welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit
                            artikel is deze verplichting uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4 Inhoud beschikking</nr><titel/></kop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in
                            ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de
                            mogelijkheid van het toekennen van een budget. </al><al/><al>Het ‘beoogde resultaat’ is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een
                            scootmobiel’. </al></divisie><divisie><kop><nr/><titel/></kop><al> Onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is
                            afgeschreven. </al><al/><al>Het derde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het
                            college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de
                            beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid
                            van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde
                            lid, van de wet, waarin is bepaald datde bijdrage voor een
                            maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met
                            uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente
                            geïnd door het CAK.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb
                            verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan
                            zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang
                            is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd
                            vraagt. Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is
                            dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen
                            (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II
                            2013/14, 33 841, nr. 103).</al><al/><al>Het eerste lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om
                            achteraf kosten te declareren. </al><al/><al>Het tweede lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet.
                            Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke
                            wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de
                            hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken
                            II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente
                            bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een
                            percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het
                            verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee
                            ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van
                            het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor
                            verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen
                            hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de
                            verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die
                            wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken
                            volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen
                            (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). </al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van
                            het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel
                            2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de
                            cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent
                            dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan
                            worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door
                            hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde
                            aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat
                            duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich
                            bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                            maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer
                            iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht
                            worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er
                            minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte
                            van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de
                            betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte
                            maatwerkvoorziening in natura. </al><al/><al>Ten aanzien van het zesde lid is van belang dat in de nota naar
                            aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de
                            regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook
                            mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de
                            beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot
                            die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit
                            aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                            aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
                            betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan
                            diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij
                            hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed
                            denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor
                            gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het
                            oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten,
                            hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig,
                            doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                            lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als
                            bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het
                            college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                            maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het
                            persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van
                            de wet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>en 7. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                                voorzieningen</titel></kop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met
                            derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.</al><al/><al>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van
                            algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de
                            kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag
                            kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag
                            (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de
                            regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te
                            bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt
                            verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze
                            beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig
                            mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening
                            uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij
                            om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat
                            de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</al><al/><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot
                            een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4,
                            derde lid, eerste zin, van de wet) en in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning worden regels vastgesteld met betrekking tot deze
                            bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in
                            de verordening moeten passen binnen de kaders die het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning stelt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in
                            artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in
                            de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld
                            aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                            begrepen<cursief>.</cursief></al><al/><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van
                            voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om
                            in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan
                            aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen
                            hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De
                            regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3,
                            tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3)
                            dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                            wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij
                            uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt
                            verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met
                            organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan
                            kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al><al/><al>In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                            uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse
                            cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste
                            lid, van de wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in
                            artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de
                            verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van
                            het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb,
                            alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                                wet<cursief>.</cursief></al><al/><al>[<cursief>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van
                                hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8,
                                2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening
                                wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de
                                bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                                maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk
                                gebruik van de wet.</cursief>]</al><al/><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de
                            bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen drie maanden
                            na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is
                            getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of
                            gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een
                            verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens
                            op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al/><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het
                            verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college
                            gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte
                            verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het
                            college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit
                            de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33
                            841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid
                            blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het
                            niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                            terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten
                            maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in
                            aanmerking komt<cursief>.’ </cursief></al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het
                            college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in
                            bruikleen verstrekte voorzieningen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in
                            artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt
                            bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk
                            van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al/><al>Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van
                            cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt
                            als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening,
                            maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan.
                            Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben
                            aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet
                            uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het
                            dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                                chronische problemen</titel></kop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet.
                            Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het
                            college aan personen met een beperking of chronische psychische of
                            psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning
                            van de zelfredzaamheid en de participatie.</al><al/><al>De tegemoetkoming kan op aanvraag kan verstrekt. De beslissing op een
                            dergelijke aanvraag is een beschikking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de
                            vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders
                            laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op
                            gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij
                            verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede
                            verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de
                            eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste
                            lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met
                            de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                                arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                            uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd
                            waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs)
                            rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld
                            ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door
                            aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder
                            kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de
                            vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de
                            vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit
                            biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij
                            de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een
                            behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over
                            gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar
                            verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al>In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van
                            aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van
                            artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald
                            datin de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien
                            van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten
                            van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de
                            verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te
                            stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3,
                            blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over
                            alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend
                            voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een
                            gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is
                            gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt
                            niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan
                            om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke
                            ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een
                            bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                            (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel
                            mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij
                            moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in
                            behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de
                            afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het
                            indienen van de klacht open.</al><al/><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college
                            aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door
                            aanbieders goed wordt uitgevoerd</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                ondersteuning</titel></kop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van
                            de wet, waarin is bepaald datin ieder geval moet worden
                            bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor
                            medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder
                            welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. </al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                            aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet
                            klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen
                            (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de
                            aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is
                            het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. </al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een
                            regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is
                            ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht
                            een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid,
                            onder b, van de wet).</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college
                            aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door
                            aanbieders goed wordt uitgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.
                        </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>