<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347821_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Appingedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Appingedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-14861.html">Gemeenteblad, 2016, 14861</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8 eerste lid aanhef en onderdeel b en tweede lid">Artikel 8 eerste lid aanhef en onderdeel b en tweede lid van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Appingedam;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders </al><al>d.d. 4 november 2014;</al><al>gelet op artikel 8 eerste lid aanhef en onderdeel b en tweede lid van de
                        Participatiewet;</al><al><vet><onderstreept>B E S L U I T</onderstreept></vet><vet> :</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 </vet></al><al>voor de gemeente Delfzijl, Appingedam en Loppersum.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en Wet algemene bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Delfzijl, Appingedam of Loppersum;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wet: Participatiewet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                Participatiewet, en de Algemene bijstand;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>peildatum: datum waarop in enig jaar het recht op de individuele
                                inkomenstoeslag ontstaat;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>langdurig: gelijk aan de duur van de referteperiode;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>referteperiode: periode van vijf jaar, voorafgaand aan de
                                peildatum.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de doelgroep van deze regeling behoren personen van 21 jaar of
                                ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die</al><lijst><li nr="-"><al>langdurig een laag inkomen hebben en;</al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen hebben en;</al></li><li nr="-"><al>geen uitzicht hebben op inkomensverbetering en;</al></li><li nr="-"><al>op de peildatum in de gemeente Delfzijl, Appingedam of Loppersum
                                als inwoner ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen
                                (BRP).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen recht op een individuele inkomenstoeslag hebben personen die op
                                de peildatum of in de referteperiode een uitkering op grond van de
                                Wet studiefinanciering of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                schoolkosten hebben ontvangen.</al><al>Geen recht op een individuele inkomenstoeslag hebben personen die op
                                de peildatum in een inrichting wonen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36 eerste lid van de Participatiewet
                            wordt ingediend via een vastgesteld (digitaal of papieren)
                            formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36
                            eerste lid Participatiewet, als gedurende de referteperiode het in
                            aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan honderd procent van de
                            toepasselijke bijstandsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de individuele inkomenstoeslag bedraagt voor een:</al><lijst><li nr="-"><al>gezin: gelijk aan 38% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm
                                per maand voor gehuwden (artikel 21 onder b Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>alleenstaande ouder: gelijk aan 34% van de van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm per maand voor gehuwden (artikel 21 onder b
                                Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>alleenstaande: gelijk aan 27% van de van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm per maand voor gehuwden (artikel 21 onder b
                                Participatiewet).</al></li></lijst><al>Het bedrag dat vervolgens uit de berekening volgt wordt naar boven
                                afgerond op hele tientallen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de bijstandsnorm van de maand juli in het jaar
                                voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt ingediend,
                                vormt de basis voor deze berekening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste lid, is de situatie op de peildatum
                                bepalend. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13 eerste lid
                                Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze regeling, voor zover deze niet zijn opgenomen in de
                            Participatiewet, deze verordening en toelichting of een uitwerking zijn
                            van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><label>Hardheidsclausule</label></kop><al>Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde
                            in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>oude verordening Langdurigheidstoeslag</titel></kop><al>De Verordening Langdurigheidstoeslag voor de gemeenten Delfzijl,
                            Appingedam en Loppersum van 19 februari 2014 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening individuele
                                inkomenstoeslag 2015 voor de gemeenten Delfzijl, Appingedam en
                                Loppersum.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare </ondertekening><ondertekening>vergadering d.d. 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening> , voorzitter. , griffier.</ondertekening><ondertekening> (H.K. Pot) (E.P. Faber-van Brug)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting verordening individuele inkomenstoeslag</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    Langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    Langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de Langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de Langdurigheidstoeslag.
                    Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar
                    een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele
                    inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden
                    daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in
                    aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                    aan personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd vanwege een
                    schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting, of aan
                    personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><tussenkop>Vast te leggen regels in de verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen hoger dan honderd procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast
                    moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald
                    worden. Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer
                    sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van
                    artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden
                    vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen
                    uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de
                    omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet
                    is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><al>- de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al><al>- de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
                    komen.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    Langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte Langdurigheidstoeslagen, omdat
                    artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met
                    betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB
                    op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                    Langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na
                    de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke
                    toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op Langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening.
                    Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen
                    op of ná 1 januari 2015, is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in
                    artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al><tussenkop>Wijziging leefvorm</tussenkop><al>De leefvorm van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen,
                    maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden
                    aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de
                    voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen.
                    Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden
                    voldoen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Alleen de bepalingen die nadere toelichting nodig hebben, worden hier
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de Participatiewet en de Wet algemene
                    bestuursrecht (Awb). Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                    verordening.</al><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Het inkomen wordt omschreven in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking
                    hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag ook gerekend onder de noemer inkomen. Bijzondere bijstand kan
                    niet als inkomen worden beschouwd. Aangezien individuele inkomenstoeslag een
                    vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een
                    eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden
                    gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een
                    eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als
                    inkomen, omdat dit het ongewenste effect kan hebben dat een persoon geen recht
                    op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft
                    gehad in de referteperiode, vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een
                    eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een
                    eerder verstrekte Langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde
                    vóór 1 januari 2015.</al><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon:</al><al>- langdurig een laag inkomen heeft;</al><al>- geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de
                    Participatiewet en;</al><al>- gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op
                    inkomensverbetering heeft.</al><al>De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en
                    de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: Een periode
                    van 60 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel
                    3 onder ‘Langdurig’.</al><tussenkop>Artikel 2 Indienen verzoek</tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet
                    dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
                    inkomenstoeslag kan indienen. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een
                    persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag
                    dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al> Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan via een door het college vastgesteld (digitaal of papieren) formulier.
                    Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag, zoals bedoeld in afdeling 4.1.1
                    van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb)
                    die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van
                    de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die
                    wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager geeft ook de
                    gegevens en papieren die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en
                    waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid,
                    van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als
                    een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 3 Langdurig laag inkomen</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. </al><tussenkop>Langdurig </tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 van deze verordening. </al><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan honderd procent van de
                    toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 100% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van
                    dit lage inkomen moet worden genegeerd<noot id="d3905e363"><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al>CRvB
                            19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en CRvB
                            15-02-2011, nr. 08/5141 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532</noot.al><noot.al/></noot>.<sup/> Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de
                    referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5,- of
                    meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale overschrijding van de
                    bijstandsnorm die niet aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de
                    weg staat. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding
                    van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten<noot id="d3905e372"><noot.nr> 2 </noot.nr><noot.al>(CRvB
                            27-03-2012, nr. 10/2488 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en CRvB
                            31-07-2012, nr. 12/1825 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178</noot.al><noot.al/></noot>.<sup/></al><tussenkop>Artikel 4 Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden.</al><al>De hoogte is afgeleid van een percentage van bij bijstandsnorm voor gehuwden.
                    Voor gehuwden is dit 38 procent, voor alleenstaande ouders is dit 34% en voor
                    alleenstaanden 27 procent.</al><al>De hoogte van de bijstandsnormen wordt echter enkele keren per jaar vastgesteld.
                    Om geen verschillende toeslagen te krijgen is besloten de norm van één vaste
                    maand als uitgangspunt te nemen voor de berekening. Dit is de bijstandsnorm van
                    de maand juli voorafgaand aan het jaar van de aanvraag.</al><al>Het bedrag dat vervolgens uit de berekening volgt, wordt naar boven afgerond op
                    hele tientallen. </al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag<noot id="d3905e394"><noot.nr> 3 </noot.nr><noot.al>CRvB
                            13-07-2010, nr. 08/2345 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529</noot.al></noot>.<sup/></al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                    partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om
                    een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                    Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die
                    voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in
                    het vierde lid.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>