<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347801_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Jeugdhulp gemeente Hattem 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP, 24-02-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Jeugdhulp gemeente Hattem 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, art. 2.9, art. 2.12, lid 2, art. 8.1.1, lid 4, art. 12.4, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149 en 156</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-02-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling (en intrekking oude verordening) Naam oude verordening: Verordening Jeugdhulp gemeente Hattem 2015</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016/nr. 5</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Jeugdhulp gemeente Hattem 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>No.: 5</al><al><vet>Onderwerp:</vet></al><al>Herziening Verordening jeugdhulp</al><al>---------------------------------------------</al><al/><al>De raad van de gemeente Hattem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het College, no.201600023, d.d.5 januari 2016;</al><al/><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.12 lid 2 , 8.1.1 vierde lid, en 12.4 lid 2 van
                        de Jeugdwet en artikel 149 en 156 van de Gemeentewet, de doelstellingen van
                        het nieuwe jeugdstelsel in Hattem;</al><al/><al>overwegende dat </al><al>de Jeugdwet voorschrijft om regels te stellen over de door het college te
                        verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, de wijze van
                        afstemming met andere voorzieningen, de wijze waarop een persoonsgebonden
                        budget wordt vastgesteld, de bestrijding misbruik en oneigenlijk van de wet,
                        en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                        levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel
                        of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                        daarvan; </al><al/><al>gelezen het advies van de Participatieraad d.d. 16 december 2015,</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>onderstaande Verordening Jeugdhulp gemeente Hattem 2016 vast te stellen,
                        onder intrekking van de Verordening Jeugdhulp gemeente Hattem 2015. </al><al/><al><vet>Verordening Jeugdhulp</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al><vet>andere voorziening</vet>:</al><al>voorziening niet vallend onder de wet, op het gebied van zorg,
                            onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; </al></li><li nr="-"><al><vet>gesprek:</vet></al><al>gesprek als bedoeld in artikel 4 van deze verordening;</al></li><li nr="-"><al><vet>hulpvraag:</vet></al><al>behoefte van een jeugdige of een ouder aan jeugdhulp in verband met
                            opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, verstandelijke,
                            lichamelijke of zintuigelijke beperking en stoornissen, als bedoeld in
                            artikel 2.3, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al><vet>individuele voorziening</vet>:</al><al>via een verleningsbeschikking toegankelijke op de jeugdige of zijn
                            ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura
                            of bij pgb wordt verstrekt;</al></li><li nr="-"><al><vet>ondersteuningsplan</vet>:</al><al> familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;</al></li><li nr="-"><al><vet>overige voorzieningen</vet>: </al><al>overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de wet,
                            waarvoor geen verleningsbeschikking van het college vereist is;</al></li><li nr="-"><al><vet>pgb</vet>:</al><al>persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet,
                            zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn
                            ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele
                            voorziening behoort van derden te betrekken; </al></li><li nr="-"><al><vet>wet:</vet></al><al>Wet van 1 maart 2014 inzake regels over de gemeentelijke
                            verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan
                            jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische
                            problemen en stoornissen (Jeugdwet)</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vormen van jeugdhulp en preventie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:
                                </al><lijst><li nr="a."><al>Preventie/basiszorg </al><lijst><li nr="1."><al>informatie, trainingen en (opvoed)advies;</al></li><li nr="2."><al>jeugdgezondheidszorg; </al></li><li nr="3."><al>(school)maatschappelijk werk; </al></li><li nr="4."><al>ambulante opvoedhulp;</al></li><li nr="5."><al>jongeren coaching; </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Basisdiagnostiek;</al></li><li nr="c."><al>Toegangsfunctie (voor individuele voorzieningen);</al></li><li nr="d."><al>Meldpunt Spoedeisende Zorg; </al></li><li nr="e."><al>Advies en meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK)
                                    (Veilig Thuis)</al></li><li nr="f."><al>Jeugdbescherming </al></li><li nr="g."><al>Jeugdreclassering</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn
                                    beschikbaar: </al><al>Specialistische hulp:</al><lijst><li nr="a."><al>crisisopvang;</al></li><li nr="b."><al>gesloten jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>langdurige specialistische ggz; </al></li><li nr="d."><al>langdurige specialistische begeleiding en/of behandeling van een
                                    jeugdige met een beperking;</al></li><li nr="e."><al>medische kinderdagbehandeling;</al></li><li nr="f."><al>pleegzorg;</al></li><li nr="g."><al>residentiele hulp;</al></li><li nr="h."><al>specialistische ambulante opvoedhulp;</al></li><li nr="i."><al>specialistische (dag)behandeling in combinatie met verzorging
                                    van jeugd met een beperking;</al></li><li nr="j."><al>verblijf jeugd met een beperking met/zonder behandeling</al></li><li nr="k."><al>forensische hulp.</al><al/><al>Bovenstaande voorzieningen zijn omgevormd tot de volgende
                                    bouwstenen: </al><lijst><li nr="a."><al>Care licht;</al></li><li nr="b."><al>Care middel;</al></li><li nr="c."><al>Care Zwaar;</al></li><li nr="d."><al>Cure licht;</al></li><li nr="e."><al>Cure middel;</al></li><li nr="f."><al>Cure zwaar.</al><al/></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college stelt bij nadere regeling vast welke overige- en
                                    individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid
                                    beschikbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                                jeugdarts</titel></kop><al>1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de
                            behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, indien en
                            voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van
                            jeugdhulp nodig is. Tijdens de gespreksprocedure worden de jeugdige of zijn ouders uitdrukkelijk door
                            de hulpaanbieder gewezen op de mogelijkheid van en de implicaties van
                            het verkrijgen van een beschikking.</al><al>In het geval dat de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het
                            college de beslissing omtrent de inzet vast in een beschikking als
                            bedoeld in artikel 10.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Toegang jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders met een hulpvraag kunnen het college verzoeken om
                            toeleiding naar een overige voorziening of toekenning van een door het
                            college bij besluit te verlenen individuele voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de
                            behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, indien en
                            voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van
                            jeugdhulp nodig is. Tijdens de gespreksprocedure worden de jeugdige of zijn ouders uitdrukkelijk door
                            de hulpaanbieder gewezen op de mogelijkheid van en de implicaties van
                            het verkrijgen van een beschikking.</al><al>In het geval dat de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het
                            college de beslissing omtrent de inzet vast in een beschikking als
                            bedoeld in artikel 9.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de
                            gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een
                            kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de
                            selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de
                            justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een
                            strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerd instelling nodig
                            acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Hiervoor verstrekt het
                            college geen beschikking als bedoeld in artikel 9.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                            passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een
                            spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3 juncto
                            artikel 6.1.8 van de wet. In het geval dat de jeugdige of zijn ouders
                            hierom verzoeken, legt het college de beslissing omtrent de inzet vast
                            in een beschikking als bedoeld in artikel 9.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders die menen een beroep te kunnen doen op een
                            overige voorziening, niet zijnde basishulp, kunnen zich rechtstreeks
                            hiertoe wenden. Ook de huisarts, medisch specialist, jeugdarts of andere
                            betrokken instanties kunnen hen rechtstreeks verwijzen naar een overige
                            voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>registratie en vooronderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert de melding van een hulpvraag
                                    schriftelijk. </al></li><li nr="2."><al>Het college verzamelt, in overleg met de jeugdige en/of zijn
                                    ouders alle voor het gesprek over de hulpvraag, bedoeld in
                                    artikel 6, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de
                                    jeugdige en zijn situatie. Hiertoe behoort in ieder geval een
                                    identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    identificatieplicht. </al></li><li nr="3."><al>Zo spoedig mogelijk nadat de gegevens zijn verzameld, maakt het
                                    college een afspraak voor een gesprek. </al></li><li nr="4."><al>Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders
                                    afzien van een vooronderzoek als de gegevens van de jeugdige en
                                    zijn situatie voldoende bekend zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de
                                    jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover
                                    nodig: </al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                    ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem
                                    of de hulpvraag; </al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; </al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf of met
                                    ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de
                                    hulpvraag te vinden; </al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;
                                </al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van
                                    een overige voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
                                </al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                    voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                    gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of
                                    werk en inkomen; </al></li><li nr="h."><al>hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                    gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van
                                    de jeugdige en zijn ouders, en </al></li><li nr="i."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb,
                                    waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen
                                    worden ingelicht over de gevolgen van die keuze. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de
                                    gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                    vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun
                                    persoonsgegevens te verwerken. </al></li><li nr="3"><al>Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de
                                    mogelijkheid om het gebruik van een vertrouwenspersoon. </al></li><li nr="4"><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien
                                    van een gesprek. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                    gesprek, bedoeld in artikel 6. </al></li><li nr="2."><al>Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de
                                    jeugdige en/of zijn ouders een verslag van de uitkomsten.</al></li><li nr="3."><al>De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt
                                    ervoor dat een getekend exemplaar binnen 10 werkdagen wordt
                                    geretourneerd aan de contactpersoon, waarmee hij het gesprek
                                    heeft gevoerd. </al></li><li nr="4."><al>Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens
                                    aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. </al></li><li nr="5."><al>Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een
                                    individuele voorziening, kan hij dit aangeven op het door hem
                                    ondertekende verslag</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Jeugdigen en/of ouders kunnen een aanvraag om een individuele
                                    voorziening mondeling of schriftelijk indienen bij het college.
                                </al></li><li nr="2."><al>Indien een aanvraag mondeling wordt gedaan, wordt deze
                                    schriftelijk bevestigd </al></li><li nr="3."><al>Een schriftelijke aanvraag kan worden ingediend door middel van
                                    een door het college vastgesteld formulier. </al></li><li nr="4."><al>Het college beschouwt een voor akkoord ondertekend verslag van
                                    het gesprek als aanvraag voor een individuele voorziening. </al></li><li nr="5."><al>Een niet voor akkoord ondertekend verslag van het gesprek wordt
                                    door het college als een aanvraag voor een individuele
                                    voorziening beschouwd, tenzij de jeugdige of zijn ouders hebben
                                    aangegeven geen aanvraag te wensen. </al></li><li nr="6."><al>De termijn van aanvraag tot beschikking bedraagt maximaal 8
                                    weken. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Afweging en voorwaarden individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Toekenning individuele voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in
                                    het voor akkoord (ondertekende) onderzoeksverslag,
                                    gespreksverslag of ondersteuningsplan, wordt vastgesteld dat de
                                    jeugdige:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn
                                    naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan
                                    vinden;</al></li><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet
                                    gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening, of
                                </al></li><li nr="c."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet
                                    gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Het college kent eveneens een individuele voorziening toe in de
                                    gevallen als bedoeld in artikel 3, </al></li><li nr="3"><al>Conform artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college alleen
                                    een individuele voorziening in de vorm van een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>als de jeugdige of zijn ouders, al dan niet met hulp uit hun
                                    sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor
                                    of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken
                                    zoals verbonden aan het ondersteuningsplan, op verantwoorde
                                    wijze uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al>als de jeugdige of zijn ouders kunnen motiveren waarom zij een
                                    individuele voorziening niet passend achten in hun specifieke
                                    situatie;</al></li><li nr="c."><al>als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de
                                    jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van
                                    een aanbieder of een persoon die behoort tot het sociale
                                    netwerk, van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde
                                    resultaat;</al></li><li nr="d."><al>Het pgb wordt ingezet om jeugdhulp (zorg) in te kopen. </al></li></lijst></li><li nr="4"><al>De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van een door de
                                    cliënt opgesteld plan tot het maximum van de kostprijs van de in
                                    de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in
                                    natura.</al></li><li nr="5"><al>Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze de hoogte
                                    van een pgb wordt vastgesteld. </al></li><li nr="6"><al>Het college stelt het tarief voor het pgb vast op basis van het
                                    door de jeugdige of zijn ouders ingediende plan met begroting
                                    over hoe zij het pgb gaan besteden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele
                                    voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in
                                    natura of als pgb wordt verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                                    beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te treffen voorziening en het beoogde resultaat hiervan
                                    is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en de uitvoeringsperiode van de verstrekking
                                    is;</al></li><li nr="c."><al>welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder van jeugdhulp
                                    de voorziening versterkt, en indien van toepassing;</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het verstrekken van een voorziening als pgb wordt in de
                                    beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke individuele voorziening het pgb kan worden
                                    aangewend;</al></li><li nr="b."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend;</al></li><li nr="c."><al>hoe de feitelijke betaling ten laste van het verstrekte pgb
                                    plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>– Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Conform artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn
                                    ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het
                                    college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan
                                    hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding
                                    kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een
                                    individuele voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Conform artikel 8.1.4 van de wet kan het college een besluit,
                                    genomen op grond van deze verordening herzien dan wel intrekken
                                    indien het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                    hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                    gegevens tot een andere besluit zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                    voorziening of op het daarmee samenhangende pgb zijn
                                    aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet
                                    meer toereikend is te achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van
                                    het pgb, of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening niet of
                                    voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken
                                    als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                    aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                    verlening heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="4."><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid,
                                    onder a of e, of het derde lid, heeft ingetrokken, kan het
                                    college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige
                                    gegevens heeft verschaft of het pgb niet of voor een ander doel
                                    heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd, geheel of
                                    gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                                    individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.</al></li><li nr="5."><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, de
                                    bestedingen van pgb’s. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp een
                                uitvoerders kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                            jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg, en</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders
                                    een beroep kunnen doen op een onafhankelijke
                                    vertrouwenspersoon.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich
                                    desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke
                                    vertrouwenspersoon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>Het college behandelt klachten van jeugdigen of ouders die betrekking
                            hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze
                            verordening, overeenkomstig de bepalingen van de klachtenregeling conform de Algemene
                            Wet Bestuursrecht </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inspraak en medezeggenschap</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de
                                    voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp
                                    overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                                    gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak
                                    wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van
                                    cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het
                                    beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij
                                    de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen
                                    betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun
                                    rol effectief te kunnen vervullen.</al></li><li nr="3."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                    periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                    aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                    deelname aan het overleg benodigde informatie en
                                    ondersteuning.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het
                                    tweede en derde lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzonder gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn
                            ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing
                            van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het
                            college nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al><al>Op aanvragen waarvan de beschikking vóór 1 januari 2016 is afgegeven en
                            de beschikking doorloopt in 2016 of verder, is de Verordening Jeugdhulp
                            Hattem 2015 van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening Jeugdhulp gemeente
                            Hattem 2016’. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Hattem, gehouden op 1 februari 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad van de gemeente Hattem,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting </vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt
                            onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar
                            gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk
                            beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van
                            jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een
                            stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een
                            stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten
                            (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg
                            en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een
                            voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de
                            gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorg-stelsel
                            blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar
                            nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor
                            te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                            probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.</al><al/><al>De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de
                            gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:</al><lijst><li nr="•"><al>over de door het college te verlenen individuele voorzieningen
                                    en overige (jeugdhulp)voorzieningen; </al></li><li nr="•"><al>met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van
                                    beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele
                                    voorziening;</al></li><li nr="•"><al>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een
                                    individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen
                                    op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning,
                                    werk en inkomen;</al></li><li nr="•"><al>over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget
                                    wordt vastgesteld;</al></li><li nr="•"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                                    individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van
                                    misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; </al></li><li nr="•"><al>over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de
                                    uitvoering van de Jeugdwet, en</al></li><li nr="•"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                                    levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van
                                    jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering,
                                    waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de
                                    Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening
                                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten
                                    en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. </al><al/><al><vet>Aanvullende bepalingen</vet></al><al>De verordening bevat een uitwerking van alle bepalingen die
                                    volgens de wet verplicht zijn (zie de artikelen 2.9, 2.12, 8.1.1
                                    vierde lid, en 12.4, tweede lid, van de wet). Daarnaast zijn ook
                                    aanvullende bepalingen opgenomen teneinde een meer compleet
                                    beeld te geven van de rechten en plichten van jeugdigen en
                                    ouders.</al><al>Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met
                                    inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet
                                    andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam
                                    gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de rechten
                                    en plichten van burgers en de gemeente. Daarnaast kan op grond
                                    van artikel 8.1.1, vierde lid, bij verordening bepaald worden
                                    onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden
                                    budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een
                                    persoon die behoord tot zijn sociale netwerk. Het
                                    persoonsgebonden budget wordt nader uitgewerkt in een regeling
                                    art. 11 lid 4 en 5.</al><al/><al><vet>Opdrachten Jeugdwet aan de gemeente</vet></al><al>De Jeugdwet draagt gemeenten via een beleidsplicht op het
                                    opvoedkundig klimaat in gezinnen en wijken, buurten, scholen,
                                    kinderopvang en peuterspeelzalen te versterken.</al><al>Ook vraagt de wet gemeenten beleid te maken gericht op vroege
                                    signalering van en vroegtijdige interventie bij opvoed- en
                                    opgroeiproblemen, psychische problemen en stoornissen
                                    (preventie).</al><al>De wet stelt geen nadere eisen aan deze beleidsopdrachten.</al><al>Wel moet het aanbod van jeugdhulp kwalitatief en kwantitatief
                                    toereikend zijn.</al><al/><al>Daarnaast regelt de Jeugdwet de jeugdhulp. Hieronder vallen de
                                    volgende functies, gedefinieerd in art. 1.1:</al></li><li nr="1."><al>ondersteuning van en hulp en zorg aan jeugdigen en hun ouders
                                    bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of
                                    omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen,
                                    psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke
                                    beperking van de jeugdige of opvoedingsproblemen van
                                    ouders;</al></li><li nr="2."><al>het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer
                                    en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een
                                    verstandelijke, lichamelijk of zintuiglijke beperking, een
                                    chronisch psychisch of een psychosociaal probleem;</al></li><li nr="3."><al>het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het
                                    gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen
                                    van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een
                                    verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een
                                    somatische of psychiatrische aandoening of beperking.</al><al>Niet onder de werking van de Jeugdwet vallen:</al></li><li nr="•"><al>Het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg dat onder
                                    verantwoordelijkheid van gemeenten aan ouders en kinderen wordt
                                    aangeboden op grond van de Wet publieke gezondheid.</al></li><li nr="•"><al>Onderwijs gebonden leerlingenzorg in school. Deze zorg wordt
                                    geregeld in de ondersteuningsplannen van Samenwerkingsverbanden
                                    van scholen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs in
                                    opdracht van de Wet passend onderwijs.</al></li><li nr="•"><al>Huisartsenzorg aan jeugdigen, praktijkondersteuning huisartsen
                                    aan jeugdi-gen en extramurale psychofarmaca verstrekt aan
                                    jeugdigen (minderjarigen), vallende onder de basisverzekering in
                                    het kader van de Zorgverzekeringswet.</al></li><li nr="•"><al>Zorg verleend op basis van de Wet langdurige zorg, d.w.z. de
                                    AWBZ-zorg die overblijft na decentralisatie taken naar
                                    gemeenten, te weten de intramurale zorg voor gehandicapten en
                                    ouderen met een zware zorgvraag.</al><al>Bovendien is artikel 1.2 van de wet van belang, waarin ingegaan
                                    wordt op samenloop met andere wetten die een recht op een
                                    voorziening regelen. Dit artikel luidt als volgt:</al></li><li nr="1."><al>Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze
                                    wet te treffen:</al></li><li nr="a."><al>indien er met betrekking tot de problematiek een aanspraak
                                    bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Algemene Wet
                                    Bijzondere Ziektekosten of de Beginselenwet justitiële
                                    jeugdinrichtingen of een recht op zorg als bedoeld bij of
                                    krachtens de Zorgverzekeringswet, of</al></li><li nr="b."><al>indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de
                                    problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond
                                    van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een
                                    voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die
                                    de jeugdige in staat stelt dagelijkse levensverrichtingen uit te
                                    voeren en het persoonlijk leven te structureren en daarover
                                    regie te voeren.</al></li><li nr="2"><al>Indien er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de
                                    betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op
                                    grond van een aanspraak op zorg als bedoeld bij of krachtens de
                                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een recht op zorg als
                                    bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, als een
                                    soortgelijke voorziening op grond van deze wet kan worden
                                    verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van
                                    deze wet te treffen.</al></li><li nr="3"><al>In afwijking van het eerste lid is het college gehouden een
                                    voorziening op grond van deze wet te treffen, indien jeugdhulp
                                    voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing.</al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan,
                                    dat de raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens
                                    dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het
                                    gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot
                                    preventie en jeugdhulp, de uitvoering van
                                    kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. </al><al/><al><vet>Toeleiding naar de jeugdhulp</vet></al><al>De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren
                                    plaatsvinden.</al><al/><al><vet>Overige voorzieningen</vet></al><al>In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige en
                                    individuele voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie
                                    artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel
                                    van de hulpvragen kan worden volstaan met een overige
                                    voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van
                                    maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van
                                    de gemeente nodig hebben (met uitzondering van jeugdreclassering
                                    en jeugdbescherming). </al><al/><al><vet>Individuele voorzieningen</vet></al><al>Er zijn 4 verschillende manieren te onderscheiden waarop
                                    jeugdigen en gezinnen toegang kunnen krijgen tot een individuele
                                    voorziening jeugdhulp.</al><al/><al>1. Via de gemeente</al><al>Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouders kan binnenkomen
                                    bij de gemeente.</al><al>De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn
                                    ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg
                                    met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een
                                    deskundige van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en de
                                    jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en
                                    zijn ouders eventueel zelf, of met behulp van hun netwerk of met
                                    behulp van een voorziening die niet onder de Jeugdwet valt,
                                    kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een
                                    voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst
                                    gekeken worden of dit een overige voorziening of individuele
                                    voorziening is. Is het laatste het geval dan neemt deze
                                    deskundige, namens het college, een besluit en bepaalt hij in
                                    overleg met de jeugdige welke jeugdhulpaanbieder de aangewezene
                                    is om de betreffende problematiek aan te pakken. </al><al/><al>2. Via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist</al><al>De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na
                                    een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch
                                    specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet
                                    vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus
                                    bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies
                                    nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de
                                    jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. het
                                    college stelt nadere regels vast in de beleidsregels op welke
                                    wijze een individuele voorziening uiteindelijk kan worden
                                    toegekend. </al><al/><al>3. Via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het
                                    openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris
                                    van de justitiële jeugdinrichting</al><al>Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde
                                    instelling, de kinderrechter (via een
                                    kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                                    jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of
                                    de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De
                                    gecertificeerd instelling is verplicht om bij de bepaling van de
                                    in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter
                                    opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te
                                    overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een
                                    kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt
                                    vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen
                                    nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel
                                    of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente
                                    vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen
                                    tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en
                                    rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de
                                    gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de
                                    jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter
                                    een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst
                                    hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling
                                    aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist
                                    omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift
                                    een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling
                                    de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de
                                    kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn
                                    verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de
                                    concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest
                                    geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht
                                    om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al
                                    in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in
                                    deze verordening.</al><al/><al>4. Via Veilig Thuis</al><al>Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot onder andere
                                    jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen
                                    van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien
                                    nodig op basis van een melding of er sprake is van
                                    kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van
                                    jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze
                                    toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus
                                    niet terug in deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening
                                    verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt
                                    getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning,
                                    onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder
                                    b, van de wet. De individuele voorzieningen en overige
                                    voorzieningen zijn opgenomen in artikel 2. Hoe individuele
                                    voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in
                                    artikel 3 e.v.</al><al>De definitie van ‘gesprek’ is nodig omdat dit begrip niet is
                                    gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het
                                    normale spraakgebruik. </al><al>Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de
                                    hulpvraag waarin het college - in de praktijk het CJG - met
                                    degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten
                                    aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en
                                    de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen.</al><al>De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in
                                    het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit
                                    ‘persoonsgebonden budget’.</al><al/><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet
                                    al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor
                                    deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet
                                    nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer
                                    definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en
                                    ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en
                                    ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid
                                    algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de
                                    jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de
                                    betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’
                                    bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder)
                                    zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de
                                    definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder,
                                    adoptieouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als
                                    behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een
                                    pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de
                                    ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). </al><al/><al>In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt
                                    gedefinieerd:</al></li><li nr="•"><al>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie,
                                    aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren,
                                    behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van
                                    psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen,
                                    gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de
                                    jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie
                                    gerelateerde problemen;</al></li><li nr="•"><al>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk
                                    verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met
                                    een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke
                                    beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal
                                    probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben
                                    bereikt, en</al></li><li nr="•"><al>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op
                                    het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het
                                    opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met
                                    een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of
                                    een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de
                                    leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien
                                    verstaande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt
                                    voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.</al><al/><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                                    definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn,
                                    zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en
                                    ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). </al><al/><al><vet>Artikel 2. Vormen van jeugdhulp en preventie</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte
                                    delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin
                                    is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de
                                    door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                                    overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting
                                    op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar
                                    voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het
                                    aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. </al><al/><al>Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de
                                    drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de
                                    toelichting op artikel 1). Een voorziening kan derhalve een
                                    breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en
                                    zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever
                                    gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld
                                    kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp.</al><al/><al>In lid 1 zijn de overige voorzieningen beschreven. Dit betreft
                                    de toegang of wel de beslissing over de passende zorg. Het CJG
                                    heeft op basis van deze verordening het alleenrecht om de
                                    gemeentelijk bevoegdheid om over passende hulp te beslissen, uit
                                    te oefenen. In het CJG zijn gedragswetenschappers en jeugdartsen
                                    werkzaam die over een brede kennis en kunde beschikken om te
                                    kunnen besluiten over passende hulp. In een aantal situaties is
                                    meer deskundigheid nodig dan waarover het CJG beschikt. In die
                                    situaties kan het CJG een beroep doen op de zogenaamde expertise
                                    pool (regionale Pool van specialisten) , expertise die van
                                    buiten het CJG wordt ingezet om tot een goede beoordeling van de
                                    hulpvraag en de daarbij passende ondersteuning en zorg te komen. </al><al>In situaties waarin vermoedens bestaan of sprake is van
                                    huiselijk geweld of kindermishandeling kan een beroep worden
                                    gedaan op de deskundigheid van Veilig Thuis . Ook kan een
                                    melding worden gedaan bij Veilig Thuis. Een melding kan leiden
                                    tot een advies over hoe om te gaan met de situatie door
                                    bijvoorbeeld een inzet van een overige voorziening of een
                                    toeleiding naar de lokale toegang wanneer er toch een
                                    individuele voorziening nodig blijkt. Ook kan Veilig Thuis een
                                    melding doen bij de Raad voor de Kinderbescherming. Deze melding
                                    kan uiteindelijk leiden tot een rechterlijke maatregel;
                                    jeugdbescherming of jeugdreclassering.</al><al/><al>Een crisissituatie kan leiden tot een beroep op spoedeisende
                                    zorg en crisishulp. Spoedeisende zorg is dan ook bedoeld om snel
                                    te kunnen ingrijpen bij een crisissituatie. Het gaat om de 24/7
                                    beschikbaarheid van een professional die interventiehulp biedt
                                    in het gezin. Het streven is uithuisplaatsing zoveel mogelijk te
                                    voorkomen. Als het nodig is in het belang van de veiligheid van
                                    het kind, dan kan het kind (tijdelijk) elders worden opgevangen.
                                    Er kan dus sprake zijn van spoedeisende zorg (interventiehulp)
                                    en/of van crisishulp (bedden). In feite vormt de spoedeisende
                                    zorg de toegang tot de crisishulp. Het is belangrijk dat het CJG
                                    en relevante lokale voorzieningen optimaal worden benut wanneer
                                    spoedeisende zorg geboden is. Opvang van een cliënt in
                                    crisishulp is voor maximaal vijf werkdagen, daarna stroomt een
                                    cliënt door naar een individuele voorziening, waarvoor een
                                    verleningsbeschikking is vereist.</al><al/><al>Lid 2 geeft een overzicht van de individuele voorzieningen. De
                                    zorgvormen uit de beleidsnota inkoop:</al></li><li nr="-"><al>voortgezette diagnostiek;</al></li><li nr="-"><al>begeleiding/ambulante hulp</al></li><li nr="-"><al>crisishulp/crisisopvang</al></li><li nr="-"><al>dag- en deeltijdbehandeling (zonder verblijf)</al></li><li nr="-"><al>pleegzorg</al></li><li nr="-"><al>verblijf 24-uur zorg</al></li><li nr="-"><al>verblijf deeltijd</al></li><li nr="-"><al>jeugdzorg plus</al></li><li nr="-"><al>coördinatie (omvangrijk coördinatietaak met verschillende vormen
                                    van hulp en ondersteuning)</al></li><li nr="-"><al>jeugdbescherming</al></li><li nr="-"><al>jeugdreclassering</al><al>zijn omgevormd tot de bouwstenen cure (gericht op behandeling)
                                    en care (gericht op begeleiding en ondersteuning). In de huidige
                                    situatie is de financieringssystematiek van deze zorgvormen
                                    onderling sterk verschillend. Zo vindt de bekostiging plaats op
                                    grond van de Awbz, de Zvw of vanuit de provincie. Er is sprake
                                    van DBC’s (diagnose behandel combinaties), ZZP’s
                                    (zorgzwaartepakketten) en BKE’s (bekostigingseenheden). Ook de
                                    hoogte van de tarieven is onderling verschillend.</al><al>Gemeenten willen toegroeien naar een sturingssystematiek die
                                    eenduidig is voor de verschillende sectoren om op die manier
                                    zowel inhoudelijke winst als efficiencyvoordelen te behalen. De
                                    sturingssystematiek met de bouwstenen cure en care is de stip op
                                    de horizon. In 2016 wordt dit systeem volledig ingevoerd. In
                                    2015 wordt een eerste stap gezet naar deze nieuwe
                                    sturingssystematiek. Daarvoor worden de huidige zorgvormen,
                                    producten en prijzen in de Awbz, de Zvw en de provinciale
                                    jeugdzorg zoveel als mogelijk omgezet in het kader van de
                                    bouwstenen. </al><al/><al>Binnen de bouwstenen care en cure wordt een onderscheid gemaakt
                                    naar licht, middel en zwaar. Het onderscheidend vermogen daarin
                                    is de mate van complexiteit van de hulpvraag en/of de duur van
                                    de behandeling. Binnen de bouwsteen bepaalt de
                                    jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige en zijn ouders welke
                                    jeugdhulp precies nodig is.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch
                                        specialist of jeugdarts</vet></al><al>In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is
                                    geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot
                                    jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de
                                    huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp
                                    blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de overige
                                    voorzieningen als de individuele voorzieningen. Met een
                                    dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen
                                    bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de
                                    jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de
                                    gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap
                                    1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in
                                    overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete
                                    inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze
                                    aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de
                                    inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal
                                    zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die
                                    voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Zie ook
                                    de algemene toelichting.</al><al>Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de levering van de
                                    voorziening, en omdat de gemeente een regierol heeft in het
                                    geheel van hulpverlening rondom de jeugdige en ouders, moet een
                                    dergelijke verwijzing bij de gemeente bekend zijn en door de
                                    gemeente worden bekrachtigd. Met andere woorden; het is de arts
                                    die kan aangeven dat een individuele voorziening nodig is, maar
                                    het is de gemeente die het formele besluit dient te nemen.</al><al>Het college legt de te verlenen individuele voorziening, in alle
                                    gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders.
                                    De individuele beschikking biedt duidelijkheid en
                                    rechtsbescherming voor de jeugdige en ouders. Het proces rond de
                                    afgifte van de beschikking zal zodanig worden ingericht, dat het
                                    geen vertragende factor vormt voor de daadwerkelijk start van de
                                    hulpverlening.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente</vet></al><al>Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en
                                    is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Dit
                                    alles ter uitvoering van artikel 2.9, onder a, van de wet waarin
                                    is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels
                                    stelt over de door het college te verlenen individuele
                                    voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de
                                    voorwaarden voor de aanvraag, de toekenning en de wijze van
                                    beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele
                                    voorziening en over de wijze waarop de toegang tot en de
                                    toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met
                                    andere voorzieningen.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Registratie en vooronderzoek </vet></al><al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige
                                    voorziening, geldt de in artikel 3 tot en met 4 beschreven
                                    procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde
                                    hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 4, in een gesprek met
                                    de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en
                                    kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige
                                    jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke
                                    toekenning van een individuele voorziening. </al><al/><al>Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben
                                    jeugdigen en ouders onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op
                                    jeugdzorg en geen individuele aanspraken op jeugdzorg. Wel is er
                                    een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit
                                    voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige
                                    procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit
                                    moeten waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden
                                    gewekt dat het telkens om een uitvoerig, onnodig bureaucratische
                                    proces gaat. Dit is echter geenszins de bedoeling. Zo kan het
                                    vooronderzoek (artikel 5), afhankelijk van de inhoud van de
                                    melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien
                                    hiervan – en in bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel
                                    4) – in overleg met de jeugdige of zijn ouders afgezien worden.
                                    Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er ook sprake kan
                                    zijn van meerdere (opeenvolgende gesprekken). Als de jeugdige al
                                    bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen
                                    niet meer uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige of
                                    zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal een gesprek
                                    nodig zijn om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie
                                    te krijgen. Een vooronderzoek en gesprek zullen uiteindelijk
                                    vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te
                                    nemen besluit het van belang is dat alle feiten en
                                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht.
                                    Ook andere bepalingen (schriftelijke verslaglegging en
                                    schriftelijke indiening aanvraag zijn opgenomen met het oog op
                                    een zorgvuldige procedure en in het belang van een zorgvuldige
                                    dossiervorming.</al><al/><al>Lid 1 regelt dat iedere hulpvraag of verwijzing schriftelijke
                                    wordt geregistreerd, als inschakeling van de jeugdarts of
                                    gedragswetenschapper van het CJG de volgende stap is. Deze
                                    registratie is de basis voor het vervolg van de procedure, maar
                                    is ook nodig voor het geval een cliënt op een later tijdstip met
                                    een hulpvraag bij het CJG terugkeert en de voorgaande situatie
                                    bij de nieuwe beoordeling moet worden meegewogen. De wet geeft
                                    in artikel 7.4.2 hiervoor een juridische grondslag. In het kader
                                    van privacywetgeving is het essentieel dat jeugdigen en ouders
                                    over deze verwerking van gegevens goed worden geïnformeerd,
                                    zodat zij weten hoe en bij wie zij de desgewenst hun privacy
                                    rechten kunnen uitoefenen. Hierover zal meteen bij het eerste
                                    contact over de hulpvraag duidelijkheid aan de cliënt worden
                                    geboden.</al><al/><al>Het tweede lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij
                                    voor het onderzoek naar aanleiding van de melding relevante
                                    bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten niet
                                    worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al
                                    bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele
                                    andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs,
                                    maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met
                                    betrekking tot de privacy van betrokkenen en
                                    gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de
                                    Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige
                                    toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen
                                    toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college
                                    de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te
                                    vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de
                                    inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat
                                    ook de uitnodiging voor het gesprek. In het kader van de
                                    rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de
                                    jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al><al/><al>Derde lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de
                                    locatie voor het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen
                                    worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht
                                    om nog een aantal stukken te overleggen. Tevens kan worden
                                    beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en of
                                    het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is
                                    gehouden om een voorziening op basis van deze wet te
                                    treffen.</al><al/><al>In het vierde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van
                                    onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van
                                    de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven
                                    toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een
                                    vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute
                                    hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag
                                    ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag
                                    gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van
                                    het gesprek worden afgezien. Dit laatste is bepaald in het
                                    vijfde lid.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Gesprek</vet></al><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle
                                    feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden
                                    onderzocht. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een
                                    gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt
                                    besproken. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn
                                    van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In het kader van deze
                                    verordening worden deze gesprekken beschouwd als onderdelen van
                                    een samenhangend geheel, leidend tot één gespreksverslag. Wat,
                                    zoals ook aangegeven in de toelichting op artikel 7, aan de
                                    jeugdige of zijn ouders voor ondertekening wordt aangeboden. </al><al/><al>In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig
                                    mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe
                                    snel dat kan of moet plaatsvinden. </al><al>In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het
                                    gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk.
                                    Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een
                                    aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden
                                    en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog
                                    nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders
                                    voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om
                                    een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. In
                                    onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop
                                    gesteld overeenkomstig het uitgangspunt dat de
                                    verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van
                                    jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een
                                    te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate
                                    van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en
                                    die van de naaste omgeving te versterken. </al><al>Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt te
                                    denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond
                                    van de WMO, AWBZ of de Zvw en een voorziening op het gebied van
                                    passend onderwijs.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Verslag </vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige
                                    dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De invulling van
                                    deze verslagplicht is vorm vrij. Hierbij is een voorbeeld
                                    genomen aan de praktijk van de Wmo. In de memorie van
                                    toelichting op het wetsvoorstel Wmo 2015 (Kamerstukken II
                                    2013/14 33 841, nr.3) staat hierover dat het college een
                                    weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de
                                    cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een
                                    maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een
                                    goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een
                                    juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een
                                    inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de
                                    weergave van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het
                                    onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld
                                    heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed
                                    geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een
                                    individuele voorziening noodzakelijk is. Er volgt dan dus geen
                                    officiële aanvraag en ook geen beschikking. </al><al>Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere
                                    weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de
                                    schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook
                                    gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan
                                    (arrangement) waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen
                                    die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval
                                    passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. </al><al/><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal
                                    dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar
                                    dagen overheen. Daarom begint het tweede lid met de zinsnede
                                    “Binnen 10 werkdagen na het gesprek”. Het kan overigens ook zijn
                                    dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er
                                    in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of de buurvrouw een
                                    uurtje op de kinderen kan passen, of dat hij nog een aanvullende
                                    opmerking heeft. Ook dan is een paar dagen tijd na het gesprek
                                    nuttig. Artikel 3 geeft de jeugdige en zijn ouders ruimte om het
                                    verslag zorgvuldig te lezen en al dan niet voor akkoord of
                                    gezien te tekenen. </al><al/><al>Als de jeugdige of zijn ouders niet akkoord zijn met het verslag
                                    tekenen ze dit voor gezien, lid 4, en geven aan waarom ze deze
                                    mening zijn toegedaan. Veelal zal een nieuw gesprek vlogen om
                                    samen tot een oplossing te komen. Op deze aanvraag volgt dan een
                                    beschikking waartegen bezwaar mogelijk is. </al><al/><al>Lid 5 en artikel 8 lid 4 dragen bij aan het voorkomen van
                                    onnodige bureaucratie door het voor akkoord ondertekende
                                    gespreksverslag als aanvraag aan te merken. </al><al/><al><vet>Artikel 8. Aanvraag </vet></al><al>Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte
                                    delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarbij
                                    is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels
                                    stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de
                                    wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een
                                    individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een
                                    beschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. </al><al>In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze
                                    verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van
                                    de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking
                                    schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op
                                    de aanvraag te beslissen (hier </al><al>het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                                    bepaald. Voor een schriftelijke aanvraag is een formulier
                                    verkrijgbaar via internet (lid 3) </al><al>Lid 2 bepaalt dat een aanvraag ook mondeling kan worden gedaan
                                    en dan schriftelijke wordt bevestigd. In de praktijk zal dit
                                    meestal betekenen dat de jeugdige en zijn ouders die een
                                    mondelinge aanvraag doen, uitgenodigd worden voor een gesprek.
                                    Het verslag van dit gesprek kan vervolgens als aanvraag worden
                                    gezien conform lid 4 van dit artikel als de jeugdige en zijn
                                    ouders dit verslag voor akkoord hebben ondertekend. </al><al>Lid 4 regelt dat ter voorkoming van onnodige administratieve
                                    lasten de mogelijkheid om een door de jeugdige of zijn ouders
                                    ondertekend verslag als aanvraag aan te merken als complete
                                    aanvraag voor een individuele voorziening. Zo wordt voorkomen
                                    dat alsnog een aanvraagformulier moet worden ingevuld. </al><al>Het bepaalde in lid 5 borgt de rechtsgang van betrokkene indien
                                    de jeugdige of zijn ouders er niet mee instemmen dat zij worden
                                    verwezen naar een overige voorziening, omdat zij recht menen te
                                    hebben op een individuele voorziening of in het geval zij het
                                    niet eens zijn met een aangeboden individuele voorziening. In
                                    die gevallen kunnen zij ervoor kiezen het gespreks-verslag voor
                                    niet-akkoord te ondertekenen. Lid 5 regelt dan dat dit door de
                                    gemeente wordt verwerkt als een aanvraag, waarop dan een
                                    beschikking/weigering zal volgen waartegen bezwaar en beroep
                                    mogelijk is. Slechts indien de cliënt expliciet heeft aangegeven
                                    de aanvraag stop te willen zetten, is deze aanmerking als
                                    aanvraag niet van toepassing en volgt geen beschikking. </al><al/><al>Lid 6 geeft voor de duidelijkheid de termijn aan waarbinnen op
                                    een aanvraag moet worden beslist. De regeling in de Awb geldt
                                    onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een
                                    beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn
                                    van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een
                                    beschikking niet acht weken kan worden gegeven, dient het
                                    bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te
                                    delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de
                                    beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde
                                    lid, van de Awb). </al><al>Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een
                                    melding binnen enkele dagen een individuele voorziening worden
                                    verstrekt, in complexe situaties zal in de regel in het belang
                                    van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn.
                                    Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd
                                    is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de
                                    aanvraag leiden. </al><al/><al><vet>Artikel 9: Toekenning individuele voorzieningen </vet></al><al>In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren
                                    het college hanteert bij toekenning van individuele
                                    voorzieningen. Hierbij is het voor het college van belang de
                                    mate van ‘eigen kracht’ en het al of niet gedeeltelijk gebruik
                                    kunnen maken van een overige of andere voorziening, goed te
                                    beoordelen. Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Lid 2 heeft betrekking op de situatie dat een verwijzing op
                                    grond van artikel 3, tweede lid die door het college moet worden
                                    uitgevoerd, aan de orde is. Er dient dan een schriftelijke
                                    toekenning van een individuele voorziening plaats te vinden. </al><al/><al><vet>Artikel 10. Inhoud beschikking </vet></al><al>Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het
                                    college indienen (artikel 8) of er overeenkomstig artikel 3,
                                    tweede lid, een beschikking afgegeven wordt, dient het college
                                    een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij
                                    bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen.
                                    Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een
                                    voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige
                                    of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen
                                    van een pgb. </al><al/><al>Het eerste lid is opgenomen om een zo compleet mogelijk beeld te
                                    geven van de rechten en plichten van de jeugdige en zijn ouders.
                                    De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en
                                    ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is
                                    geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen.
                                    Indien een jeugdige of zijn ouders in bezwaar en beroep willen
                                    gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen
                                    van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar
                                    besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang
                                    uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de
                                    Awb de ingang van bezwaar en beroep. </al><al/><al>Lid 2 geeft aan welke elementen de beschikking voor een
                                    voorziening in natura dient te bevatten, onderdeel d geeft
                                    daarbij aan dat de beschikking zich niet alleen beperkt tot de
                                    individuele voorziening maar ook de overige afspraken bevat over
                                    inzet van de eigen mogelijkheden, die van het netwerk en de
                                    andere en overige voorzieningen. </al><al/><al>De eisen die gelden voor een beschikking bij het verlenen van
                                    een PGB staan vermeld in lid 3. </al><al/><al>Tenslotte geeft lid 4 aan dat in de beschikking, alleen ter
                                    informatie, wordt opgenomen dat een ouderbijdrage is
                                    verschuldigd. De vaststelling en inning geschieden door het
                                    bestuursorgaan dat namens de gemeente met de inning is belast. </al><al/><al><vet>Artikel 11. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening,
                                        intrekking of terugvordering </vet></al><al>Deze bepaling is een uitwerking van de bij Nota van Wijziging
                                    (NvW) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9,
                                    onder d, van de wet. Hierbij is bepaald dat de gemeenteraad bij
                                    verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten
                                    onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van
                                    misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. De bepaling beoogt
                                    het standaardiseren van de regelgeving met betrekking tot de aan
                                    elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en
                                    maatschappelijke ondersteuning. In de toelichting op de NvW is
                                    voorts vermeld dat het immers tot de gemeentelijke
                                    verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden
                                    voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen
                                    onterecht gebruik van individuele voorzieningen of pgb’s. Een
                                    zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor
                                    het draagvlak daarvan.</al><al/><al>Lid 1 van deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste
                                    lid, van de wet.</al><al/><al>De bepaling in lid 2 is geënt op artikel 8.1.4 van de wet en is
                                    in de verordening opgenomen op grond van de verplichting van
                                    artikel 2.9, onder d, van de wet. Ook hier is de tot de pgb
                                    beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 uitgebreid tot de
                                    individuele voorziening in natura.</al><al/><al>Lid 3 en lid 4 hebben betrekking op respectievelijk de
                                    terugvordering van de geldswaarde van een ten onrechte genoten
                                    individuele voorziening en de mogelijkheid van intrekking van
                                    een besluit tot verlening van een pgb.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders
                                        jeugdhulp een uitvoerders kinderbeschermingsmaatregel en
                                        jeugdreclassering </vet></al><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering
                                    van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige
                                    of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11,
                                    eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit
                                    ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of
                                    jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs
                                    voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die
                                    worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de
                                    Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te
                                    worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden. </al><al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste
                                    prijs voor de uitvoering worden in dit artikel andere aspecten
                                    genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven
                                    (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt
                                    dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de
                                    activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden.
                                    Hiervoor is tenminste een beeld nodig van de vereiste
                                    activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit
                                    biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Vertrouwenspersoon </vet></al><al>In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat
                                    het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders
                                    of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon.
                                    Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals
                                    deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid,
                                    beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren
                                    (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze
                                    functie.</al><al/><al>De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om
                                    hierover bij verordening een regeling op te stellen. Niettemin
                                    is de bepaling uit de wet toch in deze verordening opgenomen
                                    vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht
                                    van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Zie
                                    lid 1 en 2.</al><al>Bij de landelijk te regelen Algemene maatregel van bestuur (het
                                    Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) zal nog nadere uitwerking worden
                                    gegeven van de taken en bevoegdheden van de
                                    vertrouwenspersoon.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Klachtregeling</vet></al><al>Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is
                                    al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een
                                    behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten
                                    over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar
                                    verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al>Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb,
                                    waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is
                                    gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van
                                    de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te
                                    stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden
                                    volstaan. </al><al>In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij
                                    klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid
                                    tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de
                                    wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet
                                    logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren,
                                    dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. </al><al/><al><vet>Artikel 15. Inspraak en medezeggenschap</vet></al><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en
                                    medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en
                                    medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel
                                    4.2.4 e.v. van de wet. </al><al>Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op
                                    grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel
                                    2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de
                                    redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015
                                    van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de
                                    artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks
                                    cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige
                                    toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de
                                    Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze
                                    ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze
                                    wet.</al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van
                                    de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier
                                    wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het
                                    jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor
                                    alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de
                                    wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                                    ondersteuning. </al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de
                                    exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Hardheidsclausule</vet></al><al>Ook al worden er binnen de jeugdwet zorgvuldige afwegingen
                                    gemaakt, het college zal er niet aan ontkomen om, uiteindelijk
                                    toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot
                                    onbillijkheden van overwegende aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale
                                    omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat
                                    het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die
                                    zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet
                                    billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij
                                    kan de belanghebbende ook een beroep doen op deze clausule.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Nadere regels</vet></al><al>Het kan noodzakelijk zijn nadere regels te stellen op het gebied
                                    van onderwerpen die niet expliciet als onderwerp van nadere
                                    regelgeving zijn aangemerkt. In nadere regels kunnen onderwerpen
                                    uit de verordening verder worden uitgewerkt. Dit artikel biedt
                                    daartoe de grond.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Inwerkingtreding </vet></al><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al><al>Op aanvragen waarvan de beschikking voor 1 januari 2016 is
                                    afgegeven en de beschikking doorloopt in 2016 of verder, is de
                                    Verordening Jeugdhulp gemeente Hattem 2015 van toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 19. Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening Jeugdhulp
                                    gemeente Hattem 2016’. </al><al/><al><vet>Bijlage: begripsbepalingen Jeugdwet</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 van de wet:</vet></al></li><li nr="1."><al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                                    onder:</al></li><li nr="•"><al><vet>accommodatie</vet>: bouwkundige voorziening of deel van een
                                    bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar
                                    jeugdhulp wordt verleend door of namens een
                                    jeugdhulpaanbieder;</al></li><li nr="•"><al><vet>advies- en meldpunt huiselijk geweld en
                                        kindermishandeling</vet>: advies- en meldpunt huiselijk
                                    geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 12a van de
                                    Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="•"><al><vet>begeleiding</vet>: activiteiten waarmee een jeugdige wordt
                                    ondersteund bij het uitvoeren van dagelijkse levensverrichtingen
                                    en het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het
                                    persoonlijk leven;</al></li><li nr="•"><al><vet>Burgerservicenummer</vet>: Burgerservicenummer als bedoeld
                                    in artikel 1 van de Wet algemene bepalingen
                                    Burgerservicenummer;</al></li><li nr="•"><al><vet>calamiteit:</vet> niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis,
                                    die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp en die tot
                                    een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige
                                    of een ouder heeft geleid;</al></li><li nr="•"><al><vet>college:</vet> college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="•"><al><vet>dossier</vet>: geheel van schriftelijk of elektronisch
                                    vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van
                                    jeugdhulp aan een jeugdige of ouder of de uitvoering van een
                                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;</al></li><li nr="•"><al><vet>familiegroepsplan</vet>: ondersteuningsplan of plan van
                                    aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten,
                                    aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de
                                    jeugdige behoren;</al></li><li nr="•"><al><vet>gecertificeerde instelling</vet>: rechtspersoon die in het
                                    bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als
                                    bedoeld in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of
                                    jeugdreclassering uitvoert;</al></li><li nr="•"><al><vet>gekwalificeerde gedragswetenschapper</vet>:
                                    gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze
                                    Ministers aangewezen categorie;</al></li><li nr="•"><al><vet>gesloten accommodatie</vet>: bouwkundige voorziening of
                                    deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende
                                    terrein, waar gesloten jeugdhulp wordt verleend;</al></li><li nr="•"><al><vet>gesloten jeugdhulp</vet>: opname, verblijf en jeugdhulp in
                                    een gesloten accommodatie op basis van een machtiging als
                                    bedoeld in artikel 6.1.2;</al></li><li nr="•"><al><vet>geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van
                                        een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering</vet>:
                                    lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens een jeugdige
                                    of een ouder, of bedreiging daarmee, door iemand die werkzaam is
                                    voor de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling, of
                                    door iemand die werkzaam is voor een rechtspersoon die in
                                    opdracht van de aanbieder of gecertificeerde instelling
                                    jeugdhulp verleent of door een andere jeugdige of ouder met wie
                                    de jeugdige of ouder gedurende het etmaal of een dagdeel bij de
                                    aanbieder verblijft;</al></li><li nr="•"><al><vet>huiselijk geweld</vet>: huiselijk geweld als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="•"><al><vet>ondersteuningsplan</vet>: plan betreffende de verlening van
                                    jeugdhulp als bedoeld in artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6;</al></li><li nr="•"><al><vet>inspectie</vet>: inspectie jeugdzorg, bedoeld in artikel
                                    9.1;</al></li><li nr="•"><al><vet>jeugdarts</vet>: arts die als jeugdarts KNMG is
                                    ingeschreven in het door het College Geneeskundig Specialismen
                                    van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering
                                    van de Geneeskunst ingestelde profielregister
                                    jeugdgezondheidszorg;</al></li><li nr="•"><al><vet>jeugdgezondheidszorg</vet>: jeugdgezondheidszorg als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Wet publieke gezondheid;</al></li><li nr="•"><al>– <vet>jeugdhulp</vet>:</al></li><li nr="•"><al>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie,
                                    aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren,
                                    behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van
                                    psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen,
                                    gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de
                                    jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie
                                    gerelateerde problemen;</al></li><li nr="•"><al>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk
                                    verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met
                                    een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke
                                    beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal
                                    probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben
                                    bereikt, en</al></li><li nr="•"><al>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op
                                    het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het
                                    opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met
                                    een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of
                                    een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de
                                    leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien
                                    verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor
                                    jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;</al></li><li nr="•"><al><vet>jeugdhulpaanbieder:</vet></al></li><li nr="•"><al>1°. natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke
                                    personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp
                                    doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college;</al></li><li nr="•"><al>2°. solistisch werkende jeugdhulpverlener onder
                                    verantwoordelijkheid van het college;</al><lijst><li nr="•"><al><vet>jeugdhulpverlener: </vet>natuurlijke persoon die
                                            beroepsmatig jeugdhulp verleent;</al><al/></li><li nr="•"><al><vet>jeugdige: </vet>persoon die:</al></li></lijst></li><li nr="•"><al>1°. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,</al></li><li nr="•"><al>2°. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien
                                    van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht
                                    recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg
                                    van het Wetboek van Strafrecht, of</al></li><li nr="•"><al>3°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van
                                    drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting
                                    van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, die was aangevangen,
                                    of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van
                                    achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied
                                    van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van
                                    jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd
                                    van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar
                                    hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;</al></li><li nr="•"><al><vet>jeugdreclassering:</vet> reclasseringswerkzaamheden,
                                    genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid,
                                    van dat wetboek en het begeleiding van en toezicht houden op
                                    jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en
                                    trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet
                                    justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen,
                                    bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige
                                    taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde
                                    instellingen zijn opgedragen;</al></li><li nr="•"><al><vet>kinderbeschermingsmaatregel: </vet>voogdij en de voorlopige
                                    voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de
                                    ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 254, eerste lid, Boek
                                    1 van het Burgerlijk Wetboek en de voorlopige
                                    ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255 Boek 1 van het
                                    Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="•"><al><vet>kindermishandeling</vet>: elke vorm van voor een
                                    minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke,
                                    psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen
                                    ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van
                                    afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief
                                    opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te
                                    worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of
                                    psychisch letsel;</al></li><li nr="•"><al><vet>maatschappelijke ondersteuning</vet>: maatschappelijke
                                    ondersteuning als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="•"><al><vet>machtiging gesloten jeugdhulp</vet>: de machtiging,
                                    bedoeld in artikel 6.1.2.</al></li><li nr="•"><al><vet>medisch specialist</vet>: geneeskundig specialist die als
                                    specialist is ingeschreven in een door het College Geneeskundig
                                    Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter
                                    bevordering van de Geneeskunst ingestelde register als bedoeld
                                    in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele
                                    gezondheidszorg;</al></li><li nr="•"><al><vet>Onze Ministers: </vet>Onze Minister van Volksgezondheid,
                                    Welzijn en Sport en Onze Minister van Veiligheid en Justitie
                                    tezamen;</al></li><li nr="•"><al><vet>opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en
                                        stoornissen</vet>:</al></li><li nr="•"><al>1°. psychische problemen en stoornissen, psychosociale
                                    problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van
                                    de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie
                                    gerelateerde problemen;</al></li><li nr="•"><al>2°. beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke
                                    participatie in verband met een somatische, verstandelijke,
                                    lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch
                                    probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de
                                    leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en</al></li><li nr="•"><al>3°. een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een
                                    verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een
                                    somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een
                                    jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft
                                    bereikt;</al></li><li nr="•"><al><vet>ouder</vet>: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder
                                    of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin
                                    verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;</al></li><li nr="•"><al><vet>persoonsgegevens, verwerking, bestand, onderscheidenlijk
                                        verantwoordelijke</vet>: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                    de Wet bescherming persoonsgegevens;</al></li><li nr="•"><al><vet>plan van aanpak</vet>: plan betreffende de uitvoering van
                                    een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als bedoeld
                                    in artikel 4.1.3;</al></li><li nr="•"><al><vet>pleegouder</vet>: persoon die een jeugdige die niet zijn
                                    kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en
                                    daartoe een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2, eerste
                                    lid, heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder;</al></li><li nr="•"><al><vet>pleegoudervoogd: </vet>pleegouder die tevens belast is met
                                    voogdij als bedoeld in boek 1 Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="•"><al><vet>pleegzorgaanbieder</vet>: jeugdhulpaanbieder die pleegzorg
                                    biedt;</al></li><li nr="•"><al><vet>preventie</vet>: op preventie gerichte ondersteuning van
                                    jeugdigen met of jeugdigen met een risico op psychische
                                    problemen en stoornissen, psychosociale problemen,</al></li><li nr="•"><al>gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de
                                    ouders met of met een risico op opvoedingsproblemen;</al></li><li nr="•"><al><vet>strafrechtelijke beslissing</vet>: beslissing van de
                                    officier van justitie of de strafrechter met toepassing van
                                    titel VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht
                                    of een beslissing als bedoeld in artikel 493 van het Wetboek van
                                    Strafvordering;</al></li><li nr="•"><al><vet>vertrouwenspersoon</vet>: persoon die jeugdigen, ouders of
                                    pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die
                                    samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van
                                    het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde
                                    instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en
                                    kindermishandeling;</al></li><li nr="•"><al><vet>verwijsindex</vet>: verwijsindex risicojongeren als bedoeld
                                    in artikel 7.1.2.1;</al></li><li nr="•"><al><vet>woonplaats</vet>:</al></li><li nr="•"><al>1°. woonplaats als bedoeld in artikel 12 van Boek 1 van het
                                    Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="•"><al>2°. ingeval de voogdij over de jeugdige berust bij een
                                    instelling als bedoeld in artikel 302 van Boek 1 van het
                                    Burgerlijk Wetboek: de plaats van het werkelijke verblijf van de
                                    jeugdige;</al></li><li nr="•"><al>3°. ingeval de woonplaats, bedoeld onder 1° en 2°, onbekend is
                                    dan wel buiten Nederland is: de plaats van het werkelijke
                                    verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag.</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>