<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347817_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele tegenprestatie participatiewet, ioaw en ioaz 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.officielebekendmakingen.nl, 22-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele tegenprestatie participatiewet, ioaw en ioaz 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IAOW art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IAOZ art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R2014.0079-H</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele tegenprestatie participatiewet, ioaw en ioaz 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>VERORDENING TEGENPRESENTATIE PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ
                        2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>uitkeringsgerechtigden: personen die een uitkering ontvangen op
                                grond van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de Wet
                                Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ). </al></li><li nr="b)"><al>vrijwilligerswerk: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald
                                wordt verricht, voor anderen of de samenleving;</al></li><li nr="c)"><al>mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                beschermd wonen, opvang, </al><al>jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en
                                overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die
                                rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale
                                relatie en die niet wordt verleend in het kader van een
                                hulpverlenend beroep;</al></li><li nr="d)"><al>tegenprestatie: kortdurende, additionele, onbeloonde maatschappelijk
                                nuttige werkzaamheden;</al><al>de wet: de Participatiewet, IOAW of IOAZ</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt uitkeringsgerechtigden op om naar vermogen
                                onbeloonde maatschappelijk </al></li><li nr="2."><al>nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, te verrichten
                                als tegenprestatie. De op te </al></li><li nr="3."><al>leggen tegenprestatie moet aan vier eisen voldoen:</al><lijst><li nr="a)"><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b)"><al>niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;</al></li><li nr="c)"><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze</al><al>worden verricht; en</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>niet leiden tot verdringing.</al></li><li nr="5."><al>Het college zet de tegenprestatie motiverend in, waarbij tegemoet
                                wordt gekomen aan het</al><al>individueel en collectief belang.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de
                        volgende factoren:</al><al>a) de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een</al><al> belanghebbende;</al><al>b) de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                        belanghebbende moeten</al><al> in aanmerking worden genomen;</al><al>c) de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in
                        overweging</al><al> worden genomen;</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 3
                                maanden;</al></li><li nr="2."><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uren per
                                week;</al></li><li nr="3."><al>De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts
                                tweemaal worden</al><al>opgedragen;</al></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt op basis van de individuele omstandigheden van
                                een belanghebbende de</al><al>duur en omvang van de tegenprestatie.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Vrijstelling</titel></kop><al>Geen tegenprestatie wordt opgelegd aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende die voor ten minste acht uur per week
                                vrijwilligerswerk verricht, waarvoor toestemming is verkregen van
                                het college;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende die deelneemt aan activiteiten in het kader van
                                een re-integratietraject;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende die zorgtaken verricht als mantelzorger voor ten
                                minste acht uur per</al><al>week. De uren kunnen op basis van individuele omstandigheden lager
                                vastgesteld worden;</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende die een parttime baan heeft voor ten minste 20 uur
                                per week;</al></li><li nr="e."><al>alleenstaande ouders die vrijstelling van de arbeidsplicht hebben in
                                verband met de zorg</al><al>voor (een) kind(eren) in de leeftijd tot 5 jaar;</al></li><li nr="f."><al>de belanghebbende die duurzaam volledig arbeidsongeschikt is;</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                                voorhanden zijn die</al><al>kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen
                                werkzaamheden voorhanden zijn,</al><al>beoordeelt het college binnen 6 maanden of op dat moment wel
                                werkzaamheden voorhanden</al><al>zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                        Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al>Het college draagt een tegenprestatie naar vermogen op aan
                        uitkeringsgerechtigden, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                        met arbeidsinschakeling. Een</al><al>belanghebbende van achttien jaar of ouder doch jonger dan de
                        pensioengerechtigde leeftijd is</al><al>vanaf de dag van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te
                        verrichten. Dit is</al><al>vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De
                        tegenprestatie bestaat</al><al>uit de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                        maatschappelijk nuttige</al><al>werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en
                        die niet leiden tot</al><al>verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al/><lijst><li nr="•"><al>Individuele omstandigheden</al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en
                                de voorhanden zijnde</al><al>onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur
                                en de omvang van de aan</al><al>een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de
                                in deze verordening</al><al>neergelegde criteria in acht nemen. Bij het beoordelen van de
                                individuele omstandigheden worden</al><al>de leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante
                                persoonlijke omstandigheden</al><al>meegewogen. Als het college een tegenprestatie vraagt van
                                belanghebbende, moet het een</al><al>duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                                Het moet voor een</al><al>belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem
                                verwacht wordt. </al><al>Het meewegen van de individuele omstandigheden en de duidelijke
                                omschrijving van op gedragen werkzaamheden hebben tot gevolg, dat er
                                geen standaardovereenkomsten en beschikkingen gehanteerd mogen
                                worden. Per individu moet bekeken worden of de tegenprestatie
                                passend is.</al><al/><al>In de verordening wordt uitdrukkelijk ruimte geboden aan
                                belanghebbenden bij het invullen van de tegenprestatie, met aandacht
                                voor ieders individuele mogelijkheden. Maatwerk en het vergroten van
                                de zelfredzaamheid staan hierbij voorop. De gemeente neemt de
                                regierol actief op, maar biedt ruimte aan cliënten om mee te denken.
                                Bij het uitoefenen van de regierol door de gemeente is een
                                motiverende houding en zorgvuldige communicatie richting de
                                belanghebbende van belang.</al><al/></li><li nr="•"><al>Geen tegenprestatie</al><al>In individuele gevallen kan het college vrijstelling verlenen van
                                het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                                Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van
                                toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                                arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en
                                inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                                Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                                toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een
                                ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).
                                Daarnaast kan vrijwilligerswerk van een bepaalde omvang als
                                tegenprestatie beschouwd worden. Belanghebbende wordt dan
                                vrijgesteld van verdere activiteiten in het kader van de
                                tegenprestatie.</al><al/></li><li nr="•"><al>Afstemmen</al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en
                                re-integratieverplichting geldt voor het niet</al><al>nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                                overeenkomstig de</al><al>gemeentelijke afstemmingsverordening.</al><al/></li><li nr="•"><al>Tegenprestatie is geen re-integratie instrument</al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk
                                nuttige werkzaamheden te verrichten in de samenleving als
                                tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering. Het opdragen
                                van een</al><al>tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een
                                belanghebbende te bevorderen,</al><al>maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving.
                                De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op
                                toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie
                                instrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van
                                passende arbeid of van re-integratie inspanningen niet belemmeren.
                                Immers, als uitgangspunt geldt werk boven uitkering. Dat betekent
                                dat eerst bekeken wordt of iemand via een re-integratietraject naar
                                werk geleid kan worden. Is dit (vooralsnog) niet het geval, dan
                                wordt bezien of er een tegenprestatie opgelegd kan worden.</al></li></lijst><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen </vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene
                                wet</al><al>bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                                gedefinieerd in deze verordening. Deze</al><al>zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al/><al>Vrijwilligerswerk</al><al>Werk dat onverplicht is waarvoor geen loon ontvangen wordt en in
                                georganiseerd verband voor</al><al>anderen of de samenleving uitgevoerd wordt. Hiermee onderscheidt
                                vrijwilligerswerk zich van werk</al><al>in loondienst. Bij werk in loondienst verplicht de werknemer zich om
                                op basis van een</al><al>arbeidsovereenkomst bepaalde taken uit te voeren op een door de
                                werkgever aangewezen plaats.</al><al>De werkgever verplicht zich om voor deze werkzaamheden een bepaald
                                loon uit te betalen. De</al><al>bepalingen over arbeid in dienstbetrekking uit het burgerlijk
                                wetboek vormen het juridisch kader</al><al>voor de werk in loondienst. Om vrijwilligerswerk als tegenprestatie
                                te beschouwen, moet wel</al><al>bezien worden of dit werk als maatschappelijk nuttig kan worden
                                beschouwd.</al><al/><al>Mantelzorg</al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                                mantelzorg. Deze begripsbepaling</al><al>is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning 2015 (zie artikel 1.1.1, eerste lid
                                van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). </al><al>Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 5 van deze</al><al>verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt
                                indien een belanghebbende</al><al>mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar
                                het oordeel van het college</al><al>redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie</vet></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en
                                de voorhanden zijnde</al><al>onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur
                                en de omvang van de aan</al><al>een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de
                                in deze verordening</al><al>neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 2 van deze verordening
                                stelt voorwaarden ten aanzien</al><al>van de inhoud van de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe
                                te passen bij het opdragen</al><al>van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de
                                individuele omstandigheden van</al><al>belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en
                                andere relevante persoonlijke</al><al>omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar
                                vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is
                                de werkzaamheden te verrichten.</al><al/><al>In artikel 2, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                                tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                                betreffen die additioneel van aard zijn. De werkzaamheden in het
                                kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van
                                werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. </al><al/><al>Lid 2. Het belang van de belanghebbende en de samenleving</al><al>De tegenprestatie wordt motiverend ingezet, waarbij tegemoet gekomen
                                wordt aan het individuele</al><al>en het collectieve belang.</al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie wordt rekening gehouden met
                                de eigen inbreng van de</al><al>belanghebbende. De belanghebbende wordt gemotiveerd eigen ideeën aan
                                te dragen. De</al><al>communicatie over de tegenprestatie richting de belanghebbende moet
                                zorgvuldig verlopen, zodat</al><al>helder is wat er van hem/haar verwacht kan worden. Het individuele
                                belang van de</al><al>belanghebbende wordt gediend met de bijdrage die de tegenprestatie
                                levert aan het verminderen</al><al>van de kwetsbare positie waarin hij/zij zich bevindt. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie</vet></al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te
                                leggen. Het college bepaalt</al><al>uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                                Tegen een besluit tot het opdragen</al><al>van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden
                                aangetekend.</al><al/><al>Artikel 3 lid 1</al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                                vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term
                                'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een
                                belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers,
                                niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen
                                worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde.</al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de persoonlijke situatie en</al><al>individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder
                                leeftijd, opleiding en</al><al>werkervaring.</al><al>Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische
                                vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen van de
                                tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts wordt
                                bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische
                                omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang
                                en/of belanghebbende</al><al>al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al>Daarnaast houdt het college bij het opdragen van de verplichting tot
                                tegenprestatie rekening met</al><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. </al><al/><al>Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of
                                krachtens artikel 2 van deze verordening en moet die werkzaamheid
                                beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden</al><al>te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel
                                in de beoordeling</al><al>meenemen. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen
                                keuzemogelijkheid is, kan het college een werkzaamheid opleggen. Het
                                is immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een
                                tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Duur en omvang van een tegenprestatie</vet></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en
                                de voorhanden zijnde</al><al>onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur
                                en de omvang van de aan</al><al>een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de
                                in deze verordening</al><al>neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 4 van deze verordening
                                stelt voorwaarden ten aanzien</al><al>van de duur en omvang van de tegenprestatie.</al><al/><al>Individuele omstandigheden</al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden
                                van een belanghebbende de</al><al>omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                                werkzaamheden en de duur in de</al><al>tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat het
                                college steeds een afweging maakt op</al><al>basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan
                                worden.</al><al/><al>Artikel 4, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet
                                voor een maximale duur. De</al><al>tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur van 3
                                maanden. </al><al/><al>Artikel 4, tweede lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet
                                voor een maximaal aantal uren. De</al><al>tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uren per week. Voor
                                het maximaal aantal uren is gekozen om de tegenprestatie van
                                relatief geringe omvang te laten zijn.</al><al>Artikel 4, derde lid, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie
                                binnen een periode van 12</al><al>maanden slechts tweemaal worden opgedragen. Het gaat hierbij om een
                                aaneengesloten periode van twaalf maanden. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Vrijstelling</vet></al><al>Artikel 5 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                                opgedragen indien een belanghebbende voor tenminste 8 uur per week
                                mantelzorg verricht. In individuele gevallen kan het aantal uur
                                mantelzorg lager worden gesteld. Of sprake is van mantelzorg wordt
                                getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd
                                in artikel 1 van deze verordening. Daarnaast regelt dit artikel de
                                vrijstelling voor belanghebbenden die tenminste 8 uur per week
                                vrijwilligerswerk verrichten waarvoor toestemming is gegeven door
                                het college. Uit de</al><al>wet vloeien nog 2 vrijstellingen voort namelijk de zorg van
                                alleenstaande ouders voor (een)</al><al>kind(eren) in de leeftijd van 0 tot 5 jaar (artikel 9a
                                Participatiewet). Deze ontheffing moet wel op</al><al>verzoek van de belanghebbende door het college zijn gegeven.</al><al>Ook belanghebbenden die volledig duurzaam arbeidsongeschikt zijn
                                verklaard, worden ontheven</al><al>van de plicht tot het leveren van een tegenprestatie.</al><al>Toegevoegd is de groep belanghebbenden die parttime werk voor
                                tenminste 20 uren per week</al><al>verrichten. Daarmee wordt verondersteld dat zij voldoende bijdrage
                                aan de samenleving hebben</al><al>gegeven. Bovendien wordt geen tegenprestatie opgelegd indien de
                                belanghebbende deelneemt aan activiteiten in het kader van een
                                re-integratietraject.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 6. Geen werkzaamheden voorhanden</vet></al><al>Artikel 6, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen
                                tegenprestatie wordt opgedragen</al><al>indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                                voorhanden zijn. In deze</al><al>verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen tegenprestatie
                                wordt opgedragen indien geen</al><al>maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen
                                gemeentegrenzen voorhanden zijn. De</al><al>Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen
                                gemeentegrens een tegenprestatie te</al><al>laten verrichten. </al><al>Indien het college besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat
                                binnen de eigen gemeentegrenzen geen onbeloonde maatschappelijk
                                nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen zes maanden een
                                heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel
                                maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen
                                gemeentegrenzen voorhanden zijn. Indien er wederom geen
                                werkzaamheden voorhanden zijn, wordt opnieuw binnen zes maanden een
                                heronderzoek uitgevoerd. Dit is geregeld in artikel 6, tweede lid,
                                van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>