<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347763_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentenieuws, 24-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening ozb 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 220 t/m 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014-089a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Behoort bij raadsvoorstel 2014-089a (titel: Verordening op de heffing en de
                        invordering van onroerendezaakbelastingen 2015.</al><al>De raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug;</al><al>Gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet></al><al/><al>Over te gaan tot vaststelling van de volgende verordening:</al><al>Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2015
                        (Verordening OZB 2015)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Inhoudelijke bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Belastingplicht</titel></kop><al>1 Onder de naam “onroerendezaakbelastingen” worden voor binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                    woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                    recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen:
                                    gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting.</al></li></lijst><al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als
                                    gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven
                                    (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking heeft gesteld.</al></li></lijst><al>3 Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld,
                            tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
                            eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Belastingobject</titel></kop><al>1 Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al><al>2 Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Maatstaf van heffing</titel></kop><al>1 De heffingsmaatstaf is op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al><al>2 Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                            hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                            heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            twee lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Vrijstelling</titel></kop><al>1 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is
                            gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                    cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                    ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt
                                    voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de
                                    ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                    of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat
                                    uit de in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                    eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten
                                    van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van
                                    delen van zodanig onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                    voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet
                                    aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het
                                    Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van
                                    de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                    heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                    rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                    uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon
                                    ten doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                    rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingwerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                    afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                    van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                    afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                    werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                    gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                    eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst voor
                                    het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                                    verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                    verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                    banken, abri’s, hekken en palen;</al></li><li nr="k."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                    beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van
                                    zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="l."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></li></lijst><al>2 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Belastingtarieven</titel></kop><al>1 Het tarief van de belasting is een percentage van de heffingsmaatstaf.
                            Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1520 %</al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting:</al><lijst><li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                            0,1192 %;</al></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                                            dienen 0,1620 %.</al></li></lijst></li></lijst><al>2 Aanslagen van € 10,00 of minder worden niet opgelegd. Voor de
                            toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                            aanslagbiljet verenigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere
                            heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al><al>3 Teruggaven van € 10,00 of minder worden niet verleend. Voor de
                            toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                            aanslagbiljet verenigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere
                            heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Termijnen van betaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                    1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke
                                    termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de
                                    maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet is vermeld en de tweede één maand later.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval de verschuldigde
                                    bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de
                                    betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden
                                    afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht
                                    gelijke termijnen. De eerste vervalt op de laatste dag van de
                                    maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen
                                    telkens een maand later.</al></li><li nr="3."><al>Indien tot tweemaal toe geen toereikend saldo beschikbaar is op
                                    de betaalrekening van de belastingschuldige waarvan door middel
                                    van automatische betalingsincasso geld wordt afgeschreven, wordt
                                    er een nieuwe termijn vastgesteld en komt de afgegeven
                                    machtiging tot automatische incasso te vervallen.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van lid 2 geldt ingeval het totaalbedrag van de op
                                    één aanslagbiljet verenigde aanslagen als bedoeld in artikel 1
                                    of meerdere andere heffingen: </al><lijst><li nr="a."><al>Lager is dan € 50,00 of meer is dan € 2.500,00 dat de
                                            aanslagen wordt geïncasseerd in twee termijnen, waarvan
                                            de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend
                                            op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet
                                            is vermeld en de tweede één maand later;</al></li><li nr="b."><al>Hoger is dan of gelijk aan € 50,00 maar lager is dan €
                                            75,00 dat de aanslag wordt geïncasseerd in drie
                                            termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag
                                            van de maand volgend op de maand die in de dagtekening
                                            van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                                            termijnen telkens een maand later;</al></li><li nr="c."><al>Hoger is dan of gelijk aan € 75,00 maar lager is dan €
                                            100,00 dat de aanslag wordt geïncasseerd in vier
                                            termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag
                                            van de maand volgend op de maand die in de dagtekening
                                            van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                                            termijnen telkens een maand later.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al> Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid,
                                    onderdeel c van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag
                                    gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn de
                                    voorgaande leden van overeenkomstige toepassing, voor zover deze
                                    wordt opgelegd met de aanslag. </al></li><li nr="6."><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                    voorgaande leden gestelde termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Nadere regels door het college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor
                            de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Overgangsrecht</titel></kop><al>De verordening op de heffing en de invordering van
                            onroerendezaakbelasting 2014 vastgesteld door de gemeenteraad van de
                            Utrechtse Heuvelrug op 16 december 2013, wordt ingetrokken met ingang
                            van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van ingang van de
                            heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                            belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag
                                    na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Citeertitel</titel></kop><al>1.Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening OZB 2015”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van 15 december 2014.</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>W.Hooghiemstra G.F. Naafs</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>