<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348188_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Website Loon op Zand/Bekendmakingen, maandag 15 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke Ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Besluit</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregels Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>RAADSBESLUIT</vet></al><al><vet>Onderwerp: Verordening maatschappelijke
                        ondersteuning</vet><vet>gemeente Loon op Zand
                        </vet><vet>2015</vet></al><al>De raad van de gemeente Loon op Zand;</al><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        de gemeente Loon op Zand van 7 oktober 2014;</al><al>Gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende
                        lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6,
                        eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al>Overwegende dat:</al><lijst><li nr="-"><al>burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                                waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het
                                maatschappelijk leven; </al></li><li nr="-"><al>dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar
                                vermogen bijstaan; </al></li><li nr="-"><al>dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                                onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot
                                participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning
                                door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen
                                leefomgeving kunnen blijven wonen; </al></li><li nr="-"><al>dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering
                                van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met
                                betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de
                                zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking
                                of met chronische psychische of psychosociale problemen,
                                beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de
                                toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor
                                mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen
                                aan het realiseren van een inclusieve samenleving;</al></li><li nr="-"><al>de gemeente Loon op Zand naar een samenleving toe wil waarin
                                burgers, verenigingen en stichtingen, het maatschappelijk
                                middenveld en commerciële organisaties zichzelf en anderen
                                helpen, dan wel activiteiten met en voor elkaar organiseren. Als
                                een burger het echt niet zelf en met zijn sociale netwerk redt,
                                dan zorgt de gemeente Loon op Zand voor ondersteuning. </al></li></lijst><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al>vast te stellen de:</al><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning</vet><vet>gemeente
                        Loon op Zand </vet><vet>2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Begrippen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>aanm</cursief><cursief>eldformulier</cursief>: een
                                        papieren dan wel digitaal formulier van de gemeente Loon op
                                        Zand dat kan worden gebruikt door de cliënt om een hulpvraag
                                        te melden aan het college. Hiermee wordt geen aanvraag
                                        ingediend voor een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="b."><al><cursief>aan</cursief><cursief>melding</cursief>: kenbaar
                                        maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in
                                        artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="c."><al><cursief>algemeen gebruikelijke voorziening</cursief>:
                                        voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een
                                        beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet
                                        veel duurder is dan vergelijkbare producten;</al></li><li nr="d."><al><cursief>huisgenoot:</cursief> iedere meerderjarige persoon
                                        met wie de cliënt duurzaam gemeenschappelijk een huishouden
                                        voert;</al></li><li nr="e."><al><cursief>andere voorziening</cursief>: voorziening anders
                                        dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                                        2015;</al></li><li nr="f."><al><cursief>beleidsregels</cursief>: Beleidsregels
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand;</al></li><li nr="g."><al><cursief>besl</cursief><cursief>u</cursief><cursief>it</cursief>:
                                        Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op
                                        Zand;</al></li><li nr="h."><al><cursief>bijdrage</cursief><cursief> in de kosten</cursief>:
                                        bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de
                                        wet;</al></li><li nr="i."><al><cursief>gemeenschappelijke ruimte</cursief>: Tot een gebouw
                                        behorende ruimte waarop twee of meer woningen zijn
                                        aangewezen, bijvoorbeeld de hal of het trapportaal van een
                                        appartementencomplex;</al></li><li nr="j."><al><cursief>goedkoopst compenserende oplossing:</cursief> de
                                        algemene of individuele voorziening die naar objectieve
                                        maatstaven gemeten, van de geschikte oplossingen de meest
                                        goedkope, maar wel adequate ondersteuning biedt; </al></li><li nr="k."><al><cursief>hoofdverblijf:</cursief> de woonruimte waar de
                                        cliënt blijkens concrete feiten en omstandigheden zijn vaste
                                        woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres deze persoon
                                        in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven,
                                        dan wel zal staan ingeschreven; </al></li><li nr="l."><al><cursief>hulpvraag</cursief>: behoefte aan maatschappelijke
                                        ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van
                                        de wet;</al></li><li nr="m."><al><cursief>ingezetene</cursief>: cliënt die hoofdverblijf
                                        heeft in de gemeente Loon op Zand;</al></li><li nr="n."><al><cursief>onverwijld</cursief>: zo spoedig mogelijk, doch in
                                        ieder geval binnen drie werkdagen;</al></li><li nr="o."><al><cursief>persoonlijk plan</cursief>: plan waarin de cliënt
                                        de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid,
                                        onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft
                                        welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het
                                        meest is aangewezen;</al></li><li nr="p."><al><cursief>uitvoeringsbesluit</cursief>: Uitvoeringsbesluit
                                        Wmo 2015;</al></li><li nr="q."><al><cursief>wet</cursief>: Wet maatschappelijke ondersteuning
                                        2015.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt onder de overige
                                begrippen in deze verordening verstaan hetgeen de wet daaronder
                                verstaat.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Aanmelding, onderzoek en aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Aanmelding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden
                                aangemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een aanmelding al dan niet
                                schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een
                                gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                                kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt
                                uitgangspunt is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaand het
                                onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de
                                mogelijkheid om gebruik te maken van gratis
                                cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college nodigt de cliënt uit tot het indienen van een
                                persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de aanmelding
                                in de gelegenheid het plan te overhandigen. Daarbij wordt de cliënt
                                door het college gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning
                                als genoemd in artikel 3. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als
                                bedoeld in artikel 6 van deze verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatie en identificatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de
                                gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover
                                hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 7, stelt het college de
                                identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt
                            gevoerd met de cliënt zelf. </al><al>Indien cliënt niet zelf het gesprek kan voeren, dan kan de cliënt zich
                            laten vertegenwoordigen door zijn mantelzorger, zijn familie of een
                            andere vertegenwoordiger.</al></li><li nr="2."><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het
                                    gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en
                                    vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te
                                    verwerken.</al></li><li nr="3."><al>De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet
                                    maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de
                                    basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens
                                    vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld
                                    welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een
                                    maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget en
                                    wat de gevolgen van die keuze zijn.</al></li><li nr="5."><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college in
                                    overleg met de cliënt afzien van een gesprek. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek indien dit noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen tien werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de
                                cliënt een verslag van het onderzoek. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het
                                verslag toegevoegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend
                                of als sprake is van gebruikelijke hulp de relevante huisgenoten: </al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen.</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet
                                        eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder
                                        een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd.</al></li><li nr="b."><al>het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel
                                        eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals
                                        bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische
                                        omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde
                                        omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort
                                        van voorziening kunnen beïnvloeden.</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan
                                nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                                uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een
                                cliënt schriftelijk bij het college worden ingediend. Een aanvraag
                                wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld
                                formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening,
                                verstrekt het college desgevraagd terstond een document als bedoeld
                                in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Criteria voor maatwerkvoorziening</titel></kop><al>1.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><al>a.ter compensatie van de beperkingen als gevolg waarvan cliënt niet
                            voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover
                            de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan
                            verminderen of wegnemen</al><lijst><li nr="i."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="ii."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="iii."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="iv."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;</al></li><li nr="v."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen;
                                    of</al></li><li nr="vi."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al></li></lijst><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van
                            het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                            bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat
                            wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in
                            de eigen leefomgeving kan blijven, en/of</al><al>b.ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                            samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en
                            de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband
                            met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor
                            zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan
                            verminderen of wegnemen</al><lijst><li nr="i."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="ii."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="iii."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="iv."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;</al></li><li nr="v."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen;
                                    of</al></li><li nr="vi."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al></li></lijst><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van
                            het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                            bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd
                            wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt
                            in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te
                            handhaven in de samenleving.</al><al>2.Een maatwerkvoorziening is slechts mogelijk indien niet kan worden
                            voldaan aan het gestelde in lid 1 of lid 2 en voor zover deze als de
                            goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover met betrekking tot de problematiek die in het
                                        gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot
                                        ondersteuning, een voorziening op grond van een andere
                                        wettelijke bepaling bestaat;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                                        hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit
                                        zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene
                                        voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="d."><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen
                                        gebruikelijk is;</al></li><li nr="e."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt voorafgaand
                                        aan het indienen van de aanvraag zelf heeft bekostigd en
                                        waarvan niet meer is na te gaan of de betreffende
                                        voorziening op dat moment noodzakelijk was;</al></li><li nr="f."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt na de
                                        melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of
                                        geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk
                                        toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan
                                        worden vastgesteld;</al></li><li nr="g."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening
                                        die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige
                                        wettelijke bepaling of regeling en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken
                                        is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening
                                        verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet
                                        aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel
                                        of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;</al></li><li nr="h."><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is
                                        gericht;</al></li><li nr="i."><al> indien de cliënt tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid heeft betoond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie
                                wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>als deze niet langdurig noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Loon op
                                        Zand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen woningaanpassing wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in
                                        de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                        kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen
                                        ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van
                                        een voorziening voor verhuizing en inrichting;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                                        betreft;</al></li><li nr="d."><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor
                                        geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de
                                        zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden
                                        voor verhuizing aanwezig is;</al></li><li nr="e."><al>indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij
                                        daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door
                                        het college.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening,
                                wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als
                                persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt
                                de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum en duur van de verstrekking;</al></li><li nr="d."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de voorziening; en</al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing: welke andere voorzieningen relevant
                                        zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>aan welk resultaat het persoonsgebonden budget kan worden
                                        besteed;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit
                                        tot stand is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarop het
                                        persoonsgebonden budget ziet;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget, en </al></li><li nr="f."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming
                                met artikel 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tarief voor een persoonsgebonden budget:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het
                                persoonsgebonden budget gaat besteden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen;
                                en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie
                                goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budgetvoor een
                                maatwerkvoorziening wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de
                                maatwerkvoorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben
                                ontvangen als de maatwerkvoorziening in natura zou zijn verstrekt.
                                Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt
                                de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de
                                verkorte termijn waarop de voorziening technisch is afgeschreven,
                                rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de
                                naturaverstrekking een nieuwe maatwerkvoorziening betreft, wordt de
                                kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door
                                de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud
                                en verzekering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een cliënt ten behoeve van wie een persoonsgebonden budget wordt
                                verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                maatregelen onder de volgende voorwaarden betreffende het tarief
                                betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten dan
                                door het college in het Besluit vastgestelde tarief. Dit lagere
                                tarief wordt door het college in het Besluit vastgesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                                persoonsgebonden budget worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden
                                na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat
                                waarvoor het is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Geen persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij dure (maatwerk)voorzieningen voor jeugdigen, waarbij vervanging
                                en/of aanpassing frequent noodzakelijk is op basis van de te
                                verwachten lichaamsgroei en/of lichaamsveranderingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij dure (maatwerk)voorzieningen, waarbij vervanging en/of
                                aanpassing frequent noodzakelijk is op basis van de progressie van
                                het ziektebeeld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>als de omstandigheden van dien aard zijn, dat slechts tijdelijk
                                gebruik van een voorziening te verwachten is; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>als de ondersteuning van een niet professionele zorgaanbieder
                                waarvoor het persoonsgebonden budget aangewend zou worden,
                                contra-geïndiceerd is. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte
                                van het persoonsgebonden budget.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Controle</titel></kop><al>1.Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de
                            verstrekte voorzieningen worden</al><al>gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.
                            Dit kan onderzocht </al><al>worden aan de hand van het in artikel 13 lid 2 sub genoemde plan. </al><al>2.Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking
                            tot de controle op de</al><al>2. besteding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op grond van artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                    college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling
                                    van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot
                                    heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of
                                    2.3.6 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Op grond van artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                    beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet
                                    herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al></li><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                    beslissing zou hebben geleid; </al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het
                                    persoonsgebonden budget is aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer
                                    toereikend is te achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                    persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget
                                    niet of voor een ander doel gebruikt.</al></li><li nr="3."><al>Een beslissing tot het verlenen van een persoonsgebonden budget
                                    kan worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden
                                    budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor
                                    de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                                    plaatsgevonden.</al></li><li nr="4."><al>Als het college de beslissing op grond van het tweede lid, onder
                                    a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of
                                    onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft
                                    plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die
                                    daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of
                                    gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                                    maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden
                                    budget.</al></li><li nr="5."><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></li><li nr="6."><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></li><li nr="7."><al>De eigenaar-bewoner die krachtens deze verordening een
                                    woningaanpassing heeft ontvangen die leidt tot waardestijging
                                    van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een
                                    periode van zeven jaar na gereedmelding van de
                                    woningaanpassing:</al></li><li nr="·"><al>deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden;
                                    en</al></li><li nr="·"><al>de kosten van de verstrekte woningaanpassing, volgens het in het
                                    Besluit</al></li></lijst><al>vastgelegde afschrijvingsschema, aan het college terug te betalen, dit
                            onder aftrek van eventueel betaalde eigen bijdrage.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                cliëntondersteuning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een persoonsgebonden
                                budget. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt
                                bepaald:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>door een aanbesteding;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>na een consultatie in de markt, of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in overleg met de aanbieder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een persoonsgebonden budget is de kostprijs van de goedkoopst
                                compenserende voorziening gelijk aan het verstrekte bedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten
                                zijn gelijk aan de bedragen en percentages opgenomen in het
                                uitvoeringsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bedragen in de kosten voor opvang worden door de instelling die
                                de opvang verleent vastgelegd en geïnd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De bedragen in de kosten voor beschermd wonen worden door het CAK
                                vastgelegd en geïnd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een
                                minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd
                                door:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie
                                een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond
                                verzoek is toegewezen, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                uitoefent voer een cliënt.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage
                                verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn
                                ontheven of ontzet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>Kwaliteit en veiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen,
                                waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de
                                cliënt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in
                                het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                overeenstemming met de professionele standaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de
                                kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                                deskundigheid en het kunnen overleggen van een verklaring omtrent
                                het gedrag van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                zwaarte van de functie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
                                en</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>kosten voor bijscholing van personeel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de marktprijs van de voorziening, en </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de
                                leverancier worden gevraagd, zoals:</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al> aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;</al></lid><lid><lidnr>ii.</lidnr><al> instructie over het gebruik van de voorziening;</al></lid><lid><lidnr>iii.</lidnr><al> onderhoud van de voorziening, en </al></lid><lid><lidnr>iv.</lidnr><al> verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><al>1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                            geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een
                            toezichthoudend ambtenaar aan.</al><al>2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich
                            heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend
                            ambtenaar.</al><al>3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet
                            onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het
                            voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6:</nr><titel>Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten of chronische problemen</titel></kop><al>Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan op aanvraag
                            aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale
                            problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben,
                            een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
                            participatie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7:</nr><titel>Klachten, medezeggenschap en inspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Klachtenregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle
                                voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden zie het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de
                                aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van
                                alle voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden zie het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><al>1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                            geval cliënten of hun</al><al>vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende
                            maatschappelijke</al><al>ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de
                            Gemeentewet gestelde</al><al>regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al><al>2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                            voorstellen voor het beleid</al><al>betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te
                            brengen bij de</al><al>besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                            maatschappelijke</al><al>ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te
                            kunnen vervullen.</al><al>3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                            periodiek overleg, waarbij</al><al>zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden
                            voorzien van de voor</al><al>een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en
                            ondersteuning.</al><al>4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en
                            derde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt minimaal eenmaal per
                            4 jaar geëvalueerd. Het</al><al>college zendt hiertoe telkens 4 jaar na de inwerkingtreding van de
                            verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en
                            de effecten van de verordening in de praktijk. Deze eerste verordening
                            heeft een werkingsduur van 2 jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing
                                van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                                leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Loon op Zand wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Loon op Zand, totdat het college een nieuw
                                besluit heeft genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening individuele
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand
                                en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze
                                verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Loon op Zand, op 13 november 2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><al>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Loon op Zand 2015</al><tussenkop>HOOFDSTUK 1: Begrippen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Ad. a Aanmeldformulier </al><al>Een papieren dan wel digitaal formulier van de gemeente Loon op Zand dat kan
                    worden gebruikt door de belanghebbende om het probleem. de vraag of de behoefte
                    aan te melden aan het college. Hiermee wordt in principe geen aanvraag ingediend
                    voor een Wmo-voorziening. Naar aanleiding van dit formulier wordt een gesprek
                    geregeld of vindt een doorverwijzing plaats. Als het gesprek niet </al><al>plaatsvindt kan het aanmeldformulier als aanvraag worden beschouwd.</al><al>Ad. b Aanmelding</al><al>Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden
                    maakt de cliënt de</al><al>hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in
                    samenspraak met de</al><al>cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien een
                    ingezetene alleen informeert</al><al>naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar
                    maakt gebruik te</al><al>willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een
                    onderzoek in te stellen.</al><al>Ad. c Algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de</al><al>omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook
                    als hij of zij geen</al><al>beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr.
                    00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en
                    Rechtbank Arnhem 16-08-2012,</al><al>nr. AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt</al><al>(zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een
                    algemeen</al><al>gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag
                    of de cliënt over de</al><al>voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben
                    gehad. Bij die</al><al>beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een
                    rol spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="-"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen</al></li><li nr="-"><al>gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="-"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al></li></lijst><al>Ad. d Huisgenoot </al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. e Andere voorziening</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. f Besluit</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. g Bijdrage in de kosten</al><al>Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een
                    bijdrage in de kosten.</al><al>Cliënten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een
                    bijdrage moeten</al><al>betalen. Deze bijdrage kan, als het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk
                    worden gesteld van</al><al>het inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn
                    bij Algemene</al><al>Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld.
                    Daarin is bepaald wat</al><al>de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de
                    gemeenteraad) heeft voor het</al><al>bepalen van de omvang van de eigen bijdrage. Ook voor een algemene voorziening
                    kan eventueel een bijdrage van de cliënt in de kosten worden gevraagd (m.u.v.
                    cliëntondersteuning), maar deze bijdrage kan, anders dan die voor een
                    maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn.</al><al>Ad. h Gemeenschappelijke ruimte</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. i Goedkoopst compenserende oplossing </al><al>Het gaat in eerste instantie om een compenserende oplossing, maar in tweede
                    instantie om de goedkoopste. Dat betekent ook dat een mix van goedkopere
                    maatwerkvoorzieningen mogelijk is in plaats van een dure, mits die adequaat
                    zijn.</al><al>Ad. j Hoofdverblijf </al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. k Hulpvraag</al><al>De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                    artikel 2.3.2, lid 1 van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan
                    maatschappelijke ondersteuning zich tot het college</al><al>wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van
                    betrokkene is.</al><al>Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op
                    voorhand duidelijk of en</al><al>in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als
                    bedoeld in artikel 2.3.2</al><al>lid 4 van de wet is noodzakelijk.</al><al>Ad. l Ingezetene</al><al>De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor
                    een</al><al>maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1
                    Wmo). Om voor een</al><al>maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen
                    moet de</al><al>cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de
                    gemeente. Uit de</al><al>Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een
                    maatwerkvoorziening, moet</al><al>wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet
                    verder uitgelegd.</al><al>Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22‐09‐2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt
                    dat het gaat om</al><al>de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is
                    maar niet doorslaggevend.</al><al>Ad. m Onverwijld</al><al>De wet en deze verordening spreken op verschillende momenten van ‘onverwijld’.
                    Het ligt altijd aan</al><al>de concrete omstandigheden van een zaak wat daaronder moet worden verstaan. Het
                    is echter ook</al><al>van belang voor de cliënt dat hij een indruk heeft waar hij vanuit kan gaan. Dit
                    tweede perspectief</al><al>zou men zodanig van belang kunnen vinden, dat deze passage in de verordening
                    wordt opgenomen.</al><al>Het komt de rechtszekerheid ten goede en laat binnen de drie werkdagen voldoende
                    ruimte voor</al><al>maatwerk.</al><al>Ad. n Persoonlijk plan</al><al>In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk ‐
                    de omstandigheden,</al><al>bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, en de
                    maatschappelijke</al><al>ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden,
                    bedoeld in artikel</al><al>2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e Wmo, worden onderzocht door het college.
                    Doordat de cliënt</al><al>hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan
                    kan overleggen, is</al><al>het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan
                    zijn persoonlijk</al><al>arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door
                    de cliënt een</al><al>persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid
                    van het sociale</al><al>netwerk van cliënten in de Wmo versterkt.</al><al>Ad. o Uitvoeringsbesluit</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. p Voorliggende voorziening</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. q Wet</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2: Aanmelding, onderzoek en aanvraag</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Aanmelding hulpvraag</tussenkop><al>De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning,
                    de hulpvraag. De</al><al>melding is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet gebonden aan een vorm
                    of locatie. De</al><al>melding kan elektronisch of telefonisch worden gedaan bij het Servicecentrum. In
                    het eerste lid van artikel 2 is nog eens benadrukt dat de melding het middel is
                    van een cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te leggen en dat deze
                    vormvrij is. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent
                    dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan
                    optreden.</al><al>Ingevolge artikel 2.3.2 lid 1 van de wet moet het college de ontvangst van een
                    melding bevestigen. De melding, zal afhankelijk van de wijze waarop deze is
                    ingediend, mondeling, schriftelijk of per e-mail worden bevestigd. Uit de
                    Memorie van Toelichting blijkt verder dat het college het tijdstip van de
                    melding moet registreren. Uit de wet noch uit de toelichting blijkt dat de
                    bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet.</al><al>De melding van de hulpvraag wordt niet bevestigd, wanneer degene die de melding
                    heeft gedaan aangeeft hier geen behoefte aan te hebben. Denk hierbij aan het
                    voorbeeld dat naar aanleiding van een melding een persoon meteen kan worden
                    doorverwezen naar een andere organisatie waar hij met zijn hulpvraag terecht
                    kan. </al><al>In het tweede lid van artikel 2 is opgenomen dat zo spoedig mogelijk een
                    afspraak wordt gemaakt voor een gesprek. Onder zo spoedig mogelijk wordt
                    verstaan dat binnen 2 weken na melding van de hulpvraag een afspraak voor het
                    gesprek wordt ingepland . Tevens vindt het gesprek plaats binnen 2 weken na
                    melding van de hulpvraag. Indien er sprake is van spoed bij een hulpvraag, dan
                    vindt indien nodig dezelfde dag het gesprek plaats. </al><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>De verplichtingen die in dit artikel genoemd worden, zijn ook neergelegd in de
                    artikelen 2.2.4, lid 1</al><al>onderdeel a en 2.3.2 lid 3 van de wet. Met name het wijzen op de beschikbare
                    cliëntondersteuning</al><al>neemt een specifieke plek in, in de procedure na de melding. Cliëntondersteuning
                    is gedefinieerd in artikel 1.1.1 van de wet. De cliëntondersteuning moet gratis
                    zijn en er kan dan ook geen bijdrage in de kosten voor worden gevraagd.</al><tussenkop>Artikel 4. Persoonlijk plan</tussenkop><al>De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden, zijn ook opgenomen
                    in artikel 2.3.2 van</al><al>de wet. Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een
                    amendement (TK 2013-2014, 33841 nr. 70). Doordat de cliënt voorafgaand aan het
                    onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college
                    direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn
                    persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te
                    participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen.</al><tussenkop>Artikel 5. Informatie en identificatie</tussenkop><al>Ook voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet,
                    concreet de artikelen</al><al>2.3.2 lid 7 en 2.3.4 lid 1. Analoog aan artikel 4:2 Awb, dat voor de
                    aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige gegevens moet
                    verstrekken, is met lid 1 van artikel 4 geregeld dat de cliënt daartoe ook in de
                    voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. In de Memorie van Toelichting</al><al>op artikel 2.3.4. lid 1 Wmo is beschreven welke documenten onder artikel 1 Wet
                    op de</al><al>identificatieplicht vallen, zoals bedoeld in lid 2 van artikel 4.</al><tussenkop>Artikel 6. Onderzoek</tussenkop><al>Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2
                    lid 4 de zaken die</al><al>tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet
                    expliciet genoemd,</al><al>maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en
                    cliënt plaatsvindt.</al><al>In artikel 6 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en
                    dat het past in het</al><al>stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij
                    betrokken wordt. In lid</al><al>3 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek
                    bevat. Dit kan een</al><al>beknopte weergave zijn van hetgeen besproken is. Als de cliënt aangeeft geen
                    prijs te stellen op het</al><al>ontvangen van de weergave van het onderzoeksresultaat en/of het verslag kan
                    verzending daarvan</al><al>achterwege blijven. </al><tussenkop>Artikel 7. Verslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de
                    wet opgenomen. </al><al>Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. Echter kan in sommige
                    gevallen verslaglegging van het gesprek niet noodzakelijk zijn. Daarom is er
                    voor gekozen dat verslaglegging van het gesprek alleen plaatsvindt op verzoek
                    van de cliënt of indien de consulent verslaglegging van het gesprek nodig acht. </al><al> De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden
                    voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de
                    cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in
                    staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in
                    beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente
                    inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en
                    draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de
                    weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het
                    onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen
                    zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat
                    geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe
                    onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.
                    Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het
                    onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan
                    (ondersteuningsarrangement of zorgplan) voor het bevorderen van zijn
                    zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de
                    verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval
                    passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een
                    persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan
                    het verslag.</al><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog
                    moeten worden uitgewerkt of dient naar aanleiding van het gesprek een nader
                    (medisch) onderzoek plaats te vinden. Het kan ook zijn dat na een gesprek de
                    cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is,
                    bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij
                    nog een aanvullende opmerking heeft. Daarom begint het tweede lid met de
                    zinsnede “Binnen 10 werkdagen na het gesprek”. Deze 10 werkdagen is dan ook een
                    streeftermijn. Indien de termijn van 10 werkdagen wordt overschreden, dan zal de
                    cliënt hiervan op de hoogte worden gesteld tijdens het gesprek of op enig later
                    moment. </al><tussenkop>Artikel 8. Advisering</tussenkop><al>Het college kan, indien zij dat nodig acht, extern advies inwinnen indien dat
                    voor de beoordeling van een aanvraag nodig is. Het is bij de adviesaanvraag van
                    belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt,
                    zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nodig
                    is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen.
                    De cliënt of andere relevante personen zijn verplicht aan het college
                    desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                    uitvoering van deze wet.</al><al>Per hulpvraag beoordeelt de consulent of medisch advies noodzakelijk is. Bij een
                    progressief ziektebeeld of bij medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen
                    moet er medisch advies worden ingewonnen. Ook bij twijfel over de toekenning van
                    een maatwerkvoorziening ligt medisch advies voor de hand. </al><al>De adviseur dient gebruik te maken van de systematiek zoals neergelegd in de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de
                    zogenaamde ICF classificatie. </al><al>Het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector mag uitsluitend
                    plaatsvinden met toestemming van de cliënt, dit ter waarborging van zijn
                    privacy. </al><tussenkop>Artikel 9. Aanvraag</tussenkop><al>In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt artikel 6 in lid 1 de
                    wet: de aanvraag kan pas</al><al>worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn.
                    Artikel 2.3.5, lid</al><al>1 van de wet maakt duidelijk dat de aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening.
                    Andere oplossingen</al><al>die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke
                    participatie kunnen</al><al>zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. Met dit artikel wordt
                    ook uitgewerkt de verplichting, neergelegd in artikel 2.1.3, eerste lid en
                    tweede lid, onder a van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij
                    verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een
                    cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                    beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat
                    nogmaals uiteengezet.</al><al>De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van
                    anderen. De</al><al>maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke
                    ondersteuning.</al><al>In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op</al><al>basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening voor</al><al>zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In
                    de memorie van</al><al>toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt
                    aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk
                    aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig</al><al>omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en
                    fysieke</al><al>infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen
                    is niet in iedere</al><al>gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening
                    limitatief wordt</al><al>geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet
                    wel aan de</al><al>hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader
                    afbakenen in welke</al><al>gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze
                    verplichting uitgewerkt.</al><al>In lid 2 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de
                    goedkoopst compenserende</al><al>voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden
                    verstrekt dienen naar</al><al>objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope
                    voorziening te zijn.</al><al>Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt:
                    volgens</al><al>objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken
                    zonder dat zij</al><al>de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen.</al><al>Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door</al><al>technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een
                    product dat</al><al>duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk
                    goedkoper is. Wat</al><al>betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk
                    zijn dat bij een</al><al>verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het
                    is uiteraard wel</al><al>mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                    goedkoopst</al><al>compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil
                    uit eigen middelen</al><al>te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden
                    tot sturen binnen</al><al>het beleid.</al><tussenkop>Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden</tussenkop><al>In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat
                    afwijzingsgronden, wil er een</al><al>beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben
                    (Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823). Ook in het kader van
                    rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van
                    afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor
                    de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien.
                    Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel
                    2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke
                    criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.</al><al>Ad. a</al><al>De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de
                    Wmo 2007. Het is</al><al>echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten.
                    Vandaar dat deze</al><al>bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de
                    problematiek die in</al><al>het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een
                    voorziening op grond</al><al>van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening
                    toegekend.</al><al>Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de
                    cliënt aanspraak</al><al>moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende
                    voorziening (CRvB 09-</al><al>11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet
                    zeggen dat cliënt</al><al>de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft.
                    Er is geen sprake</al><al>van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere
                    wettelijke bepaling</al><al>is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt
                    daarvoor niet in</al><al>aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).</al><al>Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling
                    slechts gedeeltelijk</al><al>voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende
                    voorziening (CRvB 22-05-</al><al>2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de
                    kosten een beroep</al><al>doen op de Wmo.</al><al>Ad. b</al><al>Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet
                    centraal staat. Door het</al><al>hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.</al><al>Ad. c</al><al>Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening.
                    Ook dit is een</al><al>uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om
                    dienst te doen</al><al>als afwijzingsgrond.</al><al>Ad. d</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de</al><al>omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook
                    als hij of zij geen</al><al>beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr.
                    00/764 WVG, CRvB</al><al>16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem
                    16-08-2012, nr. AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt</al><al>(zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een
                    algemeen</al><al>gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag
                    of de cliënt over de</al><al>voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben
                    gehad. Bij die</al><al>beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een
                    rol spelen:</al><lijst><li nr="·"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="·"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="·"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al></li></lijst><al>Ad. e</al><al>Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat
                    deze reeds door de</al><al>cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden
                    meer heeft de</al><al>voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te</al><al>verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd.
                    Door deze regeling</al><al>wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen
                    uiteindelijk niet</al><al>overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening
                    beschouwt.</al><al>Ad. f</al><al>In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het
                    gaat om een</al><al>vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de
                    cliënt verwijtbaar is dat</al><al>het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare
                    onachtzaamheid, dus</al><al>niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen
                    verantwoordelijkheid van een cliënt een</al><al>rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een
                    andere dure voorziening</al><al>is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal.
                    Dit risico dient in de</al><al>opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de
                    woning onvoldoende</al><al>verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden
                    gedaan.</al><al>Ad. g</al><al>De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet
                    om generieke</al><al>voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene
                    voorzieningen</al><al>geschikte instrumenten.</al><al>Ad. h</al><al>De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een prominentere rol in de
                    Wmo, getuige</al><al>bijvoorbeeld CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO. Onderdeel h is opgenomen om de
                    eigen</al><al>verantwoordelijkheid daadwerkelijk weer te geven in de verordening zodat het kan
                    dienen als</al><al>beoordelings- en afwijzingsgrond. De CRvB heeft herhaaldelijk (zo ook in de hier
                    genoemde</al><al>uitspraak) geoordeeld dat de eigen verantwoordelijkheid binnen de Wmo een grote
                    rol speelt.</al><al>De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op
                    maatwerkvoorzieningen</al><al>ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.</al><al>In het derde lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op
                    een</al><al>maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de
                    term</al><al>'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden.</al><tussenkop>Artikel 12. Beschikking</tussenkop><al>De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie
                    krijgen die nodig is om zijn</al><al>rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking
                    de cliënt goed en</al><al>volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder
                    geval in de beschikking</al><al>moeten worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 13. Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke</al><al>voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college
                    worden gesproken.</al><al>Echter kan het voorkomen dat bij een cliënt met een zeer progressief ziektebeeld
                    al op voorhand vast staat dat binnen korte tijd vervanging van de
                    maatwerkvoorziening nodig is of is er sprake van dat een cliënt nog groeit. In
                    dergelijke situaties leent een persoonsgebonden budget zich in principe hier
                    niet voor.</al><al>Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliёnt dit
                    gemotiveerd vraagt (zie artikel</al><al>2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het</al><al>de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de
                    toelichting op amendement</al><al>Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).</al><al>In de volgende leden wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder
                    b, van de wet. Hierin</al><al>staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de
                    hoogte van een pgb wordt</al><al>vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van
                    toelichting</al><al>(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente
                    bijvoorbeeld kan</al><al>bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die
                    voor de gemeente</al><al>verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten
                    hebben</al><al>daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van
                    het pgb. </al><al>Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van
                    ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij
                    het vaststellen van tarieven in de</al><al>verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt
                    geleverd door het</al><al>sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden
                    en hulpverleners</al><al>die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).</al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan</al><al>de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de
                    wet). De situatie</al><al>waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het
                    college betekent dus</al><al>niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten
                    kunnen zelf</al><al>bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan
                    het door het</al><al>college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat
                    gedeelte dat</al><al>duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich
                    bijvoorbeeld voordoen</al><al>doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel
                    goedkoper zal</al><al>kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb.
                    Daarbij kan gedacht</al><al>worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten</al><al>hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de
                    verordening begrensd op</al><al>de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het
                    college ingekochte</al><al>maatwerkvoorziening in natura.</al><al>In het vijfde lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding
                    van het</al><al>persoonsgebonden budget. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie
                    waarin het recht</al><al>oneindig open zou moeten staan.</al><al>Ten aanzien van het zevende lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag</al><al>(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder
                    dit sociale</al><al>netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de
                    beloning van het</al><al>sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de
                    gebruikelijke hulp</al><al>overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar</al><al>doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot
                    informele hulp wordt</al><al>hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers
                    bijvoorbeeld). Informele hulp bij</al><al>hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar.
                    Ingeval ook</al><al>hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een
                    pgb wordt</al><al>verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te
                    kopen diensten,</al><al>hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en
                    cliëntgericht</al><al>worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het
                    beoordelen van de kwaliteit</al><al>als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college
                    mee of de diensten,</al><al>hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt
                    zijn voor het doel</al><al>waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid,
                    van de wet).</al><tussenkop>Artikel 14. Controle</tussenkop><al>Op grond van artikel 2.3.6 vierde lid dienen in de verordening regels te worden
                    gesteld over de</al><al>bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen of
                    persoonsgebonden budget</al><al>alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Hiertoe voert het
                    college periodiek controles uit naar het gebruik en de besteding van
                    voorzieningen op grond van deze</al><al>wet.</al><tussenkop>Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ </al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen. </al><al>In het zevende lid heeft als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van
                    een deel van de waardestijging, die het gevolg is van de Wmo-aanpassing van de
                    eigen woning. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum
                    reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten
                    gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in
                    hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt,
                    gezien de afweging tussen de kosten (taxatie, administratieve lasten) in relatie
                    tot de te verwachten baten.</al><tussenkop>Artikel 16. Bijdrage in de kosten</tussenkop><al>De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor
                    maatwerkvoorzieningen in</al><al>natura en in de vorm van een persoonsgebonden budget alsmede voor algemene
                    voorzieningen. Voor de algemene voorzieningen geldt hierbij dat hiervoor een
                    eigen bijdrage kan worden gevraagd, dit is afhankelijk van de soort algemene
                    voorziening. </al><al>In het tweede lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van
                    de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de
                    bijdragen. In het derde en vierde lid is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand
                    komt. </al><al>In het vijfde lid zijn de bedragen en percentages van het uitvoeringsbesluit van
                    overeenkomstige toepassing verklaart. </al><al>In lid 6 en lid 7 wordt bepaald welke instantie de bijdrage voor een
                    maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget voor
                    beschermd wonen en opvang vaststelt en int. </al><al>In lid 8 en lid 9 is de mogelijkheid van artikel 2.1.5, om de bijdrage ook aan
                    de ouders van minderjarige cliënten op te leggen, benut.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c,</al><al>van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald
                    welke eisen worden</al><al>gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                    deskundigheid van</al><al>beroepskrachten daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de</al><al>aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke
                    kwaliteitseisen worden</al><al>gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen
                    hebben op de</al><al>deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de
                    memorie van</al><al>toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 3)</al><al>dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en
                    die zich rechtstreeks tot</al><al>aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van
                    goede kwaliteit wordt</al><al>verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van
                    cliënten en</al><al>aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.</al><al>In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het derde lid</al><al>genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel
                    2.5.1, eerste lid, van</al><al>de wet.</al><tussenkop>Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en</al><al>plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste
                    lid, van de wet). Met het</al><al>oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij
                    verordening regels</al><al>worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een</al><al>voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel
                    2.6.6, eerste lid, van de</al><al>wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid
                    van de</al><al>beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit</al><al>artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het
                    vaststellen van tarieven</al><al>(naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter
                    beeld ontstaat van</al><al>reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten
                    uitvoeren. Uitgangspunt is dat</al><al>de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij
                    de vereiste</al><al>vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste
                    activiteiten en de</al><al>arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat
                    hun</al><al>werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 19. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar,</al><al>bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit
                    die bij de</al><al>verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de
                    verstrekking van een</al><al>voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen
                    aanwijst die zijn belast met</al><al>het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een
                    regeling wordt</al><al>opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze
                    meldingen</al><al>onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten
                    en het bestrijden</al><al>van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling
                    bepalen welke verdere</al><al>eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van
                    een voorziening.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming
                    meerkosten</tussenkop><tussenkop>Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is</al><al>opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg
                    draagt voor een</al><al>jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van</al><al>de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene
                    voorziening,</al><al>maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het
                    gaat dus ook om</al><al>mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar
                    geen voorziening op</al><al>basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook</al><al>mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. </al><tussenkop>Artikel 21. Tegemoetkoming meerkosten of chronische problemen</tussenkop><al>In Loon op Zand willen wij een compensatieregeling aanbieden aan mensen die
                    aantoonbaar meerkosten hebben ten gevolge van een langdurige hoge zorgvraag en
                    die in die kosten niet of niet volledig uit eigen inkomen en/ of vermogen kunnen
                    voorzien. Dit is verder uitgewerkt in de memo “Wtcg en CER”. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak</tussenkop><tussenkop>Artikel 22. Klachtregeling</tussenkop><al>In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke</al><al>bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de
                    wet, waarin is bepaald</al><al>dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling</al><al>voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten
                    aanzien van de in de</al><al>verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen
                    (artikel 3.2, eerste</al><al>lid, onder a, van de wet).</al><al>In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder).</al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de</al><al>betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de
                    aanbieder de klacht</al><al>snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de
                    afhandeling niet naar wens</al><al>is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In het
                    tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen
                    dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 23. Medezeggenschap</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald dat in</al><al>ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling
                    voor</al><al>medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke
                    voor de</al><al>gebruikers van belang zijn, vereist is.</al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen</al><al>moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet
                    medezeggenschap</al><al>cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak
                    tegenover de</al><al>aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het
                    stellen van regels</al><al>geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te
                    bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.
                    De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen
                    verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid,
                    onder b, van de wet). In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het
                    college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door
                    aanbieders goed wordt uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 24. Betrekken van ingezetenen bij beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In het
                    eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. Onder vertegenwoordigers worden in ieder geval verstaan de
                    Wmo-adviesraad, gehandicaptenplatform en andere organisaties die de belangen
                    behartigen van cliënten met een beperking. </al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de</al><al>medezeggenschap vorm te geven.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 25. Evaluatie</tussenkop><al>Op grond van dit artikel moet het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de Verordening, als het uitvoeringsbeleid. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de
                    Verordening of het uitvoeringsbeleid. </al><al>Er is opgenomen dat minimaal eenmaal per 4 jaren wordt geëvalueerd. Gezien de
                    inwerkingtreding van de nieuwe Wmo 2015 is het verstandig om eerder te evalueren
                    dan 2019. Verder moet de methodiek en de periode waarover de evaluatie toeziet
                    duidelijk zijn en ook wat er geëvalueerd wordt. Dit om indien nodig bijsturing
                    mogelijk te maken. </al><tussenkop>Artikel 26. Nadere regels en hardheidsclausule</tussenkop><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er</al><al>een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze
                    afweging niet leidt tot</al><al>onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan
                    in normale</al><al>omstandigheden te verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een
                    zeer persoonlijke</al><al>beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                    van een niet billijke</al><al>situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een
                    beroep doen op deze</al><al>clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan
                    men zich afvragen</al><al>of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de AWBZ overgaan naar
                    de Wmo, zie de</al><al>artikelen 8.1 tot en met 8.4. In dit artikel is het overgangsrecht op
                    gemeentelijk niveau geregeld. In</al><al>het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een
                    nieuwe beoordeling</al><al>heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat
                    aanvragen die nog bij het</al><al>college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen
                    worden. Omdat dit</al><al>voor de cliënt nadelige gevolgen kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de
                    vorige verordening</al><al>gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt en niet in
                    strijd is met de wet. Dit moet voorkomen dat de cliënt gedupeerd is als zijn
                    aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn
                    rechtspositie door het tijdverloop wordt aangetast. </al><tussenkop>Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de
                    verordening dient te</al><al>worden aangehaald. </al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen 3 </al><al>Artikel 2 Melding hulpvraag 3</al><al>Artikel 3 Cliëntondersteuning 3</al><al>Artikel 4 Persoonlijk plan 3</al><al>Artikel 5 Informatie en identificatie 4</al><al>Artikel 6 Onderzoek 4</al><al>Artikel 7 Verslag 4</al><al>Artikel 8 Advisering 4</al><al>Artikel 9 Aanvraag 4</al><al>Artikel 10 Criteria voor maatwerkvoorziening 5</al><al>Artikel 11 Voorwaarden en weigeringsgronden 5</al><al>Artikel 12 Beschikking 6</al><al>Artikel 13 Persoonsgebonden budget 6</al><al>Artikel 14 Controle 7</al><al>Artikel 15 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering 7</al><al>Artikel 16 Bijdragen in de kosten 8</al><al>Artikel 17 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 8</al><al>Artikel 18 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden 8</al><al>Artikel 19 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 9</al><al>Artikel 20 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 9</al><al>Artikel 21 Tegemoetkoming meerkosten beperking of chronische problemen
                    9</al><al>Artikel 22 Klachtregeling 9</al><al>Artikel 23 Medezeggenschap 9</al><al>Artikel 24 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 9</al><al>Artikel 25 Evaluatie 10</al><al>Artikel 26 Nadere regels en hardheidsclausule 10</al><al>Artikel 27 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 10 Artikel 28
                    Inwerkingtreding en citeertitel 10 </al></bijlage></regeling></body></cvdr>