<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR3478_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële beheersverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ede</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ede-Stad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële beheersverordening gemeente Ede</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 212</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit Begroting en Verantwoording</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-10-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2005-10-13</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-10-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>FB 2005 94</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financien</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Treasurystatuut</al><al>Tabel afschrijvingstermijnen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De verordening regelt de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. De verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële beheersverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>De raad van de gemeente Ede;</cursief></al><al><cursief>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders
                            van 6 september 2005, nummer FB 2005/94;</cursief></al><al><cursief>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;</cursief></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>Sector:</onderstreept></al><al>Iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke
                                    organisatie die als zodanig een eigen rechtstreekse
                                    verantwoordelijkheid aan het college heeft.</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>Administratie:</onderstreept></al><al>Het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en
                                    verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het
                                    functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de
                                    organisatie van de gemeente Ede en ten behoeve van de
                                    verantwoording die daarover moet worden afgelegd.</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>Financiële administratie:</onderstreept></al><al>Het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch
                                    maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële
                                    gegevens van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente
                                    Ede, teneinde te komen tot een goed inzicht in:</al><lijst><li nr="-"><al>de financieel-economische positie;</al></li><li nr="-"><al>het beheer van vermogenswaarden;</al></li><li nr="-"><al>de uitvoering van de begroting;</al></li><li nr="-"><al>het afwikkelen van vorderingen en schulden;</al></li><li nr="-"><al>alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording
                                            daarover.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al><onderstreept>Administratieve organisatie:</onderstreept></al><al>Het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot
                                    stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de
                                    bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve van
                                    de verantwoordelijke leiding.</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>Financieel beheer:</onderstreept></al><al>Het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het beheer van
                                    middelen en het uitoefenen van rechten van de gemeente Ede.</al></li><li nr="f."><al><cursief><onderstreept>Rechtmatigheid:</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Het in overeenstemming zijn met geldende wet- en
                                        regelgeving, waaronder gemeentelijke verordeningen,
                                        raadsbesluiten en collegebesluiten</cursief><cursief>(voorzover deze een noodzakelijke uitwerking vormen van
                                        wet- en regelgeving). Hierbij wordt de rechtmatigheid
                                        beperkt tot voorwaarden in wet- en regelgeving die onmisbaar
                                        zijn voor materiele financiële beheershandelingen.</cursief></al></li><li nr="g."><al><onderstreept>Doelmatigheid:</onderstreept></al><al>Het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt
                                    mogelijke inzet van middelen.</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>Doeltreffendheid:</onderstreept></al><al>De mate waarin de gewenste prestaties en beoogde
                                    maatschappelijke effecten van het beleid ook daadwerkelijk
                                    worden behaald.</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>Bestuurlijke planning:</onderstreept></al><al>Een jaarlijks vóór 1 januari door de raad vast te stellen
                                    planning met betrekking tot het opstellen van de begroting,
                                    rapportages en jaarstukken.</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>Streefwaarden:</onderstreept></al><al>De waarde die bereikt moet worden binnen een bepaalde periode,
                                    voor de beoogde beleidsdoelen, maatschappelijke effecten en te
                                    leveren prestaties.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>1</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><afdeling><kop><titel>Kaderstellen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Programmabegroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt in ieder geval bij de aanvang van de nieuwe
                                    raadsperiode een programma-indeling vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt per programma vast:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoogde beleidsdoelen, inclusief de maatschappelijke
                                            effecten;</al></li><li nr="b."><al>de te leveren prestaties;</al></li><li nr="c."><al>de baten en lasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt per programma streefwaarden voor met
                                    betrekking tot de beoogde beleidsdoelen, maatschappelijke
                                    effecten en de te leveren prestaties.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt de streefwaarden, zoals bedoeld in het derde lid,
                                    vast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van
                                    gegevens over de geleverde prestaties en beleidsdoelen,
                                    inclusief de maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid
                                    en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de
                                    raad, kunnen worden getoetst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Producten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en jaarstukken geeft het college een overzicht
                                    van welke producten uit de productenraming bij welke programma's
                                    behoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderverdeling van de programma’s in de producten staat voor
                                    de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot
                                    wijzigen. Wijzigingen worden bij de begroting expliciet
                                    vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt in de loop van het begrotingsjaar een nota aan
                                    over de kaders voor het volgende begrotingsjaar en de drie
                                    opvolgende jaren. In deze nota worden de bevindingen betrokken
                                    uit de rapportage van de begrotingsuitvoering bedoeld in artikel
                                    7 en de jaarstukken bedoeld in artikel 8.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De uiterste datum voor aanbieding van deze nota door het
                                    college, en het moment van vaststelling door de raad, wordt
                                    jaarlijks vastgesteld in de Bestuurlijke Planning.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Uitvoering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Uitvoering begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van de
                                    programmabegroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend
                                    verloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt ten aanzien van de begrotingsuitvoering de
                                    zorg voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen van overschrijdingen van de begrote
                                            lasten, respectievelijk het voorkomen van
                                            onderschrijdingen van de begrote baten van de
                                            programma's zoals geautoriseerd bij de (gewijzigde)
                                            begroting;</al></li><li nr="b."><al>de toedeling van de budgetten en investeringskredieten
                                            aan de productraming op grond van de geautoriseerde
                                            programmabegroting en de geautoriseerde uiteenzetting
                                            van de financiële positie;</al></li><li nr="c."><al>autorisatie door de raad van wijzigingen op de
                                            oorspronkelijke geraamde lasten en baten in de
                                            productenraming, indien deze wijzigingen leiden tot een
                                            verandering van de omvang van het programmabudget;</al></li><li nr="d."><al>de toewijzing van de werkelijke lasten en baten door
                                            middel van kosten- toerekening aan de producten van de
                                            productraming.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Beheersing en Interne controle</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt ten behoeve van het getrouwe beeld en de
                                    rechtmatigheid van de jaarrekening zorg voor de jaarlijkse
                                    interne toetsing van de getrouwheid van de
                                    informatieverstrekking en de financiële rechtmatigheid van de
                                    beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college
                                    maatregelen tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt periodiek een nota aan inzake het voorkomen en
                                    bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                                    gemeentelijke regelingen. De raad stelt deze nota vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van
                                    een aantal bedrijfsprocessen op juistheid, volledigheid en
                                    tijdigheid van de bestuurlijke informatievoorziening, de
                                    financiële rechtmatigheid van beheershandelingen en op misbruik
                                    en oneigenlijk gebruik van de gemeentelijke regelingen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zorgt op basis van de resultaten van de toetsen
                                    bedoeld in het derde lid, indien nodig, voor een plan van
                                    verbetering. Het college neemt op basis van het plan van
                                    verbetering maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een samenvatting van de resultaten van de in het derde en vierde
                                    lid genoemde toetsen en de zonodig opgestelde verbeterplannen
                                    wordt ter kennisgeving aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Rapportage en Verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Tussentijdse rapportage en informatie</titel></kop><al>Het college informeert de raad door middel van tussentijdse
                                rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over
                                de eerste drie maanden en de eerste negen maanden van het lopende
                                boekjaar.</al><al>De tussenrapportages worden aan de raad aangeboden op de tijdstippen
                                zoals jaarlijks vastgelegd in de Bestuurlijke Planning.</al><al>De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit aan bij de
                                programma-indeling van de begroting.</al><al>De rapportages gaan in op afwijkingen, zowel wat betreft de lasten
                                en baten, de geleverde prestaties en indien daar aanleiding voor is
                                de beleidsdoelen en maatschappelijke effecten.</al><al>Het college informeert vooraf de raad en neemt pas een besluit,
                                nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn opvattingen ter
                                kennis van het college te brengen en zonodig een budget beschikbaar
                                te stellen, voor zover het betreft niet bij begroting vastgestelde
                                afzonderlijke verplichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor een adequate vertaling van de
                                    verantwoording van de sectoren naar de productenrealisatie en
                                    naar de programmaverantwoording.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de
                                    programma’s. In de verantwoording geeft het college aan:</al><lijst><li nr="a."><al>welke beoogde beleidsdoelen, inclusief maatschappelijke
                                            effecten, zijn bereikt;</al></li><li nr="b."><al>welke prestaties hiervoor zijn geleverd;</al></li><li nr="c."><al>wat de kosten zijn geweest;</al></li><li nr="d."><al>hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting
                                            gestelde doelen.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>2</nr><titel>Financiële positie</titel></kop><afdeling><kop><titel>Kaderstellen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Financiële positie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat al het beleid waartoe de
                                    raad heeft besloten, in de uiteenzetting van de financiële
                                    positie en de meerjarenramingen is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het totaalbedrag aan verleende garanties en waarborgen wordt bij
                                    de uiteenzetting van de financiële positie expliciet
                                    vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie wordt een
                                    overzicht van de investeringen gegeven. De raad autoriseert met
                                    het vaststellen van de financiële positie van de begroting de
                                    afzonderlijk vermelde investeringskredieten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uitgezonderd investeringen in bedrijfsmiddelen, waarvoor
                                    jaarlijks een budget beschikbaar wordt gesteld bij de
                                    begroting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Waardering &amp; afschrijving vaste activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><cursief>Onderzoeks- en ontwikkelingskosten mogen alleen
                                        geactiveerd worden indien er een direct verband bestaat met
                                        een vast actief in eigendom van de gemeente. Geactiveerde
                                        kosten voor onderzoek en ontwikkeling en disagio worden
                                        lineair in 5 jaar afgeschreven.</cursief></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten
                                    laste van de exploitatie gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De materiele vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in
                                    artikel 35 van het "Besluit begroting en verantwoording
                                    provincies en gemeenten", worden afgeschreven in overeenstemming
                                    met de door de raad vastgestelde afschrijvingstermijnen.
                                    Afwijking van deze termijnen is slechts mogelijk bij
                                    raadsbesluit, indien hier gegronde redenen voor zijn. Het
                                    college is op basis van gegronde redenen bevoegd af te wijken
                                    van deze termijnen, indien het gaat om bedrijfsmiddelen.</al><al>Activa met een verkrijgingprijs van minder dan € 5.000 worden
                                    niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Onder activa met een meerjarig maatschappelijk nut,
                                            zoals bedoeld in artikel 35 van het "Besluit begroting
                                            en verantwoording provincies en gemeenten", worden
                                            verstaan investeringen in aanleg en onderhoud van:
                                            (inrichting) wegen, waterwegen, civiele kunstwerken,
                                            (inrichting) groen en kunstwerken.</al></li><li nr="b."><al><cursief>Aankoop en vervaardiging van activa met een
                                                meerjarig maatschappelijk nut worden, onder aftrek
                                                van bijdragen van derden en bestemmingsreserves
                                                geactiveerd. Hiervan kan bij raadsbesluit worden
                                                afgeweken. Het actief wordt afgeschreven in
                                                overeenstemming met de door de raad vastgestelde
                                                afschrijvingstermijnen.</cursief></al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Waardering debiteuren en overige vorderingen</titel></kop><al><cursief>Vorderingen worden ieder kwartaal beoordeeld op inbaarheid.
                                    Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen dubieuze en
                                    oninbare vorderingen. Dubieuze vorderingen worden aan het einde
                                    van het jaar verwerkt in een voorziening. De verwerking van
                                    oninbare vorderingen vindt gedurende het jaar plaats.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt jaarlijks gelijktijdig met de
                                    programmabegroting het overzicht aan van de reserves en
                                    voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overzicht van reserves en voorzieningen bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en vrijval van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en vrijval voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de toerekening en verwerking van rente over de algemene
                                            reserves en bestemmings-reserves, in relatie tot de nota
                                            weerstandsvermogen bedoeld in artikel 17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Kostprijsberekening en vaststelling tarieven en
                                    heffingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><cursief>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van
                                        producten en diensten van de gemeente Ede wordt een systeem
                                        van kostentoerekening gehanteerd. </cursief><cursief>Bij de
                                        kostentoerekening worden naast de directe kosten ook de
                                        indirecte kosten betrokken</cursief>.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><cursief>Bij de indirecte kosten worden betrokken een redelijk
                                        deel van de overheadkosten, de bijdragen aan reserves voor
                                        de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de
                                        kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en eventueel
                                        ook de compensabele BTW.</cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de rentetoerekening van de kapitaallasten wordt gebruik
                                    gemaakt van een genormeerd renteomslagpercentage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Financiëringsfunctie</titel></kop><al>Het college neemt in een treasurystatuut de regels op die zij
                                hanteert voor het dagelijkse beheer van koersrisico en valutarisico,
                                kredietrisico en relatiebeheer, intern liquiditeitsrisico en
                                geldstromenbeheer, administratieve organisatie en interne controle
                                van de financieringsfunctie. Het college biedt het treasurystatuut
                                en het wijzigen ervan ter behandeling en vaststelling aan de raad
                                aan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Registratie bezittingen en activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorgt voor een actuele en volledige
                                    registratie van bezittingen. In de registratie worden ook
                                    opgenomen niet-geactiveerde kunstvoorwerpen met
                                    cultuurhistorische waarde en de niet-geactiveerde investeringen
                                    in de openbare ruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat de registratie en de
                                    ontwikkeling van de bezittingen van de gemeente systematisch
                                    worden gecontroleerd, met dien verstande dat de waardepapieren,
                                    de voorraden, de uitstaande leningen, de
                                    (debiteuren)-vorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen
                                    leningen en de (crediteuren-)schulden jaarlijks worden
                                    gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste
                                    eenmaal in de 5 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij afwijkingen in de registratie van de bezittingen neemt het
                                    college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. De
                                    resultaten van de toetsen en eventuele plannen ter verbetering
                                    worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>3</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt periodiek een (bijgestelde) nota lokale heffingen
                                aan. Deze nota behandelt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke
                                        belastingen, tarieven en heffingen;</al></li><li nr="b."><al>de verdeling van de druk van de belastingen over de diverse
                                        bevolkingsgroepen en belanghebbenden;</al></li><li nr="c."><al>de kostendekkendheid van de heffingen;</al></li><li nr="d."><al>de druk van de lokale belastingen en heffingen;</al></li><li nr="e."><al>het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nota bevat voorts een overzicht van de verordeningen met de
                                bijbehorende vaststellingsdata waarin tarieven, heffingen en prijzen
                                zijn vastgelegd. Het college zorgt er voor dat er een actueel
                                overzicht is van de tarieven, heffingen en prijzen per verstrekte
                                dient. De raad stelt de nota vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het vaststellen van de hoogte van gemeentelijke tarieven,
                                heffingen en prijzen door de raad verstrekt het college aan de raad
                                per verordening de actueel geraamde hoeveelheden per door de
                                gemeente verstrekte dienst, waarover de tarieven, heffingen en
                                prijzen in rekening worden gebracht en per verordening het totaal
                                van de geraamde kosten van de er in genoemde door de gemeente
                                verstrekte diensten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                lokale heffingen verslag van: de opbrengsten per lokale heffing; het
                                volume en bedrag aan kwijt- scheldingen; de kostendekkendheid van de
                                rioolrechten en de afvalstoffenheffing; de (ontwikkeling van de)
                                lokale lastendruk voor eenpersoonshuishoudingen,
                                meerpersoonshuishoudingen en bedrijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Weerstandsvermogen en risicomanagement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt periodiek een (bijgestelde) nota
                                weerstandsvermogen aan. In deze nota wordt ingegaan op het
                                risicomanagement, het opvangen van risico’s door verzekeringen,
                                voorzieningen, het weerstandsvermogen of anderszins. In de nota
                                wordt tevens het gewenste weerstandsvermogen bepaald. De raad stelt
                                de nota vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de risico’s van materieel belang en
                                een inschatting van de kans dat deze risico’s zich voordoen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college brengt hierbij in elk geval de risico’s in beeld en
                                actualiseert de risico’s genoemd in de nota bedoeld in het eerste
                                lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de weerstandscapaciteit en in
                                hoeverre schaden en verliezen als gevolg van de risico’s van
                                materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden
                                opgevangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt periodiek een nota onderhoud openbare ruimte en
                                een nota 'Waterplan' aan. Deze nota's geven het kader weer voor de
                                inrichting van het onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau voor
                                het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, rioleringen en
                                straatmeubilair en eveneens de normkostensystematiek en het
                                meerjarig budgettair beslag. De raad stelt deze nota's vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt periodiek een nota onderhoud gebouwen aan ter
                                behandeling en vaststelling door de raad. De nota bevat de
                                voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten
                                aan de gemeentelijke gebouwen en eveneens de normkostensystematiek
                                en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt de nota vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen verslag over de voortgang van het
                                geplande onderhoud en het eventuele achterstallige onderhoud aan
                                openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, straatmeubilair,
                                rioleringen en gebouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Financiering</titel></kop><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                            financiering verslag van: </al><al>de kasgeldlimiet, de renterisico norm, de omvang en samenstelling van
                            het vreemd vermogen, de omvang en samenstelling van de uitzettingen, de
                            liquiditeitspositie, de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte
                            voor de komende <cursief>vier jaar,</cursief> een rentevisie en de
                            rentekosten en renteopbrengsten verbonden aan de
                            financieringsfunctie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                bedrijfsvoering vast. De nota wordt ter kennisgeving aan de raad
                                gezonden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de bedrijfsvoeringparagraaf in de begroting wordt ingegaan op de
                                tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het vormen van een nieuwe verbonden partij wordt vooraf aan de
                                raad om toestemming gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van elk van de verbonden partijen wordt in een afzonderlijke
                                registratie weergegeven het openbaar belang, het eigen vermogen, de
                                solvabiliteit, het financieel resultaat en het financieel belang en
                                de zeggenschap van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de begroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden
                                partijen in elk geval ingegaan op:</al><lijst><li nr="-"><al>de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie
                                        van de doelstellingen die zijn opgenomen in de
                                        begroting;</al></li><li nr="-"><al>de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen;</al></li><li nr="-"><al>het aangaan van nieuwe participaties;</al></li><li nr="-"><al>het beëindigen van bestaande participaties;</al></li><li nr="-"><al>het wijzigen van bestaande participaties;</al></li><li nr="-"><al>en eventuele problemen bij bestaande participaties.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota
                                grondbeleid aan ter behandeling en vaststelling door de raad. In
                                deze nota wordt aandacht besteed aan:</al><lijst><li nr="a)"><al>een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie
                                        van de doelstellingen van de programma's die zijn opgenomen
                                        in de begroting;</al></li><li nr="b)"><al>een aanduiding van de wijze waarop de gemeente het
                                        grondbeleid uitvoert;</al></li><li nr="c)"><al>een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de
                                        totale -grondexploitatie;</al></li><li nr="d)"><al>een onderbouwing van de geraamde winstneming, of
                                        verliesdekking;</al></li><li nr="e)"><al>de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken
                                        in relatie tot de risico's van de grondzaken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de paragraaf grondbeleid van de begroting en de jaarstukken wordt
                                ingegaan op de uitvoering van de nota grondbeleid, met name de
                                belangrijkste financiële ontwikkelingen zoals
                                verlies/winstverwachtingen, de verwerving van gronden e.d. en de
                                relaties van het grondbeleid met de programma’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Niet verplichte paragrafen</titel></kop><al>De raad kan altijd nieuwe paragrafen in de begroting en het jaarverslag
                            laten opnemen, of niet verplichte paragrafen schrappen. Inhoudelijke
                            eisen worden door de raad geformuleerd. In ieder geval wordt er een
                            paragraaf Grote Projecten opgenomen. De raad bepaalt welke projecten in
                            deze paragraaf worden opgenomen. Verdere uitwerking wordt in de
                            Bestuurlijke Planning geregeld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>4</nr><titel>Financiële organisatie en administratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inrichting administratie</titel></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval
                            dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                    gemeente als geheel en in de sectoren;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                    van registergoederen, kapitaalgoederen, voorraden, vorderingen
                                    en schulden;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het
                                    maken van kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                    doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                    gestelde beleidsdoelen en ter zake geldende wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                    relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake
                                    geldende wet- en regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van
                                    de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                    gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Financiële administratie</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de inrichting en de werking van de financiële administratie
                                    voldoet aan het "Besluit begroting en verantwoording provincies
                                    en gemeenten" en andere relevante wet- en regelgeving;</al></li><li nr="b."><al>de vereiste informatie verstrekt wordt aan het rijk, de
                                    provincie en de Europese Unie, alsmede aan andere instellingen
                                    die specifieke verantwoordingsverplichtingen opleggen aan
                                    gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt de zorg voor een en legt in een besluit vast:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                    sectoren;</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle
                                    wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie
                                    aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>de regels voor de verlening van décharge over het gevoerde
                                    beheer van de sectoren;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten;</al></li><li nr="e."><al>de regels voor de opdrachtverlening en de verrekening van
                                    leveringen tussen de sectoren van de gemeente;</al></li><li nr="f."><al>de te maken afspraken met de sectoren over de te leveren
                                    prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                    frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten
                                    en uitputting van middelen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Aanbesteding en inkoop</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne
                            regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken en diensten.
                            De regels waarborgen, dat wordt gehandeld in overeenstemming met de
                            regels terzake van de Europese Unie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Subsidieverstrekking en steunverlening</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor het waarborgen, dat wordt gehandeld in
                            overeenstemming met de regels ter zake van de Europese Unie en de
                            subsidieverordening van de gemeente Ede.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al><cursief>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2005 en vervangt de gelijknamige verordening die op 23 oktober 2003
                                is vastgesteld door de Raad van de gemeente Ede. </cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam “Financiële
                            beheersverordening gemeente Ede”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad op 13 oktober 2005,
                            nr. VR 2005/94.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de artikelen</titel></kop><tussenkop>Artikel 2 Programmabegroting </tussenkop><al>Artikel 2 bevat een aantal bepalingen over de inrichting van de begroting,
                    waarin de kaderstellende functie van de raad tot uiting komt. De raad legt op
                    basis van dit artikel een belangrijk deel van de infrastructuur van de begroting
                    vast, evenals de prestatie- en kengetallen waarop de raad wil sturen en
                    controleren.</al><al>Omdat er een politiek-bestuurlijke keuze ten grondslag ligt aan de indeling van
                    de programma’s, stelt de raad de indeling vast. Die vaststelling zal voor enkele
                    jaren gelden, bij voorkeur voor een gehele raadsperiode. Indien daartoe
                    aanleiding is, kan de raad de indeling wijzigen.</al><al>Een programma is gebaseerd op de drie w-vragen: wat willen we bereiken (de
                    beleidsdoelen, inclusief de maatschappelijke effecten), wat gaan we daar voor
                    doen (de prestaties, bestaande uit te leveren goederen en diensten) en wat mag
                    dat kosten? Vooral voor de eerste twee vragen zullen in de praktijk
                    streefwaarden nodig zijn. Aan de hand van die streefwaarden kan de raad zijn
                    kaderstellende functie vervullen. Ook dienen zij om de raad de gelegenheid te
                    bieden zijn controlerende functie in te vullen door de uitkomsten en resultaten
                    van de programma's te beoordelen.</al><tussenkop>Artikel 3 Producten </tussenkop><al>De raad stelt de programmabegroting vast. Ter uitvoering van de begroting stelt
                    het college - zoals geregeld in het "Besluit begroting en verantwoording
                    provincies en gemeenten " - een productraming op. Het college is vrij in het
                    aantal producten en de indeling daarvan. De productraming is in de systematiek
                    van het besluit geen onderdeel van de begroting. In het eerste lid wordt
                    geregeld dat de raad een overzicht van de toedeling van producten aan de
                    programma's ontvangt.</al><tussenkop>Artikel 4 Kaders begroting </tussenkop><al>De artikelen 2 en 3 betreffen vooral de infrastructuur van de begroting. Artikel
                    4 gaat over het meerjarige budgettaire kader. Dat vormt de grondslag voor de
                    eigenlijke begroting. Gegeven het grote belang van het budgetrecht van de raad,
                    is het logisch dat de raad expliciet een budgettair kader vaststelt.<cursief>
                        Dit vindt plaats bij de Perspectiefnota.</cursief> Het moment van
                    behandeling en vaststelling van deze kaders wordt geregeld in de Bestuurlijke
                    Planning van de gemeente Ede.</al><tussenkop>Artikel 5 Uitvoering begroting </tussenkop><al/><al>In artikel 5 legt de raad het college een aantal prestatie-eisen op die voor een
                    goede uitvoering van de begroting noodzakelijk zijn. In het eerste lid wordt
                    bepaald dat het college de rechtmatigheid, de doeltreffendheid en de
                    doelmatigheid van de uitvoering dient te waarborgen.</al><al>Lid 2 stelt eisen voor de onderwerpen die van belang zijn voor de opstelling van
                    de programmabegroting. In dit artikel wordt het budgetrecht tussen de raad en
                    het college verder uitgewerkt. Daarbij worden de financiële grenzen aangeven,
                    waarbinnen het college en de raad opereren. Een belangrijk punt daarbij is wat
                    het (detail) niveau is waarop de raad autoriseert en controleert. Daarbij is de
                    functie van de productraming van belang. Daarin vindt immers de verdere
                    uitwerking van de programma's in producten plaats. In het kader van het sturen
                    op hoofdlijnen is het uitgangspunt dat de raad stuurt op het niveau van de
                    programma's Daarmee wordt bedoeld dat de raad de totale lasten en baten per
                    programma vaststelt. De verdere specificatie van deze totalen is terug te vinden
                    in de productramingen. Het sturen op hoofdlijnen blijft als uitgangspunt
                    gehandhaafd, wat betekent dat de productramingen bij de autorisatie in principe
                    geen rol spelen.</al><al/><al>Lid 2 onderdeel c stelt dat aan het wijzigen van de programmabegroting een
                    aantal stappen vooraf gaan, die al dan niet leiden tot een wijziging op
                    programmaniveau. Vanuit het gezichtspunt van de raad zijn er twee belangrijke
                    onderdelen te onderkennen. Ten eerste de exploitatie, waarin alle geraamde
                    lasten en baten van een bepaald jaar zijn opgenomen. Ten tweede de investeringen
                    die uiteindelijk ook tot structurele lasten leiden in de exploitatie, maar op
                    zich jaaroverstijgende eenmalige budgetten vormen. </al><al>Voor de exploitatie geldt dat iedere wijziging van de geraamde lasten of
                    inkomsten door de raad moet worden geautoriseerd, mits deze wijziging niet door
                    een wijziging op een ander onderdeel binnen het hetzelfde programma wordt
                    gecompenseerd. Zo zal een wijziging van de inzet van personeel binnen één
                    programma niet leiden tot een wijziging van de programmabegroting. Wordt een
                    deel van het personeel ingezet voor een ander programma dan waarvoor de
                    oorspronkelijke inzet was geraamd, dan leidt dit wel tot een wijziging.</al><al/><al><cursief>Wijzigingen op de begroting kunnen opgedeeld worden in wijzigingen met
                        een beleidsinhoudelijk karakter en wijzigingen met een beleidsarm
                        karakter:</cursief></al><al><cursief>1. Beleidsinhoudelijke aanpassing van de begroting, nadat het college
                        of de raad een beleidswijziging of aanvullend beleid heeft
                        vastgesteld.</cursief></al><al><cursief>2. Beleidsarme aanpassingen: administratief-technische aanpassingen en
                        geringe beleidsaanpassingen in de praktijk vallend onder de
                        verantwoordelijkheid van de betreffende sector. Onder deze tweede categorie
                        vallen bijvoorbeeld:</cursief></al><lijst><li nr="·"><al><cursief>een verschuiving van een aantal uren / fte van het ene product
                                naar het andere product, mits hiermee niet het afgesproken
                                programmabeleid wijzigt;</cursief></al></li><li nr="·"><al><cursief>een verhoging van een subsidie-ontvangst en daartegenover een
                                verhoging van de uitgaven, mits hiermee alleen uitzetting van
                                bestaand beleid wordt geëffectueerd;</cursief></al></li><li nr="·"><al><cursief>het opknippen van een beschikbaar krediet in een aantal
                                projecten;</cursief></al></li><li nr="·"><al><cursief>de raad heeft een helder besluit genomen (voorstel + dekking),
                                maar er is nog geen bijbehorende begrotingswijziging vastgesteld.
                                Het is hierbij aan te bevelen in het raadsbesluit op te nemen dat de
                                begrotingswijziging bij het eerstvolgende P&amp;C-instrument zal
                                worden overlegd.</cursief></al></li></lijst><al/><al><cursief>Begrotingswijzigingen met een beleidsarm karakter worden achteraf bij
                        het eerstvolgende IBP-instrument door de gemeenteraad (formeel) bekrachtigd
                        (repressief toezicht).</cursief></al><tussenkop>Artikel 6 Interne controle </tussenkop><al/><al>De raad legt in dit artikel enkele basiscondities vast voor de interne controle.
                    Daarmee verkrijgt de raad de zekerheid dat het college aan de prestatie-eisen
                    genoemd in artikel 5 zal kunnen voldoen.</al><al>De verordening geeft in het eerste en tweede lid aan het college de opdracht
                    voor de inrichting van de financiële organisatie verschillende maatregelen te
                    treffen op het gebied van interne controle, bijvoorbeeld een adequate
                    functiescheiding. Voor een goede interne controle zijn echter aanvullende
                    onderzoeken nodig. In het derde lid van artikel 6 geeft de raad aan, welke
                    onderzoeken hij nodig acht om de eisen van controle te waarborgen en met welke
                    frequentie deze onderzoeken moeten worden uitgevoerd.</al><al>Het vierde en vijfde lid regelt dat het college op grond van de uitkomsten van
                    de onderzoeken bij tekortkomingen maatregelen tot herstel treft en dat de raad
                    over de uitkomsten van de onderzoeken en de eventuele maatregelen tot herstel op
                    de hoogte wordt gebracht.</al><al>De genoemde onderzoeken in dit artikel omvatten niet de interne onderzoeken van
                    het college naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde
                    bestuur. Regels voor deze interne onderzoeken zijn opgenomen in de verordening
                    artikel 213a Gemeentewet.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Tussentijdse rapportage en informatie </tussenkop><al>Artikel 7, eerste tot en met vierde lid, formaliseert een belangrijk onderdeel
                    van de planning en control van de raad. De raad geeft namelijk de aard van de
                    informatie aan die het college standaard dient te verstrekken, evenals de
                    reguliere frequentie. Op basis van deze informatie kan de raad de uitvoering van
                    de begroting volgen en besluiten of bijsturing nodig is. </al><al><cursief>Artikel 7 regelt wanneer de raad tussentijds over de stand van zaken in
                        het lopende begrotingsjaar moet worden geïnformeerd. In dit artikel is
                        gekozen voor twee tussenrapportages.</cursief></al><al>Voor de termijnen waarop de rapportages worden opgesteld en aan de raad worden
                    gepresenteerd, wordt aansluiting gezocht bij de vaststelling van de termijnen in
                    de Bestuurlijke Planning. Bij grote afwijkingen/ calamiteiten wordt niet gewacht
                    tot de eerstvolgende tussenrapportage, maar wordt de raad per ommegaande
                    geïnformeerd. </al><al/><al>In het derde lid van het artikel geeft de raad kaders voor de inrichting van de
                    tussenrapportages. In het vierde lid geeft de raad aan waarover zij in elk geval
                    in de tussenrapportages wil worden geïnformeerd. Om de gemeentelijke organisatie
                    niet op te zadelen met een rapportagecircus is het natuurlijk wel zaak, dat de
                    tussenrapportages niet te uitgebreid en overzichtelijk zijn.</al><al>Het vijfde lid gaat in op de informatieplicht van het college voor nieuwe, niet
                    expliciet in de begroting opgenomen activiteiten.</al><al>De raad autoriseert het college met het vaststellen van de begroting op
                    hoofdlijnen voor het door het college uit te voeren beleid. Hiermee worden alle
                    afzonderlijke verplichtingen die in de programma’s besloten liggen in materiële
                    zin, oftewel financieel geaccordeerd. Bij de uitvoering van de begroting geldt
                    voor het college de informatieplicht uit het vierde lid artikel 169 Gemeentewet. </al><al/><tussenkop>Artikel 8 Jaarstukken</tussenkop><al>Jaarstukken bestaan uit de jaarrekening en het jaarverslag. Artikel 8 is het
                    sluitstuk van de begrotingscyclus, de verantwoording over de
                    begrotingsuitvoering door het college, c.q. de controle van de raad daarop.
                    Basis daarvoor is de productrealisatie. In het eerste lid wordt daarvoor een
                    kwaliteitseis gesteld. Het tweede lid is de tegenpool van artikel 2, lid 2.</al><tussenkop>Artikel 9 De financiële positie </tussenkop><al/><al>De raad geeft in dit artikel enkele belangrijke uitgangspunten aan die het
                    college voor de uiteenzetting van de financiële positie en de meerjarenramingen
                    moet volgen. </al><al>Tevens wordt hier expliciet vastgelegd hoe de raad bij het vaststellen van de
                    financiële positie, de investeringskredieten autoriseert. De autorisatie van
                    deze kredieten zou anders, als gevolg van het door gemeenten gehanteerde lasten
                    en batenstelsel, buiten de boot vallen. Investeringen van gemeenten worden
                    voornamelijk geactiveerd en drukken zodoende in het jaar van aanschaf niet op de
                    onder de programma’s verantwoorde lasten. Bedrijfsmiddelen zijn die activa, die
                    voor de normale bedrijfsvoering noodzakelijk zijn en een afschrijvingstermijn
                    hebben van maximaal 7 jaar. Het gaat hierbij met name om voertuigen, computers,
                    hardware en diverse materieel. De sectoren beschikken hiervoor over een
                    jaarlijks budget. Dit budget wordt bij de vaststelling van de programmabegroting
                    geautoriseerd. </al><al/><tussenkop>Artikel 10 Waardering &amp; afschrijving vaste activa </tussenkop><al>De verordening moet volgens artikel 212 Gemeentewet in elk geval bevatten de
                    “regels voor waardering en afschrijving activa”. Artikel 10 stelt de regels voor
                    de waardering en afschrijving van de vaste activa. De vaste activa zijn te
                    verdelen in immateriële vaste activa en materiele vaste activa. De immateriële
                    vaste activa zijn te verdelen in kosten voor het afsluiten van geldleningen en
                    overige immateriële vaste activa. De materiele vaste activa zijn onder te
                    verdelen in materiele vaste activa met economisch nut en materiele vaste activa
                    met alleen maatschappelijk nut.</al><al/><al>Het eerste lid bepaalt, dat overige immateriële activa zijnde disagio en kosten
                    voor onderzoek en ontwikkeling lineair worden afgeschreven in 5 jaar. Het tweede
                    lid bepaalt, dat de kosten voor het afsluiten van geldleningen ineens ten laste
                    van het resultaat worden gebracht. <cursief>De bepaling dat onderzoeks- en
                        ontwikkelingskosten alleen geactiveerd mogen worden indien er een direct
                        verband bestaat met een vast actief in eigendom van de gemeente is gebaseerd
                        op de BBV.</cursief></al><al>Het derde lid verwijst naar de (laatste) door de raad vastgestelde nota
                    Afschrijvingsbeleid waarin deze afschrijvingstermijnen zijn aangegeven. Afwijken
                    van de genoemde afschrijvingstermijnen kan alleen bij raadsbesluit. Dit besluit
                    kan worden genomen bij het voorstel voor de investering. Er dienen gegronde
                    redenen te zijn. Te denken valt hierbij aan bijzondere investeringen, waarbij de
                    technische of economische levensduur afwijkend is van de vastgestelde termijnen.
                    Voor bedrijfsmiddelen wordt de bevoegdheid om af te wijken van de vastgestelde
                    termijnen overgelaten aan het college. Bij bedrijfsmiddelen gaat het om die
                    investeringen die noodzakelijk zijn voor de normale bedrijfsvoering. Het gaat
                    hierbij met name om voertuigen, computers, hardware en diverse materieel.
                    Sommige van deze activa zijn zo specifiek, dat op basis van deze specifieke
                    kenmerken afwijking van de vastgestelde termijnen mogelijk moet zijn.</al><al/><al>Het vierde lid, onderdeel a, geeft een opsomming van de activa van de gemeente,
                    welke slechts een maatschappelijk en geen economisch nut hebben. Investeringen
                    in vaste activa met alleen maatschappelijk nut, mogen ineens ten laste van de
                    exploitatie worden gebracht. De praktijk is dat investeringen met een meerjarig
                    nut voor de gemeente geactiveerd en afgeschreven worden in overeenstemming met
                    de door de raad vastgestelde afschrijvingstermijnen. In lid 4 is er voor gekozen
                    om aan te geven wat voor soorten van activa het betreft. Meer gedetailleerd gaat
                    het dan om de zaken als waterwegen, waterbouwkundige werken, permanente
                    terreinwerken, wegen, straten, fietspaden, voetpaden, bruggen, viaducten,
                    tunnels, verkeerslichtinstallaties, openbare verlichting, straatmeubilair,
                    reconstructie openbare ruimten, parken en overig groen.</al><al>Het vierde lid, onderdeel b, bepaalt dat activa met alleen maatschappelijk nut,
                    onder aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves in principe
                    geactiveerd worden, maar dat hier bij raadsbesluit van afgeweken kan worden.
                    Activering is nodig indien een gemeente een (aantal) zeer grote investeringen in
                    de openbare ruimte wil uitvoeren. Een gemeente kan bij een dergelijke
                    (meerjarige) investering de begroting meestal niet sluitend krijgen. Dit is
                    echter wel verplicht. Artikel 189 Gemeentewet bepaalt namelijk, dat de begroting
                    in enig jaar in evenwicht is, dan wel evenwicht in de eerstvolgende jaren tot
                    stand wordt gebracht. In een dergelijke situatie is activering van deze
                    investeringen een goede oplossing voor het gelijkmatig verdelen van lasten over
                    de jaren, waarin ook van het maatschappelijke nut wordt genoten. Ook hiervoor
                    worden door de raad de bijbehorende maximale afschrijvingstermijnen bepaald als
                    richtlijn. </al><al/><tussenkop>Artikel 11 Waardering debiteuren en overige vorderingen </tussenkop><al/><al><cursief>Ieder kwartaal wordt op basis van een risicoclassificatie een overzicht
                        van dubieuze vorderingen opgesteld. </cursief><cursief>Na accordering door de sectorcontroller worden de dubieuze vorderingen
                        verwerkt in een voorziening.</cursief></al><al><cursief>Een overzicht van oninbare vorderingen wordt ieder kwartaal opgesteld.
                        Voorstellen tot het afboeken van oninbare vorderingen boven € 500 worden,
                        met een toelichting ter vaststelling aangeboden aan het college van B&amp;W.
                    </cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 12 Reserves en voorzieningen </tussenkop><al/><al>Een belangrijk beleidsmatig aspect betreft de omvang van het eigen vermogen van
                    een gemeente. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat uit de algemene
                    reserves en bestemmingsreserves, terwijl ook de vorming van voorzieningen van
                    invloed is op de omvang van het eigen vermogen. Hoe groot moet het eigen
                    vermogen zijn om risico’s op te vangen en gaan we een investering financieren
                    door belastingverhoging, of door het interen op het eigen vermogen, zijn
                    financieel beleidsmatige vragen die thuishoren bij de raad.</al><al>Artikel 12 bepaalt, dat het college een overzicht over de reserves en
                    voorzieningen aanbiedt ter behandeling en vaststelling door de raad. </al><al/><tussenkop>Artikel 13 Kostprijsberekening </tussenkop><al>In artikel 13 is de grondslag voor de bepaling van heffingen en tarieven
                    neergelegd, zoals dat door artikel 212, lid 2, let b Gemeentewet wordt geëist.
                    De grondslag voor de hoogte van heffingen en tarieven is namelijk politieke
                    besluitvorming door de raad op basis van de geraamde hoeveelheden en de geraamde
                    kostprijzen. Kostprijzen laten zich op vele manieren berekenen. In dit artikel
                    worden uitgangspunten voor de bepaling van de kostprijzen gegeven.</al><al/><al>Artikel 13, lid 1 bepaalt, dat naast de direct aan een product toe te rekenen
                    kosten ook de indirecte kosten die samenhangen met de vervaardiging van het
                    product kunnen worden meegenomen voor de kostprijsbepaling. Het toe te rekenen
                    deel van de overhead zal nader bepaald worden in een vast te stellen notitie
                    ‘kostentoerekening’. Zolang deze notitie nog niet is vastgesteld gelden hiervoor
                    de oude regels. Deze houden in dat alleen de overheadkosten van de
                    desbetreffende sector worden toegerekend aan het product. Dit betekent dat de
                    kosten van de sectoren FBB en CZ nog niet worden toegerekend aan de producten én
                    daarmee ook niet in de kostprijsberekening zijn verdisconteerd. </al><al>Artikel 229b, lid 2, Gemeentewet stelt, dat bijdragen aan bestemmingsreserves en
                    voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa voor
                    bepaling van de geraamde kostprijs en dus voor de bepaling van het tarief of de
                    heffing mogen worden meegenomen. Veel gemeenten hanteren daarnaast het
                    mechanisme van rentetoerekening over de reserves en de voorzieningen aan in
                    gebruik zijnde kapitaalgoederen. </al><al>Artikel 13, lid 2 van de modelverordening bepaalt, dat deze beide kosten ook
                    daadwerkelijk worden meegenomen voor de berekening van de geraamde kostprijs.
                    Indien is gekozen voor het systeem van het toerekenen van bespaarde rente dan is
                    het verplicht deze rente als lasten mee te nemen in de kostprijs.</al><al>Op grond van lid 2 mogen ook worden meegenomen de kosten compensabele BTW voor
                    rioolrechten en afvalstoffenheffing. Voor de berekening van de rioolrechten
                    wordt rekening gehouden met compensabele BTW. Binnen de afvalstoffenheffing
                    wordt rekening gehouden met een gedeeltelijk compensabele BTW (gebaseerd op het
                    percentage dat al op de afvalstoffenheffing drukte van het
                    BTW-compensatiefonds).</al><al>Het rentepercentage van de toerekening van kapitaallasten is van invloed op de
                    lasten, maar ook van invloed op de kostprijs. Indien men voor de bouw van een
                    school een lening heeft afgesloten, kan men er voor kiezen de rentelasten op de
                    kosten van het schoolgebouw te laten drukken. Dit wordt in de gemeentelijke
                    boekhouding bereikt door de zogenaamde rente-omslagmethode. Het rentepercentage
                    dat wordt gehanteerd bij de omslagmethode, is van invloed op de kostprijs. Het
                    rentepercentage valt zodoende onder het budgetrecht van de raad. </al><al>Daarnaast is bij de rente-omslag van de kapitaallasten toerekening van de
                    bespaarde rente over het eigen vermogen toegestaan. Artikel 13, lid 3 legt het
                    te hanteren rentepercentage voor de omslagrente van de kapitaallasten vast,
                    gebaseerd op de in de gemeente Ede gehanteerde genormeerde renteomslagmethode. </al><al/><tussenkop>Artikel 14 Financieringsfunctie </tussenkop><al>De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het
                    middelenbeheer. Taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het terrein van
                    de financieringsfunctie zijn vastgelegd in het treasurystatuut. </al><tussenkop>Artikel 15 Registratie bezittingen en activa </tussenkop><al>De achtergrond van dit artikel ligt vooral in de nieuwe waarderingsregels.
                    Activa met een maatschappelijk nut en niet geactiveerde kunstvoorwerpen worden
                    op basis van de nieuwe "Besluit begroting en verantwoording provincies en
                    gemeenten" zo snel mogelijk afgeschreven en staan dan niet meer op de balans.
                    Voor een goed beeld van de financiële positie is een volledige registratie van
                    de gemeentelijke bezittingen onontbeerlijk. Om te garanderen dat de registratie
                    actueel en juist is, wordt in dit artikel het college opgedragen periodiek de
                    registratie te controleren en bij afwijkingen maatregelen tot herstel te
                    treffen. </al><tussenkop>Artikel 16 Lokale heffingen </tussenkop><al>Het nieuwe artikel 212 Gemeentewet eist in het tweede lid, onderdeel b, dat de
                    verordening 212 Gemeentewet minimaal de grondslagen bevat voor de berekening van
                    de door het gemeentebestuur in rekening te brengen tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b Gemeentewet en in rekening te brengen heffingen als
                    bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer. In de verordening is er voor gekozen
                    om als uitgangspunt van het financieel beleid de grondslagen voor de bepaling
                    van heffingen, tarieven en prijzen in het algemeen te verankeren. Het eerste lid
                    van artikel 16 regelt, dat het college periodiek een nota lokale heffingen aan
                    de raad aanbiedt ter behandeling en vaststelling van de lokale lasten.</al><al/><al>Op grond van de vastgestelde nota moeten vervolgens de bijbehorende
                    belastingverordeningen worden aangepast en door de raad worden vastgesteld. De
                    nota bevat eveneens een overzicht van de overige verordeningen, waarin
                    heffingen, tarieven en prijzen zijn vastgelegd. Zo kan de raad op grond van de
                    nota ook de actualisatie van deze verordeningen agenderen.</al><al>Artikel 229b Gemeentewet en artikel 15.33 Wet milieubeheer stellen echter
                    randvoorwaarden aan de hoogte van de meeste tarieven en heffingen. Behalve
                    tarieven voor het geven van vermakelijkheden en belastingen mogen de tarieven en
                    heffingen niet het bedrag van de geraamde kostprijs te boven gaan. Voor het
                    vaststellen van de hoogte van de verschillende tarieven en heffingen heeft de
                    raad dus de geraamde kostprijs per tarief c.q. heffing nodig.</al><al>In afwijking van de voorgaande alinea is het in een aantal gevallen mogelijk
                    producten en diensten in één verordening op te nemen, waarbij een bepaald
                    product hoger wordt geprijsd dan de geraamde kostprijs, zolang het totaal van de
                    geraamde opbrengst de totale kosten van de in de verordening genoemde producten
                    niet overschrijdt.</al><al>Dit is het geval bij de leges, welke in de regel bijeen worden gebracht in één
                    legesverordening.</al><al>Voor inzicht in de hoogte van de baten in begrotingstechnische zin, heeft de
                    raad ook informatie nodig over de geraamde afzet in hoeveelheid. Het derde lid
                    regelt, dat het college de geraamde kostprijs per verordening en de geraamde
                    hoeveelheden per product/ dienst aan de raad verstrekt voor vaststelling van de
                    heffingen, tarieven en prijzen.</al><al>Het vierde lid regelt over welke feiten aangaande de lokale lasten de raad in
                    elk geval in de verplichte paragraaf lokale heffingen bij de begroting en
                    jaarstukken wordt geïnformeerd. Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen
                    informatiebehoefte over de lokale lasten en heffingen. Het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten schrijft de minimumeisen voor die in de
                    paragraaf moeten worden vermeld, namelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>de geraamde inkomsten;</al></li><li nr="b."><al>het beleid ten aanzien van de lokale heffingen;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van de lokale lastendruk;</al></li><li nr="e."><al>een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.</al></li></lijst><al/><al>Daarnaast kan men bijvoorbeeld opnemen:</al><lijst><li nr="f."><al>de kostendekkendheid van de rioolrechten, reinigingsheffing en
                            afvalstoffenheffing;</al></li><li nr="g."><al>de lokale lastendruk voor eenpersoonshuishoudens,
                            meerpersoonshuishoudens en bedrijven;</al></li><li nr="h."><al>het aantal en het bedrag aan kwijtscheldingen;</al></li><li nr="i."><al>de waardeontwikkeling van onroerende zaken in de gemeente.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 17 Weerstandsvermogen </tussenkop><al>Een gemeente loopt risico’s. Deze risico’s zijn van uiteenlopende aard. Tegen
                    een deel van deze risico’s kan een gemeente zich verzekeren, maar voor een groot
                    deel zijn de risico’s onverzekerbaar. Daarnaast kiezen gemeenten er soms voor om
                    voor bepaalde verzekerbare risico’s eigenrisicodrager te worden door zich bewust
                    niet voor deze risico’s te verzekeren. De niet verzekerde risico’s hebben, als
                    ze zich voordoen, (grote) financiële consequenties. Het is dus zaak voor een
                    gemeente, dat ze zich bewust is van de risico’s die ze loopt, en ze beheerst.
                    Het uitsluiten van risico’s is echter niet mogelijk. Waar gewerkt wordt vallen
                    spaanders. Niet verzekerde risico’s die zich voordoen, moet de gemeente
                    opgevangen met het eigen vermogen, door belastingverhoging of door beleidsmatige
                    ombuigingen op de begroting.</al><al/><al>het college uiteenzet hoe zij omgaat met de inventarisatie en beheersing van
                    risico’s. Dit zijn bijvoorbeeld regels over welke bezittingen van de gemeente
                    moeten worden verzekerd en welke procedures hiervoor gelden. Een ander voorbeeld
                    van een regel voor de beheersing van risico’s is, dat er jaarlijks een
                    rentevisie wordt gemaakt, waarmee de gemeente het renterisico op haar
                    leningportefeuille op een aanvaardbaar niveau houdt. Ieder college kan zelf
                    invulling geven hoever hij met deze regels wil gaan. Ten tweede moet het college
                    in deze nota de risico’s kwantificeren en aan de hand ervan het gewenste
                    weerstandsvermogen bepalen.</al><al>Het tweede lid regelt over welke risico’s en haar financiële consequenties de
                    raad in de verplichte paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en de
                    jaarstukken moet worden geïnformeerd. Het “Besluit begroting en verantwoording
                    provincies en gemeenten” verplicht een aantal zaken op te nemen in de paragraaf,
                    namelijk:</al><al>een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;</al><al/><lijst><li nr="a."><al>een inventarisatie van de risico’s;</al></li><li nr="b."><al>het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s;</al></li></lijst><al/><al>Voor de speciale aandacht in de verordening kan men denken aan een opsomming van
                    de risico’s zoals:</al><lijst><li nr="a."><al>tegenvallende rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;</al></li><li nr="b."><al>tegenvallende resultaten uit grondexploitatie;</al></li><li nr="c."><al>tegenvallende realisatie op begrote subsidieverwachtingen;</al></li><li nr="d."><al>lopende en te verwachten claims van derden;</al></li><li nr="e."><al>nog niet getaxeerde kosten van (vermoedde) milieuverontreiniging;</al></li><li nr="f."><al>overschrijding openeinde regelingen en subsidies;</al></li><li nr="g."><al>dreigend faillissement van verbonden partijen;</al></li><li nr="h."><al>dreigend faillissement van derden bij wie borgstellingen, garanties,
                            leningen of vorderingen uitstaan.</al></li></lijst><al/><al>In het onderhavige artikel is er voor gekozen om de beleidslijnen uit te zetten
                    in een nota. De desbetreffende, volgens het "Besluit begroting en verantwoording
                    provincies en gemeenten" voorgeschreven paragraaf informeert dan vooral de
                    uitvoering en toepassing van de nota. Hoewel niet voor de hand liggend, is het
                    ook mogelijk om niet met een nota te werken, maar om de beleidsmatige contouren
                    en de uitvoering beide in de paragraaf op te nemen. Deze opmerking geldt ook
                    voor de artikelen 18 tot en met 23.</al><tussenkop>Artikel 18 Onderhoud kapitaalgoederen </tussenkop><al/><al>In artikel 18 stelt de raad regels voor de verantwoordingsinformatie aan de raad
                    over het onderhoud aan kapitaalgoederen. De verantwoordingsinformatie wordt
                    gesplitst. Het eerste en tweede lid regelen, dat er nota’s aan de raad worden
                    aangeboden over het onderhoud aan de verschillende categorieën kapitaalgoederen. </al><al>Hierin kan op de stand van zaken worden ingegaan en kan de raad de kaders voor
                    het toekomstige beleid uiteenzetten. De nota's worden, in overleg met de raad,
                    periodiek geactualiseerd.</al><al/><al>Artikel 18, derde lid, regelt over welke feiten aangaande het financieel beheer
                    van het onderhoud van kapitaalgoederen de raad in de verplichte paragraaf
                    onderhoud kapitaalgoederen bij de begroting en jaarstukken in elk geval
                    geïnformeerd wordt. Hier kan de raad invulling geven aan haar eigen
                    informatiebehoefte over het onderhoud kapitaalgoederen. Het "Besluit begroting
                    en verantwoording provincies en gemeenten" schrijft enige feiten voor, die in de
                    paragraaf moeten worden vermeld. Namelijk het beleidskader, de daaruit
                    voortvloeiende financiële consequenties en de vertaling daarvan in de begroting
                    van het onderhoud wegen, het onderhoud riolering, het onderhoud water, het
                    onderhoud groen en het onderhoud gebouwen.</al><tussenkop>Artikel 19 Financiering </tussenkop><al>De basis voor dit artikel is gelegen in artikel 14. Artikel 19 regelt over welke
                    feiten inzake het financieel beheer van de financieringsfunctie de raad in elk
                    geval in de verplichte paragraaf financiering bij de begroting en jaarstukken
                    wordt geïnformeerd. De raad kan aangeven om over meerdere zaken geïnformeerd te
                    willen worden.</al><tussenkop>Artikel 20 Bedrijfsvoering </tussenkop><al/><al>Het domein van de ambtelijke organisatie is de verantwoordelijkheid van het
                    college. Beleid op dit gebied wordt in de eerste plaats vormgegeven door het
                    college. In dit artikel wordt dan ook slechts een nota over de bedrijfsvoering
                    ter kennisgeving aan de raad overgelegd.</al><al>Het tweede lid regelt verder over welke feiten aangaande het financieel beheer
                    van de bedrijfsvoering de raad in de verplichte paragraaf bedrijfsvoering wordt
                    geïnformeerd. De raad geeft in dit artikel invulling aan haar eigen
                    informatiebehoefte over de middelen bedrijfsvoering. </al><al>Men kan hiervoor bijvoorbeeld opnemen:</al><lijst><li nr="a."><al>aantal personeelsleden in dienst onderverdeelt naar leeftijd en
                            beloningsschaal;</al></li><li nr="b."><al>de instroom, uitstroom en het percentage ziekteverzuim van
                            personeel;</al></li><li nr="c."><al>de directe loonkosten;</al></li><li nr="d."><al>de personeelskosten;</al></li><li nr="e."><al>de kosten inleenkrachten;</al></li><li nr="f."><al>de kosten van ingehuurde externen;</al></li><li nr="g."><al>de huisvestingskosten;</al></li><li nr="h."><al>de automatiseringskosten;</al></li><li nr="i."><al>vernieuwing, uitbreiding, herstructurering, reorganisatie en inkrimping
                            van de ambtelijke organisatie, de gemeentelijke huisvesting, het
                            gemeentelijk materieel en de gemeentelijke automatiseringssystemen.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 21 Verbonden partijen </tussenkop><al>Artikel 21 stelt regels voor de verantwoordingsinformatie over de verbonden
                    partijen. Het eerste lid regelt, dat het deelnemen aan een verbonden partij voor
                    besluitvorming aan de raad wordt aangeboden. De beslissing om al dan niet deel
                    te nemen aan een verbonden partij is vaak sterk afhankelijk van de specifieke
                    situatie op dat moment. Aangezien het vormen van een verbonden partij niet al te
                    vaak optreedt, wordt voorgesteld dit afzonderlijk door de raad te laten
                    besluiten. </al><al/><al>Artikel 21, lid 2 regelt over welke feiten aangaande het financieel beheer van
                    verbonden partijen de raad in elk geval in de verplichte paragraaf verbonden
                    partijen bij de begroting en jaarstukken geïnformeerd wil worden. Hier kan de
                    raad invulling geven aan haar eigen informatiebehoefte over de verbonden
                    partijen. Wel schrijft het "Besluit begroting en verantwoording provincies en
                    gemeenten" enige feiten voor die in de paragraaf moeten worden vermeld,
                    namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de
                            doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting;</al></li><li nr="-"><al>de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen.</al></li></lijst><al/><al>Daar de begroting, jaarstukken en nota's openbare stukken zijn, kan vermelding
                    van bepaalde in de verordening vereiste informatie de belangen van de gemeente
                    schaden. </al><al>We kunnen bijvoorbeeld denken aan het voornemen om een financieel belang af te
                    stoten, hetgeen in bepaalde situaties de onderhandelingspositie van de gemeente
                    aantast. Deze gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op in de
                    begroting, jaarstukken en openbare nota’s.</al><al>Ingevolge het Besluit begroting en verantwoording dient een lijst van verbonden
                    partijen te worden bijgehouden.</al><al/><tussenkop>Artikel 22 Grondbeleid </tussenkop><al/><al>Een belangrijke taak van een gemeente is het daadwerkelijk ingrijpen in de
                    ruimtelijke ordening van een gemeente, door zelf vastgoedlocaties te (laten)
                    ontwikkelen. De uitgangspunten van het financieel beleid ten aanzien van het
                    grondbeleid horen bij de raad thuis. Artikel 22, eerste lid, regelt, dat het
                    college eenmaal per raadsperiode een nota grondbeleid aan de raad aanbiedt ter
                    behandeling en vaststelling. In deze nota kan de raad de kaders vaststellen voor
                    het toekomstig grondbeleid. De raad kan de nota altijd tussentijds
                    agenderen.</al><al>Het tweede lid van artikel 22 schrijft de feiten voor aangaande het grondbeleid,
                    waarover de raad in elk geval in de verplichte paragraaf grondbeleid bij de
                    begroting en jaarstukken moet worden geïnformeerd. Hier kan de raad invulling
                    geven aan haar eigen informatiebehoefte over het grondbeleid. In het
                    spraakgebruik wordt hieronder ook verstaan de jaarlijkse grondnota. Deze
                    Grondnota wordt betrokken bij het opstellen van de Programmabegroting (voorheen
                    bij de Programmarekening). De Grondnota wordt gebruikt bij het verstrekken van
                    prognoses in de financiële positie van de gemeente én voor het autoriseren van
                    voorgenomen planexploitaties.</al><al/><al>Omdat de begroting, jaarstukken en nota's openbare stukken zijn, kan vermelding
                    van bepaalde in de verordening geëiste informatie de belangen van de gemeente
                    schaden. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het opnemen van de financiële
                    onderhandelingsruimte in de begroting voor de aankoop van een stuk grond.
                    Dergelijke informatie tast de onderhandelingspositie van de gemeente aan. Zulke
                    gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op in de begroting,
                    jaarstukken en openbare nota’s.</al><tussenkop>Artikel 23. Niet verplichte paragrafen </tussenkop><al>Naast de verplichte paragrafen kunnen er in deze verordening ook niet verplichte
                    paragrafen worden opgenomen. Om hier flexibel mee om te kunnen gaan wordt
                    voorgesteld de niet verplichte paragrafen niet expliciet in de verordening te
                    benoemen, maar te verwijzen naar een ander document waarin de niet verplichte
                    worden uitgewerkt.</al><al/><al>Een eerste voorbeeld hiervan is de paragraaf Grote projecten. In de paragraaf
                    grote projecten wordt ingegaan op de stand van zaken van de nieuwe en de lopende
                    meerjarige projecten met een financiële omvang van meer dan € 5 miljoen.</al><al>Naar onze overtuiging behoeft geen specifieke beleidsnota over investeringen te
                    worden opgesteld, maar gaat het vooral om zicht op de wijze waarop we met grote
                    meerjarige investeringen (groter dan € 5 miljoen) omgaan. Zowel in het
                    planmatige traject als bij aanbesteding, gunning en realisatie.</al><al>Het desbetreffende onderwerp zelf maakt deel uit van een bestuursprogramma.
                    Daarin wordt de wenselijkheid van het doen van investeringen geformuleerd.</al><al>Het nut of de noodzaak dit nogmaals in een beleidsnota grote projecten op te
                    nemen is niet aanwezig.</al><al>Wel kan de afspraak worden gemaakt dat een investering van € 5 miljoen slaat op
                    een zelfstandig geheel, dat wil zeggen dat de raming van het project € 5 miljoen
                    of meer bedraagt. Partiële financiering, waarvan de som der delen uitkomt boven
                    € 5 miljoen wordt aangemerkt als een zelfstandige grote investering.</al><al/><tussenkop>Artikel 24. Inrichting administratie </tussenkop><al>In artikel 24 worden de kaders gegeven voor de inrichting van administraties van
                    de gemeente. In hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens moeten worden
                    vastgelegd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze
                    verordening regelt niet – inherent aan het dualisme – de regels en activiteiten
                    die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van het college. Deze
                    zal deze zaken wel in een besluit moeten vastleggen voor de aansturing van de
                    ambtelijke organisatie. Een en ander geldt ook voor artikel 25, 26 en 27.</al><tussenkop>Artikel 25 Financiële administratie </tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van de administratie is de financiële administratie.
                    Bij algemene maatregel van bestuur stelt het Rijk eisen aan de
                    verantwoordingsinformatie van gemeenten. In het "Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten" zijn onder andere
                    waarderingsgrondslagen, indelingen van te onderscheiden kostensoorten en
                    verplicht op te leveren financiële gegevens vastgelegd. Vanuit de financiële
                    administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de financiële
                    verantwoordingsinformatie aan de raad, maar ook aan de provincie, het rijk, de
                    Europese Unie etc.</al><tussenkop>Artikel 26 Financiële organisatie </tussenkop><al/><al>In dit artikel worden uitgangspunten voor de inrichting van de financiële
                    organisatie gegeven, waaraan het college bij het stellen van regels voor de
                    ambtelijke organisatie invulling moet geven. De uitgangspunten vormen kaders
                    voor het college, waaraan het zich moet houden.</al><al>In de onderdelen a en b worden eisen gesteld aan de toedeling van taken aan
                    organisatieonderdelen van de gemeente en de toewijzing van functies aan
                    functionarissen. In de onderdelen c t/m f worden eisen gesteld aan de
                    budgettoedeling en de verantwoording daarover.</al><al/><tussenkop>Artikel 27 Aanbesteding en inkoop </tussenkop><al>De inkoop van goederen en diensten en de aanbesteding van werken zijn
                    belangrijke en kwetsbare activiteiten welke een groot budgettair effect kunnen
                    hebben. Het hanteren van een protocol is naast de desbetreffende administratieve
                    aspecten tevens te zien als een vorm van risicobeheersing. De aansprakelijkheid
                    kan worden beperkt en er wordt jegens derden rechtszekerheid gecreëerd. Artikel
                    27 legt aan het college de zorg op om regels op te stellen voor de aanbesteding
                    van werken en inkoop van goederen en diensten. De regelgeving van de Europese
                    Unie dient daarbij nageleefd te worden. Doordat de regels worden vastgelegd kan
                    de accountant bij zijn controle van de jaarstukken nagaan of de interne regels
                    (en de Europese regelgeving) zijn nageleefd, het is een onderdeel van de
                    rechtmatigheidtoets De accountant beoordeeld hiervoor eveneens het systeem van
                    interne regels.</al><tussenkop>Artikel 28 Subsidieverstrekking en steunverlening </tussenkop><al>Een andere kwetsbare activiteit van gemeenten is de subsidieverlening en
                    steunverlening aan ondernemingen. De uitvoering van de subsidieverordening
                    behoeft geen verdere borging in onze organisatie door bijvoorbeeld protocollen.
                    De huidige uitvoeringsregels vormen voldoende achtervang. Naast risicobeheersing
                    is op delen van deze activiteit de Europese regelgeving inzake staatssteun van
                    toepassing. Geëigende maatregelen binnen de huidige processen moeten bijdragen
                    aan een juiste uitvoering van deze regelgeving.</al><tussenkop>Artikel 29 Inwerkingtreding </tussenkop><al><cursief>Deze verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van artikel
                        212 GW opgestelde verordening. Deze oude verordening is op 23 oktober 2003
                        vastgesteld door de Raad van de gemeente Ede en had als ingangsdatum 15
                        november 2003.</cursief></al><tussenkop>Artikel 30 Citeertitel </tussenkop><al>In dit artikel wordt de naam gegeven, waarmee men in de gemeentelijke stukken
                    naar deze verordening kan verwijzen.</al><al><cursief>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 13 oktober 2005, nr. VR
                        2005/94</cursief></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>