<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347784_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Olst-Wijhe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-79154.html">Gemeenteblad 2014, 79154 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Olst-Wijhe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8, lid 1, sub a, sub e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsstuk 2014/84</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Olst-Wijhe
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>De raad van de gemeente Olst-Wijhe</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 november 2014, nr.
            2014/84;</al>
          <al/>
          <al>Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, artikel
            35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
            werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>besluit vast te stellen de</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Olst-Wijhe.</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begrippen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag
                  een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van
                  verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;</al></li>
              <li nr="-"><al>bijstandsnorm: </al><al>1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de
                  Participatiewet, of</al><al>2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet
                  inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                  of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                  arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op
                  grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                  werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                  arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op
                  grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                  werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                  arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in
              artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en
              38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
              arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de
              Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
              zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li>
              <li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li>
              <li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en</al></li>
              <li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Horen van belanghebbende</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid
                gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li>
                <li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar
                    voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                    voorgedaan;</al></li>
                <li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de
                    gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of</al></li>
                <li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Afzien van verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college ziet af van een verlaging als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li>
                <li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college
                    heeft plaatsgevonden.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen
                aanwezig acht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een
                belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is
                verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand
                volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een
                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor
                die belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over
                de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de
                gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet
                mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van
                de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de
                verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de
                termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering
                ontvangt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de
                bijzondere bijstand als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van
                    artikel 12 van de Participatiewet, of </al></li>
                <li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op
                    bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4
                ‘bijstandsnorm’worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel
                12 van de Participatiewetverleende bijzondere bijstand’.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4
                ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de
              arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Gedragingen Participatiewet</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de
              artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen,
              worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>
                  <vet>eerste categorie</vet>: het zich niet tijdig laten registreren als
                  werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet
                  tijdig laten verlengen van de registratie;</al></li>
              <li nr="b."><al>
                  <vet>tweede categorie</vet>:</al><al>1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren
                  van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet.
                  Hieronder wordt ook verstaan het niet ondertekenen en terugsturen van het plan van
                  aanpak;</al><al>2°. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9,
                  eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een
                  belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld
                  in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                  verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de
                  Participatiewet;</al><al>3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als
                  bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te
                  willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                  arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van
                  de Participatiewet;</al><al>4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen
                  tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                  van de Participatiewet;</al></li>
              <li nr="c."><al>
                  <vet>derde categorie</vet>: het niet naar vermogen proberen algemeen
                  geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet
                  voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                  Participatiewet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de
              artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
              arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet
              inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
              niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
              categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                  het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                  verlengen van de registratie;</al></li>
              <li nr="b."><al>tweede categorie:</al><al>1°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                  mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al><al>2°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden
                  voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                  onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                  arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel
                  37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                  arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het
                  geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al><al>3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als
                  bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening
                  oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37,
                  eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                  arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid
                  tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                  ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
                  en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid,
                  van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                  zelfstandigen;</al><al>4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen
                  tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f,
                  van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                  werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening
                  oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="c."><al>derde categorie:</al><al>1°. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                  verkrijgen;</al><al>2°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>3°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</al><al>4°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden
                  voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste
                  lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                  gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste
                  lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                  gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid
                  tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                  voorziening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel>
            </kop>
            <al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt vastgesteld
              op:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste
                  categorie;</al></li>
              <li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede
                  categorie;</al></li>
              <li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde
                  categorie.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de
              arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
              de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van
              de bijstandsnorm gedurende:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f
                  en g, van deParticipatiewet;</al></li>
              <li nr="b."><al>twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel
                  a, c, d, e en h, van deParticipatiewet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Verrekenen verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast over de maand
                van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere
                omstandigheden dit rechtvaardigen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, kan de verlaging worden
                toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de
                daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de verlaging worden
                toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee
                daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a,
                van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats.
              </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
                Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag
                    tot € 1000;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag
                    vanaf € 1000 tot € 2000;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="c."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag
                    vanaf € 2000 tot € 4000;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag
                    van € 4000 of hoger.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties
              die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9,
              zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de
              uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
              werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of
              tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet
              inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
              als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging
              opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in
              artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging
              toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende
                  nakomen vanverplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li>
              <li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende
                  nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                  bepaalde vorm van bijstand;</al></li>
              <li nr="c."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende
                  nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;</al></li>
              <li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of
                  onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de
                  bijstand.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Samenloop en recidive</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze
                verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde
                verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur
                van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere
                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde
                verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd.
                Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende
                niet verantwoord is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze
                verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting
                als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting,
                wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete
                wordt opgelegd. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in
                deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde
                verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde
                verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere
                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende
                niet verantwoord is. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Recidive</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit
                waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen
                7, , 8, , 12, eerste lid, of 14 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare
                gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit
                waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen
                7, , 8, of 13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit
                waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18,
                vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de
                verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel>
            </kop>
            <al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet
              inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
              artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
              arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging
              die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
              verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging
              achterwege.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 18. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering </label>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin de
                  belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de
                  IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als: </al><al>a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                  grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en
                  een persoon ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of </al><al>b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een persoon zonder
                  dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                  voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="2."><al>Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de
                  belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW van de
                  IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon: </al><al>a. nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of </al><al>b. door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Intrekken oude verordening</titel>
            </kop>
            <al>De Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Olst-Wijhe wordt
              ingetrokken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening Participatiewet,
                  IOAW en IOAZ Olst-Wijhe.</al><al/></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering d.d. 15 december 2014</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De griffier,</ondertekening>
        <ondertekening>B.A. Duursema</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening>A.G.J. Strien</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>