<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348086_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Beuningen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.overheid.nl">Overheid.nl &gt; Gemeenteblad en op www.beuningen.nl 30 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Beuningen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8&amp;g=2015-01-02">Participatiewet, artikel 8, 8a en 8e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW14.00883</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Beuningen 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Beuningen;</al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 november 2014,
                        BW14.00883;</al>
          <al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al>
          <al>gezien het advies van de Cliëntenraad Beuningen;</al>
          <al/>
          <al>besluit vast te stellen de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en
                        IOAZ gemeente Beuningen 2015.</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begrippen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li>
              <li nr="-"><al>bijstandsnorm:</al></li>
            </lijst>
            <al>1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c,
                            van de Participatiewet, of</al>
            <al>2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake
                            is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen;</al>
            <al>-uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een
                            uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde
                            lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li>
              <li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li>
              <li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li>
              <li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Afzien van verlaging</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de gedraging meer dan drie jaar voor constatering daarvan door
                                    het college heeft plaatsgevonden en voor die gedraging een
                                    verlaging van het in artikel 5:53, eerste lid van de Algemene
                                    wet bestuursrecht genoemde bedrag of minder kan worden opgelegd,
                                    of</al></li>
                  <li nr="c."><al>de gedraging meer dan vijf jaar voor constatering daarvan door
                                    het college heeft plaatsgevonden en voor die gedraging een
                                    verlaging van meer dan het in artikel 5:53, eerste lid van de
                                    Algemene wet bestuursrecht genoemde bedrag kan worden
                                    opgelegd.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan afzien van een verlaging als het
                                            daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></li>
              <li nr="3."><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van
                                            dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan
                                            schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de
                                uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad
                                of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een
                                verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de
                                uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                                als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt
                                de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                                uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn,
                                bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering
                                ontvangt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid wordt, ingeval de verwijtbare
                                gedraging wordt geconstateerd bij de beoordeling van de door
                                cliënt/uitkeringsgerechtigde ingediende aanvraag om een uitkering,
                                de verlaging toegepast met ingang van de ingangsdatum van de
                                uitkering.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li>
                <li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden
                                gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van
                                de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden
                                gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Gedragingen Participatiewet</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li>
              <li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                  <li nr="1°"><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                            artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het
                            gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na
                            een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de
                            Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in
                            artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="2°"><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                            opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste
                            lid, onderdeel c, van de Participatiewet;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst>
                  <li nr="1°"><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                            evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de
                            Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="2°"><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit
                            uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                            Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="3°"><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen
                            als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                            intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="d."><al>vierde categorie:</al><al>de onder 1° genoemde gedraging van de derde categorie, als dit heeft
                            geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het
                            plan van aanpak. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37
                            en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li>
              <li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                  <li nr="1°."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li>
                  <li nr="2°."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en
                            37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36,
                            eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang
                            vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li>
                  <li nr="3°."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                            opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37,
                            eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37,
                            eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst>
                  <li nr="1°."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen;</al></li>
                  <li nr="2°."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li>
                  <li nr="3°."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid;</al></li>
                  <li nr="4°."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de
                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                            e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid
                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                            voorziening;</al></li>
                  <li nr="5°."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van
                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken
                            van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als
                            bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38,
                            eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li>
                  <li nr="5°."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                            evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de
                            Participatiewet.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="d."><al>vierde categorie:</al><al>de onder 5° genoemde gedraging van de derde categorie, als dit heeft
                            geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het
                            plan van aanpak. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel>
            </kop>
            <al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 6 en 7, wordt
                            vastgesteld op:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li>
              <li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li>
              <li nr="c."><al>veertig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie;</al></li>
              <li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de vierde categorie.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Verrekenen verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 9, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als
                                bedoeld in het eerste lid plaats. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
            </kop>
            <al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
                            de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van
                            de Participatiewet vindt plaats: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>met 100 procent van de uitkering gedurende één maand, indien
                                    cliënt/uitkeringsgerechtigde door de gedraging verwijtbaar geen
                                    of geen volledig recht heft op een uitkering krachtens een
                                    werknemersverzekering of sociale voorziening, of een daarmee
                                    naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of
                                    private verzekering.</al></li>
              <li nr="b."><al>met 100 procent van de uitkering of 100 procent van de
                                    bijzondere bijstand bij toepassing van artikel 6, tweede lid
                                    onder b, van deze verordening gedurende de periode die
                                    cliënt/uitkeringsgerechtigde niet of minder op bijstand zou zijn
                                    aangewezen indien cliënt/uitkeringsgerechtigde van zijn recht op
                                    een voorliggende voorziening anders dan onder a gebruik had
                                    gemaakt.</al></li>
              <li nr="c."><al>met 100 procent van de bijzondere bijstand bij toepassing van
                                    artikel 6, tweede lid onder b, van deze verordening indien
                                    cliënt/uitkeringsgerechtigde eerder verwijtbaar in bezit zijnde
                                    goederen heeft verloren waardoor hij een beroep op bijzondere
                                    bijstand moet doen.</al></li>
              <li nr="d."><al>met 100 procent van de uitkering gedurende één maand, indien
                                    cliënt/uitkeringsgerechtigde voorafgaand aan de bijstand door
                                    eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden,
                                    dan wel aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid heeft
                                    geweigerd.</al></li>
              <li nr="e."><al>met 100 procent van de uitkering of 100 procent van de
                                    bijzondere bijstand bij toepassing van artikel 6, tweede lid
                                    onder b van deze verordening, gedurende de periode die
                                    cliënt/uitkeringsgerechtigde niet op een uitkering zou zijn
                                    aangewezen indien hij op verantwoordelijke wijze de middelen
                                    waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken zou
                                    hebben aangewend.</al></li>
              <li nr="f."><al>met een door het college individueel te bepalen percentage van
                                    de uitkering indien het tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid geen van de onder a tot en met e genoemde
                                    gedragingen betreft.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als
                            bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet
                            of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering
                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g,
                            van die wet, wordt een verlaging opgelegd van 100 procent van de
                            bijstandsnorm gedurende één maand.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Samenloop en recidive</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Recidive</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 6, onder b, c of d, 7, onder
                                b, c of d, 11, of 12 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke
                                verlaging verdubbeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 6, onder a, of 7, onder a
                                opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende drie maanden.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel>
            </kop>
            <al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze
                            weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een
                                        verwijt kan worden gemaakt, of</al></li>
                <li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een
                                        persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een
                                persoon:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of</al></li>
                <li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                        verkrijgt.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Intrekken oude verordening</titel>
            </kop>
            <al>De Afstemmingsverordening WWB/IOAW/IOAZ/Bbz gemeente Beuningen 2013
                            wordt ingetrokken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Beuningen 2015.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december
                        2014.</ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <al>
          <vet>Toelichting</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Algemeen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Rechten en plichten in de Participatiewet</cursief>
        </al>
        <al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                            invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede
                            gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het
                            gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Rechten en
                            plichten zijn echter twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                            bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                            onafhankelijk te worden van de uitkering.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het
                            afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de
                            omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In
                            deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de
                            uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                            bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan
                            de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                            bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet
                            legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                            uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden
                            aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                            uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                            uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                            beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate
                            waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de
                            bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook
                            een rol.</al>
        <al/>
        <al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de
                            uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                            verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt,
                            ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet
                            niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de
                            persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde
                            verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het
                            college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al>
        <al/>
        <al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                            Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor
                            schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet
                            worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In
                            de verordening de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde
                            lid, van de Participatiewet).</al>
        <al/>
        <al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                            verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                            bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is
                            vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de
                            Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen
                            van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende
                            gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al>
        <al/>
        <al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de
                            beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende
                            aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de
                            Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw
                            een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden
                            opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast
                            te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de
                            verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige
                            gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                            omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in
                            zwaarte of duur bij te stellen.<sup/> Artikel 18, derde lid, van de
                            Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en
                            Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een
                            van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van
                            de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet
                            van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18,
                            elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                            wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al>
        <al/>
        <al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve
                            sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich
                            zeer ernstig heeft misdragen.<sup/> Als een betreffende gedraging ook
                            een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk
                            voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen
                            naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden
                            feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar.
                            Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                            gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van
                            zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van
                            de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden
                            verlaagd.</al>
        <al/>
        <al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                            afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie
                            (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende
                            gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier
                            strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging
                            kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire
                            maatregel en een punitieve sanctie. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op
                            grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te weigeren als een
                            belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen
                            niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van de 20
                            IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                            (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al>
        <al/>
        <al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                            maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om
                            een boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Niet verlenen van medewerking</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot
                            verlaging van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de
                            medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk
                            zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging
                            of intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet
                            kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in dat geval
                            niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde
                            plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt
                            ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                            betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde
                            inlichtingen te verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien
                            als het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen
                            het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede
                            lid, van de Participatiewet niet als verlagingswaardige gedraging op te
                            nemen in deze verordening.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Schenden van de inlichtingenplicht</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet
                            werk en bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ.
                            Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en
                            komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen
                            over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                            stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee
                            de ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin
                            het buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel
                            wordt geacht. Het is mogelijk deze regels onder te brengen in de
                            afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft er echter voor gekozen
                            deze regels niet in deze verordening op te nemen omdat deze verordening
                            een gecombineerde Participatiewet, IOAW en IOAZ afstemmingsverordening
                            is. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikelsgewijze toelichting</vet>
        </al>
        <al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier
                            behandeld.</al>
        <al/>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Begrippen</titel>
          </kop>
          <al> Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de
                            IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet
                            worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn
                            vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Bijstandsnorm</cursief> Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze
                            verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                            bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen,
                            en verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor
                            zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt
                            onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in
                            artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Benadelingsbedrag</cursief>
          </al>
          <al>Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                            een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan
                            van het nettobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is bij het
                            benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete.<sup/></al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel>
          </kop>
          <al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt
                            plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een
                            belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven
                            wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen
                            vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het
                            motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat
                            een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                            voorzien.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Afzien van verlaging</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Afzien van verlagen</cursief>
          </al>
          <al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid,
                            van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de
                            IOAW en artikel 20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat
                            hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van
                            verwijtbaarheid.<sup/> Het is aan het college te beoordelen of elke vorm
                            van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de
                            afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                            verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                            gedraging mee te tellen (zie artikel 14 van deze verordening). Is
                            vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de
                            Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden
                            gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                            van recidive.</al>
          <al/>
          <al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging
                            spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>
              <onderstreept>Nadere toelichting </onderstreept>
            </cursief>
          </al>
          <al>Het college kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer dan
                            drie of vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden. De vervaltermijn is
                            afhankelijk van de hoogte van de afstemming. Hiermee wordt aangesloten
                            bij de vervaltermijnen zoals genoemd in artikel 5:45, tweede lid, van de
                            Awb. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na drie jaar nadat de
                            overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van het in artikel
                            5:53, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht genoemde bedrag of
                            minder kan worden opgelegd. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na
                            vijf jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging
                            van meer dan het in artikel 5:53, eerste lid van de Algemene wet
                            bestuursrecht genoemde bedrag kan worden opgelegd. Deze
                            verjaringstermijn laat overigens onverlet dat het vanuit het oogpunt van
                            effectiviteit (“lik op stuk”) nastrevenswaardig wordt geacht zo spoedig
                            mogelijk een verlaging op te leggen nadat de gedraging heeft
                            plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat een
                            uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de
                            vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Afzien van verlagen in verband met dringende
                            redenen</cursief>
          </al>
          <al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen
                            van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De
                            verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                            verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de
                            belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het
                            woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en
                            uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                            principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                            afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                            vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                            verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de
                            financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin.
                            Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op
                            zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit
                            inherent is aan het verlagen van een uitkering. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                                arbeidsverplichtingen</cursief>
          </al>
          <al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de
                            bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende
                            lid, van de Participatiewet moet het college een op te leggen maatregel
                            of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een
                            belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als
                            - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op
                            bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                            het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere
                            duur of op nul vast te stellen. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief> Het
                            doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                            afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is
                            van belang in verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het
                            opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 14.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel>
          </kop>
          <al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan
                            hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en
                            terugvordering van het te veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit
                            meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de
                            eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin
                            het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de
                            verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm.</al>
          <al>Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid)</al>
          <al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In
                            die gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast.
                            Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere
                            vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te
                            veel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het
                            afstemmingsbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel
                            58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk
                            artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden
                            teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet
                            altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is
                            ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen.
                            Is geen duidelijke datum te koppelen aan de gedraging van een
                            belanghebbende of is de verlaging het gevolg van een gedraging
                            voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met terugwerkende kracht
                            evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de toekomst toe
                            worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te
                            solliciteren.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (derde
                            lid)</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het
                            opleggen van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen
                            recht op bijstand (meer) heeft.<sup/> Als een verlaging niet of niet
                            geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of
                            intrekking van de uitkering, is het ook mogelijk om de verlaging of dat
                            deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op te leggen
                            als belanghebbende binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de
                            uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet ontvangt. Het
                            college moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het opleggen
                            van een maatregel zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b. </al>
          <al/>
          <al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op
                            bijstand niet bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het
                            opnieuw toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre er
                            nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake
                            van een afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de
                            maatregel open.<sup/></al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>BerekeningsgrondslagBijstandsnorm</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Bijstandsnorm</cursief>
          </al>
          <al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                            berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                            inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de
                            IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de
                            IOAW respectievelijk van de IOAZ. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief> Bijzondere bijstand</cursief>
          </al>
          <al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast
                            op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand
                            wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet.
                            Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die
                            indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende
                            bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging
                            uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                            rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het
                            derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat
                            geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                            bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al>
          <al/>
          <al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het
                            college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                            bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van
                            een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging
                            kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                            verstrekt. </al>
          <al/>
          <al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                            individuele inkomenstoeslag.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Gedragingen Participatiewet</titel>
          </kop>
          <al>De artikelen 6 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                            artikel 6 worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet
                            geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 6
                            zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel
                            8 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                            categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen
                            heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</cursief>
          </al>
          <al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende
                            nakomen van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB
                            zoals dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest
                            afstemmen als een belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende
                            nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet
                            wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen". Het
                            woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever
                            hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet
                            worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen.
                            Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 6
                            neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                            onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid
                                te verkrijgen (onderdeel c, onder 2)</cursief>
          </al>
          <al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om
                            het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                            arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel
                            18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van
                            de Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor
                            schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart
                            afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent
                            gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten
                            minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                            van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in
                            artikel 9. </al>
          <al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in
                            artikel 6, onder c, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen
                            van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals
                            bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden
                                    die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid, en</al></li>
            <li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en
                                    gedrag.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</cursief>
          </al>
          <al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel
                            9, eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger
                            dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de
                            eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van
                            de Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op
                            grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet
                            geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het
                            oordeel van het college onvoldoende, dan verlaagt het college de
                            uitkering. De verlaging kan in principe al worden toegepast op basis van
                            de grondslagen zoals genoemd in artikel 5 van deze verordening. Een
                            aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht
                            zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                            belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in
                            gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van
                            inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd
                            opgenomen in de afstemmingsverordening (zie artikel 6, tweede lid,
                            onderdeel b).</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel>
          </kop>
          <al>De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                            artikel 7 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ
                            geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7,
                            zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel
                            8 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                            categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen
                            heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde
                            arbeid.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8.</nr>
            <titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel>
          </kop>
          <al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de
                            artikelen 6 en 7.</al>
          <al>Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen zoals bedoeld
                            in de artikelen 6 en 7 dat afwijkt van de maatregel bij schending van de
                            geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                            lid, van de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de
                            artikelen 6 en 7 genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9.</nr>
            <titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel>
          </kop>
          <al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                            geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging
                            honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening
                            vastgestelde periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de
                            Participatiewet). </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10.</nr>
            <titel>Verrekenen verlaging</titel>
          </kop>
          <al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens
                            schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te
                            verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten
                            hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet
                            minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend
                            (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer
                            belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt
                            belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van
                            de Participatiewet). </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden</cursief>Er
                            is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen
                            van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een
                            geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de
                            recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
                            Hierbij kan worden gedacht aan:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li>
            <li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li>
            <li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>
            <cursief>De maand van oplegging</cursief>
          </al>
          <al>In het eerste lid wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze
                            term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.
                            Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand
                            waarin de bijstand feitelijk wordt verlaagd (dus de maatregel
                            geëffectueerd wordt). </al>
          <al>
            <cursief>Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen
                                geaccepteerde arbeid</cursief>
          </al>
          <al>In het tweede lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op
                            grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet,
                            geen verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid.
                            Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Geen verrekening bij recidive</cursief>Is sprake van
                            een tweede of volgende schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de
                            maatregel niet mogelijk. Artikel 10 bepaalt immers dat verrekenen
                            uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 9 van
                            deze verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden.
                            Recidive is niet geregeld in artikel 9, maar in artikel 14, derde lid,
                            van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van
                            de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere
                                gedragingen</cursief>Verrekening bij maatregelen voor
                            schendingen van andere gedragingen dan de geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 10 van
                            deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11.</nr>
            <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
          </kop>
          <al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in
                            eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas
                            wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand.
                            Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een
                            beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat
                            belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                            bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in
                            ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden
                            dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen
                            op bijstand):</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li>
            <li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                    uitkering;</al></li>
            <li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                                    voorziening.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                            moet worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie
                            de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g,
                            van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming
                            plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en
                            artikel 9 en 14, derde lid, van deze verordening.</al>
          <al/>
          <al>Op grond van artikel 11 van deze verordening kan een verlaging worden
                            opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Bijstand in de vorm van een geldlening</cursief>
          </al>
          <al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het
                            college tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te
                            verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet. Als het college besluit beide instrumenten te gebruiken
                            (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het
                            totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.<sup/></al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12.</nr>
            <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
          </kop>
          <al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden
                            verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een
                            persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt
                            bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen
                            naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of
                            inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in
                            enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die
                            door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon
                            of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                            lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of
                            vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens
                            als zeer ernstige misdraging te beschouwen.<sup/> Ook verbaal geweld
                            valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.<sup/></al>
          <al/>
          <al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de
                            betreffende personen en instanties tijdens het verrichten van hun
                            werkzaamheden.<sup/> Dus als er uitvoering gegeven wordt aan de
                            betreffende wetten. Het is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd
                            tegen komen; dan is alleen het strafrecht van toepassing.<sup/></al>
          <al/>
          <al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden
                            van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting. Deze
                            verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een
                            onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren
                            wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang
                            tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of
                            meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                            IOAZ.<sup/></al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13.</nr>
            <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen
                                worden geschonden</cursief> Het eerste lid regelt samenloop als
                            sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                            verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde
                            lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt
                            één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de
                            verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging
                            is gesteld.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                                verplichtingen worden geschonden</cursief> Het tweede lid regelt
                            samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren
                            van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                            verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                            regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt
                            voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze
                            verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als
                            dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de
                            gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een
                            belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de
                            individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden
                            uitgesmeerd.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Samenloop met een bestuurlijke boete</cursief>
          </al>
          <al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden
                            opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens
                            een boetewaardige gedragingen is. </al>
          <al/>
          <al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze
                            verordening opgenomen verplichting als schending van de
                            inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen
                            niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de
                            inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                            bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake
                            is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het
                            college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt
                            opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op
                            te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd.
                            Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde
                            lid).</al>
          <al> Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te
                            sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover
                            sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit.
                            Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen
                            opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan
                            worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde
                            lid).</al>
          <al/>
          <al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel
                            18, vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als
                            schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van
                            toepassing.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14.</nr>
            <titel>Recidive</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Verdubbeling duur verlaging</cursief>
          </al>
          <al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                            sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting
                            wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                            uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de
                            verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent.
                            Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden,
                            gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van
                            de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                            bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens
                            dringende redenen – op grond van artikel 3, tweede lid, van deze
                            verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is
                            afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van
                            afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet
                            is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de
                            afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                            verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                            gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn
                            van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                            verlaging is opgelegd, is verzonden.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Verdubbeling hoogte verlaging</cursief>
          </al>
          <al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                            sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting
                            wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                            uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de
                            verlaging. Voor lichte verlagingen is gekozen voor een verdubbeling van
                            de hoogte van de verlaging.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                                arbeidsverplichtingen</cursief>
          </al>
          <al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer
                            een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de
                            recidivebepaling van artikel 14, eerste of tweede lid, van deze
                            verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het
                            woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de
                            recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde
                            verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                            vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. </al>
          <al/>
          <al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij
                            de eerste keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de
                            oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt
                            een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen
                            geldt een verdubbeling van de duur van de verlaging.</al>
          <al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging
                            verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van
                            de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur
                            van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van
                            de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt
                            stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</cursief>
          </al>
          <al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat
                            sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging
                            waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde
                            verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de
                            verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een
                            verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 12)
                            binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich
                            niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen (artikel 6, eerste lid), dan is geen sprake van
                            recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is
                            sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het
                            opstellen van een plan van aanpak (artikel 6, onderdeel c, onder 1⁰) en
                            vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 6,
                            onderdeel b, onder 2⁰). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging
                            aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Recidive schending geüniformeerde
                            arbeidsverplichting</cursief>
          </al>
          <al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende
                            een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende
                            drie maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de
                            Participatiewet gegeven marges.</al>
          <al/>
          <al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de
                            vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie
                            maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de
                            Participatiewet).</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15.</nr>
            <titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel>
          </kop>
          <al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de
                            IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                            belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven,
                            maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college.
                            De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde
                            komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele
                            weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas
                            als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op
                            grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 15
                            van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16.</nr>
            <titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de
                            IOAZ geeft het college de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of
                            blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als
                            bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben
                            kunnen verwerven, indien: </al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden
                                    ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
                                    Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan
                                    worden gemaakt;</al></li>
            <li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                    belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                    bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs
                                    niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li>
            <li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    aanvaarden; of</al></li>
            <li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde
                                    arbeid verkrijgt.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het college
                            de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af
                            voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een
                            situatie die valt onder c of d dan kan het college de uitkering blijvend
                            weigeren. Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>