<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR348061_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerenveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerenveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-83062.html">gmb-2014-83062</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220">Gemeentewet, artt. 220 t/m 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      
            
              Verordening op de heffing en de invordering van
                                onroerende-zaakbelastingen 2015
            
          
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            
              Verordening op de heffing en de invordering van
                                onroerende-zaakbelastingen 2015
            
          </al>
          <al>De raad van de gemeente Heerenveen;</al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18
                        november 2014;</al>
          <al/>
          <al>gelet op de <extref doc="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220" struct="BWB">artikelen 220 tot en met 220h van de
                        Gemeentewet</extref>;</al>
          <al/>
          <al>besluit </al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de volgende verordening:</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende</vet>
            <vet>-</vet>
            <vet>zaakbelastingen 201</vet>
            <vet>5</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>(Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015)</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden voor binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                    woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                    recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                    gebruikersbelasting;</al></li>
              <li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven (verder de gebruiker), aangemerkt als gebruik
                                    door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder de
                                    gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als
                                    zodanig te verhalen op de gebruiker;</al></li>
              <li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld,
                            tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
                            eigendom, bezit of beperkt recht is.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastingobject</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                            hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                            heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen <extref doc="1.0:v:BWBR0007119&amp;artikel=17" struct="BWB">17</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0007119&amp;artikel=18" struct="BWB">18</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0007119&amp;artikel=20" struct="BWB">20</extref>, tweede lid, van de Wet waardering onroerende
                            zaken.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Vrijstellingen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is
                            gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                            van:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                    cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                    ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt
                                    voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de
                                    ondergrond als voedingsbodem te gebruiken ;</al></li>
              <li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                    of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond bestaat uit de
                                    in onderdeel a bedoelde grond;</al></li>
              <li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                    eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten
                                    van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                    voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet
                                    aan de voorwaarden genoemd in <extref doc="1.0:v:BWBR0004914&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8</extref> van het Rangschikkingsbesluit
                                    Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende
                                    gebouwde eigendommen;</al></li>
              <li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                    heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                    rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                    uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon
                                    ten doel stellen, beheerd worden;</al></li>
              <li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                    rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li>
              <li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                    afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                    van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                    afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                    werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                    gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li>
              <li nr="j."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                    eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst voor
                                    het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of te
                                    verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                    verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                    banken, arbri’s, hekken en palen; plantsoenen, parken en
                                    waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de
                                    gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                    recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                                    die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="k."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria een en ander met
                                    uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen
                                    als woning.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarieven</titel>
          </kop>
          <al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. </al>
          <al>Het percentage bedraagt voor: </al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al> de gebruikersbelasting 0,2805 %</al></li>
            <li nr="2."><al>de eigenarenbelasting:</al></li>
            <li nr=""><al>a. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1770
                                %</al></li>
            <li nr=""><al>b. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,3491 %</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van <extref doc="1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=artikel 9" struct="BWB">artikel 9</extref>, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten
                            de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn
                            vervalt op de laatste (werk)dag van de maand volgend op de maand die in
                            de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn
                            vervalt twee maanden later op de laatste (werk)dag van de betreffende
                            maand. </al>
            <al>Als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet minder dan drie
                            maanden in het kalenderjaar overblijven, moeten de aanslagen worden
                            betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van de
                            dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden overblijven, met een
                            minimum van één termijn.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen
                            door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                            afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke
                            maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste
                            (werk)dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                            aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens op de
                            laatste (werk)dag van de direct daarop volgende maanden. Indien er na de
                            maand van dagtekening van het aanslagbiljet minder dan acht maanden in
                            het kalenderjaar overblijven, moeten de aanslagen worden betaald in
                            zoveel gelijke termijnen als er na de maand van de dagtekening van het
                            aanslagbiljet nog maanden overblijven, met een minimum van één termijn.
                        </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>In afwijking van het tweede lid gelden voor aanslagen die betrekking
                            hebben op een voorgaand belastingjaar de termijnen van betaling als
                            omschreven in het eerste lid. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>In afwijking van de voorgaande leden moet het bedrag van de aanslag in
                            één termijn betaald worden, als het totaalbedrag van het (gecombineerde)
                            aanslagbiljet lager is dan € 80,-. De betaaltermijn vervalt dan op de
                            laatste (werk)dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening
                            van het aanslagbiljet is vermeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel>
          </kop>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van
                        onroerende-zaakbelastingen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Overgangsrecht</titel>
          </kop>
          <al>Met ingang van de in artikel 10 genoemde datum van heffing, wordt de in de
                        raadsvergadering van 2 januari 2014 vastgestelde Verordening
                        onroerende-zaakbelastingen 2014 ingetrokken, met dien verstande dat zij van
                        toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                        onroerende-zaakbelastingen 2015.</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 december 2014.</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
          De griffier, 
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          mevrouw W.J.M.A. Jansen 
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          De voorzitter, 
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          de heer T.J. van der Zwan 
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>