<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347807_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post (19-10-2016)</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 eerste lid, aanhef en onderdeel a en e van de Participatiewet, de artikelen 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/2016-10-01 (participatiewet artikel 8)"/><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004044/2016-07-01#HoofdstukIII_Artikel35"/><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004163/2016-07-01#HoofdstukIII_Artikel35"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-09-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-10-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigde verordening (artikel 12b gewijzigd en artikel 13a is toegevoegd)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/16/255955</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Gewijzigde Afstemmingsverordening artikel 12b gewijzigd 13a is toegevoegd</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>Afstemmingsverordening </vet>
            <vet>Participatiewet</vet>
            <vet>, IOAW
                        en IOAZ</vet>
          </al>
          <al>De raad van de gemeente Zevenaar; </al>
          <al/>
          <al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november 2014,
                        met overneming van de daarin vermelde motieven; </al>
          <al/>
          <al>gelet op artikel 8 eerste lid, aanhef en onderdeel a en e van de
                        Participatiewet, de artikelen 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen
                        35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al>
          <al/>
          <al>gezien het advies van de Commissie Samenleving van 2 december 2014;</al>
          <al/>
          <al>B E S L U I T : </al>
          <lijst>
            <li nr="I."><al>De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ vast te
                                stellen;</al></li>
            <li nr="II."><al>De Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 in te
                                trekken.</al></li>
          </lijst>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begrippen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>uitkeringsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld
                                            in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of
                                            grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van
                                            de Wet inkomensvoorziening oudere en</al><al> gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                            artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening </al><al> oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen voor zover sprake is van een </al><al> uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze</al><al> werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen </al><al> zelfstandigen; </al></li>
                  <li nr="b."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de
                                            Participatiewet of een uitkering op grond van de
                                            Wet</al><al> inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet </al><al> inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li>
                  <li nr="c."><al>verlaging: verlaging van de uitkeringsnorm</al></li>
                  <li nr="d."><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in het
                                            bestaan: het verrichten van handelingen door</al><al> belanghebbende dan wel het nalaten daarvan waardoor
                                            eerder een beroep wordt gedaan op een </al><al> uitkering, dan wel de uitkeringsverstrekking langer
                                            voortduurt;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Voor zover er begrippen in deze verordening niet nader worden
                                    omschreven, hebben deze dezelfde</al></li>
            </lijst>
            <al> betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte </al>
            <al> werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen </al>
            <al> zelfstandigen, de Algemene wet bestuursrecht en de gemeentewet.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot het toepassen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid en 18, tweede, vijfde en zesde
                            lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de reden van de verlaging; </al></li>
              <li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li>
              <li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd;
                                    en</al></li>
              <li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Horen van belanghebbende</titel>
            </kop>
            <al>1.Voordat een verlaging wordt toegepast wordt een belanghebbende in de
                            gelegenheid gesteld zijn</al>
            <al> zienswijze naar voren te brengen. </al>
            <lijst>
              <li nr="2."><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven
                                    als:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li>
                  <li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich</al><al> sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan; </al></li>
                  <li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate
                                            van</al><al> verwijtbaarheid, of </al></li>
                  <li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                            maken.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Afzien van verlaging</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li>
                  <li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan
                                            door het college heeft plaatsgevonden.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor
                                    dringende redenen aanwezig acht.</al></li>
              <li nr="3."><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                    redenen, wordt een belanghebbende</al></li>
            </lijst>
            <al> hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel>
            </kop>
            <al>1.Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                            die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                            over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het </al>
            <al> opleggen van de verlaging aan een belanghebbende bekend is gemaakt.
                            Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende
                            geldende uitkeringsnorm. </al>
            <al>2.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                            kracht worden toegepast, voor zover de uitkering nog niet is
                            uitbetaald.</al>
            <al>3.Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de
                            uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of
                            over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een
                            verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de
                            uitkering is beëindigd of ingetrokken. </al>
            <al>4.Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                            als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de
                            verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd,
                            alsnog toegepast als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in
                            artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Een verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm.</al></li>
              <li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand als:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet,
                                            of</al></li>
                  <li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie
                                            met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe</al><al> aanleiding geeft. </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                    hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘uitkeringsnorm’ worden</al></li>
            </lijst>
            <al> gelezen als ‘uitkeringsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                            Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. </al>
            <al>4.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                            hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘uitkeringsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende
                            bijzondere bijstand’. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Schriftelijke waarschuwing</titel>
            </kop>
            <al>Bij elke verwijtbare gedraging genoemd in de artikelen 8, 9,12,13 en 14
                            van deze verordening kan worden afgezien van het toepassen van de
                            verlaging. Er kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                            waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            maatregelwaardige gedraging plaatsvindt binnen een periode van een jaar
                            te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                            eenschriftelijke waarschuwing bekend is gemaakt.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Gedragingen Participatiewet</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al>
            <al>1.eerste categorie:</al>
            <al> Bij de volgende gedraging wordt de uitkering gedurende één maand met
                            10% van de uitkeringsnorm verlaagd:</al>
            <al> het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie. </al>
            <al>2.tweede categorie:</al>
            <al> Bij de volgende gedraging wordt de uitkering gedurende één maand met
                            30% van de uitkeringsnorm verlaagd:</al>
            <al> het nalaten van handelingen die gericht zijn op het verkrijgen van
                            algemeen geaccepteerde arbeid.</al>
            <al>3.derde categorie:</al>
            <al> Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
                            50% van de uitkeringsnorm verlaagd:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
                                    en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a
                                    van de Participatiewet; </al></li>
              <li nr="b."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                                    artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor
                                    zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                    gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43,
                                    vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                    verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid,
                                    van de Participatiewet; </al></li>
              <li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                                    b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft
                                    geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht
                                    voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid,
                                    van de Participatiewet.</al></li>
              <li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; </al></li>
              <li nr="e."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op </al><al> arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid
                                    onderdeel b van de Participatiewet en artikel </al><al> 10, eerste lid van de Participatiewet voor zover dit niet heeft
                                    geleid tot het geen doorgang vinden of tot </al><al> voortijdige beëindiging van die voorziening.</al><lijst>
                  <li nr="4."><al>vierde categorie: Bij de volgende gedraging wordt de
                                            uitkering gedurende één maand met 100% van de
                                            uitkeringsnorm</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al> verlaagd:</al>
            <al> het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in
                            artikel 9 lid 1 onderdeel b van de Participatiewet en artikel 10 lid 1
                            van de Participatiewet voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang
                            vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor of een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37
                            en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al>
            <al>1.eerste categorie:</al>
            <al> Bij de volgende gedraging wordt de uitkering gedurende één maand met
                            10% van de uitkeringsnorm verlaagd:</al>
            <al> het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie. </al>
            <al>2.tweede categorie:</al>
            <al> Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
                            30% van de uitkeringsnorm </al>
            <al> verlaagd:</al>
            <al> het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan wel aan een onderzoek naar
                            geschiktheid voor scholing op opleiding.</al>
            <al>3.derde categorie:</al>
            <al> Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
                            50% van de uitkeringsnorm verlaagd:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in</al><al> de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e,
                                    van de Wet inkomensvoorziening oudere en </al><al> gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                    artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste </al><al> lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen </al><al> zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen
                                    doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging </al><al> van die voorziening; </al></li>
              <li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste</al><al> lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze </al><al> werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk </al><al> arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen
                                    nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van </al><al> de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder
                                    als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van </al><al> de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel </al><al> 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen </al><al> zelfstandigen; </al></li>
              <li nr="c."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen</al><al> als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk </al><al> arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste
                                    lid, onderdeel f, van de Wet </al><al> inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen; </al><lijst>
                  <li nr="4."><al>vierde categorie:</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al> Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
                            100% van de uitkeringsnorm verlaagd:</al>
            <al> het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de
                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                            e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid
                            tot het geen doorgang vinden of </al>
            <al> tot voortijdige beëindiging van die voorziening. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Verrekenen verlaging</titel>
            </kop>
            <al>1.Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast
                            over de maand van oplegging van de verlaging en de volgende twee maanden
                            als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. </al>
            <al>2.Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                            onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld
                            in het eerste lid plaats. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
            </kop>
            <al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond
                            als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, wordt de
                            uitkering verlaagd:</al>
            <al>a. met 100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand, indien
                            belanghebbende verwijtbaar </al>
            <al> geen of geen volledig recht heeft op een uitkering krachtens een
                            sociale verzekering of daarmee </al>
            <al> naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private
                            verzekering of andere voorliggende </al>
            <al> voorziening, dan wel het verwijtbaar verliezen van een zodanig
                            recht;</al>
            <al>b met 100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand, indien
                            belanghebbende verwijtbaar werkloos is en </al>
            <al> onvoldoende rechten heeft opgebouwd om in aanmerking te komen voor een
                            voorliggende voorziening. </al>
            <al>c. met 10% van de uitkeringsnorm per maand gedurende de periode waarop
                            belanghebbende niet</al>
            <al> op uitkering zou zijn aangewezen indien hij op verantwoorde wijze de
                            middelen waarover hij</al>
            <al> beschikte of redelijkerwijze kon beschikken zou hebben aangewend;</al>
            <al>d. met 50% van de uitkeringsnorm gedurende twee maanden, indien een
                            voorliggende voorziening </al>
            <al> in verband met verrekening van de recidiveboete niet tot uitbetaling
                            komt.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als
                            bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet
                            of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering
                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g,
                            van die wet, wordt een verlaging toegepast van 100% van de
                            uitkeringsnorm gedurende 1 maand. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13a.</nr>
              <titel>Weigeren mee te werken aan het afnemen van de taaltoets</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Wanneer belanghebbende weigert mee te werken aan het afnemen van
                                    de taaltoets zoals staat vermeld in artikel 18b PW, wordt de
                                    uitkeringsnorm gedurende één maand met 20% verlaagd. </al></li>
              <li nr="b."><al>Wanneer belanghebbende blijft weigeren mee te werken aan het
                                    afnemen van de taaltoets, wordt de uitkeringsnorm elke volgende
                                    maand extra verlaagd met 20% van de uitkeringsnorm. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel>
            </kop>
            <al>1.Indien belanghebbende één van de overige aan de uitkering verbonden
                            verplichtingen schendt, Wordt een verlaging toegepast van 20% van de
                            uitkeringsnorm gedurende één maand;</al>
            <al>2.In afwijking van het eerste lid wordt de bijstand geweigerd, indien de
                            belanghebbende geen medewerking verleent aan het stellen van zekerheid
                            als bedoeld in artikel 48, derde lid, van de Participatiewet.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Samenloop en recidive</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
            </kop>
            <al>Indien een belanghebbende zich in één kalendermaand schuldig maakt aan
                            meerderegedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                            Participatiewet, inhouden, wordt er één verlaging toegepast. Voor het
                            bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de
                            gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Recidive</titel>
            </kop>
            <al>1.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                            een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als
                            bedoeld in de artikelen 8, 9, 13 en 14 van deze verordening zich opnieuw
                            schuldig maakt aan eenzelfde of hogere verwijtbare gedraging, wordt
                            telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. </al>
            <al>2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                            een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als
                            bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw
                            schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd
                            procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. </al>
            <al>3.Met een besluit waarmee een verlaging wordt toegepast wordt
                            gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende
                            redenen zoals bedoeld in artikel 4, derde lid van deze verordening of
                            artikel 18, tiende lid van de Participatiewet.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel>
            </kop>
            <al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze
                            weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel>
            </kop>
            <al>1.Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin de
                            belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de
                            IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:</al>
            <al>a.aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek en een persoon ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of</al>
            <al>b.de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een persoon
                            zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden,
                            dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
                            gevergd.</al>
            <al>2.Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de
                            belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de
                            IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of</al></li>
              <li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                    verkrijgt.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van
                            de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening,
                            indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leidt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Onvoorziene situaties</titel>
            </kop>
            <al>In de gevallen dat de bepalingen van deze verordening niet voorzien,
                            neemt het college een besluit, waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt
                            gezocht bij vergelijkbare situaties met in achtneming van de individuele
                            omstandigheden van belanghebbende.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21.</nr>
              <titel>Intrekken oude verordening</titel>
            </kop>
            <al>De Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 wordt ingetrokken met
                            ingang van 1 januari 2015. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015;</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2014. </ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop>
        <al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al>
        <al/>
        <al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al>
        <al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In artikel 10 van de verordening
                    is op grond van artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet de duur van de
                    verlaging vastgelegd.</al>
        <al/>
        <al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al>
        <al/>
        <al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie
                    van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van
                    schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van
                    toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als
                    belanghebbende daarom vraagt.</al>
        <tussenkop>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ </tussenkop>
        <al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van
                    de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                    (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al>
        <al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                    boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al>
        <tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop>
        <al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                    betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te
                    verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van
                    medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet
                    als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al>
        <tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop>
        <al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB en met ingang van 1 januari 2015: Participatiewet), IOAW
                    en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht
                    en is in de plaats gekomen van de verlaging van de bijstand.</al>
        <tussenkop>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</tussenkop>
        <al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de
                    bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk
                    deze regels onder te brengen in de afstemmingsverordening. Gekozen is om deze
                    regels niet in deze verordening op te nemen omdat deze verordening een
                    gecombineerde Participatiewet, IOAW en IOAZ afstemmingsverordening is. De regels
                    over de bevoegdheid om de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen
                    bij verrekening van de recidiveboete zijn neergelegd in de Verordening
                    verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet.</al>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al>
        <tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop>
        <al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Uitkeringsnorm</cursief>Onder de ‘uitkeringsnorm’ wordt in
                    deze verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                    bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en
                    verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake
                    is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder uitkeringsnorm
                    verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en
                    artikel 5 van de IOAZ.</al>
        <tussenkop>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging </tussenkop>
        <al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien. </al>
        <tussenkop>Artikel 3</tussenkop>
        <al>Eerste lid</al>
        <al>Op grond van artikel 4.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in een
                    aantal gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding
                    van het besluit. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van
                    beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12
                    Awb). Wanneer betrokkene geen gebruik maakt van het aangeboden hoorrecht, vindt
                    het besluit plaats zonder dat</al>
        <al>betrokkene wordt gehoord.</al>
        <al/>
        <al>Tweede lid</al>
        <al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b staan ook</al>
        <al>genoemd in artikel 4:11 Awb.</al>
        <al/>
        <al>Er zijn gevallen voorstelbaar waarin de geboden spoed eraan in de weg staat
                    belanghebbenden vooraf te horen. Dit artikel biedt het bestuur dan de
                    mogelijkheid daarvan af te zien. De formulering is evenwel zo gekozen dat er
                    sprake moet zijn van een zekere objectiveerbare spoed. Deze situatie zal zich
                    niet snel voordoen. </al>
        <tussenkop>Artikel 4. Afzien van verlaging </tussenkop>
        <tussenkop>Afzien van verlagen </tussenkop>
        <al>Het afzien van het toepassen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.</al>
        <al>Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt
                    aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                    verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                    toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze
                    verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van
                    de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen
                    om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. </al>
        <al/>
        <al>Een andere reden om af te zien van het toepassen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al>
        <al/>
        <al>Om deze reden regelt artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening
                    dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of het college overgaat tot het opleggen van een verlaging. </al>
        <tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen </tussenkop>
        <al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering. </al>
        <tussenkop>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen </tussenkop>
        <al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    college een toe te passen maatregel of een toegepaste maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken,
                    gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                    het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of
                    op nul vast te stellen. </al>
        <tussenkop>Schriftelijke mededeling in verband met recidive </tussenkop>
        <al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                    afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang
                    in verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 16. </al>
        <tussenkop>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging </tussenkop>
        <al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm. </al>
        <tussenkop>Verlagen met terugwerkende kracht voor zover de uitkering nog niet is
                    uitbetaald (tweede lid)</tussenkop>
        <al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan deverlaging van de uitkering worden toegepast over de maand die
                    nog moet worden uitbetaald. Ditkan zich onder andere voordoen wanneer de
                    aanvraag om een uitkering een gevolg is vanverwijtbare werkloosheid. In zo’n
                    geval wordt op grond van het tweede lid de verlaging vanaf de ingangsdatum van
                    uitkering toegepast</al>
        <tussenkop>Verlagen met terugwerkende kracht (derde lid) </tussenkop>
        <al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast. Het
                    afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van
                    herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte
                    uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is
                    verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de
                    IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet
                    altijd mogelijk. Als de volledige uitkering over de betreffende periode is
                    ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen
                    duidelijke datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of is de
                    verlaging het gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is
                    verlagen met terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging
                    uitsluitend naar de toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het
                    nalaten om voldoende te solliciteren.</al>
        <tussenkop>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (vierde lid)</tussenkop>
        <al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                    gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook
                    mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt. Het college moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het
                    opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b
                    van deze verordening. </al>
        <al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open. </al>
        <tussenkop>Artikel 6. Berekeningsgrondslag Uitkeringsnorm </tussenkop>
        <al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de uitkeringsnorm. Onder de uitkeringsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de
                    IOAZ. </al>
        <tussenkop>Bijzondere bijstand </tussenkop>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het tweede lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag
                    in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. </al>
        <al/>
        <al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al>
        <al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag. </al>
        <tussenkop>Artikel 7. Schriftelijke waarschuwing</tussenkop>
        <al>De verlaging wordt afgestemd op de omstandigheden van de belanghebbende. Indien
                    daartoe eendringende reden aanwezig is, kan het college afzien van de
                    verlaging.</al>
        <al/>
        <al>Daarnaast houdt het college rekening met de ernst van de gedraging in relatie
                    tot de verlaging. Hetcollege kan, indien het van mening is dat dit meer in
                    verhouding staat met de ernst van degedraging, besluiten geen verlaging toe te
                    passen, maar te volstaan met een waarschuwing.</al>
        <al/>
        <al>Een schriftelijke waarschuwing kan alleen worden toegepast wanneer de
                    maatregelwaardige gedraging niet plaatsvindt binnen een periode van een jaar
                    gerekend vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                    waarschuwing bekend is gemaakt. Dit betekent dat twee of meerdere schriftelijke
                    waarschuwingen ter vervanging van een verlaging niet binnen een jaar mogelijk
                    is. </al>
        <tussenkop>Artikel 8. Gedragingen Participatiewet </tussenkop>
        <al>In artikel 8 worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet
                    geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8 zijn
                    ondergebracht in categorieën. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende
                    zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer
                    concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid. </al>
        <tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen </tussenkop>
        <al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 8
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al>
        <tussenkop>Eerste lid: Eerste categorie</tussenkop>
        <al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij hetUWV WERKbedrijf en ingeschreven te blijven staan. Er is
                    gekozen voor een verlaging van 10%gedurende één maand, omdat het hier gaat om
                    een administratieve verplichting welke niet directgevolgen heeft voor de
                    uitstroomverplichting.</al>
        <tussenkop>Tweede lid: Tweede categorie</tussenkop>
        <al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling gericht
                    op de arbeidsmarkt, deeigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren, tevoldoen aan een oproep. Er is gekozen
                    voor een verlaging van 30% gedurende één maand, omdat</al>
        <al>het hier gaat om een mentaliteitsverandering met betrekking tot de
                    medewerkingsverplichting.</al>
        <tussenkop>Derde lid: Derde categorie</tussenkop>
        <al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep opuitkering of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan.
                    Voorbeelden van deze categorie zijnnegatieve gedragingen bij sollicitaties en
                    onvoldoende meewerken aan het opgestelde plan van</al>
        <al>aanpak voor jongeren tot 27 jaar waarin ook sociale activering verplicht kan
                    worden gesteld. Er is gekozen voor een verlaging van 50% gedurende één maand,
                    omdat het hier gaat om eennegatieve houding van belanghebbende en het opwerpen
                    van belemmeringen ten aanzien van hetaanvaarden van arbeid c.q.
                    re-integratietraject en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding </tussenkop>
        <al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden
                    toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze
                    verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou
                    wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                    belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat.
                    Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de
                    herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de
                    afstemmingsverordening (zie artikel 8, derde lid, onderdeel b). </al>
        <tussenkop>Tegenprestatie</tussenkop>
        <al>Wanneer aan een uitkeringsgerechtigde de verplichting tot het leveren van een
                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen niet naleeft, dienen er gepaste
                    maatregelen te worden opgenomen. De tegenprestatie is een middel om
                    uitkeringsgerechtigde in beweging te krijgen en kan als opstap worden gezien
                    naar een toekomstig re-integratietraject. Maar het kan ook voorkomen dat het
                    middel tegenprestatie het maximale haalbare is. Om te bewerkstelligen dat de
                    opgedragen tegenprestatie ook daadwerkelijk wordt nagekomen, is deze maatregel
                    opgenomen in deze verordening.</al>
        <tussenkop>Vierde lid: Vierde categorie</tussenkop>
        <al>De vierde categorie betreft het niet doorgaan van een re-integratietraject. Er
                    is gekozen voor een verlaging van 100% gedurende één maand, omdat door het eigen
                    toedoen van belanghebbende een door de gemeente noodzakelijk geacht
                    re-integratietraject niet is doorgegaan of is beëindigd. Een
                    re-integratietraject wordt gezien als een eerste opstap naar werk waarbij
                    werknemersvaardigheden worden aangeleerd en arbeidsritme wordt opgedaan. Het
                    niet meewerken aan of het niet voorzetten van een re-integratietraject wordt
                    belanghebbende dan ook ernstig toegerekend. </al>
        <tussenkop>Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ </tussenkop>
        <al>In artikel 9 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ
                    geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 9, zijn
                    ondergebracht in categorieën. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende
                    zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer
                    concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al>
        <tussenkop>Eerste lid: Eerste categorie</tussenkop>
        <al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij hetUWV WERKbedrijf en ingeschreven te blijven staan. Er is
                    gekozen voor een verlaging van 10%gedurende één maand, omdat het hier gaat om
                    een administratieve verplichting welke niet directgevolgen heeft voor de
                    uitstroomverplichting.</al>
        <tussenkop>Tweede lid: Tweede categorie</tussenkop>
        <al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling gericht
                    op de arbeidsmarkt, deeigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                    arbeidsinschakeling, scholing en opleiding. Er is gekozen voor een verlaging van
                    30% gedurende één maand, omdat het hier gaat om een mentaliteitsverandering met
                    betrekking tot de medewerkingsverplichting.</al>
        <tussenkop>Derde lid: Derde categorie</tussenkop>
        <al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep opuitkering of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan,
                    zoals negatieve gedragingen bij sollicitaties.</al>
        <al/>
        <al>Er is gekozen voor een verlaging van 50% gedurende één maand, omdat het hier
                    gaat om eennegatieve houding van belanghebbende en het opwerpen van
                    belemmeringen ten aanzien van hetaanvaarden van arbeid c.q. re-integratietraject
                    en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tegenprestatie</tussenkop>
        <al>Wanneer aan een uitkeringsgerechtigde de verplichting tot het leveren van een
                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen niet naleeft, dienen er gepaste
                    maatregelen te worden opgenomen. De tegenprestatie is een middel om
                    uitkeringsgerechtigde in beweging te krijgen en kan als opstap worden gezien
                    naar een toekomstig re-integratietraject. Maar het kan ook voorkomen dat het
                    middel tegenprestatie het maximale haalbare is. Om te bewerkstelligen dat de
                    opgedragen tegenprestatie ook daadwerkelijk wordt nagekomen, is deze maatregel
                    opgenomen in deze verordening.</al>
        <tussenkop>Vierde lid: Vierde categorie</tussenkop>
        <al>De vierde categorie betreft het niet gebruik maken van een aangeboden
                    re-integratietraject dan wel het vroegtijdig beëindigen hiervan door toedoen van
                    de uitkeringsgerechtigde. Er is gekozen voor een verlaging van 100% gedurende
                    één maand, omdat dit een zware gedraging is, omdat een re-integratietraject als
                    voorbode van een betaalde baan kan worden aangemerkt. </al>
        <tussenkop>Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting </tussenkop>
        <al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). </al>
        <tussenkop>Artikel 11. Verrekenen verlaging </tussenkop>
        <al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over
                    de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                    verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                    Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging
                    stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18,
                    elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling. </al>
        <tussenkop>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden </tussenkop>
        <al>Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van
                    het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li>
          <li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li>
          <li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>De maand van oplegging </tussenkop>
        <al>In het eerste en tweede lid wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze
                    term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Met de
                    "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: <cursief>de maand
                        waarin de bijstand feitelijk wordt verlaagd (dus de maatregel geëffectueerd
                        wordt).</cursief></al>
        <tussenkop>Toedeling over drie maanden bij lichtere overtredingen </tussenkop>
        <al>Is er sprake van een overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    (m.u.v. een gedraging vermeldt in artikel 18, vierde lid onderdeel a van de
                    Participatiewet), dan kan worden verrekend over drie maanden. Aan de maand van
                    oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag
                    van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de
                    maatregel en de daaropvolgende twee maanden de inhouding in beginsel 33,33%
                    bedraagt.</al>
        <tussenkop>Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde
                    arbeid (tweede lid)</tussenkop>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van
                    artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening
                    plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid. Het betreft het niet
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is
                    gebaseerd op de zwaarte van de gedraging. </al>
        <tussenkop>Geen verrekening bij recidive </tussenkop>
        <al>Is er sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de
                    maatregel niet mogelijk. Artikel 11 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend
                    mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening
                    én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in
                    artikel 10, maar in artikel 16, derde lid, van deze verordening en artikel 18,
                    zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij
                    recidive niet mogelijk. </al>
        <tussenkop>Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingen </tussenkop>
        <al>Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 11
                    van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.</al>
        <tussenkop>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </tussenkop>
        <tussenkop>Onderdeel a</tussenkop>
        <al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand): </al>
        <al>• het te snel interen van vermogen; </al>
        <al>• het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; </al>
        <al>• het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening;</al>
        <al>• wanneer door verrekening van de recidiveboete de uitbetaling van een andere
                    sociale </al>
        <al> zekerheidsuitkering niet tot uitbetaling komt;</al>
        <al>• het niet nakomen van de verplichting tot instellen van een
                    alimentatievordering;</al>
        <al>• Onvoldoende of geen inzet getoond om een uitkeringsaanvraag te voorkomen.</al>
        <tussenkop>Onderdeel b</tussenkop>
        <al>Voor wat betreft het op reguliere wijze interen van het vermogen wordt uitgegaan
                    van een bedragdat gelijk is aan anderhalf maal de van toepassing zijnde
                    bijstandsuitkering. Eventuele inkomstendienen hierop in mindering te worden
                    gebracht. Verder dient rekening te worden gehouden met een</al>
        <al>eventuele noodzaak tot (her)inrichting. Wanneer de noodzaak hiervoor aanwezig is
                    mag een bedrag van anderhalf maal het bedrag dat hiervoor wordt genoemd in de
                    Nibudnormen, worden meegenomen voor deze (her)inrichting. De verlaging bedraagt
                    10% per maand gedurende de periode dat betrokkene eerder is aangewezen op
                    bijstandsverlening.</al>
        <tussenkop>Onderdeel c</tussenkop>
        <al>De Ioaw, Ioaz, maar ook de Ziektewet, WAO, AOW en WW, kennen een afwijkende
                    regeling ten opzichte van de Participatiewet als het gaat om verrekening van de
                    recidiveboete. Er ligt een verplichting om de recidiveboete gedurende maximaal
                    vijf jaar te verrekenen met de uitkering zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet. Uitkeringsgerechtigden die door volledige verrekening van de recidiveboete
                    geen inkomen hebben, kunnen zo nodig een beroep doen op de een uitkering
                    ingevolge de Participatiewet. De desbetreffende wet wordt dan niet meer als een
                    passende voorliggende voorziening aangemerkt. Wanneer in zo’n geval een beroep
                    wordt gedaan op een uitkering op grond van de Participatiewet dient een
                    verlaging te worden toegepast van 50% gedurende twee maanden wegens
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan. </al>
        <tussenkop>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen </tussenkop>
        <tussenkop>Participatiewet (eerste lid) </tussenkop>
        <al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact ten opzichte van een persoon
                    of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen,
                    slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het
                    toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het
                    ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging
                    gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de
                    desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van
                    gerichte lastercampagnes, (seksuele) intimidatie, het tonen van steek en/of
                    vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als
                    zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer
                    'zeer ernstige misdraging'.</al>
        <al/>
        <al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college,
                    ambtenaren en medewerkers van re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van
                    hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden'
                    wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de
                    uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten
                    werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.</al>
        <al/>
        <al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet, artikel 37, eerste lid, onder g, van de
                    IOAW en artikel 37, eerste lid, onder g IOAZ. Deze verplichting staat dus op
                    zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.</al>
        <tussenkop>Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen </tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Aan de bijstand kunnen aanvullende verplichtingen worden gekoppeld. Specifiek
                    moet dan worden</al>
        <al>gedacht aan:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>Het college kan vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44,
                            tweede lid, van de Participatiewet verplichtingen opleggen die strekken
                            tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van
                            een bepaalde vorm van bijstand en die strekken tot zijn vermindering of
                            beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het
                            zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
                        </al></li>
          <li nr="·"><al>Het instellen van een verzoek tot toekenning van een uitkering tot
                            levensonderhoud voor kinderen verschuldigd krachtens Boek 1 van het
                            Burgerlijk Wetboek (alimentatie) kan door het college als verplichting
                            aan de bijstand worden verbonden, indien de belanghebbende hierop
                            aanspraak heeft;</al></li>
          <li nr="·"><al>Het college kan aan de uitkering op grond van het Bbz verplichtingen
                            verbinden gericht op een doelmatige bedrijfs- of
                            beroepsuitoefening.</al></li>
        </lijst>
        <al>De verlaging die wordt toegepast bedraagt 20% van de uitkeringsnorm gedurende
                    één maand.</al>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Wanneer betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het stellen van
                    zekerheid, zoals staat vermeld in artikel 48, lid 3 Participatiewet, wordt in
                    afwijking van het 1<sup>e</sup> lid, de uitkering geweigerd. </al>
        <tussenkop>Artikel 15. Samenloop van gedragingen </tussenkop>
        <al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingenvan een belanghebbende die in één kalendermaand plaatsvinden. Indien
                    hiervan sprake is, dandient voor het toepassen van de verlaging te worden
                    uitgegaan van de gedraging waarop dezwaarste verlaging van toepassing is.</al>
        <tussenkop>Artikel 16. Recidive </tussenkop>
        <tussenkop>Verdubbeling duur verlaging </tussenkop>
        <al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde of een hoger gerangschikte
                    verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Met de
                    eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is
                    geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van
                    artikel 4, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de
                    Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook
                    als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet
                    is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van
                    elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet
                    mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het
                    bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip
                    waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. </al>
        <tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen </tussenkop>
        <al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor
                    toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. </al>
        <al/>
        <al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat de de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt
                    verdubbeld. </al>
        <al/>
        <al>Telkens wordt de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de
                    verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is
                    expliciet niet voor gekozen de duur van de vorige verlaging te verdubbelen.
                    Uitgangspunt is verdubbeling van de duur van de oorspronkelijke verlaging.
                    Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen. </al>
        <tussenkop>Eenzelfde of hogere verwijtbare gedraging vereist voor recidive </tussenkop>
        <al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde dan wel een hogere verwijtbare gedraging" als de gedraging
                    waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde dan wel
                    een hogere gerangschikte verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval,
                    dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van
                    een verplichting. </al>
        <tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting </tussenkop>
        <al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges. </al>
        <al/>
        <al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet). </al>
        <tussenkop>Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ </tussenkop>
        <al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen. </al>
        <tussenkop>Artikel 18. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering </tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft
                    het college de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren
                    naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van
                    artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien: </al>
        <al>a.aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag
                    ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de
                    belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;</al>
        <al>In artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek staan de navolgende
                    dringende redenen vermeld die ten gevolge hebben dat van de werkgever
                    redelijkerwijze niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten
                    voortduren. </al>
        <al>Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden: </al>
        <al>a. wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft
                    misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze
                    opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige
                    arbeidsovereenkomst is geëindigd; </al>
        <al>b. wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen
                    tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden; </al>
        <al>c. wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander
                    liederlijk gedrag; </al>
        <al>d. wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere
                    misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt; </al>
        <al>e. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
                    medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt; </al>
        <al>f. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
                    medewerknemers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de
                    wetten of de goede zeden; </al>
        <al>g. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de
                    werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt; </al>
        <al>h. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of
                    anderen aan ernstig gevaar blootstelt; </al>
        <al>i. wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de
                    werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt; </al>
        <al>j. wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of
                    opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt; </al>
        <al>k. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de
                    arbeidsovereenkomst hem oplegt; </al>
        <al>l. wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de
                    bedongen arbeid te verrichten. </al>
        <al>b.de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende
                    zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                    voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al>
        <al>Als sprake is van een situatie zoals hierboven vermeld dan kan het college de
                    uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af voorafgaand aan de
                    aanvraag van de uitkering.</al>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Als sprake is van een situatie zoals hieronder vermeldt dan kan het college de
                    uitkering blijvend weigeren. </al>
        <al>Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering.</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
                            of</al></li>
          <li nr="b."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                            verkrijgt.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 19. Hardheidsclausule </tussenkop>
        <al>Om de mogelijkheid te hebben om in zeer uitzonderlijke gevallen, waarbij
                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden zou leiden, in het voordeel van
                    de belanghebbende af te wijken van de bepalingen van deze verordening is er een
                    hardheidsclausule opgenomen. Indien hiervan gebruik wordt gemaakt, moet dit
                    gemotiveerd worden toegelicht.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>