<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348123_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Individuele Inkomenstoeslag Gemeente Tytsjerksteradiel 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Individuele Inkomenstoeslag Gemeente Tytsjerksteradiel
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>college</vet>: het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel;</al></li><li nr="b."><al><vet>gemeenteraad</vet>: de gemeenteraad van de gemeente
                                        Tytsjerksteradiel;</al></li><li nr="c."><al><vet>wet</vet>: Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al><vet>referteperiode</vet>: periode van 36 maanden
                                        voorafgaand aan de peildatum;</al></li><li nr="e."><al><vet>peildatum</vet>: de datum waarop in enig jaar recht op
                                        een individuele inkomenstoeslag ontstaat;</al></li><li nr="f."><al><vet>bijstandsnorm</vet>: norm bedoeld in artikel 5, onder
                                        c, van de wet;</al></li><li nr="g."><al><vet>inkomen</vet>: het inkomen als bedoeld in artikel 32
                                        van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede ‘een
                                        periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan’ (art.
                                        32 lid 1 onder b Participatiewet) moet worden gelezen ‘de
                                        referteperiode’. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking
                                        van artikel 32 van de wet, voor de beoordeling van het recht
                                        op de individuele inkomenstoeslag als inkomen gezien.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al>Het college stelt het recht op een Individuele inkomenstoeslag op
                            schriftelijke aanvraag vast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Recht op individuele inkomenstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beoordeling recht op individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de hand van een weging van de hieronder genoemde (individuele)
                                omstandigheden, stelt het college vast of de betreffende persoon
                                naar het oordeel van het college recht heeft op een individuele
                                inkomenstoeslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Langdurig, laag inkomen: Aan de in artikel 36, eerste lid, van de
                                wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag
                                inkomen is voldaan als gedurende de referteperiode het in aanmerking
                                te nemen inkomen niet uitkomt boven 105 procent van de toepasselijke
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte van de individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een inkomen tot 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm
                                bedraagt de individuele inkomenstoeslag per jaar (normbedragen
                                2015):</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden: € 500,=;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder: € 450,=;</al></li><li nr="c."><al>voor een alleenstaande: € 350,=.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de individuele
                                inkomenstoeslag voor aanvragers met een inkomen van 100 tot 105
                                procent van de toepasselijke bijstandsnorm 50 procent van de in het
                                eerste lid genoemde bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid en het tweede lid is de
                                situatie op de peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het
                                recht op de individuele inkomenstoeslag als gevolg van artikel 11 of
                                artikel 13, lid 1 en lid 2, van de wet, komt de rechthebbende
                                echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag
                                wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari
                                aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele
                                verschil tussen de gehuwdennormen per 1 januari van dat jaar en de
                                gehuwdennormen van het daaraan voorafgaande jaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitvoering: De uitvoering van deze verordening berust bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onvoorziene gevallen: In gevallen, met betrekking tot de uitvoering
                                van deze verordening, waarin deze verordening niet voorziet, beslist
                                het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Individuele
                            Inkomenstoeslag Gemeente Tytsjerksteradiel 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening Langdurigheidstoeslag Gemeente Tytsjerksteradiel
                                    2010, vastgesteld in de openbare raadsvergadering van juli 2010,
                                    wordt per januari 2015 ingetrokken.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Tytsjerksteradiel op december 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. S.K. Dijkstra drs. E.J. ter Keurs</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>De langdurigheidstoeslag wordt per januari 2015 vervangen door een individuele
                    toeslag voor personen die langdurig van een laag inkomen rond moeten komen,
                    zonder dat zij zicht hebben op verbetering van dat inkomen. Deze individuele
                    toeslag is bedoeld voor personen die deze toeslag – gelet op hun individuele
                    omstandigheden – echt nodig hebben. </al><al>Het uitgangspunt van de bijstand is dat het (toepasselijke) normbedrag in
                    beginsel toereikend is voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten
                    van bestaan, met inbegrip van de component reserveringen. Toch kan de financiële
                    positie van mensen met een langdurig laag inkomen onder druk komen te staan als
                    er na verloop van tijd geen perspectief meer lijkt te zijn om door inkomsten uit
                    arbeid het inkomen te verhogen. De individuele inkomenstoeslag kan hierin
                    bijdragen. De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde
                    kosten.</al><al>De individuele inkomenstoeslag is, net als zijn voorganger de
                    langdurigheidstoeslag, beleidsmatig en financieel gedecentraliseerd aan
                    colleges. De colleges stellen in een verordening regels vast ten aanzien van de
                    hoogte van de toeslag en de invulling van de begrippen “langdurig” en “laag”
                    inkomen. Daarnaast dienen colleges aan de hand van de individuele omstandigheden
                    te bepalen of er al dan niet sprake is van “zicht op inkomensverbetering”.
                    Daardoor wordt de individuele inkomenstoeslag, net als bij de verlening van
                    individueel bijzondere bijstand, verleend als een vorm van aanvullende
                    inkomensondersteuning waarbij individueel maatwerk als uitgangspunt wordt
                    genomen, en daardoor terecht komt bij de mensen die het echt nodig hebben. </al><al>De mogelijkheid om deze toeslag als categoriaal bijzondere bijstand te verlenen
                    wordt afgeschaft. De categoriale langdurigheidstoeslag wordt omgevormd tot een
                    individuele inkomenstoeslag voor personen tot de pensioengerechtigde leeftijd
                    die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen, en gelet op hun individuele
                    omstandigheden geen zicht hebben op verbetering van het inkomen. De individuele
                    inkomenstoeslag mag niet meer automatisch worden toegekend, bijvoorbeeld omdat
                    met het vorige jaar ook al een toeslag heeft gekregen en het inkomen nog steeds
                    hetzelfde is. Dit betekent dat bij een aanvraag meer onderzocht moet
                    worden.</al><al>Artikel 36 WWB blijft de basis vormen, maar omdat de individuele toeslag een
                    beoordeling van de individuele omstandigheden van de belanghebbende door het
                    college vergt, is ervoor gekozen dit artikel te formuleren als een
                    “kan-bepaling”. Dat wil zeggen dat het college niet wettelijk verplicht is een
                    individuele inkomenstoeslag in te stellen. Desondanks blijft de gemeenteraad
                    verplicht om in een verordening de hoogte van de toeslag en de wijze waarop
                    invulling wordt gegeven aan de begrippen “langdurig” en “laag inkomen” aan te
                    geven. De gemeente heeft hiermee de mogelijkheid om de individuele
                    inkomenstoeslag in verband te brengen met het gemeentelijk armoede- en
                    participatiebeleid.</al><al><cursief><onderstreept>Overgangsrecht</onderstreept></cursief></al><al>Er is geen overgangsrecht van toepassing.</al><al><cursief><onderstreept>Aanpassen verordening</onderstreept></cursief></al><al>In de Verordening Individuele Inkomenstoeslag wordt op onderdelen verwezen naar
                    ‘de toepasselijke bijstandsnorm’. Om te kunnen bepalen wie langdurig een laag
                    inkomen heeft, is een verbinding gelegd met de bijstandsnorm.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Begrippen die in de Participatiewet, WWB, Awb of de gemeentewet voorkomen
                        hebben in deze verordening dezelfde betekenis als in deze wetten. Dit
                        voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                        betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd. Ten aanzien van
                        een aantal begrippen, die als zodanig niet in deze wetten staan, is een
                        definitie gegeven in deze verordening.</al><al>Lid 2 onder e, peildatum: Met de invulling van het begrip peildatum wordt
                        aangesloten bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
                        Het gaat niet om de datum waarop is aangevraagd, maar om de datum waarop in
                        enig jaar recht op individuele inkomenstoeslag ontstaat. Dit is de eerst
                        mogelijke datum na afloop van de referteperiode. Het betreft dus de datum
                        waarop een belanghebbende langdurig een laag inkomen heeft, geen in
                        aanmerking te nemen vermogen heeft (als bedoeld in artikel 34 WWB), en geen
                        uitzicht op inkomensverbetering heeft. Deze datum ligt voor elke
                        belanghebbende weer anders.</al><al>Lid 2 onder g, inkomen: Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van
                        de WWB afwijkende definitie opgenomen. De wetgever geeft de gemeenteraad
                        opdracht om in de verordening regels te geven met betrekking tot het begrip
                        ‘langdurig, laag inkomen’, zodat de gemeenteraad bevoegd is om dit begrip
                        voor de toepassing van artikel 36, lid 1, van de WWB nader te definiëren.
                        Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de bestaande
                        uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde) invulling
                        van het begrip inkomen in artikel 36, lid 1, van de WWB, maar wordt de
                        wetstechnische onvolkomenheid weggenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>In deze verordening is bepaald dat ten aanzien van de individuele
                        inkomenstoeslag het college het recht hierop aan de hand van een
                        schriftelijke aanvraag vaststelt. De wet en de toelichting daarop zijn
                        onvoldoende duidelijk op dit punt. Vanwege de eenduidigheid binnen alle
                        minimaregelingen en het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor de
                        inkomensvoorziening bij de burger ligt, ligt het voor de hand dit zo vast te
                        stellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, moet de gemeenteraad
                        vastleggen wat onder ‘langdurig’ wordt verstaan, en wat onder ‘laag’ wordt
                        verstaan.</al><al>Lid 2, langdurig: De gemeente kiest voor een referteperiode van drie jaar.
                        Dit sluit aan bij de impliciet door de wetgever gegeven termijn. De
                        minimumleeftijd is namelijk 21 jaar. Een belanghebbende heeft normaal
                        gesproken vanaf zijn 18e een zelfstandig recht op bijstand (21 -18 =
                        3).</al><al>Lid 2, laag: Het begrip ‘laag inkomen’ is ingevuld als een inkomen dat niet
                        hoger is dan 105% van de toepasselijke bijstandsnorm. Toch is het hoger
                        vaststellen van de grens van het begrip laag inkomen niet wenselijk. De
                        reden hiervoor is dat het niet strookt (en ongewenste discriminatoire
                        effecten sorteert) met de wettelijke uitsluiting voor deze inkomenstoeslag
                        van personen van de pensioengerechtigde leeftijd en ouder. Laatstgenoemden
                        zijn uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, omdat hun
                        inkomen al voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor personen tot
                        de pensioengerechtigde leeftijd. Het verschil is echter maar 5 tot 9%,
                        afhankelijk van het feit of iemand alleenstaand, alleenstaande ouder en een
                        gehuwde is. Het hanteren van een grens van 110% zou daarom betekenen, dat de
                        uitsluiting van pensioengerechtigden in dat geval strijdig is met het verbod
                        op leeftijdsdiscriminatie (artikel 26 Internationaal Verdrag betreffende
                        Burgerrechten en Politieke rechten). De feitelijke ruimte is dus beperkt tot
                        een grens van een maximaal inkomen van 105% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Gemeenten kunnen zelf de hoogte van de toeslag bepalen. Er wordt onderscheid
                        gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder, en gehuwden. Bij
                        gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op de individuele
                        inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden belanghebbenden op
                        de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden aan de
                        voorwaarden van artikel 36 lid 1 Participatiewet voldoen. Voldoet één van
                        hen niet deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op de
                        individuele inkomenstoeslag. (En dus ook niet op grond van alleenstaande of
                        alleenstaande oudernorm.)</al><al>Lid 4, uitsluiting: Is één van de echtgenoten op basis van artikel 11 of
                        artikel 13, lid 1 en 2 WWB, uitgesloten van het recht op de individuele
                        inkomenstoeslag, dus anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden
                        van artikel 36 lid 1 Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel
                        in aanmerking voor deze toeslag. Als slechts één partner recht heeft op de
                        individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende in aanmerking voor deze
                        toeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder
                        zou gelden. </al><al>Lid 5, indexering: Om niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is
                        gekozen om de hoogte jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de
                        gehuwdennormen. Omdat de gehuwdennormen in beginsel 2 maal per jaar worden
                        geïndexeerd en de individuele inkomenstoeslag maar eenmaal, wordt steeds een
                        vergelijking gemaakt met de gehuwdennormen per 1 januari van het
                        voorafgaande jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Lid 1, uitvoering: In dit artikel is bepaald dat het college is belast met
                        de uitvoering van de individuele inkomenstoeslag.</al><al>Lid 2, onvoorziene gevallen: In dit artikel is bepaald dat het college moet
                        voorzien in specifieke situaties.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Dit artikel hoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Deze verordening treedt in werking per januari 2015. Hierbij is aansluiting
                        gezocht bij de invoering van de Participatiewet, cq. Wet Maatregelen
                        WWB.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>